Belize

Zondag 16 februari 2020

De honden in de buurt waren uiterst vervelend vannacht. Eén groot blafconcert. Wat heb je überhaupt aan die beesten? Ze zorgen alleen maar overlast voor de omgeving. Sorry hondenliefhebbers, wij zijn geen fan van honden.

We stonden op, keken uit het raam en zagen dat het nog donker was. We pakken de spullen in en liepen naar het busstation, dat op zo’n 700 meter lopen lag. We waren er om 07.15. De bus zou vertrekken om 08.00 uur. Marjolijn haalde ontbijt bij de supermarkt tegenover het busstation en ik twee bekers koffie.

Om 08.00 uur vertrok de bus. We lazen wat in de reisgidsen op de tablet en de computer. We hadden gister al gezien dat we tussen Cancun en Tulum maar beter niet uit het raam konden kijken om het idyllische beeld van een land aan Caraïbische kust niet uit het oog te verliezen. Dit deel in Mexico is verknald door commercie en hebzucht.

We stoppen onderweg in Playa del Carmen, Tulum en Bacalar om na zes uur en een kwartier aan te komen in Chetumal. Onderweg werden films gedraaid. De film Taken 3 met Liam Neeson was waarschijnlijk moeilijk te volgen, want die werd twee keer achter elkaar vertoond. Dat was niet zo’n probleem, maar het geluidsniveau uit de boxen recht boven de stoelen was dat wel. Met name de hoge tonen (politiesirenes) waren erg vervelend.

In Chetumal werden we afgezet bij het nieuwe ADO busstation. Taxichauffeurs probeerden, zoals gebruikelijk, onze aandacht te vragen, maar we liepen en blok van het busstation vandaan en wuifden naar een taxi die in tegengestelde richting reed. Hij keerde en bracht ons naar het busstation bij de markt, vanwaar de bus naar Corazol in Belize zou vertrekken. Aan een gezinnetje dat we op straat hadden aangesproken hadden we naar het taxitarief gevraagd en dat werd ook aan ons gevraagd.

Bij het busstation bij de markt stonden geen nieuwe, luxe bussen. Alleen drie oude, Amerikaanse schoolbussen. De roze schoolbus was degene die we moesten hebben. We hoefden niet te zoeken naar de bus naar Corazol. Een forse, donkergekleurde man met een grote bos rastaharen zocht ons wel. In het Engels vroeg hij of we naar Belize gingen en na onze bevestiging pakte hij Remco’s rugzak over een bracht die de bus in.

Om 14.00 uur Beliziaanse tijd (15.00 uur Mexicaanse tijd) vertrok de bus. De motor van de bus gierde enorm bij het optrekken. Reggaemuziek klonk op normaal geluidsniveau uit de boxen. ‘Relax, man!

Minder dan een half uurtje na vertrek uit Chetumal waren we bij de grens. Daar moesten we de bus uit (rugzakken achterlatend in de bus) een naar een heel klein kantoortje lopen. Het had meer weg van een tolhokje dan van een kantoor van een immigratiedienst. Zoals verwacht werd ons ook om een exit fee gevraagd. We hadden op internet fora gelezen dat dit een scam is (oplichterij) waar moeilijk onder uit te komen is.  We maakten protest en de beambte wees op een tekst op het immigratieformulier. Hier stond weliswaar dat een toerist een exit fee verschuldigd is, maar die geldt alleen bij binnenkomst in Mexico. Maar dat stond er nu met er niet, dus de criminelen aan de grens misbruiken de onduidelijkheid op het formulier om toeristen te bestelen van 30 euro per persoon. Zo wordt je snel stinkend rijk. Hieruit was niet af te leiden dat het om een exit fee zou gaan en op het internet hadden we gelezen dat er ook geen sprake is van een exit fee in Mexico. Het is gewoon smeergeld. De beambte vroeg naar ons vliegticket, maar dat konden we niet zo snel vinden in de emailbox. Inmiddels was de conductrice uit de bus bij ons komen staan en al snel stonden de uitreisstempels in onze paspoorten en mochten we zonder het smeergeld te betalen vertrekken. Hiermee is bewezen dat er geen exit fee bestaat in Mexico.

Met de bus reden we 5 minuten verder naar de immigratiedienst van Belize. Nu moest de bagage wel mee naar binnen (in Belize is wel een douanegebouw). We vulden het inreisformulier in en al snel stond het inreisstempel in het paspoort. We hadden niets aan te geven en mochten bij de douane, direct achter de immigratie, doorlopen.

Vervolgens was het nog een kwartiertje rijden naar Corozal en een dik uur na vertrek vanuit Chetumal stonden we op het busstation van Corozal; een klein gebouwtje langs de weg en een parkeerterreintje voor de bus.

We liepen naar hotel Las Palmas waar we een aantal keren op het belletje, dat op de balie van de receptie stond, moeten drukken alvorens een slome, oudere man aan kwam lopen. Hij bepaalde ter plekke welke van de 29 kamers hij aan ons zou toevertrouwen. We waren zijn enige gasten die nacht! Niet zo gek bij deze absurde kamerprijzen (41 euro per nacht).

Nadat we de rugzakken op de kamer hadden gezet en een eerste aanzet hadden gedaan tot het uitvoeren van een massamoord op muggen (uiteindelijk zouden we er een stuk of 30!!! van het leven beroven en daarmee een dienst bewijzen aan de wereld) liepen we wat door het dorpje. Het was zondag. Vrijwel alle winkels waren dicht en het was stil in de stad, zoals De Dijk dat zo mooi zingt. Maar de mensen op straat, veel donkerder of zelfs zwart van huidskleur groetten ons allemaal en waren erg vriendelijk. Uiteindelijk belandden we in een klein parkje langs de waterkant, waar we op een krakkemikkig bankje onze eerste Beliziaanse biertjes op dronken die we ervoor bij een supermarktje dat door Chinezen werd gerund hadden gekocht en betaald met onze Mexicaanse pesos, die we achter de hand hadden gehouden als smeergeld. Waarschijnlijk was de koers niet de beste, maar het was voor ons  toch winst; we hadden er op gerekend dat we het geld kwijt zouden zijn aan de grens. Vier beachvolleyballers speelden een spelletje toen een jongeman op een fiets naast ons kwam staan en begon te vertellen. En van de beachbalspelers was zijn neef en was geselecteerd voor het nationale team. Vandaar het leuke spel. Het gesprek met de jongen was leuk en na een tijdje fietste hij weer verder. Anderen zaten te picknicken aan een tafeltje dat verzegeld was met de grond door middel van kettingen.

We aten bij een strandtentje. Het eten was lekker. Het was alleen vreemd dat we alleen een vork kregen en geen mes of lepel. Na het eten gingen we wild stappen in Corazol. Njet! We kochten nog wat te drinken bij de (een andere, maar weer een Chinese) supermarkt naast het hotel en probeerden te internetten bij het hotel, maar geen van de zes (of zo) routers werkten maar behoren.

Maandag 17 februari 2020

We ontbeten bij een restaurantje verderop in de straat waar hotel Las Palmas aan ligt. Twee tafeltjes voor het restaurant waren bezet. Drie gepensioneerden zaten aan de tafeltjes te ontbijten en spraken ons direct aan een bevolen het restaurantje aan.

We namen plaats aan een tafeltje in het restaurantje en een van de gepensioneerden zei dat we de eigenaresse in de keuken even moeten roepen. Ze had geen menukaart, maar zei wat ze had een weer besloten beiden om een burrito met bonen en kip te nemen. En een koffie. De koffie was instant en niet erg lekker. Beetje slap. Maar de burrito met kip en bonen was lekker. Het ontbijt kostte Bz8, oftewel USD 4 voor ons beiden.

Aan de overkant was een kantoor van de nationale telecomoperator. We stapten er binnen. Vier mensen zaten achter een balie; een ervan hielp een cliënt. Er werd gezegd dat we plaats konden nemen op de bankjes en ze werkten rustig door. Na een minuut of vijf mochten we  naar een balie. We zeiden dat er een SIM kaartje wilden. Dat was geen probleem. Een hele bureaucratie kwam er aan te pas om een SIM kaartje voor de duur van twee weken te verkopen. Kopieën van het paspoort, handtekeningen etc.  Absurd gewoon. Maar ‘online’ verlieten we het kantoortje.

We liepen naar de ruïnes van Corazol. Het was 09.00 uur, maar de zon had al geen medelijden meer met ons, dus paraplu op. Eenmaal bij de ruïnes (anderhalve kilometer lopen) besloten we om toch maar niet de toegang van Bz$10 per persoon te betalen, toen we zagen dat het complex niet erg indrukwekkend was.

We liepen terug naar het ‘centrum’. De paar -met name- mannen die we zagen, waren op de fiets en iedereen groette ons. Twee mannen kwamen op de fiets naar ons toe, groetten ons en een van hen zei dat hij graag toeristen het plaatje liet zien. Maar nu moest hij iets te eten maken. Anders had hij ons graag rondgeleid. Wij waren blij dat hij iets te eten moest maken.

In het dorpje was het nu heel wat levendiger dan gister, toen vrijwel alle winkels dicht waren (op de Chinese winkels na een daar zijn er relatief veel van, waaronder supermarktjes). We keken even op het marktje, maar dat was weg klein en na een uurtje hadden we ‘levendig’ Corozal ook wel gezien.

