Mexico 2020

Zondag 26 januari 2020

Na twee weken terug te zijn geweest in Nederland, was de tijd weer aangebroken om de koude en de (overwegend) mistige dagen achter ons te laten. Hoewel het weer soms niet heel erg mee zat, hebben we genoten van de dagen in Nederland, die voornamelijk bestonden uit bezoek aan familie en vrienden. Helaas was het verblijf in Nederland te kort om bij iedereen langs te gaan, maar dat komt nog wel. We willen onze vrienden bij deze nogmaals danken voor de daklozenopvang, het ter beschikking stellen van de fantastische auto, die ons de flexibiliteit gaf die we graag wensten, natuurlijk voor de heerlijke maaltijden die er voor zorgden dat we wat vet op de botten kregen (nee, zo vermagerd waren we nu ook weer niet) en natuurlijk voor de gezelligheid. Een bijzondere ervaring was dat we in ons eigen appartement werden uitgenodigd door onze huurders om te komen eten. Het was een gezellige avond en de Tjechische maaltijd was heerlijk.

Maar goed, zondagochtend was het moment aangebroken om verder te reizen. We ontbeten samen met Friso en Manuela en na het ontbijt reden we met de auto van Marcel naar Haarlem. Onze vrienden stonden al kou te kleumen voor de deur toen we aan kwamen rijden. Ze zetten ons af op Schiphol. Snel in checken bij Tuifly zit er niet in. Terwijl er een lange rij voor de incheckbalies stond (online inchecken is bij deze maatschappij anno 2020 nog steeds niet mogelijk) was het waarschijnlijk koffiepauze, want twee van de vier balies werden gesloten. Bij de balie kregen we te horen dat we geen stoelen naast elkaar hadden en dat dat ook niet meer mogelijk was. Ook in het toestel kom men niets voor ons doen. Ja, we konden wel naast elkaar zitten, maar dan in een goedkopere klasse dan dat we hadden geboekt en nee… je kreeg het prijsverschil natuurlijk niet terug. Slecht, slechter, Tuifly!

We hadden een tussenlanding in Varadero op Cuba. We stonden een uurtje aan de grond en mochten het vliegtuig niet verlaten. Daarna was het nog een uurtje vliegen naar Cancun.

Eenmaal op de luchthaven van Cancun was het eventjes een stukje lopen naar de immigratiebalies. In het vliegtuig hadden we de uitgereikte immigratieformuliertjes al ingevuld en de afhandeling op de luchthaven ging enorm snel en efficiënt. Daar zouden een hoop andere landen (met name Australië en Nieuw Zeeland) een voorbeeld aan kunnen nemen. De luchthaven van Cancun mag dan de druktste zijn van Mexico, maar qua omvang stelt het niet zoveel voor. Direct na de immigratie stonden de bagagebanden, maar het duurde bijna een uur voordat de bagage band ging rollen. Er werd omgeroepen dat snuffelhonden alle bagage controleerden en dat het daarom wat langer duurde dan gebruikelijk. Toen we eenmaal de bagage hadden, moesten we een douaneformulier invullen en konden we achteraan in de rij aansluiten voor de bagagecontrole. Alle bagage moest door het röntgenapparaat (iedereen doorstond deze proef vlekkeloos, waarmee het nut ervan kan worden betwijfeld) en daarna moesten we het douaneformulier aangeven en op een knop drukken die òf groen òf rood licht gaf. Wij hadden mazzel dat het meisje voor ons rood licht (=bagagecontrole) kreeg, waarmee de kans dat wij rood licht kregen wat kleiner was geworden. En inderdaad… wij kregen groen licht en konden eindelijk Mexico in.

Op het reisschema dat we van de luchtvaartmaatschappij door hadden gekregen stond dat we om 19.25 uur zouden landen. Vreemd genoeg bleek dat 18.25 uur te moeten zijn (Tuifly weet zelf niet hoe laat ze landt). Op basis van de informatie van de luchtvaartmaatschappij hadden we een auto gehuurd om 21.00 uur. Nu stonden we een uur eerder buiten.

We wisten niet waar we moesten zijn voor de verhuurder, die geen kantoor op de luchthaven zelf heeft (verhuurder Carflex; geboekt via Rentalcars.com). We vroegen het aan enkele mensen buiten het luchthavengebouw. Eén dame wilde wel bemiddelen voor een taxi. een taxichauffeuse vroeg 40 USD om ons te brengen naar het kantoor dat volgens anderen ‘niet ver’ was. We sloegen het vriendelijke bod af, waarna de prijs daalde via 30 dollar naar 20 dollar. En plots zagen we de shuttlebus van de verhuurder aan komen rijden en zaten we niet veel later in de bus die ons inderdaad ‘ niet ver’ bracht naar het terrein van het verhuurbedrijf. Het kantoor van de verhuurder ligt op niet meer dan 10 minuten lopen van de luchthaven. (zoek op Maps.me naar “Cancun Airport Shuttle transportation” en Carflex ligt daar recht tegenover in dezelde straat; 6 minuten oftewel 440 meter lopen. Laat je niet beetnemen door de taxicriminelen op Cancun Airport!.) ij Carflex ging het papierwerk redelijk efficiënt en in het Engels en kregen we al snel een redelijk nieuwe Dodge. Er waren geen schakelauto’s meer beschikbaar en we kregen een automaat. Lekker relaxed, alhoewel schakelen eigenlijk onmiskenbaar bij het autorijden hoort.

Al snel waren we op weg naar ons geboekte hotelkamer. Op zondagavond was het niet zo druk op de weg. We hielden ons keurig aan de maximum snelheid, maar waren daar de enigen in. In de hoofdstraat van Cancun waren veel terrasjes met luide muziek en dansende mensen. Het was erg levendig.

Met behulp van de navigatie was het vinden van de weg een eitje. Echter, bij de receptie van het hotel waar we een kamer via Booking.com hadden geboekt kregen we te horen dat het hotel ‘overbooked’ was. Wij -en drie (!) andere kamers- waren overbooked. Maar de receptionist had wel een kamer in een ander hotel. We waren behoorlijk moe na zo’n lange reis en we accepteerden maar dat we naar een ader hotel moesten. Eenmaal bij het andere hotel moest eerst worden duidelijk gemaakt hoe de vork in de steel zat, maar de jongeman achter de balie bracht ons naar een kamer. De airconditioning en de tv werden aangezet en nadat de jongeman was vertrokken zetten we de tv maar weer uit. Op onze horloges was het 04.00 uur ’s nachts, terwijl het op onze telefoons pas 22.00 uur was.  Hoe laat het ook was, we lagen snel op bed. Lekker slapen.

Maandag 27 januari 2020

Vanochtend werden we om 08.00 uur wakker. Het was redelijk stil en dat terwijl het hotel in het centrum van Cancun ligt, vlakbij het ADO busstation. We legden de spullen in de auto en liepen naar de receptie, waar nu twee dames zaten; een jong meisje en een oudere dame. We moesten de kamer afrekenen en hadden de Visakaart al in de hand. Op het raam van de deur hingen drie stickers die aangaven dat ‘hier Visa wordt geaccepteerd’, maar niet in ons geval. Wij moesten contant afrekenen en dat hield in dat we eerst geld moesten opnemen, want dat hadden we nog niet gedaan. En dus liepen we naar de Bank Santander, die we gisteravond vanuit de auto hadden gezien en die niet ver bij het hotel vandaan lag. De machine spuugde maximaal 8.600 pesos en bracht geen extra kosten in rekening bij onze ING bankpas.

Eenmaal met pesos in handen liepen we naar de buurman, die SIM-kaartjes verkocht van Telcel. Zonder ons te hoeven legitimeren hadden we al snel een nieuw SIM-kaartje in het tablet en waren we weer online. Tegenover de bank en de telefoonwinkel zit een grote supermarkt en daar snuffelen we ook even rond. Dat hoort standaard zo’n beetje als eerste bij een bezoek aan een nieuw land. We kochten brood, kaas en 5 liter water. We betaalden met het grootste biljet, namelijk van 500 pesos om zo snel over kleinere coupures te kunnen beschikken. Na al het gewinkeld aten we een broodje op een bankje en kochten we bij de 7 Eleven twee bekers koffie. Hier geen luxe bonenautomaat, zoals bij de 7 Eleven  in Taiwan, maar gewoon filterkoffie. Maar die was vers en best lekker. Terwijl we op het bankje zaten zei Marjolijn ‘dat we veilig zaten’, aangezien er een gepantserde auto van een particulier beveiligingsbedrijf naast ons stond. Niet veel later zagen we drie bewakers uit een winkel naar buiten komen, allemaal met hun hand op hun pistool, dat in het harnas zat aan hun riemen.

We liepen terug naar het hotel, waar we de kamer betaalden en daarna reden we weg. We reden over de hotelzone die langs de kust loopt. Twintig jaar geleden hadden we hier ergens onze eerste overnachting in Mexico. Waar weten we niet meer.

Heel opwindend was de hotelstrook niet. Over de gehele lengte was tussen de weg en het strand alleen maar hoogbouw. Hotel tegen hotel aan gebouwd. Nergens was een weg naar het strand en het strand kon je dan ook nooit vanaf de weg zien. Het zag er niet erg gezellig en aantrekkelijk uit. Op een paar plaatsen op de 27 kilometer lange hotelzone waren wat restaurants en winkels, maar er waren ook grote delen waar niets was. Dan ben je wel overgeleverd aan survival in het hotel, wat ongetwijfeld ook zal lukken

Via het centrum van Cancun reden we naar wegnummer 180. Die gaat naar het westen. Er zijn twee varianten; de gratis weg een de tolweg. Beiden lopen volledig parallel aan elkaar. Wij namen de gratis weg. Deze is tweebaans en gaat soms door een dorpje. Daar liggen dan drempels over de weg in verschillende soorten en maten; drempels die eigenlijk niets voorstellen en waarbij het prettiger is om ze heel hard rijdend te nemen, omdat je dan het minste merkt. Maar er waren ook drempels bij die je zouden lanceren als je er te hard over rijdt. Stapvoets is dan soms al te hard om de auto niet te beschadigen. Die zijn erg irritant. Aan de andere kant zorgt rustig rijden door de dorpjes dat je lekker kunt rondkijken vanuit de auto.

Rond 15.00 uur waren we in het kleine kust plaatje Chiquila, waar veel vrouwen langs de kant van de straat met een rode lap in hun hand naar ons wuifden om ons op die manier te attenderen op ‘hun’ parkeerplaats. Voor 100 pesos per 24 uur kun je je auto kwijt op ‘bewaakt’ terrein. Iedere inwoner van dit plaatsje schijnt over zo’n terrein te beschikken. We parkeerden de auto op het pleintje bij de ferry op zo’n terrein en liepen volbepakt naar de ferry. We kochten kaartjes voor de boot van 15.30 uur en zagen die van 15.00 uur net vertrekken. Net gemist.

De catamaran voer rustig het ‘haventje’ uit om op volle zee full gas te gaan. Een klein half uurtje later waren we op Isla Holbox. Vanaf de ferry liepen we richting ‘het centrum’. Het dorp bestaat maar uit een paar straten, die niet bestraat zijn, maar bestaan uit hard zand. Golfkarretjes (helaas geen elektrische) domineren het straatbeeld en doen dienst als taxi. Maar als toerist kun je ze ook huren om over het eilandje te rijden. Overigens is het grootste deel van het eiland beschermd natuurgebied, waar je niet zonder meer mag komen en al helemaal niet met golfkarretjes.

Na enkele blokken lopen waren we bij het hotel, dat er keurig verzorgd bij lag. Ook de kamer was netjes. Op het bed stond een zwaan van handdoeken. Heel creatief. Bij de receptie probeerden ze nog enkele excursies te slijten, maar wij waren niet geïnteresseerd.

We kleedden ons om een gingen naar het strand. Het was al 16.30 uur en de zon ging regelmatig schuil achter een wolk. Er stond een behoorlijke bries vandaag zee, maar ondanks dat was het even lekker vertoeven aan het strand.

Mensen zaten op de pier te kijken naar de zon die onder ging achter de wolken. Die zou niemand vandaag in zee zien zakken. We liepen wat langs het strand, waar geen metertje niet ontwikkeld is. Overal staan bordjes die aangeven dat het strand aan de hotels zou zijn uitgegeven, maar het strand in Mexico is voor iedereen te allen tijde vrij toegankelijk, ondanks wat hotels je soms graag doen geloven.

