Guatemala

Zondag 1 maart 2020 (van Belize naar Guatemala)

Vanochtend om 06.00 uur ging de wekker. De rugzakken waren gisteravond al ingepakt, dus vanochtend hoefden alleen nog de slaapspullen in de rugzak, alsmede de toilettas. Om 06.20 uur liepen we naar de ferry. Die lag op 5 minuten lopen van het guesthouse. Bij aankomst leek het alsof er nog niemand was, maar eenmaal bij het bootje bleken er toch al heel wat mensen te wachten. Op weg naar de ferry waren ook al mensen bezig hun restaurantjes aan te vegen of anderszins bezig.  Maar we zagen maar een stuk of vijf mensen. De rest lag nog op één oor waarschijnlijk.

De kapitein bij wie we gisteren hadden geïnformeerd, had ons gezegd dat we het beste een kwartier voor vertrek om 06.45 uur aanwezig konden zijn, want de boot zou ook zo maar eens eerder kunnen vertrekken dat de aangegeven 06.45 uur. En toen iedereen in het bootje was gestapt, werd inderdaad de motor al om 06.35 uur aangezet en vertrokken we 10 minuten eerder dan aangegeven. Eigenlijk niet okay.

De boot voer langzaam langs de huizen aan het kanaal naar de lagune, maar eenmaal op breder water werd de motor opengezet en gingen we vol vaart.  Het was zwaar bewolkt, hoewel er her en der ook wel een klein beetje blauw leek te verschijnen. In de verte zagen we de regenflarden naar beneden komen en we hoopten dat die daar zouden blijven.

Na het open water voeren we door de mangroven naar het plaatsje Independence, waar we zo’n 15 á 20 minuten later aanlegden aan de steiger.  oen we uitstapten zagen we een hele groep kleine haaitjes zwemmen bij de steiger. Haaitjes van 20 centimeter lang of zo.

Vanaf de aanlegsteiger moesten we naar de busterminal lopen, zo’n twee kilometer verderop.  Bij de steiger waren al wel wat mensen, maar verder in het dorp was het redelijk rustig.  Het dorp was niet bijzonder aantrekkelijk. Houten huizen op palen. Het hout niet meer voorzien van verf en oude auto’s die niet meer kunnen rijden in de tuin.

Om 07.00 uur was de supermarkt opengegaan en we zagen twee mannen al met een pijpje bier in hun handen staan.  Dat zal voor hen waarschijnlijk een lange dag gaan worden. Het was 07.05 uur en dus zat de 5 in het uur, was waarschijnlijk hun motto.

Eenmaal bij het busstation hing een bord aan de muur, dat het busstation tot stand was gekomen met behulp van de Europese Unie. Dat was lang geleden, want de bladders verf kwamen van het plafond naar beneden zetten.

Om 08.30 uur ging de bus naar Punta Gorda.  We hadden dus net zo goed de boot vanuit Placencia kunnen nemen van 07.45 uur. Maar aangezien niemand in Placencia iets zinnigs kan zeggen over vertrektijden, wilden we het risico op het niet halen van de juiste aansluitingen niet nemen.

De bus bracht ons in twee uur naar Punta Gorda, waar de bus eerst helemaal door het dorp reed om uiteindelijk de drie toeristen in de bus (wij en een Canadees) voor het kantoortje van de immigratie af te zetten. Daar wordt ook direct het kaartje voor de boot verkocht á 30 USD per persoon.  Eerst kochten we de kaartjes voor de boot en om 11.00 uur zou de immigratie open gaan en na de immigratie is de pier naar de boot.

Na weer 20 USD per persoon te hebben betaald als uitreisbelasting, hadden we het uitreisstempel in het paspoort voor we er erg in hadden. Maar het vertrek van de boot liet op zich wachten. De voor zou om 11.30 uur vertrekken, maar dat werd tegen 12.00 uur.  Maar we waren nog geen 5 minuten onderweg en we keerden terug.  De motor haperde en die werd terug aan de pier getracht te maken. Maar dat lukte niet en zonder enig schuldgevoel werd de boottocht geannuleerd en konden we wachten op de boot van 14.00 uur. Schandalig hoe er met je wordt omgegaan.  Geen excuus of wat dan ook.

Samen met Wayne, de gepensioneerde Canadees uit British Columbia lunchten we in een restaurantje in Punta Gorda. Hoewel er op de kaart stond dat ze heerlijk traditioneel Belizaans eten aanboden, was het niet echt een hoogstandje.

Om 13.30 uur liepen we terug naar de immigratie, waar we direct konden doorlopen zonder de noodzakelijke formaliteiten opnieuw te hoeven doen. Om 14.00 uur vertrok een boot van een andere maatschappij, waar wij ook op waren overgezet.  De zee was heel kalm en de zon scheen inmiddels door de hele lichte hoge bewolking.  Na een uurtje waren we in Livingston, Guatemala.  We moesten vanaf de pier de heuvel op lopen, door het centrumpje heen. Na ongeveer 200 of 300 meter was daar het immigratiebureautje van Guatemala.  Daar snel het inreisformuliertje ingevuld en zonder het formulier erg te hebben bestudeerd, zette de beambte het inreisstempel in het paspoort.

We kochten nog wat fruit en water en meldden ons bij restaurant Busca Maya. Daar werden we opgewacht door een klein bootje dat ons naar ons hotel aan de rivier bracht, zo’n 7 kilometer van Livingston vandaan. We voeren langs Livingston. We zagen veel kleine huisjes, allemaal met een aanlegsteiger aan het water. Ook zagen we heel veel pelikanen en witte reigers. Het was een mooi gezicht. Eenmaal op de rivier werd het nog mooier. Begroeide steile wanden, afgewisseld door kale rostwanden en weer heel veel vogels. Met name pelikanen, witte reigers en aasgolvers.

Bij het hotel stonden de kinderen van 7 en 10 van de eigenaar ons al op te wachten en legden behendig het bootje vast aan de aanlegsteiger. Ze hielpen met het uitladen en wegdragen van de bagage. Nadat we de eigenaar hadden gegroet, namen we plaats op de stoeltjes op de aanlegsteiger en keken naar de bootjes die langsvoeren en de ondergaande zon. ’s Avonds kregen we vis geserveerd met frietjes en heel veel groenten. De vis was van eigen kweek uit de vijver bij het hotel.

Maandag 2 maart 2020

Heerlijk geslapen in twee gescheiden bedden, voor het eerst onder een klamboe (!) tijdens de reis. Dat was ook wel nodig, want het hutje is niet geheel afgesloten van de buitenwereld. Er zijn geen glazen in de ramen en er zitten kieren in de planken vloer. Maar dat geeft niet zolang er maar een klamboe is waarmee we worden gevrijwaard van de beestjes die we liever niet zien (en horen).

We hadden rond 08.30 uur het ontbijt in het restaurantgedeelte. Marjolijn kreeg een omelet met ham en kaas en Remco nam pannenkoekjes met fruit. Marjolijn kreeg naast d’r omelet ook een grote kom met fruit, bestaande uit papaya en ananas.  Zelfs de (aanmaak)koffie was best te oké.

Inmiddels zagen we dat een kano voor ons werd aangelegd aan de steiger en na het ontbijt stapten we in (een soort van) Canadese kano en gingen we al peddelend richting Livingston. Heel langzaam gleden we door het water. Het licht stond nu goed om wat foto’s te maken. Overal in de bomen zaten veel aalscholvers en witte reigers. Die laatsten vlogen vaak weg als we in de buurt kwamen of lieten iets vallen vanuit de boom.  Gelukkig niet op ons, maar we hadden al snel door dat we beter iets om konden varen, zodat we niet binnen schootafstand van witte reigers of aalscholvers zaten. In de lucht en ook op het water weer veel pelikanen.  Op een bepaalde plek zat waarschijnlijk erg veel vis, want het was er erg druk. Pelikanen lieten zich van een paar meter hoog in het water vallen en de aalscholvers doken, kwamen weer boven, slikten de vis door en doken weer onder. Alleen de reigers maken zich niet druk. Met hun super ranke nek en kop staan ze rustig te wachten tot een sukkel langs zwemt. Vooral niet teveel inspannen.

Op het water was het rustig. Zo af en toe voer een motorbootje langs, waarna wij een aantal keren deinden op het water. Een paar honden stond langs de kant van het water te blaffen, maar waren te laf of te lui om het water in te springen. Heel rustig gleden we door het water en na 2,5 uur waren we in Livingston. We legden de kano aan een pier en liepen door het hoofdstraatje van Livingston. Het stelt allemaal niet veel voor. Bij een ‘bakkertje’ kochten we bananenbrood en cake als lunch en bij de pier waar we gister waren aangekomen lunchten we in de schaduw van een mooie boom.

Er was een grote boot aangekomen en die had de nodige spullen meegebracht.  Hoewel dit dorpje op geen enkele andere manier te bereiken is dan met de boot, reed er toch een aantal auto’s door de straatjes en één van die pickup trucks vervoerde een hoop matrassen en tv’s van het bevoorradingsscheepje weg.

In het winkelstraatje waren restaurantjes, supermarktjes (meer hele kleine buurtwinkeltjes) en souvenirstalletjes. Niets om heel erg lang bij stil te staan. We kwamen onderweg ene Filipe tegen, een zwarte Garifuna man. Hij sprak zelfs een paar woorden Nederlands, omdat hij een tijd had verbleven Nijmegen, Breda en Gent. Hij vroeg ons of we het Garifunadorp hadden bekeken en we zeiden van niet, omdat we van het bestaan niet af wisten. Er schijnen 14.000 Garifunamensen in Livingston te wonen. Zij zijn afkomstig vanuit het Orinocogebied in Venezuela en in 1600 als schipbreukelingen aan wal gekomen in Livingston. De relatie met de Guatemalteken schijnt stroef te verlopen. Hij liet ons zijn dorpje (dat gewoon in Livingston ligt langs dezelfde ‘hoofdstraat’). Deze mensen hadden het niet breed.  Hij zei dat het dorp zwaar was getroffen door de orkaan van vorig jaar met ruim 200 doden tot gevolg, die vielen doordat een vloedgolf van ruim 2 meter de kust raakte. Nu zorgden ze dagelijks voor het voeden van een groot aantal weeskinderen. Ook schijnt 40% van de Garifuna besmet te zijn met Aids. Aan het einde van de rondleiding dor het dorp gaven we hem wat geld ter ondersteuning van deze weeskinderen. Geen flauw idee of het er terecht komt of niet. De man kwam in ieder geval integer over.