In 11.00 uur moesten we uitchecken en we liepen de paar honderd meter van het hotel naar de bushalte, waar de bus naar Orange Walk Town om 11.30 uur zou vertrekken. We kochten van Mexicaans pesos twee cola en kregen Belize dollars als wisselgeld terug.

De bus vertrok 5 minuten eerder dan verwacht en na een uurtje hobbelen over redelijk goede wegen tussen de suikerrietvelden, kwamen we aan in Orange Walk Town. Vanaf het busstation was het twee blokken lopen naar Casa Ricky. Ricky was niet thuis en we besloten hem te bellen en terwijl we met hem spraken door de telefoon, kwam hij de tuin in lopen. We waren veel te vroeg om in te checken, maar de kamer was al klaar en Ricky liet ons de kamer zitten. Erg basic, met een fan en bloedheet binnen. Ahum.

’s Middags liepen we wat door Orange Walk Town. We kochten appels op de piepkleine markt en liepen wat door de straatjes. Iedereen groette ons een was vriendelijk. We keken bij de brug, waar het Indepenceplein is. Dat zag er niet erg verzorgd uit. Alsof ze helemaal niet trots zijn op hun onafhankelijkheid.

Nabij de brug was het ‘House of culture’. En soort gemeenschapshuis, waar ook een piepklein museumpje in is gevestigd. We bekeken de vier vitrines met postjes en scherfjes en lazen de geschiedenis die ook grote doeken aan de wand was te lezen. Over de Britse overheersing, terwijl de Britten zelf niet in Belize aanwezig waren, behalve militair. En over de suikerindustrie.

We wilden ergens iets gaan drinken en hadden gelezen dat er een restaurantje langs de rivier zou zijn. We liepen er heen en negeerden de stank die uit een klein kanaaltje kwam. Er zijn nogal wat open riolen, die onaangenaam ruiken

Toen we het terrein van het restaurant, dat inderdaad erg fraai aan de rivier ligt, op liepen, zagen we een enorme vrachtwagen staan. Al snel was het ons duidelijk dat het een overland truck was. Toen we dichterbij kwamen zagen we een gele nummerplaat en ja hoor… nog wat dichterbij en er stond (natuurlijk) NL links op de nummerplaat.

Nieuwsgierig naar de verhalen van echte avonturiers liepen we naar de truck, waar een echtpaar aan een tafeltje in de schaduw van de truck zat te genieten van het uitzicht en de rust, die nu ruw werd verstoord door ons. Jos en Marjon stonden op en stelden zich voor. Ze waren al 22 maanden onderweg. Ze hadden de truck verscheept naar Halifax, Canada en reisden langzaam via Amerika en Mexico af naar Belize om uiteindelijk ooit eens te eindigen in Argentinië. Das pas echt gaaf!

Ze boden ons thee en later nog een biertje aan een we vertelden elkaar over onze ervaringen. Super leuk om hun verhalen te horen. Of lees ze zelf op wereldreis-met-bulletje2.weebly.com

Tegen 18.00 uur begon de schemering en kwam het ongedierte aanvliegen: muggen. We namen afscheid van Jos en Marion en liepen naar restaurant Sunday, een van de weinige restaurants die op zondag open was (op de altijd geopende Chinese restaurants na) en aten daar. Het eten was lekker, maar voor de tweede achtereenvolgende avond kregen we alleen een vork. Waarschijnlijk houden ze in Belize niet van veel afwas.

Na het avondeten liepen we in het donker terug naar Casa Ricky. Onderweg kochten we nog wat te drinken bij een supermarkt. ’ s Avonds over straat lopen is in Corazol en Orange Walk Town is veilig maar we hadden van locals al gehoord dat dat in Belize City wordt afgeraden. Maar Belize City slaan wij over.

Dinsdag 18 februari 2020

Toen we opstonden was het voor het eerst sinds lange tijd bewolkter dan gebruikelijk. Vaak zijn er wel vriendelijke, witte stapelwolken, maar nu waren de wolken groter dan normaal en grijzer aan de overkant. Enerzijds kwam dat wel goed uit, want meer bewolking betekent minder directe zon en juist de zonnestralen maken het overdag zo warm. Keerzijde was de vraag of de wolken niet iets in hun mars hadden waar wij minder op zaten te wachten.

We ontbeten op het dakterras voor de kamer in Ricky’s. De koffie konden we halen in de keuken, waar de koffie met vers was gezet. We vulden de grote mokken met opdruk van Casa Ricky’s.

Om 08.45 uur stond de gids klaar. Ricky had geregeld dat we vandaag een boottocht konden maken naar de ruïnes van Lamanai. Met de auto reden we naar de New Rivier, waar het bootje klaar lag in het water. De koelboxen met drank en lunch voor onderweg werden ingeladen, kussens werden op de twee banken in lengterichting gelegd en we konden vertrekken.

In hoog tempo voeren we in zo’n 20 minuten naar een andere opstapplaats, waar twee Franse meisjes ons kwamen vergezellen. Daarna begon de tocht werkelijk.

In een langzamer tempo voeren we over de New Rivier. Al snel vroeg de gids ‘of we McAfee kenden’. We antwoorden met ja en hij wees ons het huis van John McAfee, de man van de anti virus software. Het was een (echt) bescheiden onderkomen.

Verder op de rivier wees de gids ons op diverse vogels die in de bomen zaten langs de rivier. Hij noemde allemaal namen, die niet zijn blijven hangen. Bij een vogel werd zelfs de gids heel enthousiast. Hij zei dat het een zeer zeldzame vogel was een ‘once in a lifetime opportunity’. Het zal wel. Voor ons was het een leuke kleine watervogel, die rustig in de rivier rond zwom en  zich weinig om ons leek te bekommeren.

Na ruim twee uur varen over een rustige rivier met tamelijk glad water, kwamen we op het meer. Niet veel later waren we bij de ruïnes van Lamanai. Het was 11.30 uur en de gids zei dat we zouden beginnen met de lunch. Onder enkele grote afdaken stond een aantal picknicktafels en de lunch werd uitgestald op een van de tafels. We konden zelf opscheppen uit de verschillende bakjes met eten. Het eten was koud, maar best lekker.

Na de lunch bezochten we het kleine museumpje. Dat moest in een redelijk tempo worden bezocht. De gids wees ons de vampiervleermuizen die aan het plafond gingen van het nagebouwde Mayahuisje in het museumpje.

We volgden de gids door het ruïnecomplex. Her en der wees hij ons op vogels in de bomen. Ook zagen we enkele zwarte, ranke Howler apen. De mannetjes hebben zulke stembanden dat ze kunnen schreeuwen bij 120 decibel. Dat is harder dan welk ander dier op de wereld en hun geschreeuw schijnt tot op 7,5 kilometer afstand te horen te zijn. Die hebben we dan ook gehoord in Palenque. Wij zagen hier alleen vrouwtjes met baby’s.

De ruïnes zelf zijn niet heel erg indrukwekkend, tenminste dat waren ze niet voor niet ons nadat we al de nodige ruïnes hadden gezien in Yucatan. Maar de ligging is wel weer mooi. We konden een van de tempels beklimmen. Dit keer niet eng, want er was een houten trap aan de achterzijde gebouwd tot bijna helemaal boven. Alleen de laatste vier of vijf meter was over de ‘originele’ trappen.

Helaas lag er een cruiseschip in Belize, want er waren meerdere tourgroepen met veel dikke Amerikanen. En die zijn niet gewend om trappen te lopen, dus na een paar treden stonden de meesten al te hijgen en te klagen. Het uitzicht van boven was mooi. We keken uit over het meer, dat er eigenlijk meer uitziet als een hele brede rivier dan een echt meer. De gids vertelde iets over het complex, maar was niet erg informatief.

Tegen half twee vertrokken we weer. De terugweg ging wel wat sneller. Op het meer stond veel wind en er was wat lage golfslag, maar eenmaal terug op de rivier werd het gebonk minder. De lucht werd egaler grijs en tweemaal hadden we een licht buitje onderweg. Niet genoeg om nat te worden, maar nadat we de Franse meisjes hadden afgezet bij hun beginpunt begon het harder te regenen en schuilden we kort onder de autobrug. Toen het minder hard regende, voeren we de laatste 20 minuten verder naar Orange Walk.

De gids zette ons met de auto af bij een supermarkt in het centrum, waar we iets te snacken kochten we wat te drinken en daarna liepen we terug naar Casa Ricky om daar op het dakterras in een hangmat te gaan liggen. De lucht was egaalgrijs boven ons en we zagen de regenboog mooi helder afsteken tegen de donkere lucht.

‘s Avonds zagen we (eigenlijk hoorden we de auto eerst met een monotone harde brom) een auto langzaam door iedere straat in de omgeving rijden. Het was een auto met een open bak, waarop een sproeier stond, die een anti muskietengif in de straten spoot. Kort roken we een sterke lucht van bestrijdingsmiddel/citronella. Zou dat helpen?

We aten bij Nahil Mayab. De eerste avond was het restaurant dat werd aanbevolen door iemand op straat gesloten. Het eten was goed, vooral de Quesedillas (een soort pannenkoekjes met vulling van kaas en kip).