Op het honkbalveld stonden mannen op leeftijd te spelen. Dat was leuk om naar te kijken. Daarna liepen we terug naar het hotel in te douchen en na een verfrissende douche gingen we iets eten bij een restaurantje waar het super druk was een waar de mensen in de rij stonden. Het was een restaurantje waar ze taco’s en burrito’s serveerden. De burrito’s waren lekker. Hoewel we er maar een kregen, was dat ruim voldoende.

Dinsdag 28 januari 2020

Om 08.00 uur wakker. Remco liep naar het ‘supermarktje’ dat om de hoek zat. Ieder derde huis hier is een winkeltje of supermarktje. De andere twee zijn hotelletjes of restaurantjes. Remco kocht yoghurt en aan het tafeltje voor de kamer ontbeten we met yoghurt, havermout, appel en noten. We besloten om nog een nacht langer te blijven en informeerden bij de receptie. Dat was geen probleem.

Na het ontbijt liepen we naar de ferry en verder door de zandstraatjes van het dorp richting punta mosquito. Zo ver zouden we niet komen, want punta mosquito ligt in een reservaat dat niet vrij toegankelijk is. We liepen langs vele hotels. Anders dan in Cancun zijn de hotels hier maar maximaal drie etages hoog, kleinschaliger en is de architectuur creatiever en van natuurlijke materialen.

We liepen westwaarts totdat we een stelletje op het strand zagen liggen. Zij zeiden dat we niet veel verder konden lopen, omdat er een riviertje was die te diep was om zo maar te kunnen doorwaden. Echter, voor de kust op ongeveer 50 meter uit de kust lag een zandbank parallel aan de kust, waar mensen over heen liepen. Soms lag de zandbank net onder het wateroppervlak. Vanaf het strand liepen we door de lagune naar de zandbank. Het water was niet dieper dan tot kniehoogte. We zagen scholen vis en ook een kleine rog zwemmen. Op de drooggelegen zandbank was het druk met wandelaars. En met bootjes die de mensen vanuit het dorp naar hier brachten. We wel een stuk of acht boten lag te dobberen in het ondiepe water.

We liepen via de zandbank terug naar het dorp. Grotendeels liepen we door enkelhoog water en soms tot kniehoogte. Het lopen door het water, ongeveer drie kilometer was zwaarder dan we hadden gedacht. Maar we konden tot rust komen op het strand. We spreidden onze sarongs uit een gingen heerlijk in de schaduw van een parasol liggen tot groot ongenoegen van mensen van het hotel ‘waarvan het strand was’. Die wilden graag geld voor de schaduw die hun parasols maakten op het strand, maar we troefden ze af door aan te geven dat het strand openbaar terrein is in Mexico en dat het hun keuze was om parasols te plaatsen. Overigens waren alle strandstoelen en -bedden onbezet!

Aan het strand liggen was niet saai. We genoten van de zwermen Fregatvogels, die met als gieren in cirkels boven zee dreven op de wind. Groepen van tien tot twintig vogels dreven in kringetjes op de wind. De sierlijke vogels met hun typerende puntige vleugels en hun ranke lijf en puntige staart zijn mooi om naar te kijken. Of dan de pelikanen, die rakelings boven het water vliegen en zich soms vanaf hoogte ineens in het water laten vallen. Boven de vogels zagen we geregeld vliegtuigen op weg naar Cancun.

Woensdag 29 januari 2020

We stonden rond 08.00 uur op en ontbeten daarna aan een van de twee tafeltjes voor de kamer. We liepen nog één keer door het dorp en maakten wat foto’s van de kleurrijke muurschilderingen. Daarna pakten we de spullen en liepen we naar de ferries. Onderweg naar de ferry was een verkoopkantoortje voor tickets van één van de twee maatschappijtjes, maar we wachtten met het kopen van een ticket totdat we 50 meter verder bij de ferries waren. En toen bleek dat we daar verstandig aan hadden gedaan, want de eerstvolgende ferry die vertrok was van 9 Hermanos en dat was een andere maatschappij dan die van het kantoortje in het dorpje. We konden nog net de ferry van 10.00 uur nemen, terwijl we er al op hadden gerekend dat we de ferry van 10.30 uur zouden nemen.

De ferry deed er bijna 30 minuten over en nadat we weer vaste voet aan wal hadden gezet, haalden we de auto op, betaalden 200 pesos voor 48 uur parkeren en reden vervolgens naar Valladolid. Een groot deel van de weg was hetzelfde als de heenweg.

In Valladolid reden we naar guesthouse ‘Casa Chi’, dat we een kamer via het internet hadden geboekt. De kamer was erg eenvoudig, met een ventilator aan het plafond en een externe badkamer. Casa Chi kreeg op het internet lovende beoordelingen, maar we vonden het nogal basic. Chi, de eigenaar, raadde ons aan een cenote te bekijken en we reden er heen, maar eenmaal ter plaatse kregen we een korte, maar felle bui over ons heen. We reden maar terug naar Villahermosa en parkeerden de auto ergens in het centrum. We liepen naar de cenote ‘Zaci’, die zich in het centrum van het stadje bevindt. Vanaf een uitzichtpunt konden we de cenote bekijken, nadat we ons door een berg souvenirstalletjes hadden gewurmd. De eigenaars van die stalletjes laten je overigens opvallend met rust.

We liepen terug naar het centrale plein en Remco kocht een ijsje, dat ‘ie op een bankje op het centrale plein op at. Busladingen met toeristen werden gedropt bij het centrale plein om even over het plein te kunnen lopen en dan weer terug te keren naar de bus. Een stel indianen, verkleed als bosjesmannen of ‘echte Maya’s’(??) maakten muziek en rare dansjes, speciaal voor die toeristen.

We probeerden nog bij een museumpje naar binnen te komen, maar de man die bij de deur stond zei dat er drie keer per dag een rondleiding was en dat de volgende rondleiding pas weer de volgende ochtend zou zijn.

De dag liep al weer ten einde en we reden met de auto naar restaurant Yerbabuena, waar we zo’n beetje voor de deur de auto konden parkeren. We liepen langs het klooster San Bernandino naar de leuke straat Calzada de los Frailles.  Dit straatje wordt gekenmerkt door traditionele huizen, die inmiddels veelal zijn omgetoverd tot leuke boetiekjes of hotelletjes. In een barretje dronken we een biertje en daarna liepen we naar restaurant Yerbabuena.  De kaart was eenvoudig (niet erg veel keuze), maar het eten was lekker. Alleen zijn de porties niet zo erg groot.

In het donker reden we de 1,5 kilometer terug naar Casa Chi om te gaan slapen.

Donderdag 30 januari 2020

De wekker ging om 06.30 uur. We maakten ontbijt in het keukentje, dat in de open lucht ligt onder een afdakje. Erg luxe was het niet, maar er was een koffiezetmachine en er stonden twee tafeltjes met vier stoelen aan iedere tafel. De lucht was blauw en het was nog lekker koel. De eigenaar was ook al wakker en maakte een vuurtje aan in zijn eigen keukentje, die al uit niet veel meer bestond dan het onze.

Rond 07.45 uur reden we naar Chizchen itza, waar we 40 minuten later aankwamen. Op de toegangsweg naar het complex waren Mexicanen aan weerszijde van de weg hun souvenirstalletjes al aan het opbouwen. Voordat we het parkeerterrein op zouden rijden, zagen we nog een parkeerplekje langs de kant van de weg tussen twee andere auto’s. Dat scheelt weer 80 pesos (€4,-) aan parkeerkosten. We liepen over het parkeerterrein naar de ingang, waar al een lange rij mensen voor de kassa’s stonden te wachten. We sloten achteraan in de rij en wachtten en half uur voordat we aan de beurt waren. Over de oude toegangsprijs op het enorme bord dat buiten aan de muur hing, was een sticker geplakt met de nieuwe prijs. In de Lonely Planet editie 2019 stond nog een toegangsprijs van 207 pesos, maar dat was “iets” verhoogd tot 486 pesos, oftewel € 25,-. Inmiddels is het bezoeken van een site in Mexico duurder dan de beste musea in Europa!

Eenmaal binnen liepen we door een straat van souvenirstalletjes naar een enorm open grasveld met daarop de bekende tempel van Kukulcan . Hoewel het nog vroeg op de dag was, was het aan behoorlijk druk. De noordzijde van de tempel is het mooiste, maar die lag in de schaduw. De zon scheen achter de tempel, wat fotografen weer wat lastig maakt in verband met het tegenlicht. Groepen toeristen onder begeleiding van een gids testten de akoestiek door voor de tempel te gaan staan klappen. Op een gegeven moment wordt dat irritant. Anders dan bij ons vorige bezoek 22 jaar geleden, mag je nergens meer op of in. Je mag alleen nog van een afstand kijken naar de ruïnes.

Werkelijk overal op het terrein stonden souvenirstalletjes, wat Chichen itza maakt tot openlucht souvenir markt. In de eerste uren vallen de verkopers je nog niet lastig, want dan zijn ze nog bezig om hun waar uit te stallen, maar toen ze daar eenmaal mee klaar waren begonnen ze aandacht te vragen. ‘Almost free’ riepen ze dan, maar als je vroeg wat een doek kost, dan vroegen ze er slechts 30 euro voor. De verkopers verdienen zeer goed als je 30 euro beschouwt als ‘almost free’ .

Gedurende ruim twee uur liepen we langs alle ruïnes. Het was vaak even wachten om een foto te maken zonder mensen er op, wat niet altijd, maar wel vaak lukte. De hemel boven de ruïnes was strak blauw.

Rond 12.00 uur verlieten we het complex en reden we naar Izamal het gele dorp. Via een smalle tweebaans weg met aan weerszijde bosschages die soms over de zijkant van de weg groeiden, reden we door kleine plaatsjes. Ineens was er dan leven. Zagen we de kinderen in uniformen en rugzakjes op uit school komen en zagen we de kleine, ovale huisjes. De muren bestaan uit dunne boom stammetjes naast elkaar en het dak bestaat uit palmbladeren. Maar de meeste huizen zijn van beton en missen iedere vorm van architectonische inspiratie.

In Izamal lunchen we in een luxe restaurant met tafellinnen. De kaart liet veel aan fantasie over. We bestelden twee gerechten en waren verrast wat we kregen. Marjolijn had queso Relleno besteld (taco met Edammer kaas) en Remco had Relleno Negro besteld: kip en ei in een pikzwarte waterige saus. Best apart zullen we maar zeggen. Na de lunch liepen we naar de ruïne, die 50 meter verderop lag. Dit keer geen kassa, maar vrije toegang. De tempel heuvel is met 34 meter hoogte en van de hoogste van Yucatan. Na het beklimmen van de eerste reden kwamen we op een groot plateau. Van daaraf konden we nog hoger  klimmen, maar dat deden we niet. De trappen waren niet in een al te beste staat.

We liepen door de uiterst stille straatjes van Izamal. Stress is iets dat hier niet voorkomt. Alles gaat hier heel relaxed. Ook het weinige verkeer dat er dit de straatjes rijdt, doet dat stapvoets. De gele gevels maakte het dorp bijzonder. We liepen naar het centrale plein. Koetsiers stonden te wachten op passagiers, die zich niet aandeden. We bestegen de trappen van het klooster, natuurlijk ook met hele muren. In de kerk was het rustig. En paar mensen zat op enkele bankjes. Een zwaluw voeg vloog hoog door het gebouw.

We liepen nog wat door de straatjes van het centrum. Jeanny van Falco schalde uit de boxen in een winkeltje, bijna overruled door de muziek van zijn buurman. We liepen terug naar de auto en reden door Izamal met de auto. En chauffeur van een tegemoet komende auto gebaarde ons dat we aan het spookrijden. Maar borden die de rijrichting aangeven zijn er vaker niet dan wel een soms laat ook de navigatie het afweten.

We reden verder naar Merida. We hadden twee hotelletjes gemarkeerd op de tablet en reden naar de eerste. De kamer was eenvoudig, maar we besloten er te blijven. We legden de spullen op de kamer en reden daarna naar het centrum van Merida. We parkeerden de auto op een pleintje met enkele bomen een liepen daarna in vijf minuten naar het centrum. We moeten geld pinnen en probeerden dat bij de bank BBVA. Die geldautomaat liet weten 85 pesos voor de ‘service’ te vragen en we annuleerde de transactie. De bank ernaast, de Scotiabank, kon geen connectie krijgen met onze eigen bank en dus nog geen geld. Maar de bank Santander zat om de hoek en die betekent geen kosten. Er  stond een lange rij voor de geldautomaten, maar er waren er gelukkig 5, zodat het wachten niet lang duurde. Het is vrijdag en het einde van de maand, dat betekent pay day.