Om 13.30 uur stapten we weer in de kano en peddelden we terug.  We voeren zo dicht mogelijk langs de kant, want dan konden we het meeste genieten van de schaduw.  Op sommige plekken komen de kalksteenrotsen recht het water uit en die vormen dan ‘bergen’ van een paar honderd meter hoog, dicht begroeid met jungle.

Onderweg kwamen we de jongen van het hotel tegen in de motorboot. Hij ging op weg naar Livingston en wij peddelden verder. Op de terugweg konden we de laatste 500 meter ‘meeliften’ en gingen we op sleeptouw.

Tegen 15.30 uur waren we terug in het hotel.  Remco dacht even lekker te gaan douchen.  Eenmaal ingesopt onder de douche keek hij naar boven naar een houten balk op zo’n 20 of 30 centimeter boven z’n hoofd die het golfplaten dakje van de badkamer ondersteunde en daar kroop een tarantula (vogelspin). Remco, inmiddels ingezeept, maar náást de douche staande in plaats van eronder riep Marjolijn, die snel d’r fototoestel haalde. Hoe dan ook… de zeep moet er vanaf, dus toch maar weer onder de douche, de vogelspin goed in de gaten houdend.

Eenmaal afgespoeld, afgedroogd en weer aangekleed riepen we toch maar even de eigenaresse, die de spin het huisje uitjoeg en eenmaal buiten de spin met stokslagen van het leven beroofde. Heerlijk, zo in de jungle!

Het laatste uurtje in daglicht van de dag lagen we wat in de hangmat langs de waterkant en lazen we wat. Lekker ontspannend. Zo af en toe voeren er motorbootjes langs, maar verder was het heerlijk rustig. Van Filipe hadden we vernomen dat deze rivier een smokkelroute is voor drugs naar Mexico en Amerika. Veel bootjes schijnen dit te vervoeren, en in het bijzonder degene met een grote motor waarmee je snel van A naar B komt.

’s Avonds aten we gamba’s met knoflook en wederom veel groente. Er waren ook 2 Fransen ingecheckt in het hotel. Zij reisden in tegenovergestelde richting. We gaven elkaar wat tips voor onderweg.

Met de eigenaar van Casa Maya hadden we vervolgens nog een leuk gesprek in het Spaans, wat ons wonderwel redelijk goed afging. We kregen complimentjes voor ons goede Spaans en dat konden we zeer waarderen.

Dinsdag 3 maart 2020

We hoefden vanochtend niet te haasten. Het ontbijt was om 08.30 uur. Dit keer namen we beiden pannenkoekjes met fruit. Daarna pakten we rustig de tassen in.

Om 10.15 uur kwam de boot voor varen en vertrokken we op weg naar Rio Dulce.  Het eerste kleine stukje ging nog over de rivier, maar al snel zaten we op het grote meer. We voeren langs een eilandje midden in het meer, waar de aalscholvers en de witte reigers in de bomen zaten. Best vreemd om zo’n eilandje met bomen te zien midden in het meer.  Enkele plezierjachten voeren langs. Soms waren het zeilboten, maar zonder zeilen. Het water van het meer was zo goed als spiegelglad.

Rond 11.00 uur waren we bij ‘Hostal Backpackers’ in Rio Dulce. Dit hostal ligt aan de voet van een lange boogbrug over de rivier (het brede meer wordt een smal kanaal waar ook de brug is om vervolgens aan de andere kant van de brug weer een breed meer te worden). Volgens de website van de shuttlebus -die we hadden geboekt vanuit Rio Dulce naar Antigua-  zou de shuttlebus daar vandaan vertrekken. De eigenaar van Casa Maya had al gezegd dat er een nieuwe vertrekplaats was, maar wij lieten ons afzetten bij Backpackers  zoals op de reserveringsbevestiging stond.

Het Backpackers hostel was echt iets van een tijd die ver achter ons ligt.  Slaapzalen met houten stapelbedden in een niet zeer aantrekkelijk hostel met gedeelde badkamers, die er nu ook niet echt aantrekkelijk uitzagen.

Bij het backpackers hostel zeiden ze dat we naar de nieuwe vertrekplaats zouden worden gebracht en dus konden we na een half uurtje wachten weer in een bootje stappen om de rivier over te steken naar een restaurantje dat als nieuw vetrekpunt wordt gehanteerd. Het was 11.45 uur en de bus zou om 12.30 uur aankomen en om 13.00 uur vertrekken, na een half uurtje lunchpauze.

We gingen aan een tafeltje zitten en bestelden onze lunch. We kregen twee goede kopjes koffie en twee lekkere broodjes. Maar om 12.30 uur géén bus. En om 13.00 uur géén bus.  Die kwam pas rond 13.30 uur aanrijden en 10 minuten later vertrokken we dan eindelijk.  De Shuttle company had een vertrektijd aangegeven van 12.30 uur en om 13.40 uur vertrokken we pas.

Al snel na vertrek –zooooo voorspelbaar-  moest er worden getankt.  De vrouwelijke pompbediende wist het onderscheid niet tussen benzine en diesel en stak het dieselpistool in de benzinetank van de auto en begon te vullen. Al snel maakte de chauffeur duidelijk dat er benzine in moest en er werd verder getankt met benzine. Maar er zat een aantal liters diesel in de tank, die niet werd verwijderd.  Met een volle tank gingen we weer op weg en Remco was niet helemaal op z’n gemak.  Hoe ver gaan we komen? Is de diesel voldoende gemengd om geen problemen te veroorzaken? Waarschijnlijk wel. Maar we weten het niet.

De route was niet erg bijzonder.  Het landschap kenmerkte zich in dorheid en erg veel plastic afval langs de weg. Op de weg was het niet heel erg druk, maar wat er voornamelijk op de weg zat waren vrachtwagens. En die gaan langzaam. Hoe dichter we bij Guatemala-stad kwamen, hoe drukker het werd. De drukte werd deels ook veroorzaakt door de vele wegwerkzaamheden. Men is druk bezig om de weg vierbaans te maken met twee keer twee gescheiden rijbanen. Maar tot het zover is, zijn er wegwerkzaamheden. En dat betekent oponthoud en veel stof. 

Hoewel we veel voor de shuttle moesten betalen (10 keer zoveel als voor een gewone bus), zaten we in het zespersoons busje even opgepropt als in een chickenbus.  We hadden mazzel dat er maar vier passagiers waren in plaats van zes, waardoor we iets meer ruimte hadden.  Voor het extra geld dat we betaalden kregen we een minibusje waarvan de airco het niet deed. En dus stonden de ramen open op de stukken onverharde weg waaraan werd gewerkt. Het was daardoor een ongezond ritje waarbij we in de snikhitte zaten en veel uitlaatgassen en stof inademden.

In de spits reden we door Guatemala-stad. Gelukkig bestond de route door Guatemala-stad eigenlijk uit twee rechte stukken weg door de stad. Maar het was er behoorlijk druk.  En daar kwam nog eens bij dat de rijstroken door de politie flexibel worden gemaakt.  De twee keer tweebaansweg werd nu omgetoverd tot drie banen de stad uit en één baan de stad in. Best een bizarre situatie. Maar alles ging goed en op en gegeven moment moesten wij natuurlijk ook weer de stad uit.

Pas tegen 20.30 uur kwamen we aan bij Mary’s Guesthouse, waar we een positieve verassing kregen. We hadden een kamer met gedeelde badkamer geboekt, maar kregen een kamer met eigen badkamer. Dat was een sympathiek gebaar.

We vroegen Mary waar we wat konden eten en we liepen naar het aanbevolen restaurant Fridas (genoemd naar Frida Kahlo). Het was er enorm druk en het was een enorm kippenhok. Erg veel Amerikanen en waar Amerikanen zijn is het altijd luidruchtig. Ze horen zichzelf graag. Het eten was lekker en na het eten liepen we de paar honderd meter terug naar het guesthouse om te gaan slapen. Maar echt in slaap komen was erg moeilijk.

Woensdag 4 maart 2020

Vanochtend liepen we na het ontbijt richting het kruis op de berg boven Antigua. Vooraf hadden we bij Mary gevraagd of de situatie veilig genoeg was en zij had gezegd dat het veilig was overdag. We liepen langs de Iglesia de Merced. Naast de kerk is een ruïne van een oud klooster. De entreeprijs bedroeg 40 Quetzales voor toeristen en 8 keer minder voor Guatemalteken. Op een bord bij de entree hingen foto’s van de ruïnes en langs de kassa kon je ook een deel van de ruïnes zien. We besloten dat € 5,- voor een paar oude muren wel een hele hoop geld was en liepen verder. De Iglesia de Merced mochten we niet in vanwege een dienst.  De façade van de kerk lag nu nog in de schaduw en we zouden dus in de middag terug moeten keren voor betere foto’s van de façade.

We liepen richting de heuvel waar het kruis staat. We liepen door erg charmante straatjes met gekleurde huisjes en bestraat met allemaal kleine keitjes.  Het verkeer reed er erg rustig over, want de keitjes lagen allemaal ongelijk. Toen een politieauto langsreed vroegen we ook nog eens aan de politie of de wandeling naar het kruis veilig was en ook zij bevestigden dit.  ‘Er zijn collega’s van ons op de berg’, gaven de agenten in de auto aan. We hadden namelijk in de Rough Guide uit 2015 gelezen dat het niet veilig was en dat er werd geadviseerd om een taxi naar het uitkijkpunt te nemen. De tijden zijn gelukkig in positieve zin veranderd.

Via een schitterend laantje met hoge Jacarandabomen, waarvan de laatste paarse bloementjes nog bloeiden en heerlijk geurden liepen we de berg op. Na een minuutje of 10 traplopen waren we bij het kruis, vanwaar we een mooi uitzicht hadden over Antigua en de Volcán del Agua op de achtergrond. Helaas met de kop in de bewolking, maar toch indrukwekkend.

We liepen dezelfde weg terug en dronken een goede kop koffie bij een restaurantje, waar we ook een stukje cheese cake (pais de queso) namen.