Woensdag 19 februari 2020

De zon scheen weer volop. Toen we opstonden waren onze jonge buren uit Duitsland al aan het ochtendgymnastieken op yogamatjes op het dakterras. We ontbeten met uitzicht op de sporters, waarbij de jongen soms kreunde van de pijn!!??  We pakken de spullen in en vertrokken rond 08.45 uur. Op dat moment werden onze Duitse buurtjes opgehaald voor de boottocht naar Lamanai, maar toen waren ze nog helemaal niet klaar. Plannen is niet hun sterkste kant, schijnbaar.

We liepen de twee blokken naar het busstation om daar te horen dat de bus net was vertrokken naar Belize City. Maar de volgende zou over een half uur gaan. En dus wachtten we een half uurtje.

De bus vertrok. Voor ons zaten drie Mennonietische mannen. Alle drie hadden ze een baard, een zelfde soort broek aan, die met bretels werd gedragen en ze hadden alle drie een goedkope strohoed op. Je herkent ze direct aan hun afwijkende kledingstijl.

De bus was gelukkig niet vol. Onderweg werd gestopt als een passagier langs de kant van de weg stond. Voor we het wisten waren we al in Belize City. Daar reden we door de stad maar het busstation. Al snel oordelende we aan wat we vanuit de bus zagen, dat we aan Belize City niet veel zouden missen.

Op het busstation moesten we overstappen. Zoeken naar de juiste bus is niet moeilijk. Iedereen is bereidwillig om je te helpen. De eerstvolgende bus op hetzelfde perron zou naar San Ignacio, of eigenlijk naar het laatste dorpje voor de Guatemalteekse grens gaan.  De kleine wachtruimte in de openlucht onder een luifel, is door middel van een hoog hek met gaas afscheiden van het deel waar de bussen staan. Het hek gaat pas open als een bus aankomt en weer vertrekt.

We kochten 6 kleine Belize City pasteitjes en twee flesjes cola en om 12.00 uur vertrok de bus weer. Op het busstation ontmoeten we een Italiaan en zijn Japanse vriendin en in de bus kletsten we wat met elkaar. Voor we het wisten waren we al in de hoofdstad Belmopan. Als je je ogen te lang gesloten houdt, dan zie je er niet eens iets van. Dit is een dorp!

Na tien minuten pauze op het busstation van Belmopan reden we verder naar San Ignacio. In kilometers is dit korter dan van Belize City naar Belmopan, maar er zijn meerdere stops, waardoor ook dit deel van de rit anderhalf uur zou duren.

Het landschap veranderde. Van het vlakke landschap langs de kust met veel rietsuiker, werd het landschap nu heuvelachtiger, met akkers, waar slechts zo nu en dan wat vee op graasde. Het landschap werd liefelijker. Mooie palmbomen met brede stammen en een grote kruin stonden in het landschap.

Rond 15.00 uur waren we in San Ignacio. Vanaf het busstation was het vijf minuten lopen naar hostel Tropicool. De kamer die we kregen vonden we niet aantrekkelijk en na wat protest kregen we een marginaal betere kamer. Wat ons bevreemde waren de bedden. De ombouw was van beton gemaakt en betegeld en de bedden waren nogal hoog. Soort seniorenbedden.

We liepen wat door San Ignacio, dat erg klein is en waar niets gebeurt. ’ s Avonds aten we in een restaurantje schuin tegenover het hostel. En grote, donkere en oudere man probeerde klanten naar binnen te lokken, maar wij hadden sowieso al besloten om daar te gaan eten. We namen vooraf een Samosa, die niet slecht was, en een curry als hoofdgerecht. Na het eten kochten we een wat te drinken en gingen zitten op een bankje in de tuin van het hostel en veranderden onze reisplannen. We besloten om vanuit San Ignacio naar Flores (Tikal) te gaan en na Flores weer terug te keren naar Belize en dan zuidwaarts te reizen. We moeten nu wel twee keer een officiële exit fee betalen in Belize van USD 20 per persoon (per keer). Het alternatief 1 zou zijn dat we vanuit Flores naar Guatemala stad zouden vliegen, dat 140 USD zou kosten. Een ander alternatief waren diverse busritten waaronder een nachtbusrit van zo’n 8 uur. De vlucht was de keuze die we eerder hadden gemaakt. Door nu de wijziging te maken om vanuit San Ignacio naar Flores te gaan, zou een reisdag besparen en een interne vlucht. De dubbele exit fee was voor ons gunstiger en de reisroute (aantal uren in de bus) wordt zo bekort.

Donderdag 20 februari 2020

We ontbeten in het – al weer warme – ochtend zonnetje aan de picknicktafel in de tuin van het hostel. Rond 09.00 uur gingen we op zoek naar de bus die ons zou brengen naar het Mennonieten dorp ‘Spanish lookout’. Tsja, het is een enorme creatiefeling geweest, die sommige plaatsnamen in Belize heeft verzonnen. We vroegen het aan een aantal mensen en we kregen verschillende antwoorden. Marjolijn vroeg het zelfs aan twee Mennonieten vrouwen, maar die antwoorden dat ze nooit de bus namen, maar altijd met de auto gingen (hum????), terwijl ze breed lachten.

We kwamen erachter dat de bussen vertrokken om 09.00 uur, 10.20 uur en vervolgens iedere 20 minuten vanaf de parkeerplaats links van de houten brug in het centrum (San Ignacio stelt niets voor). We liepen nog wat door het dorpje en liepen naar de bus. Om 10.20 uur gingen we op weg. Van buiten de bus, toen we aan kwamen lopen, leek de bus wel leeg door de geblindeerde ramen, maar in de bus bleek die helemaal voel vol te zitten. 99,9,% vrouwen. De bus vertrok, maar volgde niet de weg die Maps. Me aangeeft. We volgen en route langs de dorpjes Santa Familia en Duck Run 1 (nee, je wordt niet in de maling  genomen). Twee keer was een stuk van de weg onverhard (de hele afstand is maar ongeveer 30 kilometer). Waarschijnlijke dat de routeplanner daarom de route niet kon opbouwen.

Eenmaal in ‘Spanish lookout’ vroeg de conductrice of we er bij de General store uit wilden. We zeiden maar ‘okay’, hoewel we niet wisten waar we dan zouden stoppen. We stapten uit voor een grote supermarkt. We keken er binnen. Mennonieten vrouwen stonden achter een aantal balies voor zaken waarbij je bediend werd, zoals stoffen op de rol of bij een balie met kostbare, diefstalgevoelige dingen.

Verder was de supermarkt zoals alle anderen, maar voor Belize was die groot en goed. We kochten voor de zekerheid toch nog maar een spuitbus zonnebrand en een spuitbus ‘Deep wood’ anti-beestjes spray met 25% DEET en ook douche crème.

Verder was ‘Spanish lookout’ en grote teleurstelling. Het is een enorm uitgestrekt dorp met veel industrie. Drie veevoederfabrieken en een melkfabriek. De enige commerciële melkfabriek van Belize. Die van de Happy cow kaas, die je in Belize ziet.

In de melkfabriek was ook een enorm groot fast food restaurant, waar wij ook luchten. Als toetje namen we natuurlijk een ijsje dat daar geproduceerd werd. Twee bolletjes werden twee bollen en het werd nog een hele opgave om het ijs op te eten.

Maar de grootste teleurstelling was dat we eigenlijk maar één handvol Mennonieten hebben gezien, die allemaal in de supermarkt werkten. Buiten de supermarkt was niets dat wees op een dorp van de Mennonieten. Zelfs in de bus vanuit Orange Walk town naar Belize city zagen we meer Mennonieten dan hier in ‘Spanish lookout’.

We liftten terug. In eerste instantie stonden we niet helemaal op de juiste plek, maar nadat we op de juiste plek stonden, hadden we al snel en lift in een oude auto. Moeder, met pasgeboren kind aan de borst op de bijrijdersstoel. We konden meerijden tot aan de hoofdweg. Daar stapten we uit een hadden we al snel en tweede lift achter in de open laadruimte van een ‘bakkie,’  terug naar San Ignacio.

We aten ’s avonds in restaurant Ko-Ox Han-Nah, waar we bij een Duits stelletje aan tafel werden uitgenodigd, omdat alle tafeltjes vol waren. Weer aten we een chicken curry. Net nadat wij een plekje hadden gevonden, kwam een grote groep het restaurant binnen. Met de Duitsers uit München was het gezellig en na het eten dronken we nog wat in de tuin van ons hostel en kletsten we verder.

Vrijdag 21 februari 2020

Na het ontbijt liepen we de 100 meter maar het centrale plein. We zochten de schaduw op een namen plaats op een bankje in wat leek op een bushalte. De zon was vanochtend al ruim voor ons opgestaan en scheen weer uitbundig. Reden genoeg om de schaduw zo veel mogelijk goed te benutten.

Al snel kwam de chickenbus richting Benque. We namen de bus tot de afslag naar de ruïnes van Xunantunich. Die weg konden we niet nemen voordat we met een klein veerpontje werden overgezet over de smalle rivier met groenig water. De pont was geschikt voor vier auto’s. De eerste twee auto’s reden het kleine pontje op een parkeerden halverwege het pontje. Ze mochten pas verder doorrijden als de derde en vierde auto de pont op reed. Waarschijnlijk kapseist de pont anders.

De pont werd op mankracht bediend en al snel hadden we de misschien 30 meter brede rivier overgestoken.

