Dinsdag 21 mei 2019

Vandaag zou onze tweede wereldreis aanvangen. Maar voor dat dat kon gebeuren moest eerst het huis leeg en schoongemaakt worden en de tas worden ingepakt. 

Om 13.30 zou Anneke ons komen ophalen en naar Schiphol brengen. Hoewel we hadden gehoopt dat ze iets later zou komen, omdat we nog druk bezig waren met de laatste dingetjes af te ronden, kwam ze tien minuutjes eerder.  Geen probleem. 

Anneke bracht ons naar Schiphol, waar we incheckten voor de vlucht met Pegasus Airlines van 16.20 uur naar Istanbul. Op Istanbul zouden we dan 2 uur en een kwartier overstaptijd hebben voor de doorvlucht naar Teheran. De doorvlucht zou zijn om 22.25 uur. Omdat er een uur tijdsverschil zit tussen Amsterdam en Istanbul, werd het wachten met een uur bekort tot slechts vijf kwartier.  En dat was te overzien.

De vlucht naar Teheran had echter 40 minuten vertraging, maar die tijd werd in de lucht weer ingehaald en keurig op tijd landden we om 03.30 uur lokale tijd (01.00 uur Nederlandse tijd) op de luchthaven van Teheran. 

We hadden veel gelezen over de administratieve afhandeling op de luchthaven van Teheran. Zo moesten we er rekening mee houden dat we één tot twee uur nodig zouden hebben om door de douane te komen etc.

Niets was minder waar. Voor de paspoortcontrole was eigenlijk geen wachtrij (er stonden drie mensen voor ons, en dat terwijl er twee balies voor buitenlanders open waren) en eenmaal aan de balie werd onze paspoorten gescand en konden we doorlopen. Niemand die naar onze visa vroegen (die we in Nederland overigens wél al hadden geregeld) en niemand vroeg ons naar ons verzekeringsbewijs, alhoewel dat op alle fora zo’n beetje stond beschreven.

Binnen tien minuten waren we door de douane en waren we in Iran.  De bagage kwam al aanrollen op de bagageband toen we aan kwamen lopen. In de aankomsthal was ook een bank –met een niet erg vriendelijke man, overigens- en al snel hadden we 100 euro gewisseld voor –ik weet niet hoeveel- Iraanse Rial. We waren in een klap millionairs!

We liepen langs de douanier voor de bagagecontrole die ons vroeg waar we vandaan kwamen en alleen aangaf “Welcome to Iran”. Hij was de eerste en we zouden er al snel achter komen dat hij zeker niet de laatste zou zijn.

Nadat we ook langs de bagagecontrole waren gelopen, zagen we twee balies voor Simkaarten; één ervan was gesloten en één ervan was wel open. Binnen 3 minuten hadden we voor USD 5 een simkaartje met 3gb aan data. Kwestie van een kopie van het paspoort maken en het geld overhandigen.  Verder geen gedoe.  Na 5 uur zou het tegoed actief zijn.  En dus beschikken we ook over mobiel Internet in Iran.

Weer 5 minuten zaten we in een taxi naar Teheran. Voor de vaste, schappelijke prijs van 1.000.000 (waarbij we ons in eerste instantie afvroegen of het niet een beetje veel was) werden we naar Teheran gebracht.  De chauffeur moest nog wel even enkele telefoontjes plegen om er precies achter te komen waar hij ons nu heen moest brengen, maar daarna ging het als een speer in de nacht over de driebaans snelweg naar Teheran.

Na ongeveer een half uurtje rijden (50 kilometer) werden we voor de deur afgezet en een slaperige nachtportier deed open.  We checkten in en om 05.30 uur konden we voor twee en een half uur onze ogen sluiten.

Woensdag 23 mei 2019

Vandaag stond al direct een bezoek aan de Turkmeense ambassade op het programma. Omdat we een Iraanse SIM-kaart hadden en de app van Snapp Cab op de tablet hadden geïnstalleerd konden we via deze app een taxi bestellen. Snapp is de Iraanse variant van Uber.  Hoewel we dat in Nederland nog nooit hebben gebruikt, werkt het hier super.

In de app geef je op een plattegrond jouw vertrekpunt aan door een pinnetje op de kaart te zetten en zo ook je eindpunt. Daarna verstuur je het berichtje, dat je moet bevestigen met een code die naar je (Iraanse) telefoonnummer wordt gestuurd.  Op je beeldscherm krijg je de nummerplaat van de auto die je komt halen en de foto van de chauffeur te zien en ook de ritprijs.  Dus geen mogelijkheid om opgelicht te worden en je weet wie je chauffeur is.

Wat we niet wisten was dat we het nummerbord niet konden lezen (nee, hè hè… jullie zijn in Iran, sukkels!) en ook niet dat we door een wildvreemde werden gebeld die alleen Farsi sprak. Die wildvreemde was de taxichauffeur.  Dus even naar de receptie van het hostal gelopen en die de chauffeur even terugbelden. Echt een paar minuutjes later stond de taxi voor de deur.

Okay….  het verkeer in Teheran.  Regel 1:  er zijn geen regels.  Regel twee:  als je toch denkt dat er een regel geldt, lees dan regel 1 nogmaals.  En dat betekent chaos!  Op sommige stukken stonden we vast en op sommige stukken reden we met 110 kilometer per uur door de stad.  Bij de chauffeur kon een glimlach er wel af.

Na een half uurtje of zo stonden we voor de Turkmeense ambassade met onze vooraf ingevulde visumformulieren. Toen er na wat wachten er een klein luikje openging in de deur en we onze papieren afgaven, werd ons medegedeeld dat het formulier was gewijzigd en dat we nog maar weer eens terug moesten komen.  Notabene… het visumformulier moest in kleur worden afgedrukt.

Afijn,  15 jaar geleden zou dat op reis geen probleem zijn geweest; internetcafés in overvloed.  Maar anno 2019, waarbij iedereen thuis beschikt over internet en velen over een (kleuren)printer, is het fenomeen internetcafé zo goed als niet meer bestaand.

En dus gingen we op zoek naar een kleurenprinter.  Maar waar vind je die.  Bij de Hyunday dealer, wellicht?  Brutaal als we zijn stapten we binnen en vroegen of ze een kleurenprinter hadden.  Die hadden ze niet, maar een klant die daar wachtte op het moment dat zijn auto een beurt had gehad, bood ons aan om ons naar een internetcafé te brengen.  Hoewel hij uit de buurt kwam en hij (volgens ons) in cirkeltjes reed, kon hij het internetcafé ook niet vinden en zelf na navragen kwamen we er niet.  Dan maar in een ander winkeltje vragen en daar was wel een kleurenprinter aanwezig. En dus printten we het juiste formulier, maar we waren inmiddels te laat voor de ambassade die tot 12.00 uur geopend was.

En dus bood Ali (de bewuste klant van de Hyunday garage; zijn  naam is bewust gewijzigd naar Ali) ons aan om ons naar Darband te rijden.  Dit is een stukje natuur in de bergen ten noorden van Teheran. Op vrijdag (de islamitische weekenddag) schijnt het hier een drukte van jewelste te zijn, maar door de weeks en tijdens de Ramadan kun je er een kogel afschieten zonder iemand te raken.  Nadeel is dat alle restaurantjes dan ook dicht zijn….. tenminste als je geen farsi spreekt.  Maar Ali wist wel een restaurantje dat open zou zijn en aangezien we niet hadden ontbeten, hadden wij wél trek.  In het restaurantje bleken we niet de enigen te zijn. Ook ontdekten we dat de Ramadan niet erg strikt werd nageleefd. 

Tijdens de kebab-maaltijd begon het te regenen en koelde het af; net Nederland. En dat terwijl we even daarvoor nog hadden bedacht een klein stukje door de omgeving te gaan wandelen.  De regen werd erger en het begon zelfs te onweren.  Maar wij zaten droog.

Ali was niet geheel onbemiddeld. Hij was eigenaar van zowel een textielfabriek als ook van een bouwbedrijf en toen wij zeiden (aan de hand van Ali’s bezoek aan de Huynday garage) dat wij thuis reden in een bescheiden Kia, gaf hij aan dat hij nu in het ‘boodschappenautootje’ van z;n vrouw reed en zelf over een four wheel drive beschikte en twee mercedessen had. Ach ja.. verschil moet er zijn.

En hoewel we tijdens de voorbereiding op de reis naar Iran hadden gelezen dat er zware straffen staan op alcoholconsumptie en dat je vooral politieke onderwerpen moest vermijden, sprak Ali ronduit met plezier over z’n wodka-avonden (hij liet de filmpjes ervan op z’n telefoon zien) in één van z’n twee huizen met zwembad en kwam hij er ronduit voor uit dat hij helemaal niets had met de ouderwetse regering in Iran. 

Na de lunch bracht Ali ons naar het metrostation, waar we even naar de bescheiden markt liepen.  Wel leuk om te zien. We kwamen uit bij een mausoleum.  Voordat we het plein mochten betreden, moest Marjolijn eerst een chador aantrekken. Na wat gemopper liepen we het terrein op.  Remco deed z’n schoenen uit toen we bij de ingang kwamen en hij liep de moskee cq. Mausoleum binnen. Vele mannen zaten te bidden of in de koran te lezen. Het mausoleum zelf, de met metalen hekwerk en glas afgezette marmeren kist, was niet zo bijzonder. Eenmaal buiten liepen we de hoek om en daar was de vrouweningang en Marjolijn nam ook even een kijkje.  Eenmaal weer samen op het plein voor de moskee, kregen we van een oudere dame een zakje zout in onze handen gedrukt.We dankten de dame zeer hartelijk, maar hadden in de verste verte geen idee wat we met het zout zouden moetendoen en we besloten dan ook maar het zout (buiten het zicht van de dame waarvan we het zout hadden gekregen) aan een ander persoon te doneren, die waarschijnlijk veel beter wist wat de bedoeling ervan was.  Terug in de bazaar zagen we dat op meerdere plekken de bewuste zoutzakjes werden verkocht.

Na het bezoek aan de bazaar en de moskee/mausoleum namen we de metro terug naar het hotel.  Eerst nog even goed op de metro-app kijken waar we precies heen moeten en daarna het metrostation in.  Vaak moet je dan eerste met de roltrap naar beneden en dat deden we ook.. om vervolgens nog een tweede, een derde, een vierde en zelfs een vijfde roltrap naar beneden te gaan. Daar kochten we twee kaartjes voor zo’n 15 eurocent per stuk, die uit niets meer bestonden dan een QR-code.  Snel door de poortjes en naar het perron.  Daar mochten we niet in de eerste twee wagens stappen, want die zijn voor ‘women only’.

Afijn…. We reden ruim een half uur en een stuk of 14 stations verder (en de tussenliggende afstanden zijn ongeveer vier keer zo groot als die in Amsterdam) tot we uitkwamen bij het station waar we moesten overstappen op de blauwe lijn in de richting van het hostal.  Toen we het metrostation verlieten, liepen we eigenlijk gelijk tegen een bakkertje aan.  In het beging van de winkel lagen allemaal zoete lekkernijen uitgestald in de vitrines en achterin stond de bakker met versgebakken brood. We kochten een brood voor morgenochtend als ontbijt.

Donderdag 23 mei 2019

We werden om 07.30 uur wakker en kwamen er al snel achter dat we een probleempje hadden.  We hadden giste veel pogingen ondernomen om het nieuwe visumformulier te printen, maar nu we de prints zagen kwamen we achter een belangrijke stap. Namelijk dat we het formulier niet handmatig mochten invullen. Het formulier moest digitaal worden ingevuld en na het invullen moesten we een knop indrukken die een QR-code zou creëren. 

We vulden het formulier digitaal in aan de hand van een foto die we hadden gemaakt van het ingevulde voorbeeldformulier dat aan de muur bij de Turkmeense Ambassade hing.  Zo waren we er redelijk van overtuigd dat we het goed hadden gedaan.  Nadat we een formulier hadden ingevuld activeerden we de QR-code en sloegen het document op.  En dat twee keer.

Bij de receptie van het hostel vroegen we waar we de documenten konden laten afdrukken in kleur, want dat was vereist.  Een medewerker liep met ons mee naar een plek waar we dat zouden kunnen doen…. echter, de winkel was dicht en de medewerker wist het nu ook niet meer.  Met wat moed in de schoenen  liepen we naar het metrostation om daar de metro naar de ambassade te nemen.  Onderweg vroegen we enkele keren of iemand wist waar we kleurenafdrukken konden maken en…. het was raak!  Iemand stuurde ons de goede richting op en even later hadden we de documenten in kleur geprint.

We namen de metro naar de het laatste station in het noorden van Teheran.  Daar moesten we weer vijf roltrappen omhoog en op straat vroegen we een taxichauffeur om ons naar de ambassade te brengen.   Dat werkte niet.  Probleempje met de communicatie.  Maar geen probleem… er zijn altijd mensen die ons willen helpen en al snel was een chauffeur duidelijk gemaakt in het Farsi waar we heen wilden.

Bij de Turkmeense ambassade was het rustig en dat vond ik geen goed teken, want was deze dan nog wel geopend.  Een paar keer kloppen op het houten luikje in de deur leverde in eerste instantie geen reactie op, maar na zo’n vijf minuten ging het o zo belangrijke luikje voor ons open en konden we de ambassademedewerker onze formulieren overhandigen.

Probleempje!  Eén veld was niet ingevuld en tsja…. dan kon het formulier niet in behandeling worden genomen. Na een enorm toneelspel van geslijm (ik gleed bijna uit in m’n eigen geslijm) kreeg ik het voor elkaar dat het formulier met een handgeschreven toevoeging toch werd geaccepteerd.

Ook een ander formulier was nog niet volledig ingevuld, maar dat formulier was al handmatig ingevuld (en dat was toegestaan) en kon dus erg eenvoudig worden aangevuld.  Twintig Amerikaanse dollars armer voor twee personen en een week wachten en dan zullen we zien of we Turkmenistan in mogen.  De kans lijkt echter nu wel reëel (51%??), omdat de ambassademedewerker ieder ingevuld formulier nauwlettend doornam en ons uiteindelijk de fee liet betalen.