De rest van de dag slenterden we door Antigua. We bezochten de markt, waar het een wirwar van allemaal kleine steegjes was en waar de markt niet echt een onderverdeling had in artikelen. Alles werd door elkaar verkocht en er was zelfs een aantal ambulante verkopers, die hun groente in de smalle steegjes op de grond hadden uitgestald. Mannen liepen met plastic tafelkleden op rol tussen de menigte door. Ook de zwerfhonden liepen door de markt, terwijl daar ook slagers waren, maar dat leek allemaal in goede harmonie te gaan.

Naast de traditionele markt was de mercado artisano gelegen. Hier geen groente, vlees of vis, maar op de toeristen geënte spullen en hier geen Spaans (behalve dan het continue ge- Amigo!), maar Engels en hier was alles ‘bijna gratis’, zoals ze hun waar hier aan de man proberen te brengen. We kochten er een stoffen tasje. Bij de markt is ook het busstation, waar we even over liepen. Daar stonden allemaal Amerikaanse schoolbussen daar geparkeerd.  Van die hele oude, gele schoolbussen die zo uit Amerika zijn gehaald tot modernere varianten die enorm versierd waren en er ’s avonds als kerstbomen bij rijden. Zelfs op het busstation voelden we ons op ons gemak en werden we door niemand lastig gevallen.  Iedereen was erg vriendelijk en velen groetten ons.

Pas tegen 15.00 uur lunchten we bij restaurantje Mixta. Het eten was lekker.

Bij een supermarktje onderweg kochten we iets te drinken en daarna liepen we naar het centrale plein. Dit vierkante plein wordt aan drie kanten omgeven door gehouwen met mooie arcades ervoor. Aan de vierde kant staat een grote, witte kerk, die als rustplaats dient voor een enorme grote hoeveelheid duiven, die zonder aanleiding allemaal wegvliegen of vervolgens na een grote ronde boven het plein te hebben gevlogen weer op dezelfde plek lijken terug te keren.

Op het plein staan ook weer heerlijk geurende Jacarandabomen. Het bloeiseizoen loopt wel ten einde, want het groene blad komt al aan de bomen.  De bloei van de bomen gaat vooraf aan de bladgroei. Midden op het plein is een fontein. Het water spuit uit de borsten van de dames. Bijzonder erotisch voor zo’n katholiek land.

’s Avonds maakten we in het guesthouse een salade.

Donderdag 5 maart 2020

We deden het rustig aan vanochtend.  We werden pas om 08.30 uur wakker, nadat we ons middels oordopjes hadden afgesloten van het geluid van de kerkklokken op een paar honderd (niet veel meer dan 200) meter afstand van ons openstaande raam. Een fanatiekeling luidde ieder kwartier de bel in de klokkentoren.

We zetten koffie met het kleine koffiezetapparaatje op de begane grond en maakten ontbijt, dat we aan een glazen, rond tafeltje op een stalen onderstel opaten in de kleine tuin. Pas tegen 10 uur  begaven we ons op straat.  We zouden als eerste een klooster ruine bezoeken aan de rand van de stad. Nu is de stad niet erg groot, dus na een minuut of tien wandelen waren we bij de ruïnes, waar een hokje stond waar we zouden kunnen betalen, maar dat deden we niet.  Vanaf de kassa maakten we een foto van de ruïne en hadden al snel door dat de 40 Quetzales (€ 5,-) (alles kost 40 Quetzales voor buitenlanders en daarmee 8 x duurder dan de Guatemalteken zelf hoeven te betalen) wel heel erg veel geld was voor wat oude, stenen muren. Er was ook niemand die de ruines bezocht.

We liepen naar de markt.  Donderdag is marktdag en het was er druk en zeer kleurrijk. Veel verkopers hadden hun heil gezocht onder één van de gekleurde parasols. De groente en bloemen die voornamelijk werden aangeboden zagen er goed uit en kleurden mooi in het zonnetje. Ook liepen veel ambulante verkopers over de markt. Veel vrouwen in traditionele kleding van de omliggende dorpjes, met manden met tomaten op hun hoofden en handen in hun zij. Ze lieten zich redelijk makkelijk fotograferen en niemand die iets zei dat dat niet gewenst was of zo.

Achter de donderdag-openluchtmarkt was de permanente markt, waar we gister ook al over waren gelopen. We gingen op zoek naar een nieuw petje, want die van Marjolijn was gisteren spoorloos verdwenen. Uiteindelijk was er één stalletje met een hoop petjes en wist Marjolijn een nieuw, rood petje te scoren voor maar liefst 10 Quetzales (€ 1,20).

We dronken een goede kop koffie en smulden van een pais de queso (cheese cake) in een cafétje op een hoekje en daarna slenterden we door de straatjes van Antigua.  In het café hadden we bekeken of we nog een paar musea zouden bezoeken. Er zijn twee musea; een museum met religieuze voorwerpen, waarvan we al snel hadden bedacht dat we die wel eens zouden kunnen overslaan en één museum met Maya potjes en scherfjes. Daarvan hebben we inmiddels ook wel genoeg gezien.

We slenterden wat door de straatjes van Antigua en dat was helemaal geen straf.  Toen we langs het Case del Jade liepen, vroegen we naar de gratis toer en we werden door het kleine museumpje en (natuurlijk) de winkel geleid.  In het Spaans vertelde de ‘gids’ of verkoper het een en ander over de verschillende soorten jade (zwart, oranje, blauw, wit en natuurlijk de bekende diverse kleuren groen), waar het vandaan kwam en hoe het werd bewerkt tot sierraden etc.  In de winkel waren alle artikelen geprijsd in Amerikaanse dollars, wat al tekenend is voor de klandizie en het prijsniveau.

We liepen verder door de straatjes, waarbij in de noord-zuid gerichte straatjes altijd de machtige Volcán de Agua, met z’n mooie symmetrische vorm hoog boven de stad uit tornt. Helaas is het weer niet superhelder en wordt de top van de vulkaan soms omgeven door bewolking.

We keken nog in enkele kerkjes. In de Iglesia de Merced werden mooie bloemstukken naar binnen gebracht. De gele façade van deze kerk was erg mooi en in de namiddagzon liet die zich het beste fotograferen.

We lunchten tegen 14.30 uur wederom bij restaurantje Mixta en het eten was weer lekker. Voor nog geen € 10,- hadden we beiden een burrito, hadden we één hamburger en twee drankjes. Bij het eten werd van het huis nog eens een andere limonadedrankje erbij geserveerd.  Goed gevuld en gehydrateerd verlieten we het restaurant.

Bij een supermarkt kochten we nog wat te drinken en yoghurt voor het ontbijt van morgen en daarna liepen we naar het centrale plein, waar we plaats namen op een bankje en daar twee en een half uur lang bleven zitten om het leven in Antigua aan ons voorbij te laten gaan.

Veel verkopers probeerden de aandacht te trekken, maar we bezweken voor een gehandicapte man die haarbandjes verkocht. De man liep ontzettend slecht en liet zich daarbij ondersteunen door één kruk. Nou ja, hij hing meer op de kruk. Iedere stap bracht hem 20 centimeter verder en duurde een minuut of twee à drie.  De man kwam voor ons staan en vroeg toestemming om naast ons plaats te nemen op het bankje. Hoewel we eigenlijk niets nodig hadden, ondersteunden we het mannetje met de aankoop van twee haarbandjes. We hadden een leuke conversatie met hen, over waar hij vandaan kwam en wij natuurlijk en wat onze plannen waren. Hij was zelfs een goede leraar, want hij corrigeerde ons waar nodig met ons Spaans. Van een ander vrouwtje –‘toevallig’ uit hetzelfde dorp afkomstig als de gehandicapte man- kochten we nog een armbandje. En zo proberen we toch nog ons steentje bij te dragen aan de lokale economie, maar wel voor de helft van de originele vraagprijs.

Toen het donker was liepen we terug naar de kamer en maakten we een salade van paprika, ui en komkommer; een licht diner na de late lunch van vanmiddag.

Vrijdag 6 maart 2020

Vanochtend ging om 07:00 uur de wekker. Buiten was het bewolkt en stil. Pas om 07:15 uur kwam de pastoor in actie en luidde hij het zenuwachtig snelle kerkklokje. Dat herhaalde hij vervolgens weer ieder kwartier.

We ontbeten net als gister aan het tafeltje in het kleine tuintje en na het ontbijt liepen we naar het kantoortje van Alamo rental cars.  Gisteren hadden we tijdens de wandeltocht door de stad al even gekeken waar het kantoortje was, zodat we er vanochtend doelgericht naar toe konden lopen. Toen we vlakbij het kantoortje waren, werd een nieuwe Chevrolet Aveo voorgereden. Zou dat onze auto worden voor een weekje?

De procedure bij Alamo was exact hetzelfde als in Flores toen we daar de auto huurden en al snel hadden we de autosleutels van –inderdaad- de nieuwe Chevrolet Aveo in handen. Nog geen 5.500 kilometer op de teller, maar toch waren er al een paar kleine beschadigingen en we lieten ze allemaal opschrijven.

We reden naar het guesthouse en haalden de spullen op. Daarna gingen we op weg – over de hobbelige keitjes van de straatjes in Antiqua naar het plaatsje Santa Maria de Jesús. De eigenaresse van het guesthouse had dit plaatsje genoemd als een leuk plaatsje in de omgeving en toevallig was er vandaag een marktje. We parkeerden de auto ergens in een straatje (er is nauwelijks verkeer en parkeren is niet zo’n probleem) en we liepen door het kleine stadje. Al snel waren we bij de markt.  Een klein pleintje waar iedereen hun waren had uitgestald. Met name groente, maar ook stoffen en kleding.  Twee ijsboertjes, niet veel ouder dan 10 jaar, luidden hun belletjes om maar de aandacht te trekken van de marktbezoekers. We keken bij een paar stalletjes met stoffen, maar vonden de stoffen nogal aan de prijs met 150 Quetzales (20 dollar) voor een lap van 80 x 150 cm.  Weliswaar handgewoven, maar toch nog best prijzig.