Na de ferry was het nog 1,5 kilometer heuvelopwaarts lopen tot aan de kassa van de ruïnes. We kochten kaartjes (BZ10; USD5 p.p.) en liepen naar het kleine museumpje, dat helaas slecht verlicht was. We bekeken de enkele uitgestalde objecten en lazen het verhaal achter Xunantunich. Daarna liepen we naar de ruïnes. Die liggen prachtig op een heuvel met uitzicht over de jungle van Belize en de grens met Guatemala op een steenworp (1 km, dus wel ver gooien) afstand. Er waren enkele groepen Amerikanen, maar afgezien daarvan was het rustig en vredig. De hoogte tempel (ruim 40 meter hoog en de op één na grootste toren in Belize) heeft aan de oost- en westzijde nog friezen. Die aan de noord- en zuidzijde zijn verdwenen. Van bovenaf was het uitzicht over het complex en de omgeving erg mooi.

Na ruim een uur hadden we het wel gezien en liepen we terug naar de veerboot. We werden netjes overgezet, samen met een andere wandelaarster, een daarna hadden we al snel en lift terug naar San Ignacio.

We lunchten bij een klein eettentje dat Lydia heet. Ze hadden rijst met bonen en kip. Het was volgens één van de klanten de juiste plek om te eten. Het was erg druk met locals en het eten smaakte ons goed.

Na de lunch liepen we twee en een halve kilometer naar het punt waar twee rivieren samenkomen en vanaf dat moment de Belizerivier vormen. Het punt was wel idyllisch, maar of het de wandeltocht in de snikhitte waard is, valt te betwijfelen. Maar we hadden wel even onze beweging gehad. De laatste tijd bewegen we toch al te weinig.

We beloonden onszelf met een ijsje bij een ijssalon naast het ons hostel.

’s Avonds liepen we naar een restaurantje Cenaida’s. Toen we het gebouwtje zagen, zeiden we tegen elkaar dat we ‘anders wel weer konden gaan eten waar we gisteravond hadden gegeten’. Het restaurantje zag er erg basic uit. Een klein houten gebouwtje, dat meer weg had van een schuurtje, maar het restaurantje zat vrij vol en we aten er goed.

Zaterdag 22 februari 2020

Vannacht werden we gewekt rond 03.00 uur door een regenbui. Waarschijnlijk was de bui op zich nog niet eens zo hevig, maar de regendruppels op de golfplaten daken maakte een hoop lawaai. Daarnaast zijn er geen dakgoten en druipt de regen van de daken op van alles dat op de grond stond en dat veroorzaakte ook een hoop lawaai. Met oordopjes in sliepen we verder. Rond 06.00 uur weer wakker van een tweede bui.

We ontbeten in het halletje voor de kamer. Daar stond een tafeltje en een paar stoelen. Niet erg gezellig, maar buiten was alles nat.

Rond 08.45 uur vertrok de groen witte chicken bus naar het plaatsje Benque (2 Beliziaanse dollar p.p.), dat het grens plaatsje is in Belize. Vanaf het busstationnetje namen we een gedeelde taxi (5 Beliziaanse dollar) naar de drie kilometer verder gelegen grens. Daar stond al een geldwisselaar ons op te wachten en tegen een koers van 7 Quetzales tegen een USD wisselden we USD 20.

We liepen het kantoortje van de immigratie in. Daar was eerst de kassa om USD 20 uitreisbelasting per persoon te betalen. Nadat we de kassabon en het paspoort hadden terug gekregen, was het 20 meter lopen naar de volgende balie, waar al snel het uitreisstempel in het paspoort werd gezet.

Vervolgens liepen we het kantoor uit, langs alle taxiratten, die altijd zeggen dat ze ‘onze vrienden’ zijn, maar 10 keer zoveel vragen als de collectivo.

Het was even zoeken maar de immigratie van Guatemala, maar onze ‘vrienden’ van de taxi’s wezen ons naar het juiste kantoortje. In het kantoortje was het rustig. Een bewaker reikte ons het formulier aan en hielp ons bij het invullen. Hij sprak zowel Spaans als Engels.

Bij de immigratie balie ook geen problemen. Snel stond er een stempel in het paspoort en konden we Guatemala in.

We liepen over de brug naar de halte voor de collectivos naar Flores en op dat moment kwam er net één uit de zijstraat aanrijden. In de collectivo zat ook de oudere man waarmee we een taxi hadden gedeeld van Benque naar de grens. Hij zou ook naar Flores gaan, dus dat zat wel goed.

Om 09.45 uur zaten we in de collectivo. Een half uur later dan dat we uit de bus in Benque waren gestapt. Deze grensovergang ging echt heel soepel en snel.

De collectivo bleef nog even in het plaatje staan in de hoop op meer passagiers, maar redelijk snel waren we op weg naar Flores, waar we om 11.45 uur aankwamen; twee uur gereden over een kleine 100 kilometer. Toen de collectivo het busstation op reed, kwamen al diverse tul tuk chauffeurs aan. We kennen ‘m niet, maar hij was een vriend van ons, want hij bleef maar zeggen ‘my friends’.

We liepen het busstation uit een hielden op straat en tuk tuk aan. Voor 10 quetzal (€ 1,20) bracht hij ons naar ons hotel, twee kilometer verderop. Het was een hele kunst om onszelf en de rugzakken te proppen in de kleine ruimte achter de chauffeur. Opgepropt reden we de rechte weg, met redelijk rustig verkeer.

Na tien minuten stonden we bij het hostal, waar we geluk hadden dat we al om 12.00 uur de kamer op konden. Het is een klein hostal met één tweepersoonskamer met gedeelde douche, één tweepesoonskamer met eigen douche en een slaapzaal met een stuk of acht bedden. Wij hadden de tweepersoonskamer met gedeelde douche. In het hostal liepen vier katten rond. De eigenaresse zei dat het niet haar katten waren, maar straatkatten die aan kwamen lopen om zich tegoed te doen aan het eten dat de eigenaresse voor ze neerzette.

We liepen door Flores. Dit dorpje ligt op een eiland en als je langzaam loopt, loop je het dorpje rond in een half uurtje. We lunchten bij Bacon en Maple en hadden een forse lunch. Voldoende om de rest van de middag en een groot deel van de avond door te komen. Na de lunch liepen we naar een supermarkt op het vaste land. In een tamelijk inspiratieloze shopping mall was de supermarkt, waar we even rondkeken en spullen voor het ontbijt kochten. Op de eerste etage van de shopping mall was het zo mogelijk nog saaier, maar er zat een bioscoop en een winkel van Tigo, de nationale telecomprovider en we kochten er een SIM-kaartje met 2,5GB internettegoed voor 100 Quetzales (€ 12,-).

We liepen terug naar Flores over de toegangsdijk naar het dorpje. Veel bootjes pendelden als pontjes over het water. Kleine, smalle bootjes brengen je voor 5 quetzal naar de overkant.

Door de eigenaresse van het hotel werden we gewezen op activiteiten bij het Casa de cultura op het pleintje voor de witte kerk met twee kerktorens. We liepen er heen en zagen een lange rij met levensgrote poppen voor het witte gebouwtje staan. Een aantal mensen zat op de bankjes te wachten op wat er zou komen en we namen ook plaats op een van de betonnen bankjes. We wachtten een half uur op een folklore dansgroep. Drie mannen en drie vrouwen deden enkele traditionele dansen. Heel erg dynamisch was het niet. De danspasjes kunnen we ook na doen inmiddels. Maar het was toch wel even leuk om naar te kijken.  Even later hezen mensen zich in de levensgrote poppen en gingen ook dansen op het plein.

Aan de andere kant van het plein was een basketbalveld, waar enkele wedstrijden werd gespeeld. Vijf tegen vijf ging het er een stuk dynamischer aan toe. De spelers hadden mazzel met het koele weer van vanavond.

Zondag 23 februari 2020

We hadden een auto gehuurd voor de komende 3 dagen en met de huurauto reden we zuidwaarts richting Sayanxché. Deze plaats ligt aan een rivier op zo’n 75 kilometer van Flores. De route was mooi en de weg was in goede staat. Op de weg was zo goed als geen verkeer. Super relaxed rijden, maar wel constant alert op de nauwelijks zichtbare drempels.

In Sayanxché moesten we met de veerpont naar de andere kant van de rivier. Voetgangers nemen één van de vele kleine kano’s met buitenboordmotor, maar de auto’s gaan op de ferry. De omgeving was schilderachtig.

Nadat we de rivier over waren gestoken, reden we door het levendige centrumpje van het dorpje. Veel mensen op straat en de winkels waren gewoon open. Guatemala is dan wel zwaar katholiek, maar de commercie gaat voor de kerk. Jezus knijpt een oogje toe.

We reden verder naar de ruïnes van El Ceibal. Vanaf de hoofdweg was het nog 7 kilometer over een onverharde weg naar de ruïnes. De weg ging door de jungle en was één auto breed. Natuurlijk kwam er één auto ons tegemoet (de enige andere bezoekers van El Ceibal die maand waarschijnlijk), maar het passeren leverde geen probleem op.

Bij de ruïnes konden we de auto overal parkeren. We waren er als enigen. Toen we uitstapten werden we direct hartelijk ontvangen door de plaatselijke bevolking: muggen! We smeerden ons snel in met anti muggen creme en we kochten twee entreekaartjes.  Van discriminatie is hier zeer zeker sprake; buitenlanders betalen 12x meer voor de ruïnes dan lokalen. De entree kostte 60 quetzales per persoon, wat veel is.