We borgen de 8.600 pesos uit de automaat op en liepen naar het centrale plein. We kochten wat te drinken bij de Oxxo (zelfde concept als de 7 Eleven) een gingen op het centrale plein op een bankje zitten. Met als vele Mexicanen. Het leven gaat hier lekker langzaam.

We aten in een gezellig druk restaurant El Cardenal Cantina tussen de Mexicanen. Het eten was goed en de bediening vriendelijk.

Vrijdag 31 januari 2020

We ontbeten op de kamer. Rond 09.30 uur vertrokken we op weg naar Celestun, aan de westkust van Yucatan. Toen we eenmaal Mérida, toch nog een behoorlijk grote stad, uit waren, was het nog slechts één lange rechte weg (okay, er waren twee flauwe bochtjes) naar Celestun. De maximum snelheid is 90 kilometer, maar geen Mexicaan die zich daar aanhoudt. De Mexicanen rijden al snel 120 kilometer per uur en wij volgden, want een auto vóór je hebben is erg wenselijk, omdat zij wel aangeven waar de lanceerinstallaties voor auto’s zich bevinden, oftewel de drempels. Die kom je per definitie tegen bij het begin van bebouwing en in een dorpje of stad, maar je treft ze soms ook aan het einde van een uitvoegstrook (??) en op andere onverwachte en onlogische plaatsen

Toen we de brug bij Celestun overreden, was direct erna de parkeerplaats voor de boottochtjes naar de flamingo’s. Bootjes vetrekken bij 6 personen en al snel werden we bij de kassa benaderd door Mexicanen om een groepje van zes te vormen en voordat we het wisten zaten we in een bootje. Letterlijk in een colonne van wel acht tot tien bootjes voeren we met hoge snelheid over het roodbruine, ondiepe water van de lagune. De rotor bladeren van de motoren woelden het zand op, waardoor een lichtbruine streep in het water werd gevormd. Met een grote vaart voeren we recht op de kolonie flamingo’s af die als een rose vlek boven het roodbruine water uit stak. De boot hield halt voor een enorme groep flamingo’s, die hard met elkaar kakelden. Na een minuutje of tien voor de boot verder langs de mangroven om vervolgens een scherpe bocht te maken de mangroven in. Via een klein, smal kanaaltje voeren we als in een bootje in de Efteling door de mangroven. De luchtwortels staken uit het water omhoog. Op de boomstammen die vaak redelijk verticaal groeiden, zaten enorme mierenhopen, tot wel een meter hoog. Aan het einde van het kanaaltje hielden alle boten even halt. Er lag een kleine kokodril met z’n bekkie open. Hij lag doodstil en leek zich niet te bekommeren om de aandacht. Op het puntje van z’n staart stond ‘Hecho en China’.  De volgende stop was bij een zoutwaterbron. Hier mochten we het bootje even verlaten en een klein stukje door het mangrovenbos lopen. Aan het piertje was nog maar plek voor één bootje, dat van ons en zo lagen er wellicht 20 bootjes op deze plek. Lekker rustiek.

Via een board walk liepen we de 50 meter of zo naar de bron. Het water was zoet en kraakhelder. Er lag weer een krokodil en de vissen lagen in rijen naast elkaar en achter elkaar doodstil, bedachtzaam op iedere beweging van de krokodil. Een witte reiger was niet bang voor de kokodril en stond naast hem te wachten op een langszwemmend visje. Daarna voeren we met hoge snelheid terug naar het beginpunt. Daar zagen we nog een paar wasbeertjes in de boom en op de grond. Die werden door een aantal meisjes gevoerd met banaan, die ze schijnbaar erg lekker vonden. 

We reden een beetje door het dorpje Celestun, een dorpje waar de tijd stil heeft gestaan en nog steeds stil staat. We lunchten op een volledig verlaten strand en we keken uit op de aalscholvers die op palen in het water zaten. Zo af en toe scheerde een pelikaan vlak boven het water om vervolgens hoogte te maken en zich in het water te laten vallen om zo een visje te vangen.

Marjolijn reed terug naar Mérida en vervolgens verder naar Rio Lagartos. Alleen op de rondweg om Mérida was het wat drukker, maar nog altijd zeer rustig in vergelijking tot het verkeer in Nederland. De weg naar Rio Lagartos vanaf Mérida was acht banen breed en ook hier reed vrijwel niemand. In Rio Lagartos parkeerden we de auto en liepen we een beetje over de boulevard, waar werklui bezig waren beton te storten. Niet dat de boel dan even netjes wordt afgezet. En dus liepen enkele toeristen door het natte beton en vereeuwigden op die manier hun aanwezigheid in Rio Lagartos. Verder was er niet veel te beleven in dit kustplaatsje. Op het strand was het nog redelijk druk, ondanks dat het behoorlijk bewolkt was en er een stevig briesje stond.

We reden terug naar Mérida en toen we Mérida in reden zagen we een Decathlon. We keken er even binnen en namen een snorkelsetje mee. Voor de kust van Belize schijnt het onderwater erg mooi te zijn en dan komt een snorkelsetje wellicht goed van pas. En als je die moet kopen in een kustplaatsje (zoals in Cancun), dan betaal je de hoofdprijs (in Cancun was het snorkelsetje bijna twee keer zo duur).

We reden in een lange file naar het centrum van Mérida. Het was inmiddels donker geworden en het regende soms een beetje. Rond 18.00 uur is hier ook sprake van filevorming, met name ten gevolge van de verkeerslichten. Die werken contraproductief.

In het centrum liepen we naar restaurant ‘La Chaya Maya’, dat schijnbaar typisch Yucataanse maaltijden serveert. Het restaurant was gevestigd in een mooi, traditioneel huis met hoge ramen met luiken en de kenmerkende metalen spijlen voor de ramen. Het restaurant was enorm groot, maar de bediening was efficient en het eten was lekker. Na het eten kocht Remco nog een ijsje bij de vrijwel ernaast gelegen ijszaak Pola, waar ze zelfgemaakt ijs hadden. Dit ijs was erg lekker. Remco had de smaken Dulche de leche met cookies en Cardemom.

Zaterdag 1 februari 2020

We stonden om m’n 07.00 uur op, ontbeten op de kamer en reden vervolgens met de auto nog even door het centrum van Mérida. We hadden de stad eigenlijk nog niet gezien bij daglicht. Hoewel het pas 08.45 uur was op een zaterdag, was het een drukte van belang in het centrum, alsof het een normale werkdag was.  Het verkeer kwam maar mondjesmaat vooruit. Hoewel de eenbaansstraten twee rijstroken kennen, wordt de rechter rijstrook vaak geblokkeerd door bakfietsen of tijdelijk stilstaande auto’s. En dus blijft alleen de linker rijstrook over. En na ieder huizenblok volgt een verkeerslicht en die zijn natuurlijk niet op elkaar afgestemd, waardoor alles lekker vastloopt. Vandaar dat de kruispunten vaak geregeld worden door verkeersagenten en kun je dus met een gerust hart door rood rijden terwijl de politie toekijkt.

We reden naar Gran Museo del mundo Maya dat aan de rand van Merida ligt. We kochten kaartjes en bekeken de tijdelijke tentoonstelling en de permanent tentoonstelling. De tijdelijke ging over het planten van zaden en de bekendheid van de Maya’s met de verschillende zaden en hoe er meer om te gaan in de niet zo vruchtbare omgeving in Yucatan. De tentoonstelling was aardig, maar niet heel erg boeiend.

De permanent tentoonstelling ging over de Maya’s cultuur en was veel interessanter. Nadeel van het museum was dat er erg veel werd verteld door geluidsboxen en dat die te dicht bij elkaar stonden, wat het erg onrustig maakte. De uitleg was deels in het Engels, maar het Spaans kondne we ook grotendeels wel volgen

Na het bezoek aan het museum kochten we lunch bij een enorme supermarkt. De bewaker zei dat we de rugzakken moeten achterlaten, maar we zeiden dat we dat liever niet deden en liepen verder. Hij riep ons niet na, gelukkig. Bij de supermarkt hadden ze mooi verse bruin stokbrood en een enorme Deli-afdeling.

Via de ringweg reden we om Merida heen. Talloze politieauto’s met zwaailichten reden rond. De eerste keer dat we politieauto’s met zwaailichten zagen waren we erg alert. Nu kijken we al niet meer op of om. Politie rijdt hier standaard met zwaailichten aan een dat heeft dus geen enkele meerwaarde meer.

Het was 60 kilometer rijden naar Uxmal. Daar eenmaal aangekomen zouden we naar 80 pesos parkeerkosten ook nog eens 420 pesos (totaal zo’n 25 euro entree per persoon) moeten betalen. Ook hier waren de prijzen geëxplodeerd. We besloten om niet aan deze waanzin mee te doen en reden verder langs de Puuc-route. Puuc schijnt heuvels te betekenen (volgens een museum in Campeche) een oud ook een er architectuurstijl. We reden langs de ruïnes van Kabah, Sayal en Labna. Hier bedroeg de entreeprijs 55 pesos per persoon en waren de ruïne complexen zo goed als verlaten en de complexen doen niet veel onder voor Uxmal of Chichen Itza. Ze liggen alleen niet zo op de toeristenroute en zijn dus ook niet zo toeristisch.

Het bezoek aan Labna werd extra aantrekkelijk. Twee jonge zwarte katjes zaten in de buurt van de kassa. Nou ja…kassa. Hier gaat alles nog heel eenvoudig en zit er gewoon iemand achter een bureau bij wie je kaartjes koopt. Een van de katjes was wat angstig, maar de tweede was enorm aanhankelijk en begon meteen als een wilde te spinnen. We tilde haar op een namen haar op de arm mee over het complex. We waren er als enigen en de middagzon stond precies goed. Het 120 meter lange bouwwerk werd nu mooi verlicht door de zon. Ook de andere ruïnes zijn interessant. Het complex is niet zo heel erg groot.

Bij de ‘kassa’ zetten we onze knuffel vriendin af en daarna reden we naar Campeche. Dat was nog 175 kilometer rijden en daar zouden we nog twee uur over doen en weet vertrokken pas om 16.45 uur. Deels ging de tweebaansweg door de jungle, maar al snel werd het met open en zagen we dat stukken jungle waren weggekaapt voor het verbouwen van maïs en andere gewassen, die we niet zo goed konden thuisbrengen.

In het donker kwamen we aan in Campeche. We hadden twee hotelletjes geselecteerd en toen we in Campeche weer op de hotelsites keken, kwam één van beiden niet meer voor. Dat was het hotel waar we als eerste langs reden en bij de receptie kregen we inderdaad te horen dat alles vol zat. De ‘walk in rate’ lag overigens 50% hoger dan de prijs via boekingsites. En dus reden we door naar Terracotta corner. Daar onderhandelen we over de prijs en kregen een kamer voor 500 pesos, die op het internet 800 pesos  was. We lieten de spullen achter op de kamer en reden naar een restaurantje even buiten de stadsmuren, maar dat bleek gesloten. Dan toch maar het ommuurde centrum in. Parkeren bleek niet eens lastig te zijn. Hier nog geen betaald parkeren maffia, zoals in Europa. We aten in een restaurantje aan Calle 59; een autovrij straatje vol restaurantjes en barretjes.

Zondag 2 februari 2020

Na een rustige nacht in het brede bed, maakte Marjolijn het ontbijt klaar en waste Remco enkele kledingstukken uit. Dan hadden die in iedere geval 24 uur om te drogen en in de badkamer ging een klein waslijntje. De waterkoker deed er uren over om een kopje water te verhitten, omdat er hier maar 110 volt uit de muur komt.

We besloten om vanochtend eerst naar Edzna te rijden en ’s middags het centrumpje van Campeche te bekijken. We stapten in de auto en gingen op weg, maar eerst reden we langs een grote supermarkt, die zo’n beetje aan het einde van de straat ligt waar ons hotel in ligt. Toen we de supermarkt binnenliepen, zagen we een enorme rij personen staan. Toen we de rij mensen beter bekeken zagen we dat ze allemaal een kentekenplaat onder de arm hadden. Bij de bewaking van de supermarkt, die altijd in iedere supermarkt aanwezig is, vroegen we wat die mensen deden. Het een rij te zijn voor een registratiepunt voor de auto en om belasting te betalen. Nadat we onze lunch hadden gekocht en terug liepen naar onze auto, zagen we dat onze auto, zo’n beetje als enige nog over een nummerplaat beschikte achter op de auto. Bij de andere auto’s ontbrak die.