Ook in dit dorp was een klokkenluider. Bij de kerk, die grenst aan het marktplein, hingen drie klokken naast elkaar en een mannetje stond achter de middelste klok en luidde de drie klokken na elkaar met behulp van touwtjes die aan de klepels hingen.  Hij had een goed gevoel voor ritme, want de tijd tussen het luiden van de klokken was precies gelijk.

Na San Maria de Jesús, dat aan de voet van de slapende vulkaan ‘Volcán de Agua’ ligt, reden we verder naar San Pedro Las Huertas en Ciudad Vieja.  In San Pedro parkeerden we de auto op het centrale plein. Op het plein stond -natuurlijk- de kerk, maar er was ook een grote wasplaats. Langs de rand van twee enorme waterbassins waren allemaal kleine wasbakjes gemaakt, waar een groot aantal vrouwen ervoor zorgden dat iedereen met frisgewassen kleding zondag aanstaande naar de kerk kan gaan.  Een moeder met haar kleine dochter op de rug stond op de hoek de was te doen.  Dochterlief werd zeeziek van het heen en weer gaan van haar moeder, die de was deed en zeer waarschijnlijk de laatste roddels deelde met haar buurvrouw. Verder liepen we nog wat door de straatjes van het dorpje, maar er was niet veel te beleven.

In Ciudad Vieja was het heel wat levendiger. Op weg naar het dorpje zagen we soms even de Volcán El Fuego op de achtergrond. Deze vulkaan is actief en spuwt ieder kwartier rook uit. Maar voor een groot deel ging de vulkaan schuil in de bewolking. Net als in het vorige plaatsje parkeerden we de auto en liepen we door de straatjes. Maar nu was het heel wat leuker.  Ook leuk is dat we zo goed als geen andere toeristen zagen.

We aten een Burrito en een Quesedilla in een klein restaurantje voordat we verder reden.  We moesten via Antigua verder rijden naar het plaatsje Pastores, dat op ongeveer 10 kilometer van Antigua ligt.  Dit dorpje staat bekend vanwege de schoenmakers en langs de kleine doorgaande weg door het dorpje liggen inderdaad allemaal kleine winkeltjes van schoenmakers.  Een groot aantal was gesloten, maar een aantal winkeltjes was open we bekeken ‘de collectie’.  Het bijzondere tussen de verschillende winkels was de overeenkomst in het aangebodene.  Veel lederen Cowboylaarzen met enorm hoog opgekrulde tenen (zal dat nu echt lekker lopen?).  Marjolijn paste nog een paar schoenen die aan de achterzijde met stof waren bekleed en er leuk uitzagen. Maar op de een of andere  manier liepen ze niet lekker en we gingen zonder schoenen te kopen verder.

Op weg was het rustig, zolang er maar geen vrachtwagen of een (mini)bus voor ons zat. De vrachtwagens komen nauwelijks vooruit en de (mini)bussen stoppen om de 100 meter of zo. Zeker de chickenbussen laten een enorme zwarte rookwolk achter bij het optrekken. Echt een niet gezonde situatie.

We besloten om de korte weg te nemen en niet de hoofdweg. Die was 30 kilometer langer, maar we vonden het leuker om juist de kleinere wegen te nemen (weg RN-1). Die zijn wat rustiger, waarschijnlijk veel bochtiger en gaan door kleine dorpjes. De route was best aangenaam en we hadden vaak zicht op diverse vulkanen. Prachtig symmetrische konen.

Tegen 17:00 uur kwamen we aan in Panajachel, waar we naar Hotel El Sol reden. Dat ligt niet echt in het centrum, maar aan de weg naar Santa Catarina. Bij binnenkomst had Marjolijn al snel aanspraak met een Russische die er al vier nachten verbleef en aangaf dat het een goed hotel was. Het wordt gerund door een gebondeerde Japanner (??!!).

Nadat we de spullen op de kamer hadden gelegd, reden we naar een uitkijkpunt tussen Panajachel en Santa Catarina. We zagen veel joggers op de weg. Het uitzichtpunt lag in een bocht en er was geen plek om de auto te parkeren en dus parkeerden we de auto maar half op de weg en half in de berm. Er komt toch bijna niets langs.  Vanaf het uitzichtpunt hadden we een mooi zicht over het meer. Helaas was er ietwat bewolking tijdens de zonsondergang, maar we hadden vanaf het punt wel schitterend zicht op de drie vulkanen aan de overkant van het meer.

’s Avonds aten we bij een restaurantje in het centrum. In de winkelstraat waren allemaal toeristenwinkeltjes en in de straat zelf meer blanken dat Guatemalteken. En de Guatemalteken die je op straat zag probeerden tegen absurde prijzen hun waar aan de man te brengen.  Een vrouw vroeg 20 USD voor een sjaal, waar ze in Antigua 2 dollar voor vroegen. Toen we geen interesse toonden, ging de prijs meteen terug naar 10 USD en lachten we hartelijk om haar naïviteit.

Zaterdag 7 maart 2020

Het had hard gewaaid vannacht en het was nog niet windstil. Na het ontbijt reden we met de auto naar de pier waar vandaan de boot naar San Pedro zou vertrekken. We parkeerden de auto langs de kant van de weg en liepen de laatste 200 meter of zo naar de boten. We werden vriendelijk aangesproken door een man die ons hielp bij het vinden van de juiste boot en hij gaf ons ook nog een aantal tips voor de te bezoeken dorpjes aan het meer.  Hij adviseerde ons om niet naar Santiago te gaan vanwege de hoge golfslag die veroorzaakt werd door ‘El Norte’, de wind die gisteren opstak. Dat was niet normaal voor deze tijd van het jaar volgens hem. Normaalgesproken zijn dit soort personen altijd op zoek naar iets waarvan ze zelf beter worden, maar deze man was oprecht (zoals overigens erg vele Guatemalteken) behulpzaam zónder dat er iets achter stak.

We stapten in het kleine bootje, dat al behoorlijk vol zat met passagiers en al snel vertrokken we.  De wind was wat gaan liggen, maar dat nam niet weg dat er nog behoorlijk wat golven waren op het meer.  Om die reden had de behulpzame man aan de kant afgeraden om een boot te nemen naar Santa Catherina (voorwaarts),  want de wind ‘El Norte’ in de volksmond genoemd en verwijzend naar een stevige noorden wind, zorgde voor nog meer golfslag naar het noorden.

Wij gingen meer zuidwaarts naar San Pedro.  Het eerste stuk van de vaart ging nog vrij dicht langs de kust, waar de golven minder hoog waren, maar op een gegeven moment moesten we wel het meer oversteken en toen lag de boot vol op de golven. Bij sommige van de hevige bonken op het water kwamen een hoop water de boot inzetten en werden we dus nat. De kapitein had dat al snel door en minderde vaart, maar dat nam niet weg dat soms een hoop water toch weer over de rand van de boot naar binnen kwam.

In San Pedro betaalden we en liepen we vanuit de haven direct de heuvel op.  De man bij de haven in Panajachel had gezegd dat we makkelijk tussen San Pedro La Laguna en San Juan La Laguna konden lopen. Het zou een stukje van 2 kilometer zijn en dus gingen we wandelen.  Helaas was de weg niet geasfalteerd, maar een nogal stoffige zandweg en de ene tuk tuk na de andere passeerde ons.

In San Juan La Laguna liepen we door de straatjes van het dorpje. Er zijn erg veel coöperaties van vrouwen met borduurwerk etc.  Iedereen lijkt wel hetzelfde aan te bieden.  We dronken een kopje koffie in een restaurantje met een terrasje met uitzicht over het meer.  De lokale politie zat in het restaurant een voetbalwedstrijd te bekijken tussen Barcelona en een club die RSO heette (of zo). Opvallend is dat er in die kleine dorpjes erg veel verkeerspolitie is.  Op ‘drukke’ kruispunten staat een agent het verkeer te regelen.  Er wordt een hoop gefloten en een hoop zenuwachtig gebaard met de arm door de agenten, maar er is écht nauwelijks verkeer en de aanwezigheid van de agenten is niet echt noodzakelijk.

We liepen langs een kerk, waar een vrouw op het podium met een microfoon in d’r handen stond te spreken. Nou ja… spreken.  Op een medelijdewekkende, bijna huilende toon sprak ze tot de misschien vijf of zes aanwezigen. Het was Jesús hier en Díos daar. Het leek meer op een klaagzang. Zo win je waarschijnlijk zieltjes.

De mensen in het dorp waren erg vriendelijk. Velen -ook hier- groetten je op straat en niemand die het hoofd weg draait als je een foto wilt nemen.

We liepen dezelfde weg (er is er maar één) terug naar San Pedro, waar we lunchten bij Ricky’s. Een heel klein restaurantje met drie tafeltjes, maar best nog wel een uitgebreide kaart. We waren de enige gasten die nog bediend moesten worden, maar het duurde wel een half uur voordat we onze bestelling voorgeschoteld kregen. Maar het eten was vers bereid en lekker.

Na de lunch liepen we wat door de straatjes van San Pedro.  Er zijn erg veel muurschilderingen, waarvan sommige in goede staat en erg mooi. Of bijzonder, zoals de muurschildering met de splitsing in de weg naar de hemel of naar de hel.

We namen de boot vanuit San Pedro naar San Marcos la Laguna.  Dit dorpje is nóg kleiner dan San Juan La Laguna, maar dit dorpje heeft een bijzonder bevolking.  Naast de lokale bevolking lopen hier een hoop vreemde snuiters rond.  Van die reizigers die hier ooit zijn aangekomen en nooit meer zijn weggegaan. En die bieden allemaal hetzelfde aan, namelijk hun eigengemaakte sieraden. En een tweede overeenkomst is hun onverzorgde overkomen. Mannen met baarden (niet de verzorgde baarden!) en veel te wijde broeken. Het wordt ook wel het hippie plaatsje genoemd. Veel yoga en veganistische maaltijden.

San Marcos heeft ook een lekkere ijszaak, maar verder had het dorpje ons weinig te bieden.  Het is erg leuk om even door de een-hand-vol-straatjes te lopen, maar na een half uurtje heb je het ook wel weer gezien. Maar de boot terug naar Panajachel lag al aan de pier te wachten en na een minuut of 20 met een aantal tussentops onderweg waren we weer terug waar we vanochtend waren begonnen.