We liepen het terrein op en  we bekeken de enige twee blootgelegde stapel stenen. De eerste stapel stenen lag dichtbij de entree, maar voor de andere stapel stenen moesten we een stuk door de jungle lopen. Als enigen (nou ja, afgezien van de muggen) liepen we door de ‘enge’ jungle.  We hoorden de brulapen die niet ver bij ons vandaan in de boomtoppen zaten. Het geluid dat ze produceren is  echt indrukwekkend. Het wandelen door de jungle was nog het meest bijzonder. Verder zijn deze ruïnes de entreeprijs absoluut niet waard.

Na El Ceibal reden we nog naar het meer, dat 14 kilometer verderop lag. De weg er naar toe ging door een paar kleine plaatsjes en het was leuk om het plattelandsleven te zien. Dat zie je niet vanuit een doorgaande bus.  Bij het meer keken we even rond, maar het uitzicht was ook niet erg bijzonder.

We reden terug naar Flores. Weer met het pontje de rivier over en onderweg naar Flores besloten we tóch nog maar om te kijken of we de blue crater konden benaderen met de auto. Op de gok reden we naar de plaats het dichtsbij de blue crater.  Op de plek waar we niet verder meer konden rijden, lagen bootjes in het water en was het enorm druk met picknickende mensen en mensen die in het hele heldere water aan het zwemmen was.  Vanaf dat punt moest je toch nog met de boot naar de blue crater.  Het was 16.30 uur en daarmee te laat om die onderneming nog te starten.

We reden terug naar Flores, waar we net voor het donker terugkwamen bij het hostal.  We konden de auto vlakbij het hostal parkeren, naast de kerk.

’s Avonds aten we bij Terrazza een Italiaans restaurant, waar de pizza en pasta ons erg goed smaakte.

Maandag 24 februari 2020

We checkten uit bij Casa Maya en legden de rugzakken achter in de huurauto. We wandelden nog een beetje door Flores en maakten foto’s van de leuke straatjes met gekleurde huisjes. We keken nog even toe hoe 2 mannen kokosnoten uit een palmboom haalden en we lunchten weer bij Maple en Bacon. Daarna reden we naar de supermarkt waar we wat water en iets om te lunchen  haalden. We gingen vervolgens op zoek naar een pinautomaat. Na bij diverse banken te hebben geïnformeerd (die altijd worden bewaakt door een beveiliger met geweer) vonden we uiteindelijk een pinautomaat.

We reden langs de noordkant van het meer langs een aantal kleine plaatsjes. De weg werd steeds slechter en we waren blij dat we uiteindelijke op onze eindbestemming El Remate aankwamen.

Daar was het nog even goed zoeken naar ons hotel. Dit betekende dat we meerdere keren moesten vragen en keren. We kregen een ruime kamer met een veranda. Nadat we een wasje hadden gedaan, liepen we naar het meer om de zonsondergang te bekijken. Die was erg mooi. Na het maken van een aantal foto’s aten we bij restaurant Casa de Don David fajitas en een gegrilde kipfilet met frietjes en salade.

Dinsdag 25 februari 2020

Met “the Nightfly”, een heerlijk nummer van de gelijknamige cd van Donald Fagen werden we om 06.15 uur gewekt. Het nummer begint heerlijk rustig en is goed om mee wakker te worden, zelfs om 06.15 uur. Niet dat we niet al wakker waren. De hanen in de omgeving hadden daarvoor al het aanbreken van de dag kenbaar gemaakt.

Na het ontbijt stapten we in de auto en reden we naar de ruïnes van Tikal. Hoewel het nog vroeg was (voor onze begrippen) bleek in de kleine dorpjes die we passeerden het leven al in volle gang. Schoolkinderen in uniform waren al op weg naar de lokale schooltjes. Nadat we twee dorpjes waren gepasseerd was het niet ver meer  naar het “tolkokje”, zoals dat op Maps.me stond aangegeven. Het bleek niet een tolhokje te zijn, maar de kassa voor de ruïnes van Tikal. Na het kopen van twee kaartjes voor de ruïnes (Q150 p.p)  plus twee separate kaartjes voor de twee musea bij de ruïnes (Q30 p.p) kregen we bij de ingang ook nog een formuliertje. Op het formuliertje stond ons kentekennummer en een tijd. Er werd ons op het hart gedrukt dat de toegestane snelheid voor de resterende 16 (!) kilometer naar de ruïnes 45 kilometer per uur was “vanwege het wild op de weg”.

Nou… wild hebben we niet gereden met 45 kilometer per uur, maar wild hebben we ook niet gezien. Noch op de weg, noch in de berm. Wel zagen we mist en daar hadden we niet op gerekend in een land waar het toch over het algemeen behoorlijk warm is overdag. Maar toegegeven…. vanochtend was het heerlijk van temperatuur. En dat terwijl deze dag met 36 graden een behoorlijk warme dag zou gaan worden.

Vlak voor de ruïnes werden we staande gehouden en moesten we ons formuliertje afgeven en werd de aankomsttijd op het formuliertje genoteerd, waarna we het weer terugkregen. We konden verder rijden naar de parkeerplaats, die nog opvallend leeg was om 08.15 uur.

Bij een bureautje onder een overkapping op weg naar de toegang kregen we twee polsbandjes om; één voor de ruïnes en roze voor de twee musea. Daarna gingen we op weg naar de ruïnes en onderweg wilde nóg iemand onze toegangskaarten zien. Vandaar dat Tikal zo duur is, want er zijn erg veel (onnodige) controlepunten. Zo houd je iedereen wel aan het werk.

We liepen naar de ruïnes en zagen een hele grote groep miereneters het pad oversteken en die waren in het geheel niet bang voor mensen. Ze kwamen niet naar je toe, maar liepen ook niet van ons weg. Ze deden wat ze waarschijnlijk de hele dag doen en dat is zoeken naar eten.

Het complex van Tikal is nogal groot van omvang en we besloten om eerst helemaal naar Tempel IV te lopen. Dit is de meest verafgelegen tempel en die is tegen een forse meerprijs van Q100 ook toegankelijk om de zonsopgang te zien. Volgens de reisgidsen is die vaak niet zo spectaculair vanwege de mist, zoals ook vanochtend. Tempel IV is met ruim 65 meter één van de hoogste Maya ruïnes in de regio en we hadden verwacht dat dit wel eens de trekpleister zou kunnen zijn en we wilden er zijn voordat de meute zou arriveren zo rond 10.00 à 11.00 uur.

De wandelpaden in Tikal zijn niet geplaveid. Het pad is onverhard en geen moment egaal. Goed oppassen dus voor boomstronken en stenen in de weg of uitgesleten riviertjes die een bed hebben uitgesleten in het pad.  Op weg naar Tempel IV was het allerminst saai. Veel vogels, die zich goed lieten horen en wat minder makkelijk lieten zien, brulapen in de boom waarvoor hetzelfde gold.

Eenmaal bij Tempel IV was het eenvoudig om die te beklimmen, want er was een houten trap gebouwd aan één zijde van de tempel. Het bestijgen was dus niet zo moeilijk, maar wel erg warm en bezweet kwamen we boven aan, waar op de stenen traptreden hoog boven de boomgrens een aantal toeristen zat te genieten van het uitzicht. We keken uit op het westen en zagen boven de boomtoppen nog drie ruïnes uitsteken, alsmede een grote heuvel die nog begroeid was en nog niet door archeologen was blootgelegd.

Iets opgedroogd van het zweet liepen we weer de trap af naar beneden en naar de schaduw van de bomen. Daar was het behoorlijk wat aangenamer. We liepen in zes uur tijd door het ruïne complex en beklommen de ene na de andere tempel. Steeds hoorden we de toekans en andere vogels mooie geluiden maken en als de vogels niet de aandacht trokken waren het wel de spider monkeys of de brulapen of weer een hele groep miereneters.

Het viel met de drukte erg mee. De meeste foto’s konden we maken zonder of maar met heel weinig  mensen op de foto.  Pas rond 11.00 uur of zo, begon het drukker te worden bij het begin van het park. Maar voor het grootste deel hadden we de paden tussen de ruinecomplexen vrijwel voor onszelf. Een volledig andere ervaring dan die dure toeristenmarkt in Mexico (Chichen Itrza).

We bezochten de twee musea bij de ruïnes, waarvoor we aparte kaartjes hadden gekocht. In de musea waren we als enigen, maar dat was op zich niet zo vreemd; de musea zijn niet heel erg bijzonder.

Inmiddels was het bloedheet en we waren blij dat we de auto zodanig hadden geparkeerd dat die in de schaduw stond.

We reden het terrein van de ruïnes af en moesten ons snelheidsbewijs weer afgeven bij een controlepunt. De ‘starttijd’ werd weer op het papiertje geschreven. We hielden ons aan de (tergend langzame) snelheid van 45 kilometer en konden daarmee vermijden dat we dieren aanreden; dieren die er overigens NIET waren.