Enigszins gerustgesteld liepen we terug naar het metrostation en liepen we nog een keer over de markt.  Daarna namen we de metro naar het Imam Khomeinistation, waar we uitstapten en in het park aldaar even in de schaduw op een bankje iets aten.  Hoewel het Ramazan is (in Nederland Ramadan), zien we sommige mensen daar niet erg strikt mee omgaan.  Wij dachten in het park wel uit het zicht te zijn van anderen, maar Iraniërs zijn overal!.  We aten een appeltje en een banaan en er was niemand die ons raar aankeek of iets ervan zei. Overigens hoeven reizigers en zieken niet deel te nemen aan de Ramadan. Het is alleen niet zo attent om in het bijzijn van anderen te eten. Alle restaurants zijn overdag gesloten, dus zorgen wij zelf voor ons middageten.

We bezochten de Grand Bazaar.  Hoewel het pas tegen 15.00 uur liep, was dat reden voor een aantal winkels om de rolluiken al te laten zakken.  Het is donderdag en dan begint zo’n beetje het weekend voor de moslims. Een groot deel van de winkels was echter nog open.  We liepen op een gegeven moment door een gang (de markt is enorm en geheel overdekt en de gangen zijn zo breed als twee auto’s) waar de winkels alleen maar kledinglabels verkochten.  Denk je dus ergens een broek van een duur merk te kopen, vraag dan eerst waar de labels zijn gekocht J.

In een andere gang waren alleen maar horlogewinkels gevestigd.  Ik had nog een nieuw horlogebandje nodig en liet die voor twee euro aan m’n horloge zetten.  Een keurig leren bandje!

We hadden gelezen dat rondom de Grote markt wisselkantoortjes zouden zitten en aangezien op vrijdag alles dicht is (zou zijn) en we niet kunnen pinnen, wilden we voor de zekerheid wel ruim in het Iraanse geld zitten.  Maar we kwamen bedrogen uit; alle wisselkantoren waren al gesloten en dat was balen.  Niet dat we helemaal zonder geld zaten (we hadden eigenlijk wel genoeg), maar we wilden het risico niet lopen.

Na het bezoek aan de bazaar namen we de metro terug richting het hostal en op weg van de metrohalte naar het hostal kochten we nog wat groente en fruit en kwamen we ook langs een wisselkantoor dat nog wel open was.  We wisselden 100 euro. 15.750.000 rial kregen we ervoor terug. Nu wisten we ook de wisselkoers en kwamen we er achter dat we weliswaar soms dachten erg veel te moeten betalen voor dingen, maar dat het eigenlijk bespottelijk goedkoop is.  Bijvoorbeeld:  metrokaartje (onbeperkte afstand):  0,20 euro,  brood:  0,13 cent,  10 kilometer met de taxi (Snapp cab)  0,42 euro, kamer in het hostal met gedeelde badkamer en (slecht) ontbijt:  13 euro, eten in een goed restaurant voor twee personen inclusief (natuurlijk non-alcoholische) drankjes : 5 euro.

We liepen terug naar het hostal om even op de kamer het een en ander te regelen en te douchen.  Nadat de duister was ingetreden (om 20.30 uur) liepen we over straat op zoek naar een restaurantje.  Toen we aan een jong stelletje dat op straat liep vroegen waar een leuk restaurantje zou zitten, zei zij (hij sprak geen Engels) dat we die niet in de omgeving van het hostal zouden vinden.  Daarvoor moesten we een stukje verderop zijn; zo’n 20 minuten lopen.  Of met een taxi en ze gaf aan waar we heen zouden moeten lopen voor een taxi.  We namen afscheid en liepen naar de plek waar we een taxi konden nemen.  Daar aangekomen stond hetzelfde stelletje weer voor ons.  Ze wilden ons begeleiden naar een goed restaurant. Met z’n vieren een taxi in en we werden afgezet in een straat vol restaurantjes.  Gezellig druk overal (bij sommige restaurants stonden de mensen in de rij!).  We werden voor een goed restaurant achtergelaten. Op onze uitnodiging om met ons mee te eten gingen ze niet in.

Ook bij dit restaurant moesten we even wachten voor een tafeltje beschikbaar was.  Direct had ik contact met een man en zat Marjolijn was alweer omringd door allemaal dames. De man nam altijd kebab en dus namen we deze tip over.  Obers renden af en aan één ober had zelfs een bord of zes op z’n kaarsrecht uitgestrekte arm.

Na het eten liepen we terug naar het hostal.  Inderdaad zo’n 15minuutjes lopen.  Onderweg liepen we langs een restaurant waar weer een enorme rij mensen voor de deur stond te wachten.

Rond 23.00 uur lagen we op bed.

Vrijdag 24 mei 2019

Vanochtend uitgeslapen tot 08.30 uur.  Daarna op de kamer ontbeten met yoghurt en fruit.  We moesten –met behulp van het internet- nog wat kleine dingen regelen voor de woning thuis en nadat dat was geregeld liepen we naar de metrohalte om naar het Golestan Paleis te gaan. Op straat en in de metro was het erg stil; het is vrijdag en dus weekend voor de moslims. Wat ons overigens heel erg is opgevallen is dat je eigenlijk geen gebeden van de minaretten hoort in Teheran.

Bij het Golestan paleis kochten we voor ruim een miljoen aan entreekaartjes (6 euro, dus) en betraden we het complex.  In de eerste hal die we bezochten stond de marmeren troon in een mooie spiegelhal. De troon was iets van zes bij drie meter groot, op ongeveer een meter boven de vloer en werd “opgetild” door marmeren figuren. De troon kijkt uit op de tuin van het paleis, maar dat uitzicht werd belemmerd door twee enorme gordijnen.

 Vervolgens kwamen we uit in de schilderijengalerij en ten slotte kwamen we uit in het paleis zelf. Op zich was dat niet zo erg groot, zeker niet in vergelijking tot Europese paleizen, maar de zalen waren wel erg mooi en hingen vol met spiegels.  Weer een zaal later was ingericht met allerlei cadeaus die de bewoners hadden gekregen van ander mogendheden.

In de tuin van het paleis aten we iets op een bankje en om ons heen zagen we de Iraniërs ook gewoon eten. We hadden al begrepen dat de inwoners van Teheran het meest liberaal waren van alle iranier, maar ook dat een groot deel van de bevolking van Teheran eigenlijk helemaal niets op heeft met de Ramadan. Stiekem zie je dus her en der mensen ‘smokkelen’ als het gaat om deze traditie.

Na het bezoek aan het Golestanpaleis wilden we met een taxi naar het Rezi abbas museum, dat op ongeveer 12 kilometer ten noorden van het Golestan ligt.  Voor het Golestanmuseum stond een gele (officiele) taxi gereed en we vroegen hem naar de prijs.  In eerste instantie moest hij met enkele mensen bellen om erachter te komen waar we hen wilden. Toen gaf hij aan dat het 500.000 rial zou kosten.  Via Snapp cab hadden we uitgevonden dat een rit met Snapp 120.000 rial zou kosten.  En dus liepen we naar de doorgaande weg om daar iemand te vragen om ons te helpen.  Een taxichauffeur wilde wel helpen en belde met z’n collega van Snapp.  Natuurlijk kwam hij met de melding dat de chauffeur van Snapp niet kon komen, maar dat hij wel wilde rijden (taxichauffeurs zijn per definitie niet te vertrouwen).  Dat ritje gunde we hem niet.

We liepen een stukje de straat in en zagen een witte auto dubbel geparkeerd staan.  De taxi’s van Snapp Cab zijn vaak wit en niet herkenbaar als taxi.  We klopten op het raampje van de passagierszijde en het raampje werd geopend.  We vroegen de bestuurder of hij een taxi was en of hij ons naar het museum kon brengen.  We vroegen ook naar de prijs.  De chauffeur gaf aan dat we konden instappen, maar dat we niet hoefden te betalen. Zoiets hadden we al gelezen op het internet; dat noemt men ta’arof in het Iraans en hiermee wordt bedoeld dat eerst drie keer betaling wordt geweigerd uit beleefdheid (terwijl er wel een betaling wordt verwacht) en dat pas na lang aandringen de betaling wordt geaccepteerd.

Wij stapten dus in met al de benodigde rials in onze handen.  Onderweg vroeg de chauffeur nog wel een keer naar het exacte adres, dat hij in z’n mobiele telefoon programmeerde.  Toen hij voor de deur van het museum stopte, wij uitstapten en hem het geld wilden overhandigen zei hij “No money, you are my friend.  Welcome to Iran” en hij reed langzaam uit ons zicht weg.  Dat is Iran!

We bezochten het museum, dat uit drie verdiepingen bestaat.  We moesten beginnen op de derde etage, waar de oudste stukken tentoongesteld stonden en daalden zo af naar de eerste etage met miniatuurtekeningen. We leerden dat in Iran hele kleine tekeningen werden gemaakt, die door het westen miniaturen werd genoemd. Het woord stamt dus af van kleine tekeningen uit Iran.

Zaterdag 25 mei 2019

We checkten uit in ons hostal in Teheran en vroegen de receptioniste om ons te helpen een Snapp cab te regelen. Na enkele minuten reed de taxi voor en die bracht ons naar het kantoor van Saadat rent.  Slechts enkele dagen eerder hadden we via het internet een auto gehuurd bij dit bedrijf, nadat we –tijdens onze voorbereidingen voor Iran-  al eens emailcontact met ze hadden gehad.

Omdat we binnen 48 uur een auto huurden, hadden we eigenlijk om een bevestiging moeten vragen, maar dat hadden we in de bevestigingsmail over het hoofd gezien.  Maar er was geen probleem; er was wel een auto beschikbaar.  Na wat papierwerk liepen we naar de auto.  Er werd verontschuldigd dat de auto niet was gewassen, maar dat maakte ons niet uit.  We controleerden de auto en stapten in.  Er stond slechts 6.250 kilometer op de teller.

En toen begon het avontuur op de wegen van Iran.  Eigenlijk wonderbaarlijk soepel reden we Teheran uit. Niet dat het snel ging; het duurde een uur voordat we aan de rand van de stad waren en op weg naar het oosten via weg 44. Al vrij snel buiten Teheran werd het ook rustig(er) op de weg.  Links van ons waren de heuvels en rechts van ons was het dor, het begin van een grote woestijn.

We reden een heel eind, tot ver na Semnan om vervolgens af te slaan naar het noorden.  Via een kleine weg reden we richting wegnummer 81, die we vervolgens een stuk volgden. In een nietig plaatsje sloegen we af naar het nog kleinere plaatsje Peshert en Orost.  Bij dat laatste plaatsje zijn de ‘Badab Soort Terraces Springs’.  We parkeerden de auto en moesten nog zo’n 20 minuten bergopwaarts lopen om naar de mineraalterrassen te komen.  De parkeerwachters wezen ons de weg. Toevallig was er net een stel Iraniërs gearriveerd, waar we mee naar boven liepen.

De mineraalterrassen waren mooi, maar minder spectaculair dan op de gefotoshopte plaatjes op het internet. De omgeving was schitterend.

Na dit bezoek gooiden we voor 1,80 euro de tank vol (30 liter) en reden we richting Sari. Op het internet hadden we al gezien dat er redelijk weinig hotels in Sari zijn en de Lonely planet vermeldde er slechts twee, die ook nog eens erg duur zouden zijn.  Onze Lonely planet stamt echter wel uit 2012.

Maar Marjolijn had op google maps een bedje gezien en we reden er heen.  Ter plaatste was er echter geen hotel, maar wel een buurtsupermarktje.  We liepen er binnen en vroegen of ze een hotel wisten.  Ze waren het Engels niet erg machtig.  Toen er een klant binnenkwam vroegen we het aan hem.  Hij wist wel een hotel en ging direct bellen.  Nadat hij had opgehangen zei hij dat hij voor ons een kamer in een viersterren hotel had geregeld voor 24 euro. Later zouden we in de Lonely Planet lezen dat dat hotel in 2012 nog 95 $ kostte.

We reden naar het hotel en kregen een upgrade naar een betere kamer.  De kamer zag er netjes uit, doch een beetje gedateerd.   

Zondag 26 mei 2019

Vandaag reden we van Sari naar Ramsar.  De erg lange rit ging door de rijstschuur van Iran.  Vrijwel de gehele route reden we langs rijstvelden.  Onderweg stopten we aan het strand om te lunchen, nadat we bij een winkeltje wat fruit en yoghurt hadden gekocht.

 Maandag 27 mei 2019

We stonden om 07.30 uur op, ontbeten en reden daarna naar Rasjt om vervolgens door te rijden naar Mausuleh, een toeristisch plaatsje in de bergen.   Op weg naar Rasjt was het heerlijk rustig.  Het was bewolkt, maar het zicht was goed.  Wederom reden we langs eindeloze rijstvelden, afgewisseld met dorpjes en drempels in de weg.

In het dorpje Fuman stopten we om bij een groentemannetje fruit te kopen en bij zijn buurman yoghurt.  Bij een bakkertje kochten we een snackje, die de bakker op een kookplaat op straat vers stond te maken.

We vervolgden de laatste 25 kilometer naar Mausoleh.  Onderweg lunchten we en eenmaal bij de poort tot Mausoleh betaalden we de entree tot het dorp. We parkeerden de auto en liepen naar boven.  De eerste indruk was niet heel erg positief.  Het hotel bij de parkeerplaats stond zo’n beetje op instorten (was niet meer in gebruik) en het eerste wat je tegenkwam bovenaan de trappen waren de toiletten.  Maar een stukje verder werden we getrakteerd met het zicht op het dorp.  Normaalgesproken schijnt het hier een drukte van belang te zijn, maar nu was het rustig.  We liepen door de straatjes van het dorpje dat tegen de berghelling is gebouwd, langs de souvenirwinkeltjes. Niemand viel je lastig en dat was erg opvallend. Het souvenirsaanbod was niet zo groot en ook niet zo interessant. Veel winkeltjes verkopen hetzelfde.  De restaurants waren gesloten.