De volgende stop was bij het benzinestation. Na het ontbijt las Remco stomtoevallig op een website over acht mogelijke scams bij benzinestations in Mexico werden beschreven. Tanken doe je niet zelf in Mexico; je wordt bediend. Maar daar kan het dus fout gaan, bijvoorbeeld door gevogel met biljetten, of dat de meter van de pomp niet op nul wordt gezet etc. Wij geven altijd aan voor welk bedrag we willen bijvullen en blijven buiten de auto meekijken en geven het geld pas nadat er is bijgevuld. Dan kan er bijna niets mis gaan.

Op weg naar Edzna. We reden via China, waar overigens helemaal niets is te merken van het Corona virus, alhoewel…. op vele muren wordt wel reclame gemaakt voor Corona een het is hier ruim verkrijgbaar. De dag van de Heer wordt in dit katholieke land op een andere manier gevierd dan in Europese katholieke landen. Winkels zijn (gelukkig) gewoon open en op het centrale plein was een markt aan de gang. Erg veel mensen op straat.

Dertig kilometer verder kwamen we bij de ruïnes van Edzna. De kleine parkeerplaats stond bijna helemaal vol. Er was nog een plekje voor ons in de zon. We kochten entree kaartjes voor 65 paddo’s pesos per persoon en betraden het terrein. We liepen in eerste instantie naar de verst gelegen tempel. Dat was 800 meter lopen over een breed pad door de jungle. We hoorden wat geritsel en zagen … een leguaan. Spannender werd het niet. De tempel die het verste weg lag, was zwaar overwoekerd door bomen. Het was een piramide, waarvan alleen nog een aantal traptreden zichtbaar was. Het viel een beetje tegen. Wel speciaal was dat we er als enigen waren.

We liepen terug naar het ‘hoofdveld’ waar een aantal tempels bij elkaar liggen en wat direct indruk maakte was de stilte een de grootsheid van het complex. We zagen trappen van 137 meter lang en negen meter hoog, die alleen maar toegang boden tot wat ooit een verblijf was. Daar was nu niets meer van over. Er tegenover lag een vijf verdiepingen hoge ruïne. Ook imposant. En vijftal gieren zat boven op de ruïne en vlogen soms rond. Er waren -in tegenstelling tot Chichen Itza, erg weinig toeristen, maar de kleine groepjes die er wel waren hadden ook hier de irritante gewoonte om maar overal te gaan klappen om de akoestiek te testen.

Na zo’n twee uur te hebben rondgelopen keerden we terug naar Campeche. Onderweg was inmiddels een controlepost van politie gevormd, maar wij konden doorrijden. Eenmaal terug in Campeche parkeerden we de auto vlakbij de muur en bij de markt. We liepen even over de markt. Prettig was dat niemand je lastig viel. Best bijzonder, want vaak probeert iemand wel je aandacht te trekken. We staken de weg over en gingen het ommuurde deel van Campeche in, een kleurrijk gedeelte van de stad met pastelkleurige huisjes. We liepen door een straat waar de stoepranden wel 1,20 meter hoog waren. De daken van de auto’s kwamen maar net boven de stoepranden uit.

We liepen naar de Malecon, oftewel de boulevard en gingen zitten op een muurtje. We dronken en flesje frisdrank dat we met ervoor bij de Oxxo hadden gekocht (soort van 7 Eleven). De lucht was nog steeds strakblauw en het was 25 graden. Er stond een heerlijk verkoelend briesje.

We liepen verder langs de stadsmuur. Het bewandelen van een piepklein stukje stadsmuur kost tegenwoordig 2,50 euro per persoon en er zijn twee stukjes muur, dus dat wordt dan 5 euro. Dat deden we dus niet.

Rond 15.45 uur reden we naar het museum in het Fuerte de San Michel. Fuerte betrekken betekent vesting. Het museum was bijzonder interessant, want het toonde veel Maya voorwerpen die bij de opgravingen in de buurt zijn gevonden en die vinden wij erg mooi. Het ging met name om ceramieke beeldjes, maar ook dodenmaskers van Jade. Zeker de moeite waard.

Terug in de ommuurde binnenstad van Campeche liepen we nog even rond een namen daarna plaats op een terrasje in Calle 59. Deze straat is grotendeels autovrij en omgetoverd tot een straat met terrasjes op de weg. We bestelden beiden een halve liter bier en kwamen er al snel achter, nadat de biertjes waren gebracht, dat tijdens happy hour een liter met zoveel kost als een halve liter. Dat was pech.

We aten in restaurant Marganzo. Marjolijn had een visfilet en Remco en octopus. Goed eten, maar er was iets te veel citroen sap gebruikt naar onze smaak.

We gingen nog even in een hangmat bij het zwembad van ons hotel liggen om wat aan de website te werken en ons reisverslag te schrijven.

Maandag 3 februari 2020

Vanochtend vertrokken we vanuit Chétumal op weg naar Villahermosa. Het zou een lange reisdag gaan worden van ongeveer 380 kilometer, waar we zo’n zeven uur over zouden gaan doen. Maps.me gaf aan dat we de route in vijf uur en drie kwartier zouden kunnen afleggen, maar we hebben achteraf geen idee hoe ze daaraan komen.

Vanuit Chétumal reden we langs de kust zuidwaarts. Net toen we Chétumal uit wilden rijden zagen we enkele aalscholvers op boomtakken zitten. Al snel bleek dat er niet een paar aalscholvers waren maar hele kolonies in de bomen in de directe omgeving. Als je ze niet ziet, dan ruik je ze wel, want de doordringende lucht van de uitwerpselen kan je niet ontgaan. Je zou hier maar voor veel geld een huis aan het strand hebben gekocht.

We reden verder en passeerden het dorpjes Lerma en Sebayaplaya. De weg naar Lerma was erg bochtige weg voer door de lage heuvels langs de kust. We zagen enkele gieren op een tak van een boom langs de weg zitten, stopten even op de rijbaan en maakten enkele foto’s. Ondertussen passeerde niemand ons. Het is hier zo rustig op de weg.

Lerma en Sebayaplaya waren niet erg opwindend. Er gebeurde weinig. In Lerma wilden we een foto maken van de vissershaven, maar dat kon niet zonder toestemming. Iemand pakte de telefoon en deed een aantal belrondes. Inmiddels stonden we al langer te wachten op goedkeuring dan dat het nemen van enkele foto’s zou kosten en we reden onverrichter zaken maar weer verder.

We reden door Sebayaplaya.  De weg loopt door het plaatsje langs de kust en langs de haven. Een groot aantal vissersboten lag afgemeerd in het water. Ze werden goed beschermd door een grote groep pelikanen die op de randen van de boten zaten (en deze volscheten, gezien de vlekken op de boot). Vissers maasden hun netten bij hun boten. Hier geen grote trawlers die ongegeneerd de hele zee leegvissen, maar kleine bootjes met netten die nog handmatig werden geplaatst in het water. De kust lag bezaaid met plastic afval en dat deed erg veel van de charme van het dorpje af.

We verlieten we het b-weggetje langs de kust en zaten we weer op wegnummer 180D. We reden verder naar Champotón.  Deze plaats is wat groter van omvang, maar die lieten we links liggen. Inmiddels was de weg weer kaarsrecht en best goed. We konden vaart maken. Hoewel we ons zeker niet aan de maximum snelheid hielden, maar daar zo’n 30 tot 40 kilometer boven zaten (kaarsrechte wegen, nauwelijks verkeer en een idioot die heeft verzonnen dat je dan maar 80 kilometer per uur mag), werden we continue ingehaald áls er al een verkeersdeelnemer achter ons zat. Wij moesten ook frequent vrachtwagens inhalen. Hoewel die ook behoorlijk doorkachelen (die zijn ook niet begrensd bij 80 kilometer J, was het altijd weer even spannend wat voor vrachtwagen er weer voor ons zat. Sommige exemplaren zijn zeer lang. Veel langer dan dat wij gewend zijn in Nederland. Overigens is het vaak zo dat de langzamere auto’s geheel rechts gaan rijden (zo’n beetje over de “vluchtstrook”), waardoor er extra ruimte komt om veilig in te halen.

We stopten in een plaatsje vlak voor de tolbrug. In het plaatsje was weinig te beleven, maar er was een aangename boulevard en op het strand lunchten we. Pelikanen scheerden laag over het water of vlogen ‘in formatie’ over ons heen, als vijf straaljagers dat in een ‘V’ kunnen doen. Op de lagune zagen we veel toeristenbootjes; toeristen op zoek naar de dolfijnen.

Na de lunch staken we de tolbrug over, gevolgd door een tweede tolbrug. Heel efficiënt moet je die separaat afrekenen (totaal zo’n 140 pesos). Eén van de twee was de langste brug van Mexico. Het nemen van de tolbruggen zou een hoop kilometers omrijden besparen en daarmee tijd en benzine.

Nadat we de tolbruggen waren gepasseerd, waren we beland in de provincie Tobasco, waar we geen enkel flesje Tobasco hebben gezien overigens. Tobasco is één van de kleinste en natste provincies van Mexico. Het grootste oppervlakte van de provincie bestaat uit zee, meren, moeras, rivieren etc. Wat ons opviel was dat het junglelandschap plaatsmaakte voor weilanden met –met name- koeien.

Uiteindelijk kwamen we aan in Villahermosa, waar het een stuk drukker was op de weg. We reden naar ons hotel, dat aangenaam dichtbij het centrum lag, maar over een eigen parkeerplaats beschikte waar we onze auto makkelijk kwijt konden. De kamer was aangenaam, maar de binnenkant van het hotel leek wel op een gevangenis; een lange gang met aan weerzijde kamers en een eerste etage met twee halve veranda’s. Echt een gevangenisuitstraling.

We vroegen de receptioniste naar een leuk restaurant en ze verwees ons naar restaurant ‘Bips’. Toen we bij het restaurant aankwamen bleek het ‘Vips’ te heten. We liepen er heen en aten er, ondanks dat het nogal een fastfooduitstraling had. Later zouden we heel veel ‘Vips’-restaurants tegenkomen in Mexico. Inderdaad een fastfood restaurantketen. Het eten was simpel, maar goed.

Dinsdag 4 februari 2020

We ontbeten aan een tafeltje dat voor de kamer in de overdekte hal stond. Bij de receptie stond een thermoskan met koffie, waar we twee bekertjes koffie namen.

Na het ontbijt reden we naar Parque La Vente. Het verkeer was druk en het was even zoeken naar waar we de drukke weg konden oversteken. Dat lukte pas bij een brug over de weg. De twee rijbanen waren namelijk gescheiden van elkaar, waardoor je maar op een aantal plaatsen linksaf kon slaan.

We parkeerden de auto bij de ingang van het park op een klein parkeerterreintje. Er was nog voldoende plaats. We kochten twee entreekaartjes en vroegen of we de rugzakken mee konden nemen naar binnen, ondanks dat er stond aangegeven dat dat niet mocht. ‘We moeten het maar even bij de kaartcontrole vragen’, zei de kaartverkoper, maar bij de kaartcontrole werd helemaal niets gezegd over de rugzakken, die we dus gewoon konden meenemen.

Direct na de kaartcontrole begon het dierentuintje waar beesten uit de provincie te vinden zijn. Als eerste kwamen we bij de aapjes uit, gevolgd door krokodillen, panters en een grote vogelkooi, waar we doorheen konden lopen. Daar werden we achtervolgd door een vogel die achter ons aan bleef lopen en wild liep te krijsen, alsof hij ons uit z’n territorium wilde verjagen.  Ook vlogen twee papegaaien rondjes in de kooi, waarbij ze steeds vlak boven onze hoofden overkwamen. En met vlak boven ons hoofd bedoelen we ook écht vlak, waardoor we steeds even bogen.

Verderop zagen we een zwarte en een gele panter. Mooie beesten. De panters kunnen ruim 20 jaar oud worden in gevangenschap en de zwarte panter leek al behoorlijk oud. Zouden we die de vorige keer in Mexico ook hebben gezien?

Na de kleine dierentuin kwamen we aan in het park met de beelden uit de Olmektijd, die gevonden zijn bij het plaatsje La Venta. Vandaar ook de naam Parque La Venta. We volgden een kronkelig pad door de jungle en kwamen er al snel achter dat we niet de enigen waren. Hier zaten ook muggen en dus smeerden we ons in met DEET.  Dit was overigens zo’n beetje de eerste keer dat we te maken kregen met muggen. Het is nu het droge seizoen en het aantal muggen is nu niet zo groot. De beelden waren mooi en interessant. De Olmekperiode is nog van vóór de Mayaperiode. Sommige van de beelden was nog in een goede staat.