Terug op de kamer van het hostal wachtten we op de zonsondergang rond 17.45 uur. We staken de weg over bij het hostal en liepen direct naar een kleine pier in het azuurblauwe water. De zon stond al laag, maar was nog steeds goed warm. We namen plaats op een houten, gammel bankje en keken over het gladde water naar een vuurbal, die steeds meer oranje/rood werd. Kinderen speelden in het ondiepe water, waarvan de bodem schijnbaar nogal glibberig was, want tijdens het rennen in het water zag je de kids uitglijden. Gelukkig hielden ze zich wel staande.  Een plaatje van een zonsondergang boven een vrijwel spiegelglad water wordt nog beter wanneer er silhouetten van mensen op de foto staan en het lukte ons om mooie plaatjes te schieten.  Nadat de zon was vertrokken naar het ander halfrond, werd de lucht alleen nog maar mooier. Nu werd de hele horizon oranje/rood, om langzaam weg te trekken tot een zwart gat. Nadat de zon was vertrokken werd de temperatuur direct een stuk aangenamer.

We aten voor de tweede achtereenvolgende avond in het restaurant van Don David. Dit restaurant dat er netjes uitziet. Zeer druk was het er echter niet. Net zoals gisteren waren maar enkele tafeltjes bezet.

Na het eten kochten we nog iets te drinken en namen we plaats aan het tafeltje op het terrasje voor de kamer. Gelukkig waren er niet veel muggen (eigenlijk maar één of twee gezien en helaas voor hen van het leven beroofd). We gingen eens vroeg naar bed, rond 21.30 uur lagen we te maffen. Eindelijk weer eens een keer.

Woendag 26 februari 2020

Vanochtend weer wakker geworden met ‘The Nightfly’ om 06.15 uur.  Vandaag zouden we Guatemala weer verlaten en teruggaan naar Belize.  Na het ontbijt reden we terug naar het kantoor van Alamo, National, Europecar (dit is één bedrijf met drie labels), waar we bij de uitermate vriendelijke Henry de auto inleverden om 08.00 uur.

Om 08.30 uur stonden we bij de bushalte op 100 meter lopen vanaf het verhuurkantoor en we hadden de rugzakken nog niet op het bankje gezet of de minibus naar Melchor,  de plaats aan de grens met Guatemala, kwam al aangereden. Dit keer was het niet zo’n 9 persoons busje, maar een 15 persoons busje. Net even iets groter en net even iets comfortabeler, alhoewel de bus niet helemaal van gisteren was.

De chauffeur had er zin in. Hij gaf behoorlijk gas en anderhalf uur na vertrek vanuit Santa Elena waren we in Melchor op het busstation. Taxichauffeurs probeerden een ritje te regelen, maar vanaf het bussation is het echt maar 370 meter lopen naar de grens. Absoluut niet de moeite van een ritje waard.

In het immigratiekantoor van Guatemala was het druk dit keer. Er stond al een rij toen we binnen kwamen, maar nadat we binnen waren werd de rij al snel langer. Veel Spaanstaligen, maar ook een groot aantal toeristen. Het onderscheid zit ‘m in de rugzakken, die als eerste opvallen. Maar ook zie je het natuurlijk aan de huidskleur van de mensen.

Het uitreisstempel werd zonder erg veel wisseling van woorden (het was een ijverige, maar zwijgzame man) in het paspoort gezet en daarna konden we doorlopen naar het immigratiekantoor van Belize.  Daar stond een langere rij dan bij de Guatemalteese immigratie en helaas moesten we aansluiten in de rij in de open lucht met een brandende zon op de benen. De wachtrij was wel overdekt, waardoor we niet met onze hoofden in de zon hoefden te staan.

We hoefden geen immigratieformulier in te vullen, omdat we recentelijk uit Belize waren vertrokken. Dat zei een man die de immigratieformulieren uitdeelde toen we in de rij stonden te wachten.

In het kantoor waren twee balies en al snel stonden de inreisstempels weer in het paspoort en direct na de immigtatie stond de taxi al klaar om ons voor 5 USD totaal naar de bushalte in Benque te brengen. We vroegen aan de taxichauffeur wanneer de bus naar Belmopan zou vertrekken en ‘dat zou binnen drie kwartier wel zijn’. Echter, toen we bij de bushalte waren, draaide de motor van de chickenbus al warm en we vertrokken binnen 10 minuten. Het was een Express bus naar Belize stad. Maar die bus stopte toch nog wel enkele keren in Benque. Natuurlijk werd in San Ignacio gestopt en in San Ignacio werden ook nog passagiers opgepikt. Maar eenmaal uit San Ignacio reed de bus in één ruk door naar Belmopan, waar we anderhalf uur later aankwamen op het busstation. Om 12.45 uur waren we daar en om 13.30 uur ging de bus naar Punta Gorda. We kochten een pizzapunt op het busstation, dat in de magnetron werd opgewarmd. Niet echt een bijzondere lunch, maar er was weinig anders voorhanden. In de omgeving van het busstation was niet echt iets te eten te halen en we hadden maar drie kwartier voor de overstap.

We kochten kaartjes naar Hopkins bij de kassa (9 BZ$ p.p.) en om 13.30 vertrok de reguliere bus naar Punta Gorda. Gelijktijdig vertrekt ook een Express bus, maar die konden we niet nemen (stopt waarschijnlijk niet bij de afslag naar Hopkins).

Ook deze buschauffeur hield de vaart er behoorlijk in en na twee uur –met een tussenstop in het weinig omvattende Dangriga-  werden we gedropt bij de afslag naar Hopkins. Daar stond een ‘taxi’ klaar om ons voor een forse USD 5 per persoon de laatste 6 kilometer naar Hopkins te brengen. Hij zette ons af bij Tania’s guesthouse, waar we even moesten slikken toen we de kamer zagen. Op Booking zagen de plaatjes van de kamer er aantrekkelijker uit dan dat de kamer in werkelijkheid is. Met USD 17 per nacht was het de goedkoopste optie in Hopkins (we boeken veel te laat accommodatie, waardoor we alleen nog kunnen kiezen tussen de minder goede accommodaties). De zoon van de eigenaresse gaf aan dat we niet met credit card konden betalen, alhoewel op Booking  zo ontzettend duidelijk stond aangegeven dat dat wel mogelijk was. De volgende dag zou blijken dat betaling per credit card tóch mogelijk was.

We zetten de spullen op de supereenvoudige kamer en liepen naar de supermarkt om iets te drinken te halen en we liepen naar het strand, waar we ons drankje opdronken. Inmiddels was het 16.45 uur geworden.

’s Avonds aten we bij Peer’s restaurant. Het restaurantje zag er smaakvol uit en het eten was goed, maar de Duitse eigenaar was wat inspiratieloos.

Donderdag 27 februari 2020

Vannacht was het behoorlijk warm in de kamer. Het enige voordeel van de kamer was dat die op een hoekje lag en daarom over drie ramen naar buiten beschikte. Hierdoor kon het wat beter doorwaaien in de kamer. De fan hield ons een beetje koeler, hoewel het in de loop van de nacht behoorlijk koeler werd. Dat kwam mede door de aanhoudende regen die vannacht viel. Wel opvallend was dat het erg rustig was vannacht. Misschien juist wel door de regen.

We sliepen uit!  We werden pas om 08.30 uur wakker en nadat we waren opgestaan liepen we naar ‘Kat’s coffee’, waar we op het terrasje ontbeten. De temperatuur had een behoorlijke stap terug gedaan. Was het gisteren nog ruim 33 graden; vandaag moesten we het doen met 21 graden en was de lucht egaal grijs en stond er een aangenaam windje. Het was geen strandweer dus bleven we nog een tijdje zitten in het kleine cafétje. Na de lunch liepen we over het strand naar het zuidelijke deel van Hopkins. Hier bevonden zich de wat luxere hotels. Via de binnenweg liepen we terug naar het plaatsje. ’s Avonds aten we weer bij Peer’s restaurant.

Vrijdag 28 februari 2020

In tegenstelling tot vorige nacht, was het vannacht wat aan de koele kant. Op het bed lag alleen een dun lakentje. Normaalgesproken moet dat afdoende zijn in het warme weer, maar vanwege het koudefront dat nu over Belize trekt, was het niet voldoende en dus bedekten we ons extra met de handdoek uit de badkamer.

De wekker ging om 07.00 uur en we ontbeten bij Kat’s coffee. Het broodje dat we gisteren hadden was lekker en dus namen we dat maar weer. Daarna pakten we de rugzakken en liepen we naar de kruising met de toegangsweg vanaf de hoofdweg naar Hopkins. We wachtten een half uurtje op de bus, maar toen die aankwam werden alle toeristen geweigerd, omdat de bus vol was. Balen, want nu zouden we weer aangewezen zijn op de taxi, die absurd hoge bedragen vraagt voor de rit van 6 kilometer, namelijk 10 USD voor ons tweeën.

Maar direct nadat de overvolle bus was vertrokken kwam een personenauto de bocht om. Duim omhoog en we hadden direct de vis aan de haak. We konden meerijden, evenals twee Canadezen die de twee dames in de auto uit hun hotel herkenden. Met z’n vieren op de achterbank en de bagage in de grote achterbak reden we naar de hoofdweg.  Al snel kwam de bus. Op de bus stond “Hopkins, Placencia”.  En ja hoor, nadat we in de bus gestapt waren, reden we terug naar Hopkins. In Hopkins hadden we navraag gedaan naar een bus naar Placencia en daar was ons steeds verteld dat die er niet zou zijn. Waarschijnlijk houdt iedereen elkaar de hand boven het hoofd in Hopkins om toeristen maar zoveel mogelijk geld af te troggelen.