Na het bezoek aan Mausoleh moesten we dezelfde weg terug naar Fuman om vervolgens noordwaarts te gaan naar Astara.  Het was een zeer lange route en het weer werd slechter.  Het begon licht te regenen,  Bij Astara sloegen we linksaf (dat moest wel, want anders zouden we in Azerdbejan uitkomen) en reden langs de grens richting Ardebil. Maar voordat we die plaats zouden bereiken, moesten we eerst nog een bergpas over.  En dat in de mist en met toch nog wel redelijk wat vrachtverkeer op de weg, waardoor we soms maar langzaam vooruit kwamen. Dus helaas niet veel van het uitzicht van de bergpas mogen genieten.

Pas tegen 20.00 uur (veel te laat volgens onze eigen wens, maar we hadden ons verkeken in de afstand) kwamen we aan bij hotel Negin in het centrum van Ardebil. Volgend de Lonely Planet uit 2012 zou een kamer 45 dollar kosten, maar door de deflatie is dit gedaald tot 9,60 euro voor een tweepersoonskamer met badkamer en ontbijt.

Nadat we waren ingecheckt liepen we de straat op en vroegen aan voorbijgangers naar een aardig restaurant in de omgeving en we werden gewezen op een restaurant aan de overkant van de straat.  Dit was een buffetrestaurant.  Je kon kiezen wat je wilde en nadat er was afgerekend kon je plaats nemen aan een tafel of op een tapijt.  Het was niet helemaal wat we in gedachten hadden, maar dat is de straf voor veel te laat eindigen op je bestemming. De bediening was overigens weer erg vriendelijk. Overal waar we zeggen dat we uit Holland komen, krijgen we positieve reacties: ‘Nice country with beautiful flowers’. Waarop wij dan vervolgens een aantal foto’s tonen die we hebben gemaakt van de bloembollenvelden.

Dinsdag 28 mei 2019

We stonden om 07.30 uur op.  De wekker hoefden we niet te zetten.  Het hotelkamerraam stond open (we dachten dat we uitkeken op een parkeerplaats), maar we werden gewekt door gegil van kinderen.  We keken uit het raam, maar zagen niets, maar schijnbaar is er iets van een school achter de muren die de parkeerplaats scheidt van de rest. Even later was het stil, nadat we een mannenstem door een microfoon hadden gehoord.

We ontbeten in het restaurant van het hotel op de begane grond en daarna liepen we naar het mausoleum Khānegāh en het heiligdom van sjeik Safi al-Din dat slechts op een paar honderd meter van het hotel ligt. De entree bedroeg 350.000 rial per persoon (2,10 euro). Het geheel zag er vrij nieuw uit.  We liepen eerst door een kleine tuin, om vervolgens bij het mausoleum te komen.  Een ronde graftoren markeerde een ommuurd binnenpleintje dat met veel mozaïekwerk was betegeld.

We gingen het mausoleum binnen en moesten de schoenen uitdoen. Het gebouw aan de binnenkant was erg mooi.  Foto’s maken mocht niet volgens een kaartje aan de muur, maar de twee bewaaksters riepen niemand tot de orde. Voordat wij begonnen met het nemen van foto’s, hadden enkele Iraniërs ook al foto’s gemaakt.

Er was ook nog een klein museumpje met wat potjes en andere archeologische voorwerpen.  Het gebouw zelf was indrukwekkender dan hetgeen tentoongesteld was.

Na het bezoek aan het mausoleum wisselden we 200 euro voor rial en daarna liepen we naar de bazaar.  Onderweg daar naar toe liepen we langs een winkel die laptops verkocht en de prijzen zijn echt interessant!.  Ook liepen we langs een winkel met leren tassen etc.  Mooie spullen.

Op de bazaar liepen we eerst langs de juweliers. En dan zijn er niet vijf winkeltjes…. Ook geen tien, maar misschien wel 50 of nog meer. Allemaal even klein en allemaal naast elkaar gelegen. De volgende afdeling was van gedroogd fruit en noten. Mooie pyramides met perziken, abrikozen etc. Weer verderop kocht Marjolijn twee hoofddoekjes, want het exemplaar dat ze mee had genomen uit Nederland bleek te glad te zijn. Hij  gleed steeds af en was veel te warm.

We liepen terug naar de auto en reden via wegnummer 14 in eerste instantie nog wat noordwaarts, om vervolgens naar het westen af te buigen.  Het landschap was zeer afwisselend. Direct buiten Ardebil was het sterk agrarisch, maar na enkele tientallen kilometers werd het landschap heuvelachtig met groene heuvels.  Weer tientallen kilometers verder werd het landschap ruiger.  We reden langs mooie rotsformaties en door een zeer groene vallei, omdat er een rivier doorheen stroomde.  Onderweg stopten we diverse keren om foto’s te nemen.  We zagen de koeien- en schapenherders in de wei hun dieren in de gaten te houden.

We hadden expliciet voor deze weg gekozen, omdat zich in de buurt van het plaatsje Khajeh zogenaamde gekleurde bergen zouden bevinden. En we vonden de bergen. Mooie kleurscharkeringen zagen we in de heuvels en de bergen. We parkeerden de auto langs de (snel)weg (ja, je past je snel aan aan sommige onderdelen van de Iraanse cultuur) en fotografeerden de bergen. We zagen verderop een politiewagen staan, die bezig was met laserpistolen om de snelheden van de auto’s te meten.  Die politieauto stond precies op een mooie plek voor foto’s en ook daar parkeerden we de auto langs de kant.  De agenten wuifden naar ons dat we even naar ze toe moesten komen, nadat we de foto’s hadden geschoten.  Ze wilden alleen maar de hand schudden we weten waar we vandaan kwamen en ons natuurlijk ‘Welcome to my city” wensen.

De laatste 25 kilometer naar Tabriz gingen soepel en in Tabriz was het verkeer weer chaotisch.  zetten hun auto rustig stil op de derde rijbaan;  er komt écht wel iemand in z’n achteruit je tegemoet. Afijn.  Je moet je ogen wel goed gebruiken.

Via een taxirijstrook sneden we een stukje van de route af, nadat we verkeerd waren gereden. Tsja,  we hebben enige problemen met de taalbariere zullen we maar zeggen.  En na een kilometertje in overtreding te zijn geweest kwamen we aan bij hotel Sani, dat (gelukkig) over een eigen parkeerplaats beschikt.  We checkten in voor twee nachten.

’s Avonds liepen we wat door de straten van Tabriz. Er waren ontzettend veel telefoonwinkels. Bij één van de winkels vroegen we hoe we ons mobiele internettegoed konden opwaarderen, maar volgens hem beschikten we nog over een ruime voorraad aan dataverkeer op onze sim-kaart.

Op straat vroegen we omstanders naar een goed restaurant en we werden begeleid naar een restaurantje, waar de ober meteen aangaf dat we in de keuken konden kijken naar wat er allemaal te eten was.  Er stond van alles op het gasstel te pruttelen en de ober suggereerde zelf om van alles een beetje te nemen. Dat was schijnbaar ook een gerecht en dat deden we dan ook maar.  Daarnaast namen we ook een viskebab (vis op een spies; alles wat op een spies gaat, heet blijkbaar kebab).

Woensdag 29 mei 2019

We moesten nog iets op de post doen, dat we in Nederland door alle drukte voor het vertrek vergeten waren en dus gingen we op zoek naar het postkantoor.  Al snel wisten we de straat te vinden waar het postkantoor in zou liggen en die straat leek zich te bevinden op weg naar de Grote Bazaar van Tabriz. Echter, deze straat was erg lang en het postkantoor bevond zich precies in de verkeerde richting en dus namen we maar een taxi naar het postkantoor.

Eenmaal in het postkantoor werden we gedirigeerd naar de lieftallige dame die het beste Engels sprak. De rest sprak waarschijnlijk helemaal geen Engels. Maar goed… uiteindelijk konden we een kaart kopen en een envelop en kwamen we erachter dat de envelop er een maand over zou gaan doen. De postzegels werden op de envelop geplakt en we konden van de envelop een foto maken als bewijs dat íe ook echt bestond.

Daarna namen we een shared taxi –die iemand op straat voor ons had geregeld- naar de Bazaar. Die is enorm. Het is de grootste overdekte bazaar ter wereld. Maar het aanbod was als op iedere andere bazaar. Stomtoevallig verlieten we de bazaar ‘aan de verkeerde kant’ en kwamen we uit bij een groot aantal naaiateliers, waar ze campingspullen maakten;  tenten, slaapzakken, kampeerstoelen etc.  En wat hadden wij nu nog nodig…..  een nieuwe omhoes voor de rugzakken. En dus liepen we één van de winkeltjes binnen en met behulp van google transalate vroegen we of hij sterke, waterdichte stof had. Hij had goretex op de rol, maar kon zelf geen tas maken.  Maar z’n buurman kon dat wel.

Maar in het Farsi uitleggen wat we wilden was niet eenvoudig. De enige optie was terugkeren met onze eigen zakken en daarvan kopieën laten maken. Dus even later met de auto terug naar het winkeltje, waar de maten werden opgenomen, we duidelijk maakten dat we stevige ritsen met een oogje wilden en twee handvaten aan de zijkanten. Én alles moest dubbel gestikt worden voor de stevigheid.  Drie uur later zouden de tassen gereed zijn.

We reden naar het El Goli park, op zo’n acht kilometer buiten het centrum.  Volgens het toeristenbureau dat we bezochten op de Grand Bazaar, was dit park zeker een bezoek waard en ook een stelletje dat ons op de bazaar aansprak moesten we daar zeker heen.

Het park was gebouwd rondom een kunstmatig aangelegd meer met waterfietsen erin.  In het midden van het meertje was een theehuisje dat over een weggetje kon worden bereikt.  Vanwege de ramadan was er nu niets te beleven. We liepen even om het meertje heen en gingen op een bankje zitten om mensen te kijken.  Daarna namen we de auto terug naar de tentenmaker, die bezig was met de laatste stiksels.  We waren erg onder de indruk.  De tassen zagen er goed en stevig uit (nu maar hopen dat ze dat ook echt zijn) en alles was dubbel gestikt en er zaten zelfs handvaten aan.  Precies zoals afgesproken.  En dat voor 2,5 miljoen Rial (15 euro) voor twee omhoezen!

W reden naar de blauwe moskee. We parkeerden de auto en waren nog net op tijd voordat de blauwe moskee om 18.30 uur sluit.  We kochten kaartjes en betraden de blauwe moskee, die er van binnen nogal blauw uitziet. Mooitegelwerk van de grond tot heel hoog.

We liepen door een klein parkje naast de blauwe moskee, waar de oude mannetjes gescheiden van de oude vrouwtjes zaten in het park.  Slechts enkele mannen integreerden bij de dames.  In het park werden we weer door de nodige mensen aangesproken en we waren net in een gesprek met een Iraane jongen die naarstig op zoek was naar de juiste Enhgelse woorden, toen er een klein vechtpartijtje uitbrak. He leek er als snel op dat het hele park de twee vechtersjassen probeerden te scheiden. Wij keken van afstand toe en een aantal Iraniers verontschuldigden zich voor de oproer en gaven aan dat dit hopelijk niet het beeld vabn Iran voor ons zou verstoren.  Ze kunnen hier gerust op zijn.

’s Avonds aten we in het Modern Restaurant.

Donderdag 30 mei 2019

Het ontbijt was voor de tweede achtereenvolgende dag niet zo bijzonder, evenals de bediening.  De twee aanwezige restaurantmedewerkers waren meer bezig met hun telefoons, dan de karige hoeveelheid aan etenswaren op niveau te houden. Niet echt een visitekaartje voor het hotel.

Na het ontbijt reden we Tabriz uit in noordoostelijke richting; inderdaad… terug in de richting van Ardebil. We reden weer langs de colourful mountains, die nu door de ochtendzon en bij onbewolkte hemel werden beschenen. Juist doordat er veel meer licht op viel, werden de kleuren nu fletser.  Ook onze vrienden van de politie stonden op dezelfde plek weer de snelheid te controleren met behulp van laser. Hoewel we nu op de andere –door een brede middenbaan gescheiden- rijbaan reden, stopten we weer even ter hoogte van onze vrienden om nogmaals een fotootje te trekken.

In het plaatsje Ahar kochten we bij een bakkertje wat zoete lekkernijen en bij een groetenmannetje wat fruit en in weer een ander winkeltje een beker yoghurt. Vervolgens namen we wegnummer 27 noordwaarts richting de Azerbeidjaanse grens. De weg werd rustiger, maar de omgeving  bleef even mooi. Vele vormen van bergen dienden zich aan; glooiende hellingen met groen gras, gevolgd door hellingen met gele korenhalmen, tot kale –bijna loodrechte- rotswanden en bergen met hele erge puntige piekjes, die hier de tijgerbergen worden genoemd. Maar de rode draad langs deze weg was de rivier en de groene vallei die deze rivier met zich meebracht.  Net naast de rivier waren sawa’s met rijst aangelegd, maar de rijst was nog niet geplant. Langs de weg stikte het van de bijenkasten Niet een handvol, maar wel 50 kasten of meer ….. per eigenaar.  En op sommige plekken zaten die eigenaars niet veel meer dan 500 meter uit elkaar.  We hebben nog nooit zó veel bijenkasten gezien. Bij iedere verzameling van kasten staat ook een tentje, waar de imker waarschijnlijk z’n spullen opslaat.

Bij het plaatsje Kaleybar zou een kasteel op een heuvel liggen.  Om daar te komen, zou een voettocht bergopwaarts van twee uur moeten worden gemaakt, waar we maar vanaf zagen. Wel reden we een stukje over de weg in de richting van het kasteel. De bergen waren hier dicht begroeid met groene loofbomen.  Schitterend gezicht.