Nadat we het beeldenpark hadden bekeken, liepen we via de dierentuin weer terug naar de auto. We reden naar een supermarkt toen we op weg waren naar Comalcalco. In Comalcalco reden we naar de meest westelijk gelegen Maya ruïnes. Deze zijn bijzonder, omdat de bouwstijl weer verschilt van de Mayacomplexen in Yucatan. Hier zijn de complexen gebouwd van bakstenen in plaats van kalkzandstenen blokken. We hadden het tijdstip van het bezoek niet gunstig gekozen. Het was rons 13.30 uur en de zon was ijzersterk en het was bloedheet. Gelukkig konden we wat schaduw vinden onder onze paraplu’s.

Boven op één van de complexen stond een kreupele bewaker. De oude man gaf aan dat we in de schaduw van een muurtje moesten gaan zitten op een bankje en hij begon het een en ander uit te leggen. Daarna liet hij een aantal stenen zien met fossielen er in. Die hadden we anders gemist.

We bezochten ook het kleine museum op het terrein, waar enkele kunstschatten stonden uitgestald. Zeer interessant, want de keramieken beeldjes waren in sommige gevallen behoorlijk gedateerd. En dan te bedenken dat ze stammen van vóór onze jaartelling.

Na het bezoek aan de ruïnes van Comalcalco reden we naar een cacaoplantage. Om 15.00 uur zou er een rondleiding zijn en we vroegen bij de kassa of die er ook daadwerkelijk zou zijn. ‘Ja hoor’, zei de kassière. ‘Jullie zijn de enigen’.  We vroegen of de rondleiding een beetje te volgen zou zijn voor niet-vloeiend Spaans sprekenden en daar zou ze rekening mee houden. We liepen door de tuin en de gids vertelde iets over de vele verschillende planten en bomen die er stonden. Ook vertelde ze over de cacaobomen en liet ze in een klein fabriekje zien hoe de cacaovruchten werden verwerkt tot chocolade. De cacaoplantage was zeer beperkt van omvang en ook het fabriekje bestond uit niet veel meer dan een kleine hal, waar de bonen werden gefermenteerd en verwerkt. Na het fermentatieproces, dat vijf dagen duurt, volgt een droogperiode van vijf dagen in de zon in de openlucht en daarna worden de gedroogde bonen vermalen tot een cacaopasta. Dat wordt vervolgens weer verwerkt tot chocoladerepen of andere lekkernijen.

Na het bezoek aan de plantage reden we terug naar Villahermosa, waar we in visrestaurant Mar & Co. aten en daarna gingen we terug naar ons hotelletje.   

Woensdag 5 februari 2020

Na het ontbijt pakten we de rugzakken in en reden we naar het museum Regional de Antropologia. We parkeerden de auto op het grote parkeerterrein voor het museum, waar nog nauwelijks een andere auto stond. We liepen naar binnen en kochten twee kaartjes. We moesten ons registreren in een boek en deden dat onder de namen Harry en Edmunda.

Het museum bestaat uit twee verdiepingen en heeft mooie voorwerpen uit de tijd van de Olmek, de Maya en de Nahua periode. Het was zeer bijzonder om te zien dat in de tijd vóór de Maya’s, namelijk tijdens de Olmekperiode, er al veel mooie beeldjes enzovoort werden gemaakt. Uitermate interessant, zo gedetailleerd als de beeldjes waren.

Na zo’n 2 uur als enigen (?) door het museum te hebben gelopen, reden we verder. We gooiden de benzinetank vol (nou ja, dat wordt in Mexico voor je gedaan) en kochten bij de supermarkt de lunch voor onderweg.

Daarna gingen we op weg naar Tuxtla Gutierrez. De eerste 60 kilometer tot het plaatsje Teapa ging perfect. De weg was recht, vaak redelijk breed en in nog een goede staat. De laatste ongeveer 20 kilometer voor het plaatste Teapa reden we alleen nog maar langs bananenplantages. Enorme lange vrachtwagens stonden haaks op de weg en werden volgeladen met bananen.

In het plaatsje Teapa lunchen we op het pleintje bij de kerk. Eekhoorntjes liepen langs de boomstammen met hun koppies naar beneden en kwamen even langs om te kijken bij ons. Een stukje brood sloegen ze af, maar een stukje banaan ging er wel in en hangend aan hun achterpootjes met het lijf naar beneden aten ze de banaan met hun voorpootjes. Dat zijn pas acrobaten!

Na de lunch vervolgden we wegnummer 195 en al snel reden we de provincie Tobasco uit en de provincie Chiapas in. Direct veranderde ook de omgeving ineens werd bergachtig en werden de wegen minder goed. De weg begon vreselijk te slingeren; bocht naar bocht naar bocht. En dat zo’n 200 kilometer lang. We reden door kleine dorpjes, die erg levendig waren. Erg hard konden we niet door die dorpjes rijden vanwege de vele drempels, maar ook omdat de weg in de dorpjes in een nog belabberde toestand was dan de weg tussen de dorpjes. En hoe kleiner de dorpje hoe meer drempels er waren.

Ondanks de blauwe lucht was het uitzicht niet zo heel erg goed. Dat kwam door de rook van de vele vuurtjes die worden gestookt.

Ongeveer 20 kilometer voor Tuxtla Gutierrez was een militaire controlepost op de weg. Toen we langsreden met geopend raampje was het enige dat we hoorden “Buenas tardes” en werd er aangegeven dat we door mochten rijden.

Pas tegen 17:30 uur kwamen we aan in Tuxtla Guitierrez. We reden naar het hotelletje dat we hadden geboekt. Via de whats app hadden we de code van het sleutelkastje doorgekregen en konden zelf inchecken.  De kamer was vrij groot en er stond een tweepersoonsbed. In het midden van de kamer hing een hangmat tussen de twee muren.

‘s Avonds aten we bij Florentina Pizza. De pizza’s waren enorm groot en lekker. Daarna liepen we nog wat door het centrum. Op een pleintje was een muziektent en daar werd live muziek gespeeld. Een groot aantal Mexicanen stond voor de muziektent te dansen. Opvallend veel mannen ook. Zelfs jonge mannen met hun kleine kind op de borst. De Mexicaanse mannen zijn niet zo macicimo meer.

Donderdag 6 februari 2020

Ne een goede en rustige nacht slapen ontbeten we op de kamer. Het ontbijt maken ging snel, maar het water koken voor de koffie duurde uren. Met 110 volt dat uit de muur komt duurt het koken van water met de waterkoker heel lang.

We stapten in de auto en reden via het centrum naar het plaatsje Chiapa de Choro, dat op 13 kilometer van Tuxtla Gutierrez ligt. Daar vandaan vertrekken de boten die de toeristen meenemen door de kloof van de rivier El Sumidero.

Net nadat we de brug over de rivier waren overgegaan sloegen we rechtsaf. We kwamen uit op de parkeerplaats en parkeerden daar de auto. Naast ons stond een enorme truck van een stel Luxemburgers, die de wereld overreden met deze wagen. We liepen naar de kassa en kosten twee kaartjes voor de boot (240 pesos per persoon). Na ongeveer een kwartier waren er voldoende mensen om te vertrekken. We kregen een zwemvest en een bruin polsbandje uitgereikt en namen plaats in de boot. Hoewel we niet de eersten waren die in de boot stapten, wilde schijnbaar niemand op het voorste bankje zitten en die plaats pikten wij in. En daarmee hadden we direct de beste plaatsen.

De hele boot was vol en dat betekende 36 (1) passagiers; twee rijen van 18. De twee kapiteins namen op een plateau dat boven de boot uitstak en scheurden ons de canyon in. Nadat de kaartcontrole (we moesten allemaal ons polsbandje tonen) vanaf een controlepost in de rivier visueel had plaatsgevonden maakten we al snel een stop bij een paar krokodillen langs de kant. Vanuit de verte leek het of er ook kokodrillen in het water lagen, maar naarmate we dichterbij kwamen, bleken het boomstammetjes te zijn die in het water lagen. 

De boottocht over de rivier was leuk. Het weer was schitterend en met de zon in de rug hadden we mooi zicht over de rivier en de indrukwekkend hoge, loodrecht op de rivier staande rotswanden. We stopten bij de rotswand die tot 1000 meter hoogte rijkte en het bleek dat de rivier op datzelfde punt 100 meter diep was. Het enige jammere was dat veel van de bomen langs de kant dood waren. Maar wel weer leuk om te zien waren de vele cactussen die op de meest onmogelijke plaatsen toch bleken te groeien.

We voeren verder en kwamen bij “de kerstboom”. Een vreemd gevormde rotsformatie in de vorm van dus een kerstboom. Helaas konden we er geen goede foto’s van nemen, want het licht was niet goed.

We voeren verder naar de dam, waar elektriciteit wordt opgewekt. Onderweg kwamen we nog langs een enorme grote groep met watervogels; witte reigers en aalscholvers. Geen tientallen maar honderden bij elkaar. Erg leuk om te zien.

Bij de dam vertelde de gids een hele hoop over de dam, maar dat was in het Spaans en hij had geen versterker bij zich waardoor hij nauwelijks te verstaan was. Wij zaten namelijk op de voorste bankjes in de boot.

Na ongeveer 5 kwartier gaf de kapitein gas en is één ruk voeren we terug naar het beginpunt. Onderweg kwamen we de ene na de andere boot vol toeristen tegen en we beseften ons dat we in de eerste boot van de dag zaten en de mazzel hadden gehad dat we de kloof voor ons alleen hadden gehad.

Terug bij het beginpunt stapten in de auto en reden we naar het dorpje Chiapa del Corzo. Daar parkeerden we de auto in het centrum, nadat we langs een tiental mannen waren gereden die om onze aandacht schreeuwden om maar boottochtjes te kunnen verkopen. We liepen wat over het centrale plein en door de straatjes er omheen. Het was een erg liefelijk en levendig plaatsje. Het centrale plein heeft aan driekante winkeltjes met arcaden. Dat zag er leuk uit. Erg opvallend is dat niemand je verder lastig valt. Er lopen veel ambulante verkopers rond, maar niemand spreekt je aan of valt je lastig en dat is erg plezierig. Het centrale plein staat bekend vanwege de “Fuente Colonial”. Dit is een bakstenen fontein in Mudajarstijl en daarvan vind je er maar heel weinig in Mexico en volgens het bord bij de fontein zelfs in heel centraal en zuid Amerika. Verder stond er ook een klokkentoren op het plein in dezelfde stijl, maar die was uit 1956. Het was een drukte van belang. Veel winkeltjes en veel winkelend publiek maar weinig toeristen. 

Ook namen een kijkje in het Convento Santo Domingo. Daar was een klein zaaltje geweid aan een lokale schilder. De arme man werd maar 28 jaar oud.

We reden naar de Zona Archeologica Chiapa del Corzo met ruïnes uit de Maya tijd. We registreerden onze aanwezigheid in een boek en wilde naar binnen gaan, maar toen bleek dat we geen rugzak mochten meenemen naar binnen en we keerden terug. Volgens het boek waren we de eersten van die dag en ook gisteren was maar een toerist geweest. Het ligt niet erg op de route en is ook niet heel erg bijzonder interessant.

We reden naar de dierentuin in Tuxtla Gutierrez. Deze ligt tegen de heuvels aan in een bos. Toen we bij de dierentuin aankwamen, deed een portier het hek voor ons open en konden we doorrijden naar de parkeerplaats. Nadat we de auto hebben geparkeerd liepen, we naar de kassa en kochten twee kaartjes. De entree bedroeg 25 Pesos per persoon (ongeveer € 1,25 per persoon). We liepen naar binnen en kwamen direct uit bij de krokodillen. in een aantal ruimte lagen de beestjes van verschillende grootte; van 30 centimeter tot 6 meter. Die van 30 centimeter zou 6 meter worden na nog een paar toeristen te hebben gegeten.

De dierentuin ligt in het bos en in heuvelachtig terrein. Het is dus trappetje op trappetje af langs ruime hokken. We zagen vele dieren die je in de provincie Chiapas tegen kunt komen. Marjolijn werd wat angstig van het gebrul dat niet uit één van de hokken leek te komen, maar dat bleek afkomstig van een aantal tamelijk onschuldige zwijntjes te zijn.