Maar goed. We zaten in de bus naar Placencia en na vijf kwartier, rond 11.00 uur waren we in Placencia bij het hotel.  Voordat we Placencia in reden, reden we over een hele lange landtong. Overal stonden kavels te koop en werd er volop gewerkt aan het bouwen van vrijstaande huizen op de landtong tussen de zee en de lagune. Bij de luchthaven van Placencia moesten we om de startbaan heen rijden. Aan het einde van de startbaan ging de weg over de startbaan en aan weerzijde van de startbaan stonden op de weg slagbomen en een verkeerslicht en een bord: “wacht tot het rode licht gedoofd is. Er kan nog een vliegtuigje aankomen”.

De eigenaar van het hotel was niet voorbereid op onze vroege komst, maar de kamer werd snel schoongemaakt. Er werd gezegd dat we maar even ergens een kopje koffie moesten gaan drinken en een uurtje later konden we inderdaad op onze kamer. Die zag er een stuk aangenamer uit dan het hok in Hopkins.

’s Middags gingen we op het strand liggen. Het was zwaar bewolkt, maar qua temperatuur (24 graden) was het aangenaam en de wind die gisteren nog best waaide, was nu zo goed als weg. De zee was kalm. Nauwelijks golfslag.

We hadden uit het hotel een Rough guide van Centraal Amerika geleend. De editie was uit 2011, maar we hebben inmiddels wel door dat dat al lang niet meer uitmaakt.  De reisgidsen hebben hun langste tijd gehad. De informatie haal je al lang niet meer uit een boek, maar van internet. Hotels boek je online en voor restaurants kijk je even snel op een grote zoekmachine naar welke restaurants de beste waarderingen krijgen. Zelfs transport vinden tussen plaatsen in met de website Rome2Rio is een fluitje van een cent geworden.

Maar de reisgids is nog steeds handig voor informatie over steden en regio’s en dus lazen we op het strand over het vervolg van onze reis in Honduras en Nicaragua. We kwamen er achter dat de twee weken die we per land hadden ingepland wellicht aan de ruime kant waren. We maakten een iets gedetailleerdere planning en konden een aantal dagen uit het schema schrappen; dagen die we nog hard nodig hadden voor Colombia. Daarvoor hadden we in de planning maar drie weken, terwijl we daar eigenlijk vier weken heen willen.  Inmiddels hebben Costa Rica geheel geschrapt uit het schema. Daar blijven we nu nog maar één nacht. Te weinig tijd of een kwestie van keuzes maken.

Terwijl we op het strand lagen, kwamen we erachter dat we vlakbij klein Schiphol zaten. Propellervliegtuigjes vlogen af en aan. Ieder kwartier kwam er wel een vliegtuigje aan dat al na een paar minuten weer vertrok.

Zaterdag 29 februari 2020. Schrikkeldag!

Vanochtend kregen we een onaangename verrassing.  De eigenaar zei dat we van kamer moesten wisselen, omdat hij een kamer met airconditioning had verkocht en dat was onze kamer.  Niet erg professioneel. Na onze protesten werd hij ronduit onaangenaam en zei hij dat hij wel een andere oplossing had als we niet van kamer wilden wisselen en dat was dat hij het geld voor vannacht zou teruggeven en dan konden we iets anders gaan zoeken. Op zo’n moment sta je met de rug tegen de muur, wetende dat je in een plaats zit met veel Amerikanen, waar de hoteleigenaren er niet van schuwen om 250 tot meer dan 500 Amerikaanse dollars per nacht te vragen. En wat krijg je dan?  De zee is hetzelfde, het weer is hetzelfde, de restaurants in de buurt zijn hetzelfde?  Wij weten het niet.

Afijn.. we verkasten naar een minder fraaie kamer en daarna liepen we wat door Placencia.  Deze plaats is een stuk levendiger dan Hopkins met betere faciliteiten, maar ook met een hoop meer mensen uit dat land van de oneindige beperkingen.  We kwamen het Canadese stel weer tegen die we gister in de bus hadden ontmoet en we gingen met z’n vieren iets drinken bij een barretje. We praatten over van alles en nog wat. Zij was ‘personal shopper’. Op bestelling doet zij de boodschappen in de supermarkt voor je, die je dan zelf kunt afhalen bij de supermarkt of zij brengt ze thuis. En dat voor 3 dollar per bestelling.

We hadden het ook over de Amerikanen op reis en toen moest Dough even om zich heen kijken en z’n stem wat zachter laten klinken om ons duidelijk te maken dat veel Canadezen óók helemaal niets op hebben met Amerikanen.  Hij gaf aan dat Canadezen zelfs een Canadees vlaggetje op hun rugzakken naaien of anderszins kenbaar maken dat ze Canadees zijn om maar niet voor Amerikaan te worden uitgemaakt.  Het onderscheid tussen Canadezen en Amerikanen is op het eerste gezicht niet te maken en soms zijn ook accenten gelijk. Wat Amerikanen wél doen en Canadezen veel minder is zich laten horen. Amerikanen zijn altijd erg aanwezig. Luid pratend en lachend.

We namen afscheid van Dough en Kate en we liepen terug naar het hotel om ons om te kleden en de rest van de middag lagen we een beetje te chillen aan het strand. Nog steeds was het behoorlijk bewolkt, maar dat maakte de pret er niet minder op.

De ‘Plastic man’ kwam langslopen (google maar even op hem). Hij legde uit hoe hij van zwerfafval sierraden maakte. Toen we aangaven niet geïnteresseerd te zijn in de armbandjes liep hij weer rustig verder. Opvallend hier in Belize is dat er wel verkopers zijn op het strand, maar als je aangeeft niet geïnteresseerd te zijn, dan lopen ze ook zonder te morren weer verder.

’s Avonds bleek het eettentje waar we gister hadden gegeten gesloten te zijn en we moesten naar een ander restaurant. Daar was een soortgelijk gerecht als gisteren ineens twee keer zo duur was (en gisteren was het minstens net zo lekker). Het zat er vol met Amerikanen. Die probeerden bierflesjes te openen aan het houtwerk van het gebouwtje.

In de loop van de avond trok de wind aan en begon het te regenen. Hopelijk is het morgenochtend droog!

Zondag 1 maart 2020

Vanochtend om 06.00 uur ging de wekker. De rugzakken waren gisteravond al ingepakt, dus vanochtend hoefden alleen nog de slaapspullen in de rugzak, alsmede de toilettas. Om 06.20 uur liepen we naar de ferry. Die lag op 5 minuten lopen van het guesthouse. Bij aankomst leek het alsof er nog niemand was, maar eenmaal bij het bootje bleken er toch al heel wat mensen te wachten. Op weg naar de ferry waren ook al mensen bezig hun restaurantjes aan te vegen of anderszins bezig.  Maar we zagen maar een stuk of vijf mensen. De rest lag nog op één oor waarschijnlijk.

De kapitein bij wie we gisteren hadden geïnformeerd, had ons gezegd dat we het beste een kwartier voor vertrek om 06.45 uur aanwezig konden zijn, want de boot zou ook zo maar eens eerder kunnen vertrekken dat de aangegeven 06.45 uur. En toen iedereen in het bootje was gestapt, werd inderdaad de motor al om 06.35 uur aangezet en vertrokken we 10 minuten eerder dan aangegeven. Eigenlijk niet okay.

De boot voer langzaam langs de huizen aan het kanaal naar de lagune, maar eenmaal op breder water werd de motor opengezet en gingen we vol vaart.  Het was zwaar bewolkt, hoewel er her en der ook wel een klein beetje blauw leek te verschijnen. In de verte zagen we de regenflarden naar beneden komen en we hoopten dat die daar zouden blijven.

Na het open water voeren we door de mangroven naar het plaatsje Independence, waar we zo’n 15 á 20 minuten later aanlegden aan de steiger.  oen we uitstapten zagen we een hele groep kleine haaitjes zwemmen bij de steiger. Haaitjes van 20 centimeter lang of zo.

Vanaf de aanlegsteiger moesten we naar de busterminal lopen, zo’n twee kilometer verderop.  Bij de steiger waren al wel wat mensen, maar verder in het dorp was het redelijk rustig.  Het dorp was niet bijzonder aantrekkelijk. Houten huizen op palen. Het hout niet meer voorzien van verf en oude auto’s die niet meer kunnen rijden in de tuin.

Om 07.00 uur was de supermarkt opengegaan en we zagen twee mannen al met een pijpje bier in hun handen staan.  Dat zal voor hen waarschijnlijk een lange dag gaan worden. Het was 07.05 uur en dus zat de 5 in het uur, was waarschijnlijk hun motto.

Eenmaal bij het busstation hing een bord aan de muur, dat het busstation tot stand was gekomen met behulp van de Europese Unie. Dat was lang geleden, want de bladders verf kwamen van het plafond naar beneden zetten.

Om 08.30 uur ging de bus naar Punta Gorda.  We hadden dus net zo goed de boot vanuit Placencia kunnen nemen van 07.45 uur. Maar aangezien niemand in Placencia iets zinnigs kan zeggen over vertrektijden, wilden we het risico op het niet halen van de juiste aansluitingen niet nemen.

De bus bracht ons in twee uur naar Punta Gorda, waar de bus eerst helemaal door het dorp reed om uiteindelijk de drie toeristen in de bus (wij en een Canadees) voor het kantoortje van de immigratie af te zetten. Daar wordt ook direct het kaartje voor de boot verkocht á 30 USD per persoon.  Eerst kochten we de kaartjes voor de boot en om 11.00 uur zou de immigratie open gaan en na de immigratie is de pier naar de boot.