Even voor het plaatsje Lalelu stond een bewegwijzering naar rechts naar een ander kasteel. Hoewel er geen aanduiding van de afstand op het bord stond, waagden we de gok. De onverharde weg ging door een mooi landschap, maar de weg duurde eindeloos en we wisten bij afslagjes niet waar we heen moesten. Gelukkig kwam er net een bromfietser aan en we vroegen de weg door hem de foto te laten zien die we van een eerder bewegwijzeringsbord hadden gemaakt, waar zowel de naam in het Engels als in het Farsi opstond.  De man zei een hele boel, maar het enige dat we begrepen was de richting waarin hij wees.  We reden verder, langs korenvelden, waarop de plaatselijke boeren met een handseis bezig waren om de koren te oogsten. En dat bij 35 graden in de volle zon.  Weer een paar kilometer verder hielden de betonnen elektriciteitspalen op.  Bij de laatste paal waren elektriciens bezig de palen geschikt te maken voor de toekomstige stroomvoorziening. De auto van de werkers die dwars over de onverharde weg stond geparkeerd werd weggereden en iemand die redelijk goed Engels sprak wees ons de weg nadat we die maar weer eens hadden gevraagd. De weg stond niet op google maps, maar het riviertje wel en die hield op een gegeven moment op op Google maps en daar was ook een plaatsje en tevens het einde van de onverharde weg.  Toevallig kwam er weer een bromfietser aan en we vroegen hem waar we het kasteel konden vinden en de beste man wees naar een stel stenen boven op een bergkam.  Jammer maar helaas…. dat ging ‘m ook niet worden.

Het plaatsje Lalelu ligt aan een groot meer dat samen wordt gedeeld met Azerbejan. We zagen langs de weg borden dat we naar het meer konden rijden, maar bij het meer aangekomen zagen we ook verbodsborden op een plek waar een aantal picknickplaatsen waren.  De picknichtafels hadden elk een dakje erboven, waardoor we in de schaduw onze lunch konden gebruiken.  Onze komst was echter niet onopgemerkt gebleven, want al snel kwamen twee militairen op één brommer met schietijzers op hun ruggen aangekachelt.  Ze stopten even bij ons tafeltje en we groetten ze vriendelijk.  Toen ze zagen dat we onze lunch genoten, reden ze zwaaiend, zonder verder iets te zeggen weer weg.

Na de lunch vervolgden we onze weg langs de grens met Azerdbejan richting het westen.  Het meer werd gevoed door een brede en snelstromende rivier, die in een brede, groene vallei lag met allemaal rijstvelden. Naarmate we verder reden, werd de vallei smaller en verdwenen de rijstvelden.  Op een gegeven moment zagen we enkele verlaten nederzettingen aan de overkant van de rivier. Dat was Armenië, dat op die plek slechts enkele kilometers breed is.  Daarna volgde weer het grondgebied van Azerdbejan. ’s Avonds zouden we op de landkaart zien dat Armenië wordt omsloten door Azerdbejan dat dus eigenlijk uit twee –door Armenië gescheiden- delen bestaat.

De weg was nu tweebaans, erg bochtig en volgde tot aan Jofla de grensrivier. We reden door kleine dorpjes met vierkante laagbouwhuisjes opgetrokken uit keien, waar de bevolking grotendeels uit Armeniers bestaat. Je zag het ook direct aan de vrouwen, die hun hoofddoek onder de kin vastknopen. Langs de weg werden kersen verkocht.  Het landschap was schitterend.

Tegen 19.00 uur kwamen we aan in Jofla. We keken bij een klein guesthousje dat we op google maps hadden gevonden. De kamers waren 3 of 7 dollar per nacht, maar konden ons niet bekoren.  We reden verder naar het Araz hotel, waar we een appartement namen voor 2,4 mln. Het hotel lag op steenworpafstand van de rotonde in het centrum.

Op de kamer wasten we enkele kledingstukken, die we op het balkon in het windje te drogen hingen. Daarna liepen we in 5 minuten tijd over de markt naar de grensbrug met Azerdbejan.

’s Avonds aten we in het restaurant naast het hotel.  Het was een restaurant met elektrische schuifdeuren, die met papier waren afgeplakt. Toen de deuren opengingen, zagen we een enorme ruimte met lange tafels; het had wel wat weg van een confereniezaal.  Er zaten aan drie lange tafels mensen; één tafel met alleen maar mannen en één tafel met alleen maar vrouwen en de derde tafel met een mix van vrouwen, kinderen en mannen.  Schijnbaar hoorden ze allemaal bij elkaar.

De menukaart was n het Farsi en we hadden dit keer geen geluk met een tolk. Dus zat er maar één ding op; de keuken in!  Met enkele woordjes engels (meat, chicken, kebab, water, cola) kwamen we toch een heel eind.  Het eten was op zich okay, maar miste enige inspiratie (kip met rijst is ook echt kip met rijst.  Vergeet iets anders ernaast.

In een supermarktje keken we nog even rond en kochten we een liter maltbier voor op de kamer. Nou, met veel fantasie lijkt het net op bier J.

Vrijdag 31 mei 2019

Iemand scheen het nodig te vinden om vanaf een minaret ons op het ongoddelijke tijdstip van zonsopgang wakker te maken. Hij hield nogal lang vol, helaas.  Maar daarna sliepen we weer verder tot 07.30 uur.

Het ontbijtbuffet was uitgebreider dan gisteren.  Er was zelfs een smeerkaasje en een gebakken eitje verkrijgbaar, dat op verzoek werd klaargemaakt voor ons.

Na het ontbijt pakten we de spullen in en reden we naar een klooster, dat 20 kilometer ten westen van Jofla ligt. We hadden geen geluk, want het Armeense klooster was gesloten.  We liepen een heuveltje op, waarna we nog een foto konden nemen van het klooster over de muur die om het klooster heen stond heen.

We reden terug naar Jofla en stopten nog even bij een klein kapelletje langs de kant van de weg.  Een tuinman gaf de boompjes en planten water en bood ons aan het kapelletje te openen, maar via een openstaand luikje in het toegangsdeurtje hadden we al gezien dat het kapelletje leeg was.

We reden via Jofla naar Urmia door een hele brede vallei. De bergen waren alleen in de verte te zien. Bij een klein weggetje reden we bergopwaarts voor een foto/plaspauze. Vanaf het hoogste punt hadden we mooi uitzicht over het meer. Toen we even later weer terugliepen naar de auto liepen zo’n 20 toeristen ons tegemoet. Een vreemde gewaarwording omdat we sinds we in Iran zijn nauwelijks een toerist zijn tegengekomen. We hadden kennelijk het mooiste uitzichtpunt uitgezocht.

Het nog bestaande meer wordt nu gescheiden door een dam en een brug.  Aan de ene zijde van de dam is het water van het meer rood en aan de andere zijde blauwgroen. De rode kleur wordt veroorzaakt door een algensoort die zich tegen een hoog zoutgehalte beschermt door het aanmaken van carotenoïden: roodachtige kleurstoffen.  Het andere meer had meer z’n neutrale kleur. Het had veel weg van de Lagunas coloradas in Bolivia.

Rond 18.30 kwamen we aan in Kandovan; een klein dorpje waar huizen in de grotten zijn gebouwd.  Dit plaatsje wordt ook wel het Iraanse Capedocië genoemd. Voordat we het dorp in mochten met de auto moesten we 50.000 rial (5000 toman) toegang betalen.  Voor ons reed een bestelbusje met een Belgisch kenteken. We parkeerden de auto in de éénrichtingstraat, die door de Iraniërs gewoon in twee richtingen wordt gebruikt. En dat leidt soms even tot een opstopping, zeker als je weet dat een Iraniër op dat moment nét even vergeten is dat er op zijn auto ook een achteruitversnelling zit. En dan is het passen en meten, beide partijen langzaam vooruit. En vreemd genoeg gaat het bijna altijd goed.

Het dorpje lag mooi in de avondzon.  We bestegen de trappen in het dorp en keken wat in de straatjes. En ineens stonden de Belgen voor ons. Een jong stelletje was een jaar op reis met hun eigen bestelbusje, waar ze ook in overnachten. Zij hadden de zijderoute afgelegd en hadden nog een maand te gaan voordat ze zouden terugkeren in Belgie; wij waren net een weekje bezig en hadden al het moois dat zij al hadden gezien nog voor de boeg. We kregen vooral de tip om in Kirgizië een oude auto voor een prikkie te kopen en zelf rond te rijden en na afloop weer te verkopen.  We zullen zien hoe dat gaat lopen.

Pas tegen 20.45 uur kwamen we bij hotel Azadi in Tabriz aan, nog net voordat het om 21.00 uur donker zou worden. We checkten in voor 3 mln rial in dit vier sterren hotel.  Daarna liepen we naar hetzelfde restaurant als waar we de eerste avond in Tabriz hadden gegeten, het Vahedi Restaurant (dicht in de buurt van de kruising Emam street met south Shariati street).

Toen we rond 21.30 uur het restaurant binnenliepen, zat het zo goed als vol. Er werd een deel van een lange tafel vrij voor ons gemaakt. We bestelden hetzelfde als twee dagen geleden, maar een ober die wél engels sprak vanavond kwam vertellen dat de viskebab reeds uitverkocht was.  Dan maar kipkebab.

Inmiddels was een jongeman die behoorlijk Engels sprak aan onze tafel gekomen en bood aan te vertalen indien gewenst.  Wij gaven aan dat we reeds hadden besteld en daarna zei hij dat hij na het eten wel even wilde kletsen.  Okay, wat ons betreft.

Hij was piloot bij een Iraanse luchtvaartmaatschappij en bleek deel uit te maken van een hele grote groep mensen (zeker wel 25) in het restaurant.  Het was één grote familie die periodiek samen uit eten gingen.  Vreemd genoeg hadden ze zelfgemaakte dingen meegenomen naar het restaurant en voor we het wisten kregen we het één en ander aangeboden. Het was erg lekker. Het ging zelfs zo ver dat we een doggy bag meekregen met zelfgemaakte dingen. Nog nooit zijn we een restaurant uitgelopen met eten dat we niet hadden besteld.  Een erg leuke ervaring. Met Tony – de piloot – hadden we een leuk gesprek en ook jij bood weer aan om ons van dienst te zijn indien we daar behoefte aan hadden.

Nadat de familie uitgegeten was namen we afscheid en liepen we terug naar ons hotel.

Zaterdag 1 juni 2019

Na het ontbijt reden we met de auto naar de grote bazaar om daar nog een keertje doorheen te lopen. Het was nog vroeg en een deel van de winkeltjes moest nog open gaan.  Daarna wisselden we 100 euro voor 15.200.000 rial.

We vertrokken richting het zuiden, op weg naar Zanjan.  Al snel zaten we op een tolweg (wegnummer 2) en konden we door het landschap zoeven met 110 of 120 kilometer per uur. Bij het eerste tolpoortje hadden we het geld al in onze handen, maar eenmaal bij de kassa werd door de kassier een handgebaar gemaakt dat we mochten doorrijden.  Bij het tweede tolpoortje werd ons alleen gevraagd waar we vandaan kwamen en werd gezegd: “nice to meet you, no money” en ook konden we weer doorrijden. Pas bij het derde tolpoortje moesten we 40.000 rial betalen. Ook bij het vierde tolpoortje werd gewuifd dat we door mochten rijden en het laatste tolpoortje net voor Qazvin was niet bezet.

Even voor Zanjan passeerden we de colourful mountains. Deze staan wél op google maps, maar zijn eigenlijk niet te bereiken. Wij stopten langs de kant van de snelweg in de berm om even een foto te nemen, maar de afstand was erg groot.

In Zanjan lunchten we met de hapjes die we van de familie van Tony gisteren mee hadden gekregen. In dit plaatsje bezochten we het museum van de zoutmannen (Salt men museum).  Tijdens archeologische opgravingen vond men in het gebied rondom Zanjan een zestal mummies in en zoutmijn. De mannen waren allemaal in de mijn gestorven en door het zout op een zeer goede wijze geconserveerd. Van één van de overledenen was zelfs de kleding en de schoenen nog in tact. Bij de tweede mummie was het hoofdhaar en de baard nog aanwezig.

Na het museumbezoek liepen we ook in Zanjan even door de bazaar en daarna vervolgden we onze weg naar het plaatsje Soltanyeh, waar de Soltanyeh Dome staat; een Unesco World heritage site.  De dome stond aan de binnenzijde helaas in de steigers, maar er was nog wel het een en ander aan tegelwerk aan de muur zichtbaar. Van de buitenzijde zag de dome er indrukwekkend uit.

We reden verder over de tolweg naar Qazvin, waar we tegen 20.00 uur incheckten in het Alborz hotel, dat midden in een drukke winkelstraat ligt.  Gelukkig konden we de auto parkeren in de ondergrondse garage naast het hotel.

Zondag 2 juni 2019

We ontbeten in het hotel en daarna liepen we naar de caravanserai, op zo’n 15 loopminuten van het hotel.  De winkels gingen één voor één weer open op deze zonnige en koele ochtend. Onderweg passeerden we een bakkerij, waar drie mannen in en korte rij het deeg:

  1.  door een machine haalden waardoor de deegbol heel plat werd
  2. Het platte brood op een houder legden, waardoor de tweede persoon het brood aan de binnenzijde van een houtgestookte oven (tandoori in het Indiaas) plakte en
  3. de derde man na enkele seconden het aan de wand geplakte deeg loshaalde en het gebakken brood op een grote stapel legde.

We werden direct binnengeroepen nadat we met handgebaren hadden gevraagd of we het proces mochten filmen. We moesten heel dicht op het proces komen staan en konden het proces goed overzien.  De oven was loeiheet. Het duurde maximaal een minuut van deegbol tot plat brood (soort van chapati). We kregen als dank voor ons bezoek het laatste baksel mee.  En dat was best te eten.

De caravanserai staat weliswaar in iedere reisgids, maar was een teleurstelling.  De oude omtrek van de caravanserai was nog wel zichtbaar, maar een taxistandplaats was gevestigd op de binnenplaats.  Beetje jammer.