Na zo’n 2 uur rondwandelen in door de dierentuin wilden we naar het uitgangspunt rijden over de kloof. Maar toen we daar aankwamen was het net na 17.00 uur en de weg naar de uitzichtpunten sluit om 17.00 uur. En dus moeten we het morgenochtend vanaf 8 uur proberen.

We reden terug naar de hotelkamer, legden spullen op de kamer en liepen naar een restaurant ‘Brazzeiro Churasqueria do Brasil’. Dit was een Braziliaans restaurant en toen we er binnen stapten, bleek dat het een buffet was. Er kwam een ober langs met steeds een ander stuk  lees op een spie, waar hij dan een stukje vanaf sneed. We aten onze buikje vol.

Daarna liepen we terug naar het de kamer om wat voorbereidingen treffen voor de rest van de reis. Marjolijn nam de tablet en ging liggen in de hangmat die op kamer hing en Remco ging op het bed zitten lezen.

Vrijdag 7 februari 2020

Na het ontbijt reden we naar het nationale park waar de Canyon El Sumidero in ligt. Er zou een weg zijn die langs een aantal uitzichtpunten van boven af op de rivier loopt.

Bij de ingang van het park toonden we onze polsbandjes die we hadden gekregen tijdens de boottocht gisteren. Die zaten niet meer om onze pols. De man in het hokje van de kassa zei dat die niet golden, omdat ze niet om de pols zaten. En dus plakten we de bandjes provisorisch snel om de pols. Nu had de man geen argumenten meer en konden we doorrijden zonder weer voor het park te hoeven betalen (38 pesos per persoon). De weg van 16 kilometer lang steeg maar en steeg maar totdat we op een gegeven moment op grote hoogte boven Tuxtla Gutierrez reden. Wat is dit een omvangrijke stad. In het centrum heb je dat niet een zo zeer door, maar als je de stad van boven bekijkt dan realiseer je dat pas.

We reden langs een vijftal uitzichtpunten. Marjolijn had gister al aangegeven dat de ochtendzon niet het beste was voor mooie vergezichten en kreeg daar gelijk in. Omdat het zo hoog is, was het behoorlijk heiig. Pas bij de uitzichtpunten waar je met de zon mee keek, was het zicht beter.

We hoorden bij een uitzichtpunt een motor in een omgeving waar we alleen vogels hoorden en plots zagen we een bootje om de hoek komen. In zo’n bootje hadden wij ook gezeten, maar va boven was het net een speldenknop met een lange staart van het omgewoelde water door de buitenboordmotoren.

Nadat we alle uitzichtpunten hadden gezien, moesten we dezelfde weg weer terug naar Tuxtla. Daar kochten we bij de supermarkt de lunch en vervolgens reden we van Tuxtla Gutierrez naar San Christóbal de las Casas. Een ritje van zo’n twee uur, want we namen niet de tolweg. De weg die we wel namen was een enorme slingerweg met een hoop bochten. Onderweg zouden we langs een waterval rijden, maar we zagen geen enkel stroompje lopen en we besloten om maar niet de toegangsprijs van 25 pesos per persoon (da’s weinig!) te betalen om er vervolgens achter te komen dat er een pietluttig watervalletje zou zijn of wellicht helemaal niets.

Halverwege de middag kwamen we aan in San Christóbal de las Casas, waar het verkeer werd opgehouden door diverse verkeerslichten. Het verkeer is niet eens zo druk, maar de verkeerslichten zorgen voor de nodige verstoppingen op de wegen.

We checken in bij hotel Casa Maria Angelina, dat op het internet een heel aardige kamer leek te hebben. Maar we kwamen er nu achter dat er geen ramen waren die naar buiten open konden. Alleen ramen naar een patio waar ook de receptie was en die zouden we niet snel openen of open laten. Verder was de kamer best okay. Het hotel ligt echter wel aan een behoorlijk drukke straat en zelfs op de kamer hoorden we het verkeer.

We liepen naar het centrum en keken daar wat rond in de leuke straatjes. We dronken een biertje op het terrasje van de bekendste wijnbar (huh, biertje bij een wijnbar?) en keken naar de mensen die door het voetgangersgebied liepen. Veel toeristen, maar ook ambulante verkopers, die werkelijk iedere toerist aanspraken. Dat werkt waarschijnlijk averechts. We aten in restaurant La Lupe. Remco had een rundvleesgerecht waar een bruine saus overheen was gegoten. Het zag er niet echt smakelijk uit, maar het was heerlijk. De bruine saus heet Mole en bevat cacao.

Zaterdag 8 februari 2020

Na het ontbijt liepen we naar het centrum van San Christóbal de las Casas. Vanaf het hotel was het één weg van ongeveer 1,5 kilometer lopen naar het centrum. We liepen langs de straat 28 augustus, waar een mooie muurschildering op een huis was aangebracht, goed voor een foto en na deze straat begon zo’n beetje het centrum met geplaveide straatjes en huizen in lange rijen in pastelkleuren geverfd. We liepen een beetje door het centrum. In het centrum is een aantal straten omgetoverd tot voetgangersgebied, waar het heerlijk flaneren is. Naast alle toeristen die er flaneren, lopen er ook zeer veel straatverkoopsters rond. Indianenvrouwen uit de omgeving proberen allemaal hetzelfde te verkopen en dat doen ze op een ietwat opdringerige manier. Dat zijn we volledig niet gewend in het Oostelijke deel van Mexico, waar het juist zéér opvalt dat verkopers helemaal niet opdringerig zijn, of je aandacht proberen te trekken. Dat is op andere plaatsen op de wereld écht wel anders. Met name in Azië schreeuwen verkopers om je aandacht. Maar in Mexico dus niet, op San Christobal na.

Daarnaast zijn de spullen die de ambulante verkoopsters aanbieden veel te duur. Op de toeristenmarkt in het centrum van San Christobal kun je tot 40% goedkoper uit zijn dan bij de ambulante verkoopsters. Naast de verkoopsters zijn er de onvermijdelijke schoenpoetsertjes. Vrijwel allemaal jonge jongens tot een jaar of tien. En probeer die maar eens uit te leggen dat ze onze bergschoenen niet mógen poetsen, omdat ze van Nubuckleer zijn en dat heeft een andere behandeling nodig dan schoensmeer. Dat begrijpen ze niet. Een schoen is een schoen en die poets je nu eenmaal. Zeker als die (zoals die van ons) smerig zijn.

Wat verder opvalt in het straatbeeld in San Christobal zijn de vervreemde toeristen. Alternatieve jongeren die zijn blijven hangen, zoals wij dat noemen. Onverzorgde typetjes, die hun heil denken te vinden in het verkopen van eigengemaakte sierraden op straat of door het verkopen van chocoladebonbons uit een rieten mandje. Beetje vreemd, want er wordt ontzettend veel personeel gevraagd in diverse winkels en restaurants, getuige de advertenties die op de ramen en muren hangen van die winkels en restaurants. Als je enige capaciteit hebt, dan ga je toch niet op straat zitten om eigen gemaakte sierraden te proberen te verkopen. Da’s weinig origineel (want ze lijken het allemaal te doen).

We liepen over de toeristenmarkt en Marjolijn werd helemaal blij bij het zien van sjaals. Tweeëntwintig jaar gleden had ze in Mexico een sjaal gekocht en daarvan heeft ze jaren plezier gehad. We kochten nog niets en snuffelden verder wat rond. Eerst maar eens aftasten wat de vraagprijzen zijn en we kwamen er al snel achter dat er tot 40% prijsverschil zat voor dezelfde sjaals tussen de aanbieders.

We keken in de kerk Templo la Caridad, wat niet zo heel erg opwindend was en liepen daarna naar het Museo de textiles Maya. De entree bedroeg 65 pesos per persoon. We moesten de rugzakken bij de kassa achterlaten. Later zouden we ons afvragen waarom, want er was vrijwel niemand in het museum, behalve bewakers en er was werkelijk niets dat je mogelijk zou kunnen ontvreemden. Maar regels zijn regels.

De begane grond bestond uit twee zalen. De eerste zaal was gevuld met archeologische vondsten en de tweede zal was geweid aan de katholieke verovering van Mexico door de Spanjaarden.  De potjes en scherfjes in de eerste zaal screenden we snel. De meeste tijd ging zitten in de Spaanse beschrijving bij de uitgestalde dingen.  De zaal geweid aan de katholieke verovering was helemaal niet iets dat ons kon bekoren.

De eerste etage had een aantal zalen geweid aan de Mayakleding. In diverse vitrines stonden kledingstukken uitgestald. Wat een beetje jammer was, was dat het geen oude kleidingtukken waren. De meeste kleding was nog geen twintig jaar oud en veelal machinaal gemaakt. Maar in een enorm arsenaal aan lades lagen interessantere kledingstukken. De lades moesten stuk voor stuk worden geopend en –heel vernuftig- ging steeds een spotje boven de lade aan op het moment dat een lade werd geopend en weer uit als de lade werd gesloten.

Na het bezoek aan dit museum liepen we naar het volgende museum, dat van Na Bolom. Dit betekent huis van de tijger en dit was de haciënda van twee archeologen of eigenlijk één archeoloog (een Deen) en zijn vrouw (een Zwitserse) die met name fotografe was. Het was leuk om het huis even snel te bekijken, maar megaspannend was het niet. Het kwam ook wel goed uit dat we het huis bekeken, want een regenbui trok over San Christobal. Die hield een klein uurtje aan en zorgde ervoor dat de lucht weer schoon werd en de stenen in de straten soms spiegelglad.

We liepen naar de Iglesia de Guadeloupe, dat op een heuvel staat. De kerk was op zich niet zo bijzonder, maar het uitzicht vanaf de heuvel over het centrum van San Christobal was wel leuk. We liepen de trappen af en door het centrum naar een andere kerk op een heuvel, de Iglesia de San Christobal.  De trappen naar de kerk toe was een korte inspanningsronde. Om de trappen heen zag het er nogal smoezelig uit. Het werd ook niet aangeraden om hier ‘s avonds te lopen.

Vanaf de top van de heuvel zou je een mooi uitzicht moeten hebben. Op Maps.me stond namelijk ‘uitzichtpunt’ vermeld, maar niets was minder waar. Begroeiing ontnam je het grootste deel van het zicht en al snel liepen we weer de trappen af naar beneden. 

We liepen vervolgens naar het andere uitzichtpunt aan de andere kant van de stad bij Iglesia de San Cristobal. Ook vanaf deze kant vonden we het uitzicht tegenvallen.

We aten in een restaurantje in het centrum.

Zondag 9 februari 2020

Vandaag is het zondag en dat betekent: markten in de omliggende indianendorp. We reden we naar Zincantán. Dit dorp van minderheden ligt op ongeveer een kwartiertje rijden vanaf  San Cristobal de las Casas. Net voordat we het dorp in konden rijden,  was er een tolpoortje. We moesten 15 pesos per persoon betalen om het dorp in te kunnen. Nadat we dat hadden gedaan reden we het dorp in en parkeerden de auto vlakbij het plein.

We liepen naar het plein waar ook de kerk staat. Al snel viel het ons op dat de dames in prachtige klederdracht liepen in de richting van de kerk. We stelden  ons verdekt op in het muziektentje vlak voor de kerk en konden enkele mooie foto’s schieten. Vlak naast de kerk is de markt;  een kaal plein waar de verkoopsters hun verkoopwaar hadden uitgestald op een op de grond uitgespreid zeiltje.

De markt vast efficiënt ingedeeld in een groente-afdeling, een kledingafdeling en non-food. De kledingafdeling was het meest interessante omdat we de geborduurde kleding erg mooi vonden.

Op de markt liepen vrijwel alleen maar vrouwen in schitterende gewaden. De dames droegen mooi geborduurde jurken en een kleurrijk bovenstuk ook van geborduurde stof in de kleuren paars en cyclaamrood. Het was niet eenvoudig om mooie foto’s te maken. We voelden ons een beetje gegeneerd om de mensen in het gezicht te fotograferen. Dus verwisselden we de standaardlens op de spiegelreflexcamera voor de zoomlens. Nu hadden we wat meer geluk en konden we van een grotere afstand fotograferen.  De dames hadden ons nu minder snel door.

In de reisgids werd gewaarschuwd dat er veel tours op de zondag naar deze dorpen zouden gaan, maar we waren vroeg op pad gegaan en we zagen welgeteld vier andere toeristen.