In Panajachel liepen we nog wat door de toeristische straatjes, waar een hoop meuk wordt aangeboden en waar iedere verkoper een vriend van ons bleek te zijn, zónder dat wij daar vanaf wisten.  In één winkeltje waren we zelfs de mejor amigo van de verkoper, zonder dat we ons aan elkaar hadden voorgesteld. Toen hij de prijs noemde voor een lapje stof vonden wij dat in ieder geval géén vriendenprijs, alhoewel de prijs met 50% daalde toen we als goede vrienden uit elkaar gingen.

We aten een pizza bij ‘Circus bar’. Goed pizza. En na het eten reden we met de auto terug naar het hotel.

Zondag 8 maart 2020

We vertrokken vanuit hotel El Sol in Panajachel en reden eerst terug naar het uitzichtpunt waar we gisteravond naar de zonsondergang hadden gekeken. Het weer was helder en het uitzicht was schitterend. Daarna reden we terug naar Panajachel en verder door naar Solola. Onderweg naar dat dorpje waren twee uitzichtpunten met mooie vergezichten over het meer en op de vulkanen aan de overkant van het water. Het waaide fors minder en het water op het meer leek een stuk kalmer.

We reden door Solola en lieten de benzinetank volgooien bij een benzinestation waar de muziek keihard schalde uit enorme boxen die aan het plafond hingen. Arme pompbedienden die daar de hele dag van moeten ‘genieten’. Bij de Pan American highway aangekomen sloegen we rechtsaf voor slechts een paar kilometer, want al snel volgde de afslag naar links in de richting van Chichicastenango, waar een zondagsmarkt is. Veel touroperators in Panjachachel bieden tours aan naar dit dorpje voor de zondagsmarkt, dus we hielden er geen rekening mee dat we de enigen zouden zijn. We vonden een parkeerplekje redelijk in het centrum en liepen naar de markt. Daar was het een grote mierenhoop! Wat een enorme hoeveelheid mensen, die zich door de smalle paadjes tussen de stalletjes probeerden te wurmen. In twee richtingen. En tussen de mensen die vooruit probeerden te komen liepen dan ook nog eens ambulante verkopers met enorme schalen garnalen of meg enorme dozen met spaarlampen, lasso’s en andere ongein. Tussen de vele lokalen staken de witte koppen van de toeristen er ruim bovenuit. Het was druk! Maar het was ook wel weer leuk.

We zagen een man in een klein cafétje druk bezig achter z’n koffiemachine, die bij de ingang van het cafétje stond en we gingen er naar binnen en bestelden twee Americano’s en een puntje taart. De koffie werd beheerst en met veel liefde gezet. De cappuccino’s voor andere klanten zagen er fraai uit.

Na de versnapering liepen we verder over de markt. Zoveel vrienden hadden we. We konden ze nauwelijks nog tellen en al helemaal niet meer van elkaar onderscheiden. Buen precio! kregen we altijd. Casi gratis!, maar wat we vervolgens te horen kregen deed ons snel verder lopen. Met name de vrouwen die met kleedjes tussen de toeristen lopen, vragen vier keer te veel. Maar ze zijn wel je Amiga.

Bij een stalletje zagen we leuke stofjes (vrijwel hetzelfde wordt overal aangeboden; de concurrentie is moordend) waar we kussens voor op de nieuw aan te schaffen bank als we weer terug zijn in Nederland. Wat is uw prijs? 150 Quetzales per stuk, maar voor jullie 140. Maar dat is toch veel te duur!  Wat is uw beste prijs. Oké, 120 Quetzales per stuk. Afijn, we verlieten het stalletje met twee doeken voor 170 Quetales, nadat we hadden besloten om niet meer verder te onderhandelen over (voor ons) maar een paar euro. Van 300 terug naar 170 Quetzales.

We reden verder naar Nebaj. De route was mooi en de weg was zo goed als voor onszelf. We reden door brede valleien en door kleine dorpjes. Huisjes langs de kant van de weg en witte kerkjes. De mensen groetten ons vriendelijk als we langsreden.

Tegen het einde van de middag kwamen we aan in Nebaj. We hadden nog geen hotel geregeld en we moesten dus op zoek. De hotels die op het internet werden aangeboden waren vrij prijzig en werden niet erg goed beoordeeld en dus hadden we besloten om eerst maar eens een kijkje te nemen en dan te beslissen. Eigenlijk zoals we van oudsher gewend waren te reizen.

Het eerste hotel dat we in Nebaj zagen was Hotel Shalom II. Hotel Shalom I bevindt zich in het centrum en krijgt niet zo’n goede beoordeling, maar bij Shalom II zagen de kamers er best aardig uit. Ze waren ruim en lagen aan een binnentuin. We konden gebruik maken van het zwembad, maar aangezien het lichtjes motregende sloegen we dat maar over. En de kamer beschikte over eigen badkamer met warm water en wifi. En dat voor 150 Quetzales was dat helemaal niet slecht. De andere hotels in Nebaj waren duurder volgens het internet. En dus besloten we daar te blijven en niet verder te kijken.

We reden naar het centrum van Nebaj. Met de laaghangende bewolking en aan het einde van de middag zag het er mistroostig uit. Waarom zijn we dat hele stuk hierheen gereden? We aten bij het restaurantje Descanso, dat in de reisgids werd omschreven als ‘het enige restaurantje dat zich een beetje richt op gringo’s. Voor wie het niet weet; toeristen worden in Centraal- en Zuid-Amerika aangeduid als Gringo’s.

We dronken er een biertje en na een half uurtje bestelden we wat te eten. Dat werd al snel geserveerd en was helemaal niet slecht. Na het eten reden we terug naar hotel Shalom II, waar we de laptop aan de tv koppelden en de film Frida (van Frida Kahlo) bekeken. Tijdens de film hoorden  we de regen neerkletteren op het metalen dak van het hotel. Voor het eerst sinds tijden weer een buitje.

Maandag 9 maart 2020

Na het ontbijt reden we naar Nebaj. Het weer zat niet mee. Het motregende een beetje en de lucht was grijs van de laaghangende bewolking. Nou ja, laaghangende bewolking. We begaven ons al op zo’n 2.250 meter hoogte.

We parkeerden de auto in een straatje in het centrum en liepen naar het centrale plein. Onderweg liepen we langs een winkeltje / naaiatelier, waar leuke stoffen schoudertasjes hingen. Die waren duidelijk handgemaakt en we hadden deze nog niet eerder gezien. Voor 50 Quetzales mochten we re er een kopen. Afdingen lukte niet. Omdat we nog het stadje in gingen, zeiden we dat er wellicht op de terugweg nog langs zouden lopen. Dat was oké voor de verkoper. Net als alle verkopers (behalve op de specifiek daarvoor ingerichte toeristenmarktjes) was hij heel relaxed en niet opdringerig.

We liepen naar het centrale plein met de kerk. Die laatste lieten we rechts liggen (letterlijk) en we bekeken de mensen  (met name de vrouwen) in hun mooie kleding. Iedereen is vriendelijk en groette ons. We verlieten het plein en liepen een modderige straat in. Door de regen veranderde de straten in modderpaden. We liepen  naar een markt, zonder dat we dat door hadden. Er zou vandaag (volgens de reisgids) helemaal geen markt zijn. Maar die was er toch. Maar geen leuke schoudertasjes.

We kochten een komkommer en puntpaprika’s en na een half uurtje liepen de terug naar de auto en eenmaal bij de auto stelden we ons de vraag waar het naaiateliertje nou zat, want dat waren we niet meer tegengekomen. En dus liepen we weer richting het plein. We hadden sterk het vermoeden dat het naaiateliertje achter de drie gesloten rolluiken zat. Da’s balen! Is het winkeltje gesloten. Dan zijn er maar twee mogelijkheden,  namelijk terug lopen naar de auto en verder rijden, of op het rolluik te kloppen. Dat laatste deden we en tot onze grote verbazing werd een deur in het rolluik geopend en konden we binnenkomen. Nu was er een oudere man in plaats van de verkoper van een uurtje eerder of zo. Welke prijs had de vorige verkoper gezegd, vroeg de oudere man. Vijftig Quetzales zeiden we en ietwat gelaten of verbaasd haalde hij z’n schouders op. We vonden beide tasjes wel leuk (hij had er maar twee) en we kochten ze beiden.

We reden verder noordwaarts naar het plaatsje Chajul. Het werd ons duidelijk dat we nu echt van de gebane paden aan het afwijken waren, want de weg werd steeds stiller. Zo goed als geen verkeer meer en steeds meer vee liep vrij rond op de weg. Loslopende koeien, geiten en schapen. Het landschap was erg mooi. Mooi groen, omdat het hier behoorlijk vochtiger is door de hoogte en de lage bewolking. In Chajul parkeerden we de auto (volgens ons waren we de enige meg een gewone, moderne personenauto) en liepen de enige hoofdstraat door richting de kerk. In een hoofdstraat was een halve markt, dat wil zeggen dat er wel kraampjes open waren en er kraampjes gesloten waren. Gewoon wat plastic spannen over je verkoopwaar en je bent gesloten. Echt super opvallend waren het grote aantal gokautomaten op de markt. Dat hadden we nog niet eerder zo gezien. Verder was het marktje niet zo heel erg bijzonder. Wij, als enige toeristen, waren meer een bezienswaardigheid.

Nadat we een indruk hadden van het dorpje, reden we dezelfde weg terug naar Nabaj. Daar lunchten we bij een kippenrestaurantje. De kipburger was best lekker, maar de patatjes waren uit een andere eeuw en niet te eten eigenlijk. Vanuit het restaurantje konden we stiekem nog wat foto’s nemen va vrouwen in kledendracht en na de lunch reden we verder naar Huehuetenango. De afstand was niet het probleem. Die bedroeg maar 95 kilometer. Het probleem zat ‘m in de reistijd, want we reden in de bergen en dan ga je niet zo snel. Het landschap was mooi. Mooie vergezichten. Soms reden we over een ‘hoogvlakte’ en dan weer langs de berg omhoog en omlaag. De weg was in redelijke staat en we hadden die zo goed als voor onszelf. Het is echt heel rustig op de weg buiten de steden om. Op internet fora wordt door ‘ervaringsdeskundigen’ het huren van een auto in centraal Amerika afgeraden, vanwege ‘de hectiek’. Deze ervaren reizigers zijn vaak afkomstig uit de USA en zijn niets gewend. Als je in een grote stad in Nederland kunt rijden, dan kun je dat hier ook. En buiten de stad kom je nauwelijks dus iemand tegen. Alleen ’s avonds rijden is niet verstandig, omdat veel voertuigen geen of slechte verlichting hebben en er geen straatverlichting is. Mensen en dieren op de weg zie je nauwelijks dan. Maar zelf zie je ’s avonds ook niets van het landschap en is er (dus) geen enkele reden om je aan extra gevaren bloot te stellen door ’s avonds te gaan rijden.