We liepen langs de grote moskee.  Ook deze stond in de steigers en was gesloten.  Dan maar even kort door de bazaar en op weg naar de Russich ortodoxe kerk. Weer pech, want de deur was dicht.

We checkten uit in het hotel en reden naar het Alamut kasteel. De afstand van 85 kilometer naar het kasteel was niet de uitdaging; wel de bochtige weg er naar toe én weer terug. De weg was soms in een matige conditie, maar liep door een schitterende omgeving.  We moesten een bergpas over, om vervolgens helemaal te dalen tot in een dorpje dat aan een riviertje lag, om vervolgens weer te stijgen, want het kasteel ligt hoog in de bergen op 2.200 meter hoogte.

Onderweg stopten we bij het Oval lake, waar we in de schaduw van een bomenrijtje lunchten tussen de afvallige moslims die de ramadan niet heel erg nauw namen, want die zaten ook te lunchen.

Na de lunch reden we door naar het Alamutkasteel.  We parkeerden de auto in e schaduw van zo’n beetje de enige boom op het parkeerterreintje en betaalden de 150.000 rial per persoon toegang.  Daarna stond ons bij -30 graden- een halfuurtje klimmen voor de boeg.  Nu lijkt 30 graden heel wat, maar de lucht is erg droog en de temperatuur is heel aangenaam bij de bries die er stond.  Het is meer de zon die het heet maakt.

We klommen en bereikten de ruïnes van het kasteel, na enkele korte adempauzes bij een schitterend uitzicht over de bergen en hellingen.  Een schaapherder hoedde zijn schapen en leidde ze terug het dal in, want het liep al weer tegen 16.30 uur.

Maandag 3 juni 2019

We stonden dit keer vroeg op, namelijk om 06.30 uur. Om 07.00 uur ontbeten we en om 07.45 uur waren we onderweg naar Teheran. Doel in Teheran:  de Turkmeense Ambassade. Op de tolweg naar Teheran hebben we geen tolgeld hoeven te betalen; de meeste tolpoortjes waren onbemand of er werd met handgebaar duidelijk gemaakt dat we konden doorrijden. Naarmate we Teheran naderden werd het drukker op de weg, maar ondanks slechts op enkele plekken een klein oponthoudje konden we best aardig doorrijden.  In de buitenwijk van Teheran waar we langsreden werden enorm veel appartementencomplexen gebouwd; 30 etages hoog én met een helikopterplatform op het dak van ieder complex.

Bij de Turkmeense Ambassade ontmoetten we Jeroen, die een visum voor Turkmenistan kwam aanvragen, want dat was het volgende land dat hij per fiets vanuit Nederland zou aandoen op zijn tocht via China naar zijn eindbestemming Vietnam. We konden hem voorzien van de informatie die wij wisten met betrekking tot het aanvragen van het visum, zonder dat we zelf nog wisten wat de uitkomst voor ons zou zijn.

Het luikje in de deur was gesloten en bleef ook nog een behoorlijk aantal minuten gesloten, ondanks dat naast ons nog twee reisagenten stonden te wachten. Toen ging het ‘enge’ luikje open; het luikje waar ‘Yes,  you can’ of ‘No, you can not’ uit zou worden gesproken. Toen we aan de beurt waren lieten we ons betaalbewijs zien en gaven we onze paspoorten af en het luikje werd gesloten nadat de ambassademeewerker had aangegeven dat hij zou kijken of het visum gereed was. Het wachten begon.  Het luikje bleef te lang dicht voor ons gevoel. Toen ging het luikje weer open en kregen we te horen dat het visum gereed was.  We kregen een ‘Yes, you can come to Turkmenistan’. De 20 dollar die we een week eerder hadden betaald, bleek slechts een aanbetaling te zijn.  We moesten nu nog eens 90 dollar aftikken.  Best dure daagjes (11$ per persoon per dag).  We kregen de paspoorten terug met de mededeling om goed  het visum te controleren.  Die leek ons in orde en de datum van afgifte verklaart waarschijnlijk ook waarom het luikje zo lang dichtbleef; hij had het visum tijdens ons wachten gemaakt, de boef!

We reden door Teheran naar het zuiden.  We zouden in één stuk doorrijden naar Isfahan, een stuk van 450 kilometer.  Gelukkig allemaal tolweg, dus met 120 kilometer per uur konden we best doorkachelen.  Direct buiten Teheran begint de woestijn.  Geen zand, maar stenen met graspollen, maar wel heuvelachtig/bergachtig.  We zagen een trein door het dorre landschap rijden. Die reed langzamer dan wij.

Voorbij Kashan leken we iets te zien dat we niet konden rijmen. Het leek wel of wel sneeuw zagen liggen op de toppen van de bergen. De temperatuurmeter van de auto gaf 34 graden aan.  Naarmate we dichterbij kwamen, zagen we inderdaad dat het sneeuw was.  We bevonden ons op de weg al tussen de 1.000 en 1.500 meter en de toppen lagen nog een stuk hoger.  Dit hadden we nooit gedacht.

Tegen 17.00 uur checkten we in het Azadi hotel in Isfahan. Nadat we de spullen op de kamer hadden gelegd, liepen we naar het Meidan Emam. Dit is wat je noemt een groot plein. Met een afmeting van 512 bij 163 meter is dit het op twee na grootste plein ter wereld. Rondom het plein zijn allemaal winkeltjes in een boogvormige arcade gevestigd. Op het plein was het en drukte van jewelste. Vele mensen zaten te pichknicken in het gras, flanneerden door de straten of zaten in één van de vele koetsjes, die in een behoorijke draf in kolonne een vierkant over het plein holden. Niet echt romantisch. De koetsiers leken sterk geinspireerd te zijn door Max Verstappen.

We wilden Biryani eten in een restaurantje dat in de bRadt stond, maar die konden we niet vinden.  Aan voorbijgangers vroegen we waar we het restaurantje oknden vinden, maar dat bleek alleen voor de lunch geopend. Daarop vroegen we waar we leuk en traditioneel konden eten en we werden naar een traditioneel (lees ietwat toeristisch) trestaurant gebracht.  De vriendelijke jongen hielp  ons bestellen, liet zijn telefoonnummer voor ons achter met de melding dat we hem altijd mochten bellen voor hulp en anders en daarna ging hij terug naar zijn familie om te shoppen.

Wij kregen het eten geserveerd en lazen in de Bradt dat dit restaurant niet het beste eten serveerde, maar wel pittige rekeningen; bovenop de prijs van het eten kwam nog eens 15% bedieningsgeld en 9% belasting. Niet dat we daar –tegen de huidige koers- nu veel armer van worden, maar dit is het eerste restaurant met zo’n politiek.

Dinsdag 4 juni 2019

Na het ontbijt liepen we naar het Meidan Emam  (grote plein).  We genoten van het plein en maakten enkele foto’s, om vervolgens door de bazaar richting de vrijdagmoskee te lopen.  Al snel waren we het spoor bijster in de bazaar en we kwamen inderdaad ergens anders uit de bazaar dan gehoopt.  En dus moesten we op zoek naar de juiste uitgang.  Vrijwel alle winkels in et centrale deel van de bazaar waren dicht vanwege de feestdag.  Het was de sterfdag van Khomeini, waar de meeste Iraniers overigens niet rouwig om leken te zijn.

Bij de vrijdagmoskee keken we rond en mochten we ook naar binnen.  We waren nog net op tijd want niet veel later zou het middaggebed beginnen. Vanuit alle hoeken en gaten kwamen gelovigen aangesneld om naar binnen te gaan.

We probeerden de Synagoge te vinden, maar kwamen in plaats daarvan uit bij een straat waar een grote groep mensen aan het bidden was. De vrouwen achter de mannen, op kleedjes in de brandende zon.

We liepen naar de Haroonieh Moskee met de hoogste minaret van Isfahan. De deur was dicht, maar er kwam net iemand aanrijden op een brommer en die hield halt voor de deur en opende deze.  Met handgebaren werden  we welkom geheten.  Als enigen waren we nu op de binnenplaats van de moskee en degene die de deur opende, wuifde nu naar ons dat we de moskee binnen mochten gaan.  We deden de schoenen uit, liepen de moskee binnen en direct ging een luid alarm af. Al snel werd er weer naar ons gewuifd dat we weer de moskee binnen mochten.  Dit keer bleef het stil.

Vervolgens wilden we de Ali moskee aan de overkant van het smalle straatje bekijken, maar die deuren bleven wel gesloten, ondanks dat we een Iranier spraken die er net binnen was geweest. In deze moskee staat de hoogste minaret van Isfahan, die volgens de Iranier het middelpunt van Isfahan symboliseert. De Iranier bleek toergids en archeoloog te zijn en hij liep met ons – door de bazaar- mee terug naar het Meidan Emam (grote plein). Ondertussen vertelde hij een hele boel over de bazaar, de eeuwenoude deuren en nog veel meer.  Erg interessant.

We namen de auto naar de berg, omdat onze ‘gids’ ons daar vanmiddag op had gewezen. Vanaf de berg zouden we een mooi uitzicht hebben over Esfahan. We parkeerden de auto bij de kabelbaan en besloten eens wild te doen en de kabelbaan naar boven te nemen. We kochten twee tickets voor 600.000 rial per stuk en begaven ons naar het dalstation.  Het boezemde vertrouwen in dat de kabelbaan door de Zwitsers in elkaar was gezet.  Wat minder vertrouwen wekte was dat dat al enkele decenia geleden moest zijn geweest als je zag hoe eenvoudig de ‘eitjes’ (de cabines) eruit zagen. Maar goed…. Het werkte.  En dus zaten we even later met z’n tweeen in een zespersoons cabine, maar die kon niet vertrekken alvorens een fotograaf een mooi plaatje van ons had geschoten.

Met een enorme afstand tussen twee cabines gleden we soepel naar boven. We stapten uit, bekeken onzelf op een levensgroot tv-scherm en bedankten voor de foto; hoe gaan we die tijdens het reizen goed houden?

Op de berg was het nog een klein stukje klimmen tot aan de top.  Remco waagde de klim gedeeltelijk, want het was eigenlijk al te laat om een mooie foto van Isfahan te maken.  Marjolijn bleef beneden en werd al snel weer belaagd door Iraniers, die haar voorzagen in thee en zoetigheden.  Nadat Remco weer  terug was, werden we uitgenodigd om mee te eten.  En zo zaten we even later te picknicken met twee stelletjes uit Isfahan.

Na de picknick bedankten we ze voor de gastvrijheid en namen we de kabelaan terug naar beneden. Inmiddels was Isfahan één lichtparadijs geworden. Met de auto begaven we ns in Isfahan en hoewel het rond 22.30 uur was kwamen we hopeloos vast te zitten in het verkeer. Gefrustreerd waren we rond 23.15 terug in het hotel.

Woensdag 5 juni 2019

Na het ontbijt begaven we ons naar het Meidan Emam  (grote plein). We hadden nog geen echte planen gemaakt voor vandaag, maar dat de dag er anders uit zou gaan zien dan we van te voren hadden gedacht, wisten we toen nog niet.

Op weg naar het grote plein liepen we tegen Ali Akbar Javadi aan. Deze man bleek de auteur te zijn van het Isfahanhoofdstuk in de volgende Lonely Planet uitgave die over 6 maanden uit zou komen. Hij is professor aan de Universiteit van Isfahan en sprak 5 talen (waaronder Engels, Duits en Frans) en op z’n 75ste had hij nu maar eens vier daagjes vrij genomen. We raakten (ook weer met hem) aan de praat en hij besloot om ons vandaag de mooie plekjes van Isfahan te laten zien.

Eerst liepen we naar de Hakim moskee, waar hij vertelde over de entree.  Daarna liepen we langs het Malek Soltan Jarchibashi Restaurant, dat recentelijk is geopend na het verbouwen van een oud Turks badhuis tot het huidige restaurant. Het restaurant was nog gesloten (de toegangsdeur was wel open) en Ali vroeg de eigenaar of we even mochten rondkijken.  Wat een pracht en praal!

We liepen door de bazaar, waar de winkels dicht waren en ook enkele zwaar masieve houten deuren.  Bijéén van de deuren probeerde Ali of die toch open was en de deur gaf mee; we stonden in een eeuwenoude caravanserai, waar vroeger de waren werden bewaard door de groothandelaren, voordat ze aan de detailhandelaren in de bazaar werden verkocht.  Ali vertelde over de vier toegangen die iedere caravanserai had en dat de binnenplaats vroeger alleen bestond uit gras en enkele waterplaatsen voor de kamelen.

We liepen verder door de bazaar richting het grote plein, waar de winkeltjes in de bazaar wel open waren en Ali vertelde ons bij een winkeltje het verschil tussen de goede en de slechtere kwaliteit safraan en dat de meeste toeristen niet eens door hadden dat ze de slechte kwaliteit kochten.

Ook stopten we bij een man die koper bewerkte.  Hij had een certificaat van Unesco en was wereldberoemd.  Zijn werd was niet eens zo duur, maar het gewicht speelt ons parten om het mee te nemen.  Zo stopten we ook in een andere caravanserai, waar tegenwoordig allemaal handwerklieden werken.  We stonden voor een deur van iemand die tegels maakt.  De deur was dicht, maar Ali had het telefoonnummer van de man en belde hem.  Na twee minuten konden we z’n workshop betreden.  Er lagen vele beschilderde tegels en het maakproces werd verteld.

In de werkplaats ernaast werden doeken (tafelkleden, wandkleden, vloerkleden) gemaakt door ze te beschilderen.  De doeken waren mooi en we kochten twee doeken van 1×1 meter.

Daarna liepen we ook nog langs een tapijtengroothandelaar.  Tapijten werd uitgelegd voor ons, maar we hoefden ons niet genoodzaakt te zien om iets te kopen. Onverrichterzake liepen we naar het restaurant waar we vanochtend hadden gekeken om gezamenlijk te lunchen.  De Ramadan was voorbij en de wachttijd voor het restaurant bedroeg 45 minuten.  Ali liep echter naar de eigenaar en we hadden direct een tafeltje voor drie.