Na een uurtje namen we de auto en reden we naar San Juan Chamula. Ook dit is een Indianendorp in de omgeving van San Cristobal de las Casas. Ook hier lopen mensen in kledendracht die typerend is voor hun dorp, maar ze zier er hier heel anders uit. Hier dragen de dames en slechts nog enkele heren schapenvachten. De dames lopen in een zwarte schapenvacht als een rok en heren hebben een witte schapenvacht als een soort poncho. In San Juan Chamula bestaat de markt uit een lange winkelstraat, met kraampjes aan beide zijden en ook een uitstalling in een lange rij in het midden. Die rij in het midden moest plotseling plaatsmaken voor een processie.  Voorafgaande aan de processie hoorden we al knallen van vuurpijlen in de lucht. De processie bestond voornamelijk uit mannen. Voorafgaande aan de processie waren mannen met instrumenten, gevolgd door een groep personen die een beeld droegen en een groot kruis met Jezus eraan. De processie werd gesloten met een aantal trompettisten en een violist. Nadat de processie was langsgetrokken werden de kraampjes in het midden weer teruggezet.

We liepen naar de kerk, maar die gingen we niet in. Voor het bezichtigen van de kerk moet je betalen en 22 jaar geleden schreven we in ons reisverslag dat we niet erg onder de indruk waren van dit kerkje.

Na ons bezoek aan San Juan Chamula reden we nog naar een ander dorp. Dit lag 40 km ten noordoosten van San Cristobal de las Casas maar het duurde eeuwigheid voordat we er waren.

De rondweg om San Cristobal heen was vergeven van drempels en we kwamen nauwelijks vooruit. Eenmaal uit San Christobal werd de weg niet veel beter. Pas na zo’n drie kwartier waren we ter plaatsen. Het dorp was niet erg levendig en er was eigenlijk niks te doen en van de beloofde mensen in klederdracht, maar één gezien; waarschijnlijk de burgemeester.

We reden dezelfde weg terug naar San Cristobal de las Casas en parkeerden de auto in het centrum. Marjolijn had op de markt een aantal sjaaltjes en ze wilde er twee van kopen.  Twee en twintig jaar geleden had ze daar ook een sjaal gekocht en daar jarenlang plezier van gehad. En zo vertrokken we van de markt met één zwarte en één groene sjaal van 60 pesos per stuk (€ 3,-) en ook nog twee stoffen poppetjes van Frida Kalho (60 pesos per stuk; vraagprijs 100 pesos per stuk).

Daarna liepen nog wat door de leuke straatjes van San Cristobal en dronken wat op een terrasje. We liepen nog even langs restaurant ‘La casa del pan’,  waar we de vorige reis naar Mexico een aantal keren hadden gegeten. We hadden echter al een tafeltje in een ander restaurantje gereserveerd waar het propvol zat rond een uur of vijf gereserveerd en daar aten we een goede curry met erg veel groente er in. 

Maandag 10 februari 2020

Nadat we waren opgestaan haalde Remco bij de Oxxo twee bekers koffie en ontbeten we aan de salontafel voor de kamer in de kleine patio. Na het ontbijt pakten we spullen in en reden in de richting van Palenque. Al vrij snel waren we San Christobal uit sloegen we linksaf en reden we richting Toniná en Palenque.

De ruïnes van Toniná liggen vrij dicht bij de plaats Ocosingo. Toniná was voorheen een voorname Mayastad en had een belangrijke functie.

De plaats Ocosingo heeft een roerig verleden. Zo’n twintig jaar geleden toen de Zapatistas -een linkse rebellengroepering- hier de dienst probeerden uit te maken zijn in dit gebied veel mensen om het leven gekomen tijdens gevechten met de regering.  Inmiddels is het nu redelijk kalm.

Onderweg naar Ocosingo werden we in een klein dorpje nog wel even staande gehouden. Een aantal mensen had een touwtje over de weg gespannen en het was al snel duidelijk dat er sprake was van een collecte. Het hele dorp leek bij de collecte te zijn verzameld. De collecte was niet geheel vrijwillig, want er lag een plank met spijkers op de weg. Iedere keer nadat een chauffeur had betaald, werd de plank met spijkers weggetrokken van de weg en weer teruggeplaatst voor de volgende auto. Wij gaven vier pesos en we konden doorrijden. We kregen een half a4-tje mee tekst in het Spaans. Nadat we die hadden gelezen bleek het om een collecte te gaan voor een begrafenis van een overleden student. Die was levenloos aangetroffen ergens en moest een fatsoenlijke begrafenis krijgen.

In Toniná parkeerden we de auto en kochten kaartjes en we liepen naar het complex. Slechts een handvol toeristen was aanwezig. Waaronder een Frans gezin dat met een luxe camper onderweg was. Toniná is niet een heel erg groot complex, maar bestaat uit een imposante toren van zo’n zeventig meter hoog. En deze toren mochten we beklimmen.

Via een lange, steile trap onder een hoek van 45 graden liep Remco naar boven.  Marjolijn vond het wel welletjes en bleef beneden achter. Van bovenaf had Remco een schitterend uitzicht over de omgeving. Het was schitterend weer en Toriná ligt in een mooie vallei. De bergrug in de verte op de achtergrond was mooi zichtbaar alsmede  de weilanden ervoor

Sowieso was de weg van San Cristobal naar Toniná landschappelijk gezien een van de hoogtepunten. We reden door eindeloze dennenbossen en hadden schitterend uitzicht op de valleien. Maar helaas hadden we onderweg ook ontzettend veel drempels tot grote ergernis aan toe. Hoe kleiner en hoe niets zeggen er het dorpje, hoe hoger de drempels lijken te zijn.  En slechts in sommige gevallen zijn ze ook echt aangegeven. In de meeste gevallen kom je pas achter dat er een drempel lag nadat je die bent gepasseerd en zo’n beetje bent gelanceerd.

In zo’n anderhalf uur bekeken we de ruïnes van Toniná en daarna lunchen op de parkeerplaats. We hadden nog wat volkoren toast, wat pindakaas en wat La Vache qui’rit.  Daarna reden we via Ocosingo terug. We keken nog even op het centrale plein waar 20 jaar geleden het bloedbad werd aangelegd. Inmiddels was het daar rustig en er was een klein marktje. Mensen zaten ontspannen op de bankjes in de schaduw van grote bomen.  Daarna kochten we bij de supermarkt cola zonder suiker en wat yoghurt en gingen we op weg naar Palenque.

Ocosingo ligt geografisch gezien halverwege San Cristobal en Palenque. Maar dat betekent niet dat het ook qua tijd halverwege ligt. Over de laatste 120 kilometer naar Palenque deden we ruim 3 uur over.

Eenmaal in Palenque reden we naar het hotel wat we via het internet hadden geboekt. Het hotel bleek zo’n vijf kilometer buiten het centrum te liggen. Het lag heerlijk rustig, afgezien van de kakelende kippen en de tokkel en de ganzen. Ons kamertje was vrij simpel, maar had een enorm breed bed, voor drie personen. Voor de kamer was een klein terrasje met een bankje waar we konden zitten onder een afdakje. Een enorme lange rij met honderden mieren liep over ons terrasje, maar de eigenaresse veegde ze snel weg met een bezem en daarna kwamen ze niet meer terug.

 ’s avonds aten we  in een restaurantje in het centrum van Palenque. Daarna kochten we bij de Oxxo wat te drinken en reden we terug naar het hotel. De nacht zou warm worden waarschijnlijk, want er was geen airco op de kamer; alleen een fan.  En de temperatuur zal niet onder de 23 graden zakken.

Dinsdag 11 februari 2020

We hadden de wekker om 07:45 uur gezet, want om 08:00 uur zou het ontbijt zijn. Maar al voor die tijd waren we al wakker gewekt door de haan die het aanbreken van de nieuwe dag met lange halen aankondigde en vervolgens door een aantal kippen die liepen te kakelen alsof ze gek waren. Tot overmaat van ramp waren er ook nog twee ganzen die dienst deden als goede waakganzen en zich van tijd tot tijd lieten horen.

Om 08.00 uur kregen we ontbijt dat het gereserveerd werd onder een afdakje nabij de tuin. We kregen een bordje met fruit, dat bestond uit banaan en papaya en een korfje brood. We hadden zelf onze eigen yoghurt en havermout meegebracht, waar we de banaan en de papaya doorheen deden.

Na het ontbijt reden we naar de ruïnes van Palenque. De ruïnes liggen op zo’n acht kilometer van de plaats Palenque. Onderweg moesten we 40 pesos per persoon betalen om toegang te krijgen tot het nationale park. Dat doen de Mexicanen wel slim; bouw een ‘nationaal park’ om een bezienswaardigheid en innen dan twee keer een toegangsprijs.

De kleine parkeerplaats bij de entree was gratis, maar ook vol en we parkeerden de auto langs de toegangsweg. Daarna was het nog een metertje of tweehonderd heuvelopwaarts lopen naar de kassa. We kochten twee kaartjes voor 80 pesos per persoon en liepen het terrein op. Direct werden we overweldigd door de hoge torens en mooie bomen met roodbruine grote bladeren.  En het was niet zo druk in het complex. De zon scheen al genadeloos terwijl het pas 09:30 ’s ochtends was.

Het mooie van Palenque is dat het complex in de in het oerwoud ligt. Er zijn veel tempels en een aantal daarvan mag je ook beklimmen. Het paleis is het grootste complex en dat is op een kunstmatige heuvel gebouwd. Het complex kent een groot aantal kamers.  Daar waar de kamers ook nog een plafond hebben en één toegang tot de kamers hebben, zijn deze kamers afgezet met gaas en je kunt daar dan doorheen kijken om de tekeningen op de muur te bekijken. Daarvoor hebben ze dan wel weer een kijkgat in het gaas gemaakt. Die tekeningen waren overigens niet zo heel erg helder te zien.  Meerdere complexen mocht je dus nog wél opklimmen en het was dus trappetje op, trappetje af. En dan te bedenken dat de trappen veelal onder een hoek van 45 graden zijn en dat de treden minder dan een voet lang zijn, ging dit voetje voor voetje.

De laatste complexen die we bekeken lagen wat verder de jungle in. De hele tijd in Palenque hoorden we gebrul in de verte en we hoorden Mexicanen bevestigen wat we al vermoedden; het waren apen. Dat die zo konden brullen was ons niet bekend. En toen we naar een waterval in de jungle liepen op weg naar nog een paar complexen, leek het gebrul alleen maar harder te worden. En ineens was het stil. Vreemd.

We liepen langs een kleine maar mooie waterval. Hij deed ons herinneren aan de ‘Kerstboom’ in de Canyon El Sumidero. Zo’n zelfde effect was ontstaan door kalkafzetting en mineralen. Op de terugweg naar het hoofdgedeelte van het ruïnecomplex, stuitten we op een enorme grote leguaan die in het zonnetje midden op het wandelpad lag. Het beestje sperde z’n bek wijd open om indruk op ons te maken en aan te geven dat wij te dichtbij kwamen. Normaal gesproken slaan deze leguanen wel op de vlucht, maar dit exemplaar liet zich niet door ons intimideren. Na enkele foto’s liepen we om het beestje heen en vervolgden we onze weg.

Na zo’n twee en een half uur hadden we alle tempels wel gezien. We liepen terug naar de auto en reden naar het centrum van Palenque en haalden bij de Burger King wat te eten. De chocolademilkshake die Remco nam was erg lekker, omdat die voorzien was van een dikke laag slagroom met chocoladesaus er overheen.  

Na de lunch reden we weer terug naar museum dat hoort bij de opgravingen van Palenque. Daar stond in een grote hal een aantal voorwerpen die waren gevonden tijdens de opgravingen in Palenque. Er stond een groot aantal mooie beelden die waren gemaakt van keramiek. Soms waren die beelden wel tot anderhalve meter hoog. Slechts een deel daarvan staat tentoongesteld.

Rond half vier ’s middags reden we terug naar het hotel. We hadden aan de eigenaresse gevraagd of we van de wasmachine gebruik mochten maken. Dat was geen probleem en we deden een wasje, maar dat konden we niet geheel zelfstandig. Met behulp van de tuinslang werd opgepompt water uit de grond in de open wasmachine (er was geen deksel op de wasmachine) gedaan. We deden er wat van ons wasmiddel bij en daarna ging de knop om en was het een kwartiertje wachten voordat de was klaar was. Het water in de wasmachine werd als snel behoorlijk bruin; de was was behoorlijk stoffig.

Tegelijkertijd werd een ander waterbak gevuld met water en daarin konden we de was spoelen en daarna kon de gespoelde was in de centrifuge. We hingen de was te drogen aan de waslijn.