Tegen het einde van de middag kwamen we aan in Huehuetenango en we moesten ons een weg banen door het centrum  van de stad. Van noord naar zuid is maar een weg en die gaat door het centrum van de stad. En daar heeft men verkeerlichten geïnstalleerd. En die bevorderen niet de doorstroming. Nee, die frustreren de doorstroming. De verkeerslichten zijn niet op elkaar afgestemd en kennen ieder een andere tijd dat ze op rood of op groen staan (dat wordt heel handig weergegeven in het verkeerslicht zelf.

We hadden nog geen hotel gereserveerd, omdat de hotels in Huehuetenango nogal duur zijn en niet al te best werden beoordeeld. We bekeken een aantal hotels langs de uitvalsweg vanuit Huehuetenango naar Guatenmala-stad en kozen voor een motelachtige kamer bij hotel ‘Grano del Paraiso’. De kamer kostte 190 quetzales en zag er okay uit. Wel lag het hotel langs de enorm drukke uitvalsweg, maar we beschikken over oordopjes.

We aten bij restaurant Monte Alto, dat 900 meter verderop lag. We begonnen aan een wandeling in de richting van  het restaurant, maar al snel besloten we om toch maar met de auto te gaan. De wandeling langs de drukke weg klonk ons niet als aangenaam in de oren. Eenmaal bij het restaurant had het sterk iets weg van een fastfood restaurant, maar de burrito en de churasco waren lekker, ondanks dat ze niet erg warm waren.

Terug op de kamer keken we twee afleveringen van  Wie is de mol 2020? In Nederland al lang een gegeven, maar voor ons nog een openstaande vraag.

Dinsdag 10 maart 2020

Vanochtend om 04.00 uur kwam het verkeer op de drukke weg waaraan ons hotel Grano del Paraiso aan lag op gang. Met name de chickenbussen maken erg veel lawaai.

Na het ontbijt reden we richting het plaatsje Todos Santos. De afstand vanaf Huahuetenango naar Todos Santos is slechts 40 kilometer, maar daar doe je dik een uur over. Helaas moeste  we weer door Huehuetenango voor de weg naar Todos Santos. Tot onze verbazing was het nog relatief rustig in de straatjes van de stad. Gelukkig maar.

Eenmaal de stad uit reden we al snel heuvelopwaarts. We reden door kleine dorpjes en zoals altijd zijn de wegen in de stad in een slechtere staat dan ertussen (vreemd genoeg). Na het dorpje Chiantla werd heg rustiger op de weg, maar dat nam niet weg dat we konden opschieten. Het verkeer dat zich met name op de weg bevind waren vrachtwagens (zandwagens), die maar erg langzaam de soms steile weg omhoog reden. Met als gevolg dat we steeds vrachtwagens moesten inhalen. Soms met enig risico, maar met de wetenschap dat er weinig verkeer op de weg is en het verkeer dat wel op de weg is, rijdt rustig. Op een gegeven moment zaten we boven de wolken en was de lucht blauw. We keken op een watten deken en het enige dat boven de watten deken uitstak was de top van een vulkaan in de verte. Op de terugweg zouden we zien dat de bewolking was verdwenen, behalve rond de top van dezelfde vulkaan.

Het landschap was zeer aantrekkelijk. De heuvels waren ren beetje groen en her en der in het landschap stonden kleine huisjes. Eenmaal boven aan de weg kwamen we uit op een hoogvlakte en hadden we een aantal kilometers rechte weg zonder stijgingen en dalingen. Ook op die rechte weg reden we als een stel dronkenlappen, om de diepe gaten in de weg te vermijden. Ook zo opvallend langs de weg ia het grote aantal benzinestations. Dat geldt niet alleen op deze route, maar in het algemeen. En de benzinestations zijn dan niet logisch geplaatst om de zoveel kilometer; nee, dan heb je drie of vier  benzinestations naast elkaar.

We moesten een keer afslaan naar links om de vallei in te rijden waarin ook Todos Santos ligt. Dit plaatje heeft als typisch kenmerk dat de mannen in rode broeken lopen met witte strepen in de lengte. En al snel nadat we de afslag hadden genomen zagen we de eerste mannen in deze broeken die typisch zijn voor dit dal of specifieker nog voor het dorpje Todos Santos.

Op de weg werd het nog rustiger. Het enige dat ons soms tegemoet kwam rijden was een taxi. Heel opvallend was dat de tuk tuks hier ontbraken. De omgeving werd alleen maar mooier. We reden door een klein dorpje waar het leek of alle vrouwen uit het dorp de was deden bij de gezamenlijke wasplaats. Schoolkinderen speelden op het schoolplein en riepen ‘Gringo’s’ toen we langsreden en ze ons zagen.

We reden de weg naar beneden een tamelijk smal dal in. De berghellingen waren mooi groen. Dit was duidelijk de wat vochtigere kant van de berg. De weg bestond uit betonplaten met  lengtegroeven en hoewel we niet hard reden, piepten de banden bij iedere bocht die we namen.

We reden bijna Todos Santos binnen en zagen een bord die verwees naar het kleine museum. Het zou nog 150 meter zijn en we reden de steile weg omhoog, maar zagen daarna geen verwijzing meer. Toen we de 150 meter ruimschoots waren gepasseerd keerden we de auto toen dat veilig mogelijk was in een klein zijstraatje De weg was maar een auto breed en bood verder weinig mogelijkheid tot keren. Toen de auto weer met de neus naar beneden stond passeerde een vrouw in traditionele kleding. ‘ Perdon, buscamos el museo. Donde esta?, vroegen we en de dame antwoorde dat ze geen flauw idee had of er een museum was en waar dat zich dan zou bevinden. We besloten naar beneden terug te rijden en na 50 meter zagen we een bord met “Museo 10 metros° en een pijl naar rechts. Rechts stond een klein woonhuis in een grote tuin. We parkeerden de auto op de enige plek waar dat mogelijk was. Het museum had rekening gehouden met toeristen die per auto kwamen, want er was een parkeerplekje. We liepen de tuin in  en werden begroet door een vrouw op het balkon. We konden het museum bezoeken. De entree was 20 Quetzales per persoon. De man des huizes kwam naar beneden en leidde ons rond door het twee kamertjes tellende museum. Hij vertelde honderduit over de paar dingen die stonden uitgestald, waaronder een aantal beeldjes van goden, houten maskers, wat keukengerei om mais te malen, zijn eigen kleding van toen hij 15 jaar oud was en er hingen een hoop oude foto’s aan de muur, waarvan een aantal van hemzelf te paard en als maskerspeler in een voorstelling. De rondleiding eindigde bij de muziekinstrumenten. Hij liet een tamboerijn zien en z’n verzameling fluiten en hij gaf op beide een kort concertje. Maar het meest bijzondere was de 100 jaar oude marimba, waar hij zelfs twee lange nummers op speelde. Erg leuk.

Na een klein uurtje of zo konden  we verder rijden, nadat we onze namen in het grote boek hadden geschreven en ons goede reis was gewenst door de gids in zijn traditionele kleding met rood/wit gestreepte broek en mooi geborduurde revers op het overhemd.

Todos Santos was niet veel verder en nadat we door de hoofdstraat waren gereden, waar we al een hele hoop mannen in rood/witte broek hadden zien lopen, parkeerden we de auto. We liepen wat door het dorpje heen, bekeken het kleine kerkje en liepen over het kleine marktje. De mannen en vrouwen dragen hier een leuk cremekleurig rieten hoesje met een blauwe band. De rieten hoeden die ze hier dragen waren van een kwaliteit die je ook kon wassen en kostten 200 quetzales. Ook de leuke stoffen tasjes die de mannen omhadden waren niet goedkoop met een prijs vanaf 150 quetzales. Zo ben je nog een heel fortuin kwijt aan een traditioneel kostuum.

Van afstand probeerden we enkele mensen op de foto te zetten, wat niet eenvoudig is. We probeerden te vragen  of we mensen mochten fotograferen en de één reageerde enthousiast en de ander afwijzend. Op het pleintje voor de Ayutamiento (gemeentehuis) zagen we de enige andere toerist in het dorpje op een bankje zitten. We maakten een praatje. Hij zou een nacht in het dorpje overnachten.

We liepen terig naar de auto en bij de auto vroegen we naar de beste weg naar het volgende dorpje. Dat lag aan de andere zijde van de bergrug en ons werd geadviseerd om terug te rijden via Huehuetenango en van daaruit naar San Juan Atitan te rijden.

Dus dezeflde weg reden we terug. In Huehuetenango was het zelfs ‘rustig’ in de smalle straatjes na de file van gisteren. We lunchten bij Monte Carlo, hetzelfde restaurant als waar we gisteravond hadden gegeten. Simpelweg, omdat we wisten waar het restaurant zich bevond en omdat het precies op de route lag naar San Juan Atitan.

Na de lunch was het 30 kilometer naar San  Juan, maar daar zouden we ook een uur over doen. Dat kwam met name doordat we de keuze hadden tot een aantal toegangswegen naar San Juan en we precies de verkeerde kozen. Daardoor moesten we nadat we al een kwartier steil de berg op waren gereden, keren, omdat de weg onverhard werd en we het onverantwoord vonden om verder te rijden.  Een lokale boer raadde ons ook aan om de andere weg te nemen, omdat die in een  betere conditie was. En dus weer het hele stuk naar beneden om via de Pan American Highway naar de volgende afslag te rijden en weer en behoorlijk steile weg naar boven te nemen. Onze auto was een automaat met een niet al te sterke motor. Het grote nadeel van  een automaat is dat de auto zelf beslist in welke versnelling die gaat rijden en dus leek de  versnelling wel van z’n vier (2.500 tot 3.000 toeren) naar z’n eerste versnelling (5.000+ toeren) te schakelen en weer op te schakelen en weer terug te schakelen enzovoort. Het beestje maakte een imposante herrie, waar Max Verstappen nog van zou opkijken. Op sommige plekken was de weg in erbarmelijke omstandigheid, maar het was te doen. Toen we in  San Juan aankwamen, zagen we direct wat hier de kledendracht is. Mannen lopen hier – mega onpraktisch- in witte broeken, maar hebben een schitterend overhemd met erg veel borduurwerk aan.