Na de lunch waren we bij Ali thuis uitgenodigd voor de thee en met een taxi gingen we naar zijn huis op de zuidoever van de rivier.  We dronken thee in het bijzijn van zijn dochter, die samen met haar Italiaanse mand voor enkele weken waren overgekomen vanuit Italie en zijn zoon, die architect is en in Teheran woont.

Na de thee bestelde Ali een taxi en reden we naar de vuurtempel in het westen van Isfahan. Voordat we de vuurtempel bereiken, hielden we kort halt bij de shaking minaters moskee. Ali gaf aan dat we niet naar binnen zouden gaan, omdat dat 600.000 rial per persoon zou kosten en we het schudden van de minaretten vanaf de weg ook konden bekijken. En inderdaad…  iemand klom op de ene minaret, liet deze schudden en de tweede minaret begon ook een klein beetje te schudden.  

Eenmaal bij de vuurtempel beklom Remco de berg en maakte foto’s van het uitzicht.  Daarna reden we via enkele duiventorens en een  vervallen citadel naar de rivier.  Langs de rivier was het één lange parkeerplaats met auto’s.  Iedereen zat langs de kant van de snelstromende rivier te picknicken.  Eenmaal terug in Isfahan kwamen we voor de tweede achtereenvolgende avond hopeloos vast te zitten in het verkeer dat zich een weg probeert te banen langs de rivier. Op een gegeven moment was de ergernis van het verkeer en de stank zo hoog opgelopen bij ons dat we uit de taxi stapten, de taxichauffeur betaalden en langs de rivier gingen lopen.  Vele malen leuker dan in een stinkauto in een file rijden én we werden beloond met mooie zichten op de rivier en de bruggen.

Nadat we de derde brug ook hadden gezien, de brug met de twee verdiepingen waarover je kunt lopen, namen we rond 22.30 uur afscheid van Ali en namen we een taxi terug naar ons hotel.

Donderdag 6 juni 2019

Na het ontbijt pakten we de spullen in, rekenden het hotel af in Euro’s en  vroegen de receptie om de deuren van de parkeergarage te openen. In z’n eerste versnelling wist de auto maar net zonder aanloopje de steile helling van de parkeergarage op te komen.  We reden richting het grote plein. Natuurlijk was het zoeken naar een speld in een hooiberg naar een parkeerplaatsje in de schaduw langs de weg, maar we hadden geluk.  We zagen iemand in z’n auto stappen en we hielden in de één baansstraat halt totdat de auto was weggereden en wij konden inparkeren.

Op het grote plein bezochten we het Ali Qapu paleis. We betaalden de entree niet zoals de Iraniers met behulp van één van de drie self service terminals (omdat we geen pinpas hebben die in Iran werkt), maar ergens in een hokje dat eigenlijk geen kassa meer mag heten. In het paleis was het behoorlijk druk.  Nu de ramadan voorbij is en het suikerfeest, gevolgd door een vrijdag dat toch al een weekenddag is, zijn vele Iraniërs er op uitgetrokken.  Het paleis zelf was niet zo bijzonder, maar het uitzicht over het plein was de toegangsprijs van 200.000 rial per persoon (1,20 euro) wel waard.

Na het bezoek wilden we nog wat foto’s maken van het plein, maar raakten al snel aan de praat met een Iraniër die ons het hemd van het lijf vroeg en kritisch was over het huidige regime. Vreemd genoeg was hij niet de eerste die we spraken, die kritisch was.  We zijn nog niemand tegengekomen die het regime steunt, alhoewel dit waarschijnlijk degenen zijn die het Engels niet machtig zijn en contact met toeristen daarom niet opzoekt. Laten we zeggen:  de minder intellectuelen.

We liepen langs de vrouwenmoskee, maar daar gingen we niet binnen.  We bezochten wel een nabijgelegen moskee. Ook hier bedroeg de entree 200.000 rial. Deze moskee was schitterend betegeld van boven naar beneden met tegels. Echt prachtig.  Marjolijn stond inmiddels al lang niet meer te genieten van het moois, maar te kletsen met een Iraans meisje die lerares Engels was aan een lagere school en die blij was dat ze iemand had gevonden die wel met haar wilde spreken. De meeste toeristen hadden haar verzoek om een gesprekje geweigerd. Ook zij wilde duidelijk maken dat de Iraniërs geen terroristen zijn, want dat lijkt iedereen te denken in het buitenland, zo had ze gehoord.

We gingen op zoek naar geld en dat was niet zo eenvoudig, omdat de wisselkantoortjes vanwege de feestdagen gesloten waren. Na twee pogingen resteerde niets anders dan in een (te)duur hotel tegen de slechts denkbare koers 100 euro te wisselen.

Met was geld op zak reden we naar de Armeense kathedraal op de zuidoever van Isfahan.  In een doolhof van eenrichtingstraatjes rondom de kathedraal kwamen we hopeloos vast te zitten in het verkeer.  Dat frustreerde enorm en toen we aangekomen waren bij de kathedraal en het daar een mierennest van mensen was, besloten we om onze weg te vervolgen in de richting van Varzaneh

In Isfahan verliep dat soepel, doordat we een doorgaande weg buiten het centrum om door de stad namen en buiten Isfahan werd het al snel rustig op de weg.

In Varzaneh eindigt zo’n beetje de rivier die door Isfahan stroomt in een zoutmeer. Maar in Varzaneh lunchten we eerst in een parkje nabij de rivier.  Snel zochten we de beschutting tegen de zon op onder de bomen, want het was ‘slechts’ 37 graden. We lunchten met fruit en yoghurt en onze fruitvoorraad werd nog aangevuld met een partje watermeloen van één van de vele mensen in het park die aan het picknicken waren en die graag wilden weten waar we vandaan kwamen.

We vervolgden onze weg in de richting van Yazd, maar namen niet de snelweg, maar een b-weggetje, die langs het zoutmeer zou leiden.  We kwamen erachter dat we het zoutmeer niet zouden kunnen benaderen; we hadden de verkeerde weg genomen.  Teruggaan  bleek geen optie, want naar het juiste punt rijden zou 76 kilometer rijden zijn (35 kilometer terug + 41 kilometer verder) en de richting was nu net niet in die van Yazd.

We vervolgden dus onze weg, die soms in een matige staat verkeerde. Maar de weg werd beter naarmate de reis vorderde om vervolgens ineens over te gaan in een ongeasfalteerde weg en daar werd Remco behoorlijk nerveus van. Niet zo zeer vanwege de onervarenheid met onverharde wegen, maar wel het feit dat er we nog niemand anders tegen waren gekomen en er op de temperatuurmeter een niet geringe 38 graden stond én omdat we niet wisten hoelang de weg ongeasfalteerd zou zijn. Aan de andere kant hebben we vaker onder deze omstandigheden gereden o.a. in Nambië en Argentinië.

We reden een stuk over de ongeasfalteerde weg en zagen een groot bouwwerk in de verte. Naarmate we dichterbij kwamen, zagen we dat het een vervallen caravanserai was. Op dat moment kwam een kleine personenauto uit de andere richting met daarin vader, moeder, twee zonen en drie dochters. We vroegen naar de toestand van de weg en zagen dat er nóg een personenauto uit de richting kwam waar wij op moesten.  De weg zou nog 20 kilometer onverhard zijn, om vervolgens weer over te gaan in asfalt.  Dat was te overzien en met de wetenschap dat er wél andere personenauto’s uit die richting kwamen, durfden we het wel aan.

We reden met zo’n 60 kilometer per uur over de onverharde weg door werkelijk een schitterende omgeving.  Helemaal geen dor en zanderige bende hier; nee, het landschap was bergachtig en er groeiden groene doornenstruiken tot kniehoogte in de woestijn.  We zagen dat bruggen (??) werden gebouwd, schijnbaar wordt de weg geasfalteerd in de toekomst.  Een herder te ezel hoedde zijn kudde schapen (in een woestijn bij 38 graden Celcius)

Enigszins opgelucht kwamen we uit de op verharde weg. We reden door en langs kleine dorpjes, waar de mensen met name niet op straat liepen. Vanwege de feestdagen waren ook de winkels dicht, waardoor het een beetje doods was.

In één dorpje –het dorpje Aqda- zagen we iets van een kasteeltje. We parkeerden de auto en liepen er even naar toe.  Het oude deel van het dorpje bestond uit huisjes die aan de buitenzijde waren besmeerd met leem en ook het kasteel was aan de buitenzijde van leem.  Daarachter schuilde een bakstenen muur.  Van het kasteel stond alleen nog één buitenmuur en twee torens overeind.  Een familie die voor hun huisje in de schaduw zat, groetten we vriendelijk en namen we op de foto.

De laatste 100 kilometer ging weer over een snelweg en we konden goed door kachelen.  Het landschap bleef fascinerend en wat ook fascinerend was, was dat er veel industrie was.  We reden langs ijzer- en staalfabrieken en tegelfabrieken.  Niet één, maar tientallen.

We kwamen in Yazd aan toen de avond al weer viel.  We keken bij een aantal hostals, maar die bevielen ons niet echt en uiteindelijk checkten we in bij hotel Fazeli. We aten een “indiaase curry” bij het Silk Road Hostal. Niet écht Indiaas, maar best goed te eten.

En – niet te geloven-  we lagen om 22.45 uur op bed.  Dat is ons de afgelopen weken eigenlijk nog niet eerder gelukt.

Vrijdag 7 juni 2019

 Na het ontbijt meldden we ons bij de ‘balie’ van de Free tours Yazd, dat precies onder onze kamer in het hotel gevestigd was.  Met nog een Nederlands stel, een Hongaar en een familie met twee kleine kinderen uit Zuid-Duitsland liepen we door de hete straatjes van Yazd en kregen we enige uitleg bij een aantal bezienswaardigheden.  We liepen door het oude deel van Yazd, waar de muren van de huizen besmeurd waren met leem en stro als isolatiemateriaal en om de gaten en scheuren in de muur te verdoezelen.  De gids vertelde het een en ander, maar alles was te herleiden naar de Islam en we kregen al snel genoeg van z’n verhaal.  Hij vertelde soms dingen die strijdig waren met wat Ali ons had verteld in Isfahan. Overduidelijk dat iedereen maar een draai geeft aan de dingen en de dingen op hun eigen manier uitleggen.

 Zo’n twee uur later waren we weer terug op de hotelkamer om van kamer te wisselen; we kregen nu een kamer die wat leuker gelegen was dan de kamer die we hadden en naast de ingang van het hotel lag.

Omdat het zinderend warm was en we eigenlijk weinig zin hadden om door het lemen oude deel van de stad te lopen op een vrijdag, waarbij toch alles gesloten is, besloten we om de verkoeling op te zoeken in de air conditioned auto.  We reden naar het plaatsje Kharanaq, op zo’n 75 kilometer van Yazd, waar we onder een parasol lunchten en daarna bezochten dit lemen, verlaten dorp. We hoorden een raar gezoem en we gingen op zoek naar waar het vandaan kwam en we zagen al snel een stel jongemannen met een drone spelen.

Daarna reden we verder naar Chak Chak. Daar aangekomen bleek dat we een behoorlijk aantal traptreden moesten bestijgen om in de grot met waterdruppels te geraken. Een beetje in het kader van… ach, we zijn in de buurt, dus laten we dan maar even kijken. Dus bestegen we bij zo’n 38 graden de trappen om te eindigen in een grot, waar uit het plafond een klein straaltje water naar beneden druppelde. Schoenen moesten uit, maar tientallen slippers stonden voor de deur klaar. Het water dat naar beneden druppelde, werd opgevangen in een schaal, waar ook twee drinkbekers in dreven.  Toen we de grot binnenliepen, was de schaal nog vol; even later was de schaal leeggedronken. Natuurlijk was deze bedevaartsplek omringd met mooie legendes. De omgeving was de rit meer waard dan deze grot.

We reden verder door de woestijn met z’n ruige rotsachtige bergen en stopten meerdere keren onderweg om het schitterende landschap op foto vast te leggen. De omgeving was verrassend.  Nooit gedacht dat er zulke hoge, kale, roodbruine bergen zouden zijn in een woestijn. Er was slechts een weinig vegetatie.

In het plaatsje Meymod bezochten we de restanten van een kasteel, dat ook uit leem was opgetrokken en daarna reden we terug naar Yazd.  De dag liep op z’n einde en we liepen naar hotel Orient om vanaf het dakterras foto’s te nemen van de ondergaande zon.  Het dakterras was echter niet hoog genoeg voor een onbelemmerd zicht over Yazd.

We waren erachter gekomen dat het internettegoed op onze SIM-kaart op was en Remco ging op zoek naar Gigabites.  Op straat werd Remco aangesproken door een Iranier, die vroeg of hij Remco kon helpen.  Dat kon hij en met zijn mobiele telefoon en zijn geld werd onze SIM-kaart opgewaardeerd. Remco rekende de 200 rial (1,20 euro) voor de 2 gigabite contant af.

’s Avonds aten we heerlijk bij Little India.

Nog eerder dan gisteren, namelijk om 22.30 uur ging het licht uit in de hotelkamer.

Zaterdag 8 juni 2019

Na het goede ontbijt liepen we toch nog maar wat door de zinderend hete straatjes van Yazd.  Het was nog vroeg en vrijwel alle winkeltjes, restaurantjes en andere deuren in de muren waren gesloten.  Het enige dat zich op straat bevond waren mannen op bromfietsen. Zelfs de bazaar was nog grotendeels dicht

We pakten onze spullen en reden richting Shiraz.  We reden nog langs een park (niet interessant) en een Zoarastiaanse vuurtempel (niet interessant) naar de towers of silence in het zuiden van Yazd.  Toen we daar aankwamen zagen we dat er twee ruïnes van torens op een hoge heuvel stonden.  Gezien de temperatuur zagen we af van een klim naar boven.