Na weer 20 USD per persoon te hebben betaald als uitreisbelasting, hadden we het uitreisstempel in het paspoort voor we er erg in hadden. Maar het vertrek van de boot liet op zich wachten. De voor zou om 11.30 uur vertrekken, maar dat werd tegen 12.00 uur.  Maar we waren nog geen 5 minuten onderweg en we keerden terug.  De motor haperde en die werd terug aan de pier getracht te maken. Maar dat lukte niet en zonder enig schuldgevoel werd de boottocht geannuleerd en konden we wachten op de boot van 14.00 uur. Schandalig hoe er met je wordt omgegaan.  Geen excuus of wat dan ook.

Samen met Wayne, de gepensioneerde Canadees uit British Columbia lunchten we in een restaurantje in Punta Gorda. Hoewel er op de kaart stond dat ze heerlijk traditioneel Belizaans eten aanboden, was het niet echt een hoogstandje.

Om 13.30 uur liepen we terug naar de immigratie, waar we direct konden doorlopen zonder de noodzakelijke formaliteiten opnieuw te hoeven doen. Om 14.00 uur vertrok een boot van een andere maatschappij, waar wij ook op waren overgezet.  De zee was heel kalm en de zon scheen inmiddels door de hele lichte hoge bewolking.  Na een uurtje waren we in Livingston, Guatemala.  We moesten vanaf de pier de heuvel op lopen, door het centrumpje heen. Na ongeveer 200 of 300 meter was daar het immigratiebureautje van Guatemala.  Daar snel het inreisformuliertje ingevuld en zonder het formulier erg te hebben bestudeerd, zette de beambte het inreisstempel in het paspoort.

We kochten nog wat fruit en water en meldden ons bij restaurant Busca Maya. Daar werden we opgewacht door een klein bootje dat ons naar ons hotel aan de rivier bracht, zo’n 7 kilometer van Livingston vandaan. We voeren langs Livingston. We zagen veel kleine huisjes, allemaal met een aanlegsteiger aan het water. Ook zagen we heel veel pelikanen en witte reigers. Het was een mooi gezicht. Eenmaal op de rivier werd het nog mooier. Begroeide steile wanden, afgewisseld door kale rostwanden en weer heel veel vogels. Met name pelikanen, witte reigers en aasgolvers.

Bij het hotel stonden de kinderen van 7 en 10 van de eigenaar ons al op te wachten en legden behendig het bootje vast aan de aanlegsteiger. Ze hielpen met het uitladen en wegdragen van de bagage. Nadat we de eigenaar hadden gegroet, namen we plaats op de stoeltjes op de aanlegsteiger en keken naar de bootjes die langsvoeren en de ondergaande zon. ’s Avonds kregen we vis geserveerd met frietjes en heel veel groenten. De vis was van eigen kweek uit de vijver bij het hotel.

Maandag 2 maart 2020

Heerlijk geslapen in twee gescheiden bedden, voor het eerst onder een klamboe (!) tijdens de reis. Dat was ook wel nodig, want het hutje is niet geheel afgesloten van de buitenwereld. Er zijn geen glazen in de ramen en er zitten kieren in de planken vloer. Maar dat geeft niet zolang er maar een klamboe is waarmee we worden gevrijwaard van de beestjes die we liever niet zien (en horen).

We hadden rond 08.30 uur het ontbijt in het restaurantgedeelte. Marjolijn kreeg een omelet met ham en kaas en Remco nam pannenkoekjes met fruit. Marjolijn kreeg naast d’r omelet ook een grote kom met fruit, bestaande uit papaya en ananas.  Zelfs de (aanmaak)koffie was best te oké.

Inmiddels zagen we dat een kano voor ons werd aangelegd aan de steiger en na het ontbijt stapten we in (een soort van) Canadese kano en gingen we al peddelend richting Livingston. Heel langzaam gleden we door het water. Het licht stond nu goed om wat foto’s te maken. Overal in de bomen zaten veel aalscholvers en witte reigers. Die laatsten vlogen vaak weg als we in de buurt kwamen of lieten iets vallen vanuit de boom.  Gelukkig niet op ons, maar we hadden al snel door dat we beter iets om konden varen, zodat we niet binnen schootafstand van witte reigers of aalscholvers zaten. In de lucht en ook op het water weer veel pelikanen.  Op een bepaalde plek zat waarschijnlijk erg veel vis, want het was er erg druk. Pelikanen lieten zich van een paar meter hoog in het water vallen en de aalscholvers doken, kwamen weer boven, slikten de vis door en doken weer onder. Alleen de reigers maken zich niet druk. Met hun super ranke nek en kop staan ze rustig te wachten tot een sukkel langs zwemt. Vooral niet teveel inspannen.

Op het water was het rustig. Zo af en toe voer een motorbootje langs, waarna wij een aantal keren deinden op het water. Een paar honden stond langs de kant van het water te blaffen, maar waren te laf of te lui om het water in te springen. Heel rustig gleden we door het water en na 2,5 uur waren we in Livingston. We legden de kano aan een pier en liepen door het hoofdstraatje van Livingston. Het stelt allemaal niet veel voor. Bij een ‘bakkertje’ kochten we bananenbrood en cake als lunch en bij de pier waar we gister waren aangekomen lunchten we in de schaduw van een mooie boom.

Er was een grote boot aangekomen en die had de nodige spullen meegebracht.  Hoewel dit dorpje op geen enkele andere manier te bereiken is dan met de boot, reed er toch een aantal auto’s door de straatjes en één van die pickup trucks vervoerde een hoop matrassen en tv’s van het bevoorradingsscheepje weg.

In het winkelstraatje waren restaurantjes, supermarktjes (meer hele kleine buurtwinkeltjes) en souvenirstalletjes. Niets om heel erg lang bij stil te staan. We kwamen onderweg ene Filipe tegen, een zwarte Garifuna man. Hij sprak zelfs een paar woorden Nederlands, omdat hij een tijd had verbleven Nijmegen, Breda en Gent. Hij vroeg ons of we het Garifunadorp hadden bekeken en we zeiden van niet, omdat we van het bestaan niet af wisten. Er schijnen 14.000 Garifunamensen in Livingston te wonen. Zij zijn afkomstig vanuit het Orinocogebied in Venezuela en in 1600 als schipbreukelingen aan wal gekomen in Livingston. De relatie met de Guatemalteken schijnt stroef te verlopen. Hij liet ons zijn dorpje (dat gewoon in Livingston ligt langs dezelfde ‘hoofdstraat’). Deze mensen hadden het niet breed.  Hij zei dat het dorp zwaar was getroffen door de orkaan van vorig jaar met ruim 200 doden tot gevolg, die vielen doordat een vloedgolf van ruim 2 meter de kust raakte. Nu zorgden ze dagelijks voor het voeden van een groot aantal weeskinderen. Ook schijnt 40% van de Garifuna besmet te zijn met Aids. Aan het einde van de rondleiding dor het dorp gaven we hem wat geld ter ondersteuning van deze weeskinderen. Geen flauw idee of het er terecht komt of niet. De man kwam in ieder geval integer over.

Om 13.30 uur stapten we weer in de kano en peddelden we terug.  We voeren zo dicht mogelijk langs de kant, want dan konden we het meeste genieten van de schaduw.  Op sommige plekken komen de kalksteenrotsen recht het water uit en die vormen dan ‘bergen’ van een paar honderd meter hoog, dicht begroeid met jungle.

Onderweg kwamen we de jongen van het hotel tegen in de motorboot. Hij ging op weg naar Livingston en wij peddelden verder. Op de terugweg konden we de laatste 500 meter ‘meeliften’ en gingen we op sleeptouw.

Tegen 15.30 uur waren we terug in het hotel.  Remco dacht even lekker te gaan douchen.  Eenmaal ingesopt onder de douche keek hij naar boven naar een houten balk op zo’n 20 of 30 centimeter boven z’n hoofd die het golfplaten dakje van de badkamer ondersteunde en daar kroop een tarantula (vogelspin). Remco, inmiddels ingezeept, maar náást de douche staande in plaats van eronder riep Marjolijn, die snel d’r fototoestel haalde. Hoe dan ook… de zeep moet er vanaf, dus toch maar weer onder de douche, de vogelspin goed in de gaten houdend.

Eenmaal afgespoeld, afgedroogd en weer aangekleed riepen we toch maar even de eigenaresse, die de spin het huisje uitjoeg en eenmaal buiten de spin met stokslagen van het leven beroofde. Heerlijk, zo in de jungle!

Het laatste uurtje in daglicht van de dag lagen we wat in de hangmat langs de waterkant en lazen we wat. Lekker ontspannend. Zo af en toe voeren er motorbootjes langs, maar verder was het heerlijk rustig. Van Filipe hadden we vernomen dat deze rivier een smokkelroute is voor drugs naar Mexico en Amerika. Veel bootjes schijnen dit te vervoeren, en in het bijzonder degene met een grote motor waarmee je snel van A naar B komt.

’s Avonds aten we gamba’s met knoflook en wederom veel groente. Er waren ook 2 Fransen ingecheckt in het hotel. Zij reisden in tegenovergestelde richting. We gaven elkaar wat tips voor onderweg.