Het dorp zelf stelde niets voor; een klein pleintje aan een verder doorgaande weg, waar overigens erg weinig verkeer reed. Ook in dit dorpje keken we rustig wat rond om rond 16.00 uur toch echt aan de tocht naar Quetzaltenango te beginnen. Die rit zou rond de 120 kilometer zijn, maar ruim twee en een half uur gaan duren. We reden via de Pan American Highway, de doorgaande weg vanuit Amerika naar het zuidelijke puntje in Zuid Amerika. Een weg die alle landen aan deze weg met elkaar verbindt, op een klein stukje tussen Panama en Colombia na, waar de weg niet bestaat.

Nu kun je je een heleboel voor gaan stellen bij een ‘highway’, maar ook deze weg is een simpele, door de bergen kronkelende tweebaansweg, die tussen de dorpjes over het algemeen heel goed van kwaliteit is, maar in de dorpjes werkelijk dramatisch van kwaliteit. Maar men lijkt het dan toch nog nodig te vinden om tussen alle kuiken en gaten ook nog drempels (de ziekte in Centraal Amerika) aan te leggen. Maar zonder die drempels is het al onverantwoord om harder te rijden dan 20 kilometer.

En dan zij  er nog de vrachtwagens. Soms zijn het trekkers met een enorm lange oplegger en die rijden over de drempels stapvoets en trekken pas op als de wielen van de oplegger ook over de drempel zijn. Op dit moment kun je de vrachtwagens goed inhalen, mits geen tegenliggers. Op de Pan American Highway moet je ze al rijdend inhalen. Sommige van die vrachtwagens belemmeren echt de voortgang en rijden maar meg 30 of 40 kilometer per uur. Dat zou eigenlijk verboden moeten worden.

We kwamen pas tegen 19.00 uur aan bij het hotel in Quetzaltenango. De laatste 25 kilometer reden we in de schemer en in het donker en dat is niet prettig, omdat een aantal auto’s en brommers geen werkende achterlichten hebben. Die zie je dus nauwelijks. En door het gebrek aan straatverlichting zie je de mensen ol straat ook nauwelijks.

In het hotel kregen we nog een behoorlijke discussie over de prijs. Er werd een prijs genoemd van 90 quetzales per nacht. Dat bleek bij het betalen per persoon te zijn en exclusief toeslagen. Ja, zo kunnen wij het ook. Marjolijn ging kijken naar een alternatief in de buurt, maar kwam terug met het verhaal dat ze was aangevallen door twee agressieve straathonden in een donker straatje en het andere hotel niet had gevonden. Er zat inderdaad een schaafwond op d’r been. Erg oppervlakkig, maar voldoende om ons er met die vieze straathonden hier druk om te maken. Dus snel onder de douche en ontsmetten.

’s Avonds aten we bij een Indiaas restaurant. We liepen tegen 20.15 uur naar het restaurant door verlaten straten met allemaal rolluiken. Quetzaltenango is niet echt een leuke bruisende stad na winkeltijd.

Na het eten keken we aflevering 3 van Wie is de Mol 2020 op Youtube.

Woensdag 11 maart 2020

We ontbeten in de overdekte patio in het hotel. We waren de enige gasten. Vreemd dat ze gisteren zo moeilijk deden over de kamerprijs, die hoger was aan de balie dan via Booking. Wij hoefden niet zo nodig officieel te worden  ingeschreven en 20% belasting bovenop de kamerprijs te betalen. Zonder registratie vonden wij het ook okay, mits de opslag niet werd doorberekend.

Na het ontbijt gingen we toch maar op zoek naar een dokter. Beter het zekere voor het onzekere. Na wat rondvragen kwamen we bij een ‘clinico’. De assistente zei dat de dokter on de weg terug was van een patiënt en er ieder moment kon zijn. We hadden ondertussen tegenover het kliniekje een filiaal van ‘Holandesa’ gezien, waar ze taartjes verkopen en wellicht ook koffie en we liepen daarheen. Ze hadden taartjes en oom koffie; een soort van Nespresso, maar dan van een kwalitatief mindere soort.

Na de koffie staken we de straat over naar de clinico. We mochten plaatsnemen op een bankje toen de telefooon ging. Het was de dokter en ze was onderweg. Maar een telefoontje er vlak achteraan bracht minder goed nieuws; de dokter moest voor een spoedgeval naar het ziekenhuis.

En dus op zoek naar een andere dokter. Op straat vroegen we een man naar een kliniek en die wees ons naar het Centro de Salud. In het Engels stond hij ons te woord. Hij gaf aan dat het Centro de Salud welliswaar druk is, maar dat we gewoon moesten aangeven dat het spoed had en dan zou het wel goed komen. Gewoon een beetje druk op de ketel houden, gaf hij aan.  Het Centro de Salud was 1,5 kilometer lopen en deels terug richting het hotel.

Eenmaal bij het Centro de Salud liet Marjolijn zich registreren bij de balie. De intake was snel gedaan en de administratie vond plaats op een leeg A4-tje. Niets van registratie in een computer, niets van legitimatie, helemaal niets moeilijks.

Marjolijn moest op de weegschaal, die een compleet onzingewicht aangaf van 150(?!) met zware bergschoenen en kleding aan en daarna werden we direct meegenomen naar een andere wachtruimte. Daar zat een man te wachten die in z’n enkel gebeten was door een hond. We wachtten een half uur of zo voordat we in een afgrijselijk klein kamertje werden binnengeroepen. Achter een schoolbankje uit de 30-er jaren van de vorige eeuw zat de dokter. Marjolijn liet de bewuste plek zien, maar de arts was er niet van onder de indruk. Hier was eigenlijk niets aan de hand. Een mogelijke beet was niet de huid in gegaan. Die was in tact, er zat alleen een kras. Maar voor de zekerheid werd antibiotica voorgeschreven en pijnstillers. Maar waarom pijnstillers, mevrouw de dokter?  Nou, omdat u voor de zekerheid wel een DTP prik krijgt in verband met uw ziekte.

 En dus werden we afgeleverd bij een ander kamertje, dat niet op slot kon. Vanuit het kamertje kwam een gehuil van een kindje, dat het schijnbaar niet kon waarderen dat en vreemd element het lichaam onvrijwillig werd ingeduwd. Al snel werd Marjolijn binnengeroepen en Remco volgde, maar dat leek niet de bedoeling. Maar Remco hield vol en hield het proces in de gaten.

Voordat ze het doorhad, zat de steriele naald al in de bovenarm en werd de DTP prik geïnjecteerd. Een los watje werd tegen de ‘wond’ gedrukt en we konden vertrekken. We liepen terug naar de kamer in het hotel, pakten de dagrugzakken en reden met de auto naar het 10 kilometer van Quetzaltenango gelegen dorpje Zunil. We parkeerden de auto en liepen wat door het dorpje zoals we de afgelopen dagen wel vaker hebben gedaan. Maar in dit dorpje was nu niets te beleven. Bij de Pollorama lunchten we met een kipburger, vers gefrituurde frietjes en een kipfiletje (ook gefrituurd met een krokant laagje). Een heel verantwoorde lunch (not), maar wel lekker.

Via Quetzaltenango reden we richting San Martin Sataquetpertez, dat 40 kilometer ten westen van Quetzaltenango ligt. Eerst moesten we precies door het centrum rijden vanuit het zuiden richting het westen. Dat ging nog redelijk, maar bij de doorgaande weg de stad uit had men verkeerslichten geplaatst, waardoor de hele stad vast kwam te staan. Toch bijzonder dat ze dat niet door hebben. En zo krijg je een hoop herrie en meg name een enorme luchtverontreiniging met al dat optrekken van die vieze (met name) chickenbussen, maar ook de vele minibusjes waarbij de roetfilter ook nog niet is aangebracht.

Eenmaal de stad uit reed het wel goed door en na een half uurtje of zo kwamen we aan in San Martin. Vanuit dit plaatsje zou een weg gaan naar een meer op een uitgedoofde vulkaan. Ook nu weer zorgden we ervoor dat de auto 5000+ toeren maakte, maar ook nu haalden we niet ons einddoel. De betonnen weg hing plots over in een ongeasfalteerde, mega stoffige weg en we vonden het niet verantwoord om verder te rijden. Daarnaast hadden we al gezien dat de wolken over de bergrand naar beneden kwamen zetten en we wilden niets riskeren voor geen uitzicht op de top.

Dus onverrichtter zake terug naar Quetzaltenango. Dit keer was het behoorlijk wat rustiger op de weg en konden we zelfs in de stad nog redelijk doorrijden. We parkeerden de auto op de beveiligde parkeerplaats achter een groot hek en nadat we ons even hadden opgefrist op de kamer liepen we door het centrum van Quetzaltenango. In de reisgids hadden we al gelezen dat de stad niet veel bezienswaardigheden kent. Binnen twee uur heb je alles wel gezien, staat er in de reisgids. Die twee uur haalden we niet eens. We liepen langs heg theater, dat vreemd genoeg iets weg heeft van  romeinse stijl en we liepen naar het vredige centrale plein, dat vol met duiven en met lokale bevolking dat de middag in de zon doorbrengt op de bankjes.  Het kerkje aan het plein had gelukkig de deuren dicht. Daar hoefden we dan even niet te kijken.  We kochten wat frisdrank en gingen zitten op een bankje in de late middagzon. De zon begon kracht te verliezen en het was uiterst aangenaam  vertoeven op het pleintje. Slechts een man probeerde z’n pelpinda’s aan ons te slijten, maar verder werden we met rust gelaten. Zelfs de schoenpoetsers, die normaal gesproken hun kans altijd wagen, waren tam.