We reden naar Shiraz; in eerste instantie door de woestijn met z’n bergen en toen zagen we in de verte grijze wolken. Naarmate we de wolken naderden, begon de weg te stijgen, werd de omgeving groener en daalde de temperatuur met ruim 10 graden en werden we door middel van borden langs de weg gewezen op de mogelijkheid van sneeuw en regen en bedroeg de maximumsnelheid slechts 60 kilometer op de vierbaans snelweg. Ook kwamen we een bord tegen dat aangaf dat sneeuwkettingen vereist waren.  Nadat we de pas over waren en we weer uitkwamen in de woestijn, steeg de temperatuur weer razemdsnel naar 38 graden.

We lunchten in een plaatsje waar een 4500 jaar oude cypres zou staan.  Om de boom te bekijken (die we vanaf de kassa al konden zien) moesten we entree betalen en dat sloegen we maar over.  We lunchten in het stadje in een parkje onder de dennenbomen en al snel kregen we Iraans eten aangeboden door een familie die zat te picknicken.

Na de lunch reed Marjolijn verder tot Pasargadae. Daar bezochten we de eeuwenoude opgravingen, maar erg veel meer dan een graftombe en een paar zuilen van wat ooit een paleis moest zijn geweest was er niet.

In Shiraz chekten we in bij het Barzan hotel, een mooie 4-terrenhotel, nadat we eerst zo’n 33% van de prijs hadden afgedongen. 

Maandag 10 juni 2019

We naar de grote moskee. Daar aangekomen bleek dat we moesten wachten op een officiële gids. Samen met enkele andere toeristen, een stel uit Zwitserland, een Hongaar en een Spanjaard wachtten we alvorens we door de controle moesten om de moskee te mogen betreden. We zouden gefouilleerd worden, maar dat stelde echt helemaal niets voor.

De gids vertelde het een en ander over de moskee en nam ons mee naar een ruimte waar wij – als toeristen –  wel in mochten.  We zouden de moskee zelf namelijk niet mogen betreden; er is een scheiding tussen toeristen en gelovigen. Ook in een tweede gebouw werden we afgescheiden van de gelovigen. De vrouwelijke gids vroeg of ze even mocht bidden en wij hadden geen bezwaar; dat gaf ons meer vrijheid. Buiten kwamen we een andere officiële gids tegen, die wat liberaler was en aangaf dat we wel iets verder mochten lopen dan de denkbeeldige lijn die onze gids had getrokken.

Na de rondleiding vertrok de gids en mochten we op eigen gelegenheid rondkijken en gingen ineens deuren letterlijk voor ons open die met de officiële gids gesloten bleven en konden we de moskee toch nog van binnen zien.  Niet dat dit het beeld veranderde overigens, dus geef de toeristen gewoon de vrijheid.  De gelovigen in de moskee zijn toch meer bezig met uitrusten op de tapijtn e/of met hun mobieltjes in de weer dan aan het bidden.

Na het moskeebezoek bezochten we nog twee traditionele huizen. De binnentuin was ommuurd en erg groen, met fonteinen en waterpartijen.  De huizen zelf hadden erg veel spiegelmozaïekwerk. Echte spiegels zijn in de Islam een taboe.

In de bazaar zochten we naar een witte lap katoen om lichtere lakenzakken van te laten maken en nadat we dat –met behulp van Iraniers in de bazaar-  hadden gevonden, bracht één eigenaar van een winkeltje ons naar een naaiateliertje op de eerste etage van een gebouw, waar Afganen achter de naaimachines zaten. Binnen een half uur hadden we twee nieuwe lakenzakken, die in ieder geval dunner zijn dan degene die we hadden. Dat geeft ons meer ruimte in onze rugzakken.

Dezelfde eigenaar van het winkeltje bracht ins naar een restaurant. Het eten was ietwat duurder dan normaal, maar de ober gaf aan dat we gerust met z’n tweeën van één gerecht konden eten, omdat de porties simpelweg groot waren.  Tijdens het eten speelde een bandje live muziek.

Dinsdag 11 juni 2019

Vanochtend liepen we na het ontbijt naar de roze moskee. Daar moesten we tussen 08.00 uur en 10.00 uur heen om van de lichtinval door de gekleurden glazen deuren te kunnen genieten. We waren er rond 09.30 uur en dat was eigenlijk al te laat; de zon stond al te hoog om ver door te dringen in de moskee. Desalniettemin viel de zon nog steeds door de ramen, alleen minder ver de moskee in.  Het was –voor het eerst- een drukte van belang met toeristen!.  Een bus vol Portugezen en een bus chinezen was in de relatief kleine ruimte met mooie gedraaide stenen pilaren.

Iedereen wilde natuurlijk poseren bij de deuren, waardoor een kleurschakering op de persoon viel. Hierdoor viel er eigenlijk geen foto te maken zonden mensen erop.

We liepen door de bazaar naar de outdoorwinkel waar we gisteren mooie dubbelwandige roestvrijstalen bekers hadden gezien met een oortje.  Die kochten we om op de kamer thee of koffie te kunnen maken. De bekers waren super licht en een uiterst goed alternatief voor een zware stenen mok of een theeglas; een plastic bekers vind je hier –vreemd genoeg- niet. Daarnaast had deze roestvrijstalen beker als groot voordeel dat íe dubbelwandig was en dus niet heet zou worden aan de buitenkant. In een andere winkel konden we ze alleen per vier kopen, maar bij deze winkel ook per twee (voor 2,25 euro per stuk). We keken verder in de winkel die naast merkspullen ook Jack Wolfking verkocht en andere vreemde merken.

We liepen verder naar de citadel en kochten kaartjes.  We betraden de binnenplaats en dat was het dan ook wel een beetje.  De toegangsprijs was het niet waard, want er was eigenlijk niets te zien, anders dan enkele oude foto’s en de binnenplaats zelf.

We lunchten op de kamer en namen toen de auto naar het roze zoutmeer.  Een stel Iraniers had ons daar gisteravovond in het restaurant op gewezen en hadden aangegeven dat het slechts een alf uur rijden zou zijn vanuit Shiraz, maar de routeplanner gaf anderhalf uur aan. Maar eerst bezochten we de graftombe van een bekende Iraneese dichter. We betaalden entree en betraden het park om erachter te komen dat er alleen maar een graftombe te zien is.  Geen aanrader, omdat er verder ook niemand aanwezig was in het park.

Gelukkig was het inderdaad maar een half uur rijden en had de routeplanner geen rekening gehouden met een niet officiele afslag naar een uitzichtpunt en de weg via de eerstvolgende plaats en daarna terug genomen.

We parkeerden de auto op verschillende plekken langs het zoutmeer.  Het water was zo glad, dat de paar wolken in de lucht perfect reflecteerden in het rode water. Ook lag een aantal verschillend gekleurde waterfietsen doelloos aan elkaar in het water, wat mooie plaatjes opleverde. Het enige nadeel was dat het water enorm naar zoute vis stonk en er nergens schaduw was.

We besloten een eindje door de omgeving te rijden, maar eerst moesten we langs een tankstation.  Er zou er een zijn in een klein dorpje onderweg.  We reden naar het dorpje en zagen de ene na de andere herder z’n schapen en geiten hoeden.  In het dorpje zagen we geen pompstation, maar wel een meter in de auto, die aangaf dat de tank leeg was.  Gelukkig wisten omstanders op straat ons in de richting te wijzen van het tankstation, maar we moesten het twee keer vragen binnen 300 meter (het was echt een klein dorp) om er achter te komen dat de pompen in een gebouwtje stonden en dat met behulp van een lange slang de auto kon worden voorzien van benzine.

Met een volle tank reden we verder. We reden langs een boomgaard en we stopten om te kijken.  Het bleken allemaal pistachebomen te zijn vol vruchten. We vervolgden de weg en reden de heuvels/bergen in. Onderweg vielen enkele regendruppels uit de lucht Na enkele haarspeldbochten kwamen we op een hoogvlakte. Er zouden nog twee meren moeten zijn, maar die konden we niet vinden en waren waarschijnlijk al lang verdroogd.  Wat we wel zagen was dat het zicht erg slecht werd en voor we wisten zaten we in een stof / zandstorm. We reden terug naar Shiraz, waar we in hetzelfde restaurant als de dag ervoor aten.

Woensdag 12 juni 2019

Vandaag reden we vanuit Shiraz naar Isfahan. Onderweg reden we langs de ruïnes van Persepolis (‘stad van de Perzen’). Ooit was dit de tegenhanger van de Acropolis in Athene en van dezelfde grandeur.  We parkeerden de auto in de schaduw van een bomenrij die de enorm lange oprijlaan naar de ruïnes markeert.  Langs de weg stonden met vele kleuren opgetuigde kamelen verveeld te wachten op passagiers.

We kochten entreekaartjes en lieten de rugzakken achter in het bagagedepot, want die mochten niet mee het terrein op. We negeerden de diensten van een gids  om extra wachten in de felle zon (er is geen schaduw in Persepolis afgezien van de schaduw van pilaren) en bij 38 graden te vermijden.  Het was rond het middaguur en (nog) niet op het heetst van de dag, dat altijd rond 16.00 uur is.

Persepolis heeft eeuwenlang onder het zand verborgen gelegen en er is daardoor nog redelijk wat bewaard gebleven.  Een aantal zuilen die ooit het dak droegen stond nog overeind en er waren nog een groot aantal graveringen in muren zichtbaar.  We viel op dat de graveringen steeds kopieën van elkaar waren.  Na zo’n anderhalf uur rondkijken, reden we verder richting Isfahan. In totaal zou de afstand vandaag zo’n 450 kilometer bedragen en we moesten dus even doorkarren.

In een stadje onderweg kochten we yoghurt, melk en fruit en in een parkje langs de snelweg waar ook een grote vijver was, lunchten we in de schaduw van de bomen. De lokale bevolking had ons in de gaten en de jonge meisjes bleven geïnteresseerd kijken wat we allemaal deden.

We reden verder en zagen marmer steengroeves. Hele bergen worden ontmanteld en op de weg reden dan ook veel lange vrachtwagens met op iedere vrachtwagen twee enorme brokken marmer.  Langs de weg –in de dorpjes en steden- waren veel marmerverwerkende bedrijven gevestigd.

Onderweg zagen we een enorme regenbui in de woestijn en enkele druppels van die regenbui wilden met onze auto meeliften, maar waren al snel weer verdampt.

Tegen 17.00 uur kwamen we aan in het Azadihotel, waar we ook de eerste keer hadden overnacht.  We hadden bij het weggaan destijds onze waterkoker op de kamer laten liggen en kwamen die nu ophalen.  De receptionist, die vrijwel geen Engels sprak, begreep er niets van, maar  een andere medewerker herkende ons direct en gaf ons onze waterkoker terug.

Met de auto reden we naar een traditioneel restaurant. In de straten van Isfahan was het weer lekker druk en we vreesden al voor het niet vinden van een parkeerplek.  Maar net toen we in een file stonden vlak bij onze bestemming zagen we dat iemand aanstalte maakte tot vertrek.  We bleven op straat wachten totdat hij vertrok en soepel parkeerden we in; een andere wachtende negerend. Wat dat betreft zijn we goed geintegreegd; eerst wij, dan wij en dan pas een ander.

Het restaurant was gevestigd op de eerste etage, had een traplift (!) en was behoorlijk groot.  We kregen een tafeltje bij de airconditioner.  De ober en (waarschijnlijk) de eigenaar van het restaurant kwam ons enkele aanbevelingen doen en we volgden z’n advies op. Marjolijn kreeg een bord rijst met een bruine drap erop, dat het meest deed denken aan iets wat je achterlaat op het toilet als je je niet helemaal lekker voelt.  De eigenaar kwam snel aangesneld en gaf aan dat het er weliswaar niet zo appetijtelijk uitzag, maar dat het heel goed smaakt. Het was kip gekookt in walnoot/granaatappelsaus en was zoet en erg lekker, inderdaad.

Na het diner liepen we naar de rivier, waar we de waterfietsen met passagiers in de rivier zagen drijven en erg veel mensen langs de kant zagen relaxen.  Het schemerde en we namen foto’s.  Daarna liepen we over de brug en naar het oosten naar de volgende twee bruggen, waar we in het donker aankwamen.

Onderweg kwamen we stomtoevallig de jongen tegen die ons de eerste avond in Isfahan naar een restaurant had gebracht.  Hij deed een avondwandelingetje samen met z’n moeder en tante. Ze geven aan waar een ijssalon zou zitten die saffraanijs zou verkopen en nadat we de laatste brug hadden gefotografeerd en wij door een grote groep meisjes waren gefotografeerd, liepen we naar de ijssalon. Voor de deur stonden rozenverkopers verveeld te wachten op kopers; de zoon al slapend op de arm.

We liepen terug naar de auto en reden terug naar het hotel om te gaan slapen.

Donderdag 13 juni 2019

We aten ons ontbijt op de kamer. Omdat we in een aparthotel zaten  had onze kamer een keukenblokje en daarom werd het ontbijt niet in het restaurant van het hotel geserveerd.

Na het ontbijt liepen we naar de bazaar en door de bazaar eerst naar het postkantoor om te vragen wat het terug naar huis sturen van een pakketje zou kosten. Op het postkantoor werd nauwelijks Engels gesproken, maar een klant sprak ons in redelijk vloeiend Duits aan. Hij woont al 15 jaar in Duitsland en hielp ons bij de vertaling.  Het kwam er op neer dat het het verstandigste zou zijn om een pakketje vanuit Teheran te versturen, omdat op ieder postkantoor weer andere tarieven werden gehanteerd.  We moesten in ieder geval zorgen dat we een gele doos zouden krijgen om de goederen in te vervoeren.

Buiten het postkantoor liepen we tegen een moeder en zoon en de moeder gebiede haar zoon om met ons Engels te praten. In de brandende zon (om 09.30 uur) zocht de jongen naar woorden om een Engelse zin te maken, terwijl we al lang ons antwoord klaar hadden op de nog te formuleren, maar erg voor de hand liggende vragen, omdat iedereen diezelfde vragen stelt.