Bij een laagstaande zon liepen we nog wat door enkele straatjes, kochten fruit voor het ontbijt van morgenochtend en rond 18.30 uur keerden we terug naar het hotel. Daar zouden we salade maken en we hadden niet eens erg veel trek na de stevige lunch van vanmiddag.

Donderdag 12 maart 2020

Om 08.00 uur gingen langzaam de oogjes open. We ontbeten in de patio van het hotel en daarna pakten we de spullen en gingen op weg. Het was nog rustig in de straten van Quetzaltenango. Gelukkig maar.

De eerste stop was in het plaatsje San Chistobal Totonicapan. De mensen hier moeten wel heel brede paspoorten hebben om de plaatsnamen in hun reisdocumenten te hebben staan. Het was vandaag geen marktdag en er was weinig te beleven in het dorp. We besloten om maar niet door het dorp te lopen, maar er doorheen te rijden en  inderdaad was er weinig vertier.

De tweede stop was in het plaatsje Totonicapan. Ook hier geen marktdag en we konden ook geen parkeerplekje vinden, maar we hadden al snel gezien dat hier ook niet veel gebeurt als er geen marktdag is. En dus reden we verder over een klein  weggetje richting de Pan American Highway. De weg slingerde door de groene bergen, die begroeid waren met naaldbomen. Het landschap werd steeds idyllischer en dat terwijl de akkers bruin waren, doordat er nog niets op werd verbouwd. Als die groen zijn moet het nog mooier zijn hier. We reden door hele kleine nederzettinkjes. Vrouwen in mooie kleding liepen door de straatjes en veel huizen waren in aanbouw. De huizen zijn niet erg mooi. Ze zijn erg functioneel gebouwd uit grijze blokken. Slechts een enkeling is rijk genoeg om de blokken aan te smeren en vervolgens te verven. En dan zij  de huizen ineens best aantrekkelijk om te zien. Grasgroen is hier wel zo’n beetje de favoriete kleur.

De weg bleef maar stijgen en ineens zaten we weer op een hoogvlakte. Het lijkt wel van dorp tot dorp te verschillen hoe ze de landbouw plannen, want in een ander dorp werd het land al druk bewerkt. Alles gebeurt hier nog handmatig, dus je ziet veel (vaak) mannen met een schop het land omploegen. Nergens wordt een tractor gebruikt, vreemd genoeg. Op een enkele plaats werd het land geïrrigeerd en daar zag je de eerste jonge plantjes al opkomen.

De routeplanner wilde ons steeds maar rechtsaf laten slaan om naar de Pan American Highway te gaan. De eerste weg was onverhard. We sloegen de weg, die 7 kilometer lang zou zijn in. Al snel zagen  we een lokale boer langs de weg lopen en we vroegen naar de staat van de weg. Die zou ‘hetzelfde’ zijn als de eerste paar honderd meters die we al hadden afgelegd, maar we kozen eieren voor ons geld en keerden om. Liever wat omrijden over geasfalteerde weg dan een onbekende onverharde weg te nemen.

En dus vervolgden we de verharde weg. Die was (zoals een beetje standaard) van goede kwaliteit tussen de dorpjes en van mindere kwaliteit in de dorpjes. Steeds meer lijken we te beseffen dat er een verschil is tussen gemeentewegen en nationale wegen.

Maar ook de nationale weg hield op geasfalteerd te zijn, maar een goed berijdbare weg ging verder. We zagen voldoende personenauto’s langs de kant van de weg staan om ervan overtuigd te zijn dat we de onverharde weg konden blijven volgen. De langs de kant geparkeerde personenauto’s waren van boeren die op het land aan het werken waren. Tuk tuks kwamen ons tegemoet rijden, dus wij moesten de weg gewoon kunnen vervolgen. En dat ging ook zonder problemen, hoewel de laatste twee kilometer de weg flink daalde.

Via de Vierbaans Pan American Highway reden we verder tot de afslag naar Solola. We sloegen af en parkeerden de auto op het centrale plein van Solola en liepen door het dorpje op zoek naar een restaurantje. Die waren er niet veel, maar we vonden een restaurantje dat een menu del dia aanbood. We bestelden er twee, maar waren na afloop niet heel erg enthousiast over wat we voorgeschoteld hadden gekregen. Het was niet erg veel en ook niet heel erg lekker. Maar het was dan ook weer niet erg duur.

We vervolgden onze weg via Pananchachel. Het was erg heiig, wat zeer waarschijnlijk het gevolg was van smog. Hierdoor zagen we vanaf de uitzichtpunten onderweg nauwelijks iets van het meer van Atitlan. We realiseerden ons dat we een weekje geleden wel erg veel mazzel  hebben gehad met het super heldere weer van toen.

Via dezelfde weg als vorige week reden we terug naar Antigua, waar we om 16.00 uur incheckten bij Mary’s guesthouse. Snel legden we de spullen op de kamer en daarna reden we naar het verhuurkantoortje van Alamo om de auto weer in te leveren. De auto werd minutieus nagelopen, maar akkoord bevonden. Daarna liepen we naar de supermarkt om inkopen te doen voor de wandeltocht naar de Acatanango vulkaan morgen. Extra water, wat te snacken en ook wat groente voor het avondeten.

Vrijdag 13 maart 2020 en Zaterdag 14 maart 2020

Rond 09.00 uur werden we door een negenpersoons busje opgehaald bij het hotel voor een tweedaagsetocht naar de (bijna) de top van de Acatenango vulkaan. Dit deden we in groepsverband met 20 andere personen. We stapten een paar blokken van ons hotel over op een grotere bus. Daar zaten veel verschillende nationaliteiten in: Italianen, Brazilianen, een jongen uit HongKong, een Engelsman en vier Nederlanders, waaronder wij. We werden met een bus naar het beginpunt van de wandeling gebracht, maar voordat we daar aankwamen stopten we bij een huis waar ons extra kleding werd uitgereikt alsmede, een maaltijdpakket, extra water en wandelstokken.

De wandeling begon direct behoorlijk pittig. Zeker met de 5 liter water die we per persoon meesleepten. Tussen de akkers door liepen we over een pad met vulkaangruis (kleine ronde steentjes), dat naast moeilijk lopen ook nog eens erg stoffig was. Er waren verschillende rustmomenten om ook de groep, die al snel uit elkaar viel vanwege het tempo weer te hergroeperen. Na de steile wandeling langs akkers, waar de jonge plantjes net waren ontsproten, liepen we door een loofbos, waar de stammen en de takken vol met grote mossen zaten. Hier was het wandelpad wat beter.

Na het bosgedeelte kwamen er in een deel met allemaal dode bomen. Het was een vreemd gezicht om alleen maar stammen te zien. Grijs van kleur, omdat de barst ontbrak. Het steilste stuk hadden we nu gehad en het was nog 45 minuten lopen naar het kamp. Het kamp was gebouwd op een smalle riggel tegen de helling op en was hooguit een meter of vijf breed. Het kamp bestond uit een aantal simpele tenten, gemaakt van landbouw plastic en houten stammen, waar 10 wandelaars in konden slapen. Het was allemaal zeker geen luxe en comfort. Een toilet ontbrak. Maar vanuit het kamp hadden we schitterend zicht op de actieve El Fuego vulkaan, op een kilometertje afstand of zo, die zo’n beetje ieder kwartier uitbrak. Bij daglicht zagen we alleen steeds een indrukwekkende rookpluim, maar na zonsondergang zagen we het lava en oranje/rode stenen de lucht in worden geblazen. Ook zagen we vuurballen van de vulkaan naar beneden rollen. Dat alles ging gepaard met een gebulder als onweer.

De nacht was fris buiten, maar wel uit te houden in de slaapzak. Goed slapen deden we echter niet. Het was ook behoorlijk intiem met de buurvrouw die we niet kenden, omdat alles erg krap was. Met kleding en al lagen we in de slaapzak, die niet heel erg fris was.

De volgende ochtend sloegen we de wandeling naar de top om naar de zonsopkomst te kijken af. Het zou anderhalf uur klimmen zijn en daarvoor zouden we om 04.00 uur moeten opstaan. Van anderen hoorden we dat de zonsopkomst en het uitzicht weliswaar mooi waren, maar de wandeling extreem pittig.

Na het ontbijt liepen we dezelfde weg terug en hoe lager we kwamen, hoe stoffiger het werd. We waren blij toen we weer terug waren in het hostel, waar we de tijd namen om alle stof van ons af te douchen en de kleding uit te wassen. Daar zat en halve vulkaan aan stof in.

Het was inspannend geweest, maar een unieke ervaring.

’s Avonds aten we met Boi en Mariëlle die we tijdens de wandeling hadden ontmoet bij restaurant Cactus. Daarna nam Boi ons mee naar een ‘geheime bar’. De ingang van de bar was onzichtbaar achter een telefooncel waar je doorheen moest lopen. In de bar dronken we allemaal een heel bijzondere cocktail.

Zondag 15 maart 2020

Eigenlijk zouden we vandaag verder reizen naar Copan in Honduras, maar we hadden vernomen dat we niet naar Honduras konden reizen omdat daar de grenzen dicht waren. We besteedden een groot deel van de dag aan het bekijken van de opties. Uiteindelijk besloten we een vlucht naar Medellin in Colombia te boeken voor de volgende dag. We hadden ook al een terugvlucht vanuit Colombia naar Nederland geboekt en dat zou gezien de omstandigheden de beste optie zijn voor ons. Mary regelde voor ons een shuttlebus naar het vliegveld in Guatemala-stad voor de volgende ochtend om 7.00 uur.

Verder deden erg weinig. We liepen nog wat door de straatjes van Antigua en bezochten nogmaals de markt, die opvallend leeg was. Verder deden we eigenlijk weinig.

’s Avond hadden we afgesproken met Boi en Marielle om te gaan eten. Ook Wouter, een jongen uit Haarlem, sloot zich bij ons aan. We hadden ene gezellige avond, die deels ook in het teken stond van het Coronavirus en de invloed die dat heeft op het vervolg van onze individuele reizen.

Na het eten namen we afscheid van elkaar omdat we allemaal een andere kant uit zouden reizen. Wouter wilde zo snel mogelijk terug naar Nederland en Boi en Mariëlle gingen richting Lake Atitlan.