Via de bazaar liepen we langzaam terug.  We zochten naar elastiek voor onze money belts. Deze waren ietwat oud en mochten wel vervangen worden. De rek was eruit. Na een aantal winkeltjes af te zijn gelopen, hadden we precies de juiste breedte gevonden en kochten we twee meter.

In de bazaar bezochten we de Aminoddole Carvansarai, dat een schitterend dak had en dronken we thee in het Hammam Khan Tea House & Restaurant, een oude hammam dat tot theehuis was verbouwd.  Daar spraken we kort een Italiaans ouder echtpaar dat we even daarvoor door de straten hadden zien rijden met hun 4×4 camper.

Vlakbij het hotel bezochten we de Agha Bozorgmoskee. De bezoeken aan de moskeeen worden steeds korter, zoals in Europa ook het geval zou zijn bij kerken.  Met dat verschil dat er in een moskee geen pracht en praal te vinden is, afgezien van de tapijten en soms een tombe. Maar ook de tombes hebben vrijwel allemaal dezelfde uitstraling.

’s Middags reden we naar de Fin Garden.  We parkeerden de auto en betaalden de 200.000 rial entree, die vrijwel overal voor wordt gevraagd.  De tuin stond vol cypressen en was van de rest van de stad gescheiden door een hoge, lemen muur.  In de tuin stonden enkele paviljoens, van waaruit een bron water verspreidde in kanaaltjes met lage fonteintjes erin in de vier windrichtingen.  Kinderen speelden in de ondiepe kanaaltjes. De paviljoentjes waren voorzien van schitterende plafondschilderingen. Op de muur waren afbeeldingen van mensen in mooie jurken aangebracht.  Slechts twee daarvan waren onbeschadigd; bij de anderen was het gezicht weggekrast.  Afbeeldingen van gezichten mag niet van de Islam.

We reden verder naar een plaatsje in de omgeving, waar (weer) een shrine stond.  Schitterend van de buitenzijde, maar we namen niet meer de moeite om de schoenen uit te trekken voor de binnenkant van de moskee.  In datzelfde plaatsje was ook een ‘underground city’. We reden er naar toe, daalden een lange stenen trap af naar beneden en kochten toegangskaartjes.  Daarna betraden we een enorme ruimte, die vroeger als waterbewaarplaats heeft gediend.  De ruimte was enorm hoog ( we waren 12 meter onder de grond) en het klonk er behoorlijk hol.  Een gids nam ons mee door een gangenstelsel.  Dit gangenstelsel was al eeuwenoud en bij toeval pas 17 jaar geleden ontdekt.  Men vermoed dat het heeft gediend als schuilplaats voor één familie tegen vijanden.

In hetzelfde dorp was een paar honderd meter verder nog een underground city, waar het gangenstelsel nog langer was.  Ook die bezochten we, met hetzelfde ticket.

Daarna reden we nog wat door de omgeving, eigenlijk op zoek naar de zandduinen, maar die vonden we niet.

’s Avonds aten we in het restaurant van het Manouchehri Traditional Hotel, dat op de app ‘Four square’ als zeer goed werd beoordeeld.  We waren met één ander stel in het restaurant en het eten was goed.

Vrijdag 14 juni 2019

We besloten een gokje te wagen en Fatima (dit is niet haar echte naam) een What’s appje te sturen met de mededeling dat we vandaag naar Qom zouden reizen.  Al snel kregen we een reply, dat we naar haar huis moesten komen en dat we dan gezamenlijk zouden gaan lunchen en dat we daarna de heilige shrine van Qom zouden bezoeken.

Rond 12.00 uur waren we bij haar huis in Qom, nadat we eerst heel Qom moesten doorkruizen, doordat de rotonde die we moeten nemen wegens onderhoudswerkzaamheden was afgesloten en er geen afslag snel daarna zich aandeed.

Fatima was uitermate verheugd dat we haar kwamen opzoeken. Ze had na onze ontmoeting van niet meer dan een kwartier in een restaurant in Ramsar (aan de Caspische kust) al een tijdje gehoopt op een teken van leven van ons en was erg zenuwachtig nu we er waren. Na binnenkomst kregen we direct drank aangeboden, werden drie halve liters bier van 7,5% alcohol op tafel gezet (Marjolijn verbood Remco van dit goddelijke vocht te genieten L) en moeten we vooral wat fruit eten.

Nu begon eigenlijk pas onze kennismaking. Haar moeder zat gezellig en breed lachend op de bank in de ruime woonkamer en ouwehoerde een eind raak in het Farsi. Wij knikten beleefd, maar we begrepen elkaar (geloof ik) wel; we moesten vooral nemen wat er allemaal op tafel stond.

Fatima gaf al lachend aan dat ze alcohol in huis hadden en dat ze niet gelovig waren (om die reden is de naam gefingeerd). Ze is lerares Engels en heeft  een vriend, waarvan haar ouders niets afweten. Ze bleek zelfs dezelfde dag dat wij in Kashan waren ook daar te zijn geweest met haar vriend.  We bespraken het leven van een vrouw van achter in de twintig, nog niet getrouwd in Iran en de frustraties die dat met zich meebrengt in die maatschappij.

Met onze auto reden we naar een restaurant in een oud traditioneel huis in Qom. Rondom een binnenplaats waren allemaal kamers (dit soort huizen wordt veel omgebouwd tot hotels) en we hadden een kamer voor ons alleen.  We bestelden heerlijk eten en spraken verder.  Fatima stond erop te betalen, alhoewel we er alles aan hebben gedaan om haar om te praten.

Daarna reden we naar de holy shrine. We parkeerden de auto in een voormalige rivierbedding, waar nu parkeerterreinen waren aangelegd, tot grote ergernis van Fatima, die dit vreselijk gevaarlijk vond. We liepen naar de shrine en –vreemd genoeg- gaf Fatima aan dat in de linker entree moest hebben en zij de rechter entree, terwijl er boven de linkerentree tocht duidelijk een bord hing met women’s entrance en boven de rechter entree men’s entrance.

Bij de ingang –waar iedereen wel heel erg oppervlakkig werd gefouilleerd moest Remco plaatsnemen en wachten op iemand die Engels sprak die ons zou brengen naar een Engelstalige gids.  Van Marjolijn en Fatima werden de rugzakken gecontroleerd en Marjolijn kreeg een straksluitende Chador aangereikt.  De chador die Fatima voor ons had meegenomen was niet goed genoeg.

Een vrouwelijke gids leidde ons rond over de binnenplaats van de holy shrine.  Naar binnen mochten we niet. Terwijl ze het een en ander over de shrine uitlegde, kwamen mannen met een overleden persoon op een draagbare baar de shrine binnengelopen en deden een ronde met de overledene.  Best een apart gezicht.  Maar het bleef er niet bij één;  in de korte tijd dat we daar waren zagen we drie van deze tafrelen.

Toen de rondleiding ten einde was stelde Remco nog een vraag, die die achteraf gezien beter niet had kunnen stellen, omdat de gids nu helemaal loskwam.  Remco stelde de vraag wat het verschil is tussen een imam en een ayatollah. Toen werd ons duidelijk dat imam staat voor leider én voor een geestelijke die de afstammeling zou zijn van één van de 12imams die in de koran worden genoemd.

Een imam (geestelijke) wordt zo door vergaren van kennis.  Khomeini was een leider van zijn volk. Maar de gids was helemaal idolaat van Khomeini, wat geheel tegenstrijdig was met het beeld dat Fatima over hem had verteld en zij ergerde zich vreselijk aan de bekrompen visie van de gids. Na het bezoek aan de holy shrine reden we nog naar een ijszaak, waar we saffraanijs aten en daarna zetten we fatima af bij haar huis en namen we afscheid.  Als dank voor de mooie dag gaven we haar een Nederlands souvenir en wat geld.

We reden de laatste 130 kilometers terug naar Teheran.  We gooiden voor de laatste keer de tank vol en chekcten in in hotel Karoon in het ‘centrum’ van Teheran.  We aten niet ver van het hotel in een restaurantje met slechts vier tafeltjes, waar we bij het bestuderen van de kaart werden geholpen door de gitarist van de Iraanse band Moonhead, die wél Engels sprak.  Het eten was erg veel, maar ook erg goed.

Zaterdag 15 juni 2019

Na het ontbijtbuffet, dit keer met chocoladecroissants en bruin brood (!) dat we in het hotel genoten, reden we de allerlaatste zelf gereden kilometers van onze trip door and Iran naar het kantoor van Saadat Rent. Anita, de stem van de navigatie, die soms hulpvaardig was, maar ook vaak onzin heeft uitgekraamd tijdens onze reis, gaf nog een laatste verkeerde aanwijzing, waardoor we een verkkeerde afslag namen. Snel herstelden we ons en kwamen we veilig en wel aan hij het verhuurkantoor, dat heel onlogisch op de vierde etage van een gebouw is gevestigd.

Al snel was de auto akkoord bevonden en kregen we onze 200 euro deposit terug. Er werd nog even gevraagd hoe we aan hun gegevens waren gekomen en we antwoorden dat dit via een reisblog op het internet was geweest. De jongen van het verhuurbedrijf assisteerde nog toen we via de Snapp app een Snapp cab bestelden.  Na de online acceptatie van ons verzoek door een chauffeur, verschijnt de foto van de chauffeur op het scherm, alsmede het kenteken van de auto en het automerk en type. Maar vaak is er ook nog even telefonisch contact en daarbij hebben we altijd de hulp nodig van een Iranees vanwege de taal.

Onze Snapp taxichauffeur bracht ons in ruim een half uur naar het Niavaranpaleis in het noorden van Teheran. Het enorm grote voordeel van Snapp is dat de applicatie de ritprijs bepaalt en dat er dus nooit gezeik is achteraf over de prijs.

Bij het Niavaranpaleis kochten we kaartjes voor het paleis, het paviljoen en het museum. We begonnen in het kleine, maar leuke museum. Daar bestonden de verzameling uit atributten die waren aangeschaft door de vrouw van de laatste sjah en de stukken bestonden uit schilderijen en sculpturen (onder andere van Andy Warhol, Picasso en Miro, maar ook Iraanse kunstenaars en uit oude stukken uit de Incatijd en uit Zuid Amerika (Peru, Colombia en Peru).

Daarna bezochten we het paleis, dat nog vrij nieuw is. Het is slechts zo’n 50 jaar oud. Aan de buitenzijde is het gebouw erg modern, maar het is klassiek ingericht, met veel meubels uit Frankrijk en vele tapijten uit diverse steden in Iran. De laatste Sjah heeft er met zijn familie een paar jaren in gewoond, voordat ze in ballingschap in Egypte gingen. Twee weken later begon de Islamitische revolutie en dit luidde de tijd in van de achteruitgang in Iran, tenminste als we de vele mensen die we hebben gesproken mogen geloven.  Het paviljoen was kleiner, maar ook leuk om te zien.

We liepen naar een reisbureau om nu eindelijk eens onze tickets naar Mashad te gaan kopen. Iets wat een fluitje van een cent zou moeten zijn voor een reisbureau werd een langdurig iets. Door een fout in de voornaam van Marjolijn (die was verbasterd tot Marjolijan) duurde het erg lang. De fout wilden we perse hersteld hebben en het kostte meerdere telefoontjes om het niet te wijzigen ticket toch te kunnen aanpassen. Na een half uur hadden we twee enkeltjes voor 50 euro. We rekenden af bij de eigenaar van het reisbureau, die als enige Engels sprak en we liepen naar het fast food restaurant op de begane grond ( het reisbureau was op de eerste etage).  Bij het bestellen stond daar ineens de kassier van het reisbureau achter de balie en we bestelden een kleine pizza en een cheeseburger en twee cola zero.  Waarschijnlijk ter compensatie voor het lange wachten bij het reisbureau kregen we gratis frietjes.

Op straat vroegen we een voorbijganger om ons te assisteren om een Snapp cab te bestellen om naar het juwelenmuseum te gaan. Afijn, al snel zaten we in een taxi, die ons weer de hele stad doorreed naar het museum.  Hier leg je al snel 10 kilometer in de stad af (van het noorden van Teheran naar het centrum) en dit keer kostte het ons 170.000 rial, oftewel 1,20 euro .

Het juwelenmuseum is gevestigd in de kelder van een bank en is slechts een aantal dagen per week geopend van 14.30 uur tot 16.30 uur. We waren er om 15.30 uur. Onze spullen moesten bij de ingang door het rontgnapparaat, waarvan de beelden warden bekeken door een vrouw met zonnebril op. Iets ontgaat ons. Ook moesten we door een metaaldetector lopen, maar er was niemand die acht sloeg op het alarm dat afging en we liepen door.  We kochten kaartjes, die vreemd genoeg dezelfde prijs hadden als andere attracties (terwijl hier de beveiliging toch net eventjes meer is) en we moesten vervolgens al onze spullen achterlaten in een depot.  Zelfs de horloges moesten afgedaan worden.  We kregen wel het sleuteltje van ons kluisje mee.

Vervolgens was het even wachten totdat een grote(re) groep Fransen naar binnen was gegaan en wij kregen een Engelssprekende gids mee. Die ging in een enorme sneltreinvaart door de enorme kluis in de kelder waar alles glitterde en glom.  Bij een aantal stukken gaf hij uitleg. Dat was interessant, maar het ging allemaal wel erg snel.  Gelukkigh mochten we na de uitleg op eigen tempo nog rondkijken en op een gegeven moment waren we –samen met nog een Chinese jongedame waar we mee aan de praat waren geraakt- nog als enigen in de kluis, afgezien van de negen fysiek aanwezige bewakers. Helaas was het niet toegestaan om foto’s te maken en hoewel er foto’s staan op het internet vallen deze volledig in het niets bij de pracht en praal in de kluis van dit museum.

We liepen terug naar het hotel en vervolgens verder naar het Laleh park. Onderweg kochten we wat paprika, komkommer, ui, tomaten alsmede een yoghurtje met knoflook en Iraans bier; iets wat op bier zou moeten lijken, maar geen alcohol bevat. Na het ‘diner’ in het park liepen we terug naar het hotel om te gaan slapen.