We deden nog wat voorbereidingen voor Belize en Guatemala en rond 18:30 uur reden we terug naar het centrum van Palenque om te eten.  We aten bij restaurant Chiva en het eten was hartstikke goed. Marjolijn had vier taco’s en Remco had een visje. Die was gefrituurd en bloedheet en voorzien van enorm veel knoflook. Na het eten kochten we nog wat te drinken bij de Oxxo en reden we terug naar het hotel en vervolgden we de voorbereidingen voor de rest van de reis.

Woensdag 12 februari 2020

We hadden de eigenaars gevraagd of we in plaats van om acht uur ook om zeven uur konden ontbijten en dat was geen probleem. We waren niet de enige vroege vogels; een Duist koppeltje zat ook al aan de ontbijtafel.

Na het ontbijt gingen we op weg naar Bacalar. De route er naar toe is vrij eenvoudig te vinden; vanuit Palenque ga je noordwaarts. Bij de eerste kruising tussen grote wegen sla je rechtsaf en in de plaats Escarcega sla je weer rechtsaf.  Als je dat doet, kom je na bijna vijfhonderd kilometer uit in Chetumal. Bacalar ligt daar 15 kilometer voor.

De ruïnes van Palenque mogen dan nog tegen de heuvels op zijn gebouwd, maar na Palenque is Mexico weer zo plat als een duppie. We reden Palenque uit en reden langs de twee luchthavens die de stad kent; één is zelfs een internationale luchthaven en de tweede leek niet meer te worden gebruikt. Ze liggen in elkaars verlengde. En waarschijnlijk landt er op de internationale luchthaven ook maar één vliegtuig per dag of zo.

De route was niet erg opwindend. Kaarsrechte, brede wegen, die bij de dorpjes onderweg voorzien waren van de nodige drempels.  Erg opvallend waren de gele loopbruggen die bij de dorpjes, maar soms ook ‘in the middle of nowhere’ waren neergezet. Waarschijnlijk met Europese subsidie, want er is niemand die er gebruik van maakt. En de noodzaak is er ook niet toe, want er is zo weinig verkeer op de weg dat je zonder problemen de weg kunt oversteken zonder gebruik te hoeven te maken van de loopbruggen. Die vergen alleen maar extra inspanning en dat bij temperaturen van 30+ graden.

In de plaats Escarega, dat op de kruispunt van twee belangrijke ‘snelwegen’ ligt, kochten we spullen voor het ontbijt van de komende dagen; fruit en yoghurt. Ook kochten we toast en iets voor erop. We hadden een Burger Kng gezien en daar kochten we hamburgertjes én natuurlijk een chocolademilkshake, maar hier kreeg Remco er geen slagroom met chocoladesaus op. Jammer!

Op de parkeerplaats voor de Burger King stonden jongemannen die de ramen van de auto’s wassen voor een klein fooitje. Dat is iets dat je overal in Oost-Mexico wel tegenkomt. Bij verkeerslichten, op parkeerplaatsen van supermarkten en op andere ‘strategische’ plekken.  Met een PET-fles met sop spuiten ze je raam een beetje nat en maken ze die schoon, om ze vervolgens droog te vegen met een klein wissertje.  We gaven aan dat we er geen prijs op stelden, maar toen we aan ons hamburgetje zaten zagen we toch dat iemand de ramen lapte voor ons..  Vervolgens kregen de jongens onderling ruzie en verdwenen ze uit het zicht.

We lieten de benzinetank volgooien, want die was halfvol en reden verder. Bij de opgravingen van Becán stopten we. Die liggen vlakbij de plaats Xpujil. In de omgeving liggen meerdere opgravingen, maar volgens de reisgids was Becán degene die we niet mochten overslaan van deze opgravingen. Becán betekent Canyon gevormd door water. Dit complex heeft dan ok een uitzonderlijke gracht om het complex heen met acht bruggen. Eén daarvan hebben we maar gezien. Becán was al bewoond vanaf 500 voor Christus en is daarmee een van de oudere steden.

In het ruïnecomplex waren we zo goed als alleen. We hebben slechts vijf andere stellen gezien. Ook hier mochten de gebouwen worden beklommen en was op de treden op sommige complexen een touw gespannen van boven naar beneden, wat het beklimmen en weer afdalen van de trappen een stuk veiliger maakte, want ook hier waren de trappen weer onder een hoek van 45 graden gebouwd.

Een van de complexen was ruim 32 meter hoog en vanaf de top keek je mooi uit over het complex en over de bomen van de jungle, die veel lager zijn dan 32 meter. En er stond boven een heerlijk verkoelend windje.  Het complex was een interessante aanvulling op de andere Mayaruïnes die we al hebben gezien. Steeds meer dringt het tot ons door dat Chitchen Itza wel het allerduurste en aller toeristische Mayacomplex is, maar zeker niet de meest bijzondere. Het is dat Chitchen Itza zo bekend is vanwege de marketing, maar steeds meer zijn we van mening dat je dit complex maar beter kunt overslaan en andere, kleinere complexen kunt bezoeken. Van de toegangsprijs van Chichen Itza kun je ten minste  acht andere complexen bezoeken en dan krijg je een veel beter beeld van de verschillende Mayastijlen. Daarnaast is Chichen Itza zwaar gerestaureerd en daarmee niet erg origineel meer.

Na Becán was het nog 125 kilometer naar Bacalar, waar we rond 17.30 uur aankwamen. De kamer in Hotel America had een driepersoons (Kingsize) bed. Lekker luxe. Én er was gelukkig weer airco, alhoewel we zouden merken dat het ’s avonds genoeg afkoelt om aangenaam te zijn.

We aten ’s avond in een klein restaurantje (Mr. Taco) op het centrale plein. Als enige restaurantje zat het bomvol toen we er de eerste keer langsliepen.  Eigenlijk waren we op zoek naar een ander restaurantje dat we op het internet hadden gezien, maar dat bleek gesloten te zijn. En dus liepen we maar terug naar het restaurantje, waar stomtoevallig een tafeltje leeg was. Het tafeltje stond ook nog eens langs de weg, dus met uitzicht over het pleintje.  Die pikten we snel in. Marjolijn bestelde een burrito met Mole Poblano en Remco had drie taco’s met garnalen en vis (gefrituurd). Het eten was erg lekker en we bestelden nog een burrito met Mole Poblano, die we deelden. Samen met twee biertjes waren we 300 pesos krijt, oftewel €15,- (naar boven afgerond).  

Donderdag 13 februari 2020

Vandaag zou het een relaxdagje worden. We zouden aan het meer van Bacalar gaan liggen en een beetje lezen, relaxen, drinken, eten en nog meer ontspannen dingen. Maar eerst reden we naar de cenote die op zo’n vijf kilometer vanuit het centrum ligt. Het eerste idee was om te gaan lopen, maar we besloten om toch maar de auto te nemen en dat bleek achteraf niet geheel onverstandig.  We reden over de weg die pal langs de kust van het meer loopt, maar van het meer zagen we eigenlijk niets. Tussen de weg en het meer is het voor 99,9% volledig volgebouwd en vanaf de weg zie je niet veel meer dan zeer veel verschillende muren. Ook de cenote bleek nauwelijks zichtbaar. Dit keer kwam dat door de begroeiing. We reden terug naar het centrum en kwamen uiteindelijk uit helemaal aan de noordzijde van Avenida 1. Hier zagen we een houten pier in het water met aan het einde ervan een rieten overkapping. We parkeerden de auto en liepen naar het overdekte plateautje aan het einde van de pier en gingen daar zitten op de planken in de schaduw van het rieten dak. Een aantal andere toeristen zat daar ook al of lag te zonnen op de houten treeplank naar het plateautje.

Het water was wat melkerig, maar nog net helder genoeg om de bodem van het meer te kunnen zien. Waterlelies bloeiden op het water. Naarmate het dieper werd, verkleurde het melkachtige water tot turquoisekleurig water en vervolgens tot diepblauw; verschillende dieptes.

We zwommen in het water dat heerlijk van temperatuur was. Op de bodem lag een dun laagje dat leek op kalk, maar dat was verder geen probleem. Maar als je door het water liep, kon je je voetafdrukken op de bodem achter je zien staan.

Na een paar uur relaxen besloten we om te kijken of en meer noordwaarts nog iets te zien was van het meer. We reden zes kilometer naar het noorden en sloegen af bij het enige weggetje naar rechts dat op de kaart stond aangegeven. Dit weggetje was onverhard en in een slechte staat en aan het einde van dit weggetje van ongeveer een kilometer lang, stuitten we op particuliere woningen aan het meer. Ook hier was alles volgebouwd.

Dan nog maar twintig kilometer verder noordwaarts rijden naar een dorpje dat Buenavista heet. Hier móet je wel een mooi uitzicht hebben, zou de naam van het dorpje suggeren. Nou, ook hier geen enkel zicht op het meer. Wel was dit een traditioneel Yucataans dorpje (okay Quantana Roo’s dorpje), waar waarschijnlijk nooit een toerist komt. Her en der stonden nog huisjes die bestonden uit houten paaltjes en rieten daken.

Enigszins teleurgesteld reden we terug naar Bacalar. Een aantal chauffeurs in tegengestelde richting vond het nodig om de auto voor hen in te halen op het moment dat wij aan kwamen rijden. Nu is de weg hier gelukkig zeer breed met een soort van vluchtstrook, maar wat bezielt deze mensen als het achter ons volledig vrij is. Tien seconden wachten en ze hadden zonder iemand lastig te vallen kunnen inhalen. Wegpiraten zijn ook hier aanwezig.

In Bacalar kochten we bij het kantoor van de busmaatschappij ADO twee tickets voor de bus vanuit Cancun naar Chetumal voor de 16e. Daarna reden we weer terug naar ‘ons’ piertje. Inmiddels was de zon zover gedraaid, dat het rieten dakje geen schaduw meer bood. Maar het water was nog altijd even aangenaam en er stond nu ook minder wind dan vanochtend.

Rond 18:30 uur aten we bij restaurant Bote de Leche (de melkbus) en het eten was erg goed. Marjolijn had twee kipspies (brochettas) met een hoop gegrilde groente en nog eens een apart bakje salade en Remco had kipfilet met champignons en een aardappeltaartje. Dat taartje leek wel een soort lasagne van allemaal dunne plakjes aardappel. Goed eten, dat we wegspoelden met een Coronabiertje. In tegenstelling tot de rest van de wereld vrezen wij Corona niet, maar kunnen daar lekker van genieten

Vrijdag 14 februari 2020

Valentijnsdag! En wij trekken verder noordwaarts. Na een ontbijtje op de kamer stapten we in de auto en reden we noordwaarts naar Tulum. Tweehonderd en elf kilometer over één lange, brede weg. Volgens Maps.me zouden we er drieëneenhalf uur over doen, maar we deden er een uur minder over. Maps.me ging uit van een lagere gemiddelde snelheid dan dat we daadwerkelijk reden. De weg was namelijk vlak, kaarsrecht en leeg en in goede staat. Alleen in de dorpjes de onvermijdelijke drempels.

In Bacalar stond de tank nog op halfvol en dat zou betekenen dat we de rit van ruim 200  kilometer met gemak zouden moeten kunnen volbrengen op een halve tank, maar nadat we het laatste tankstation onderweg hadden gepasseerd, begon op het dashboard het laatste blokje dat de tankinhoud aangaf te knipperen en toen hadden we nog zo’n 60 kilometer te gaan. Na nog eens tien kilometer waren alle blokjes van de tankinhoud verdwenen en toen leek het spannend te worden. We verlaagden de snelheid om zuiniger te gaan rijden, maar met nog 20 kilometer te gaan zou er nog minimaal twee en een halve liter benzine in de tank moeten zitten en we gokten het er maar op dat we het zouden halen tot Tulum. Een andere optie was er overigens niet.

Gelukkig reden we het eerste tankstation binnen zonder te hoeven duwen, maar toen werd het opnieuw spannend. Er stond een rij voor alle benzinepompen, maar de pompbedienden bedienden niemand. Het zou toch niet zo zijn dat er geen benzine meer is? We waren reeds in Tulum, dus een ander tankstation was niet ver meer weg. Het leek erop dat de benzinetanks juist net waren bijgevuld, want één van de medewerkers maakte foto’s van alle tellers op de pompen en nadat dat was gedaan gingen de bedienden weer aan de slag en ook bij ons werd de tank snel gevuld. Er ging net even iets meer dan 30 liter in de tank.

Met een volle tank reden we naar de Chedraui supermarkt en kochten we broodjes en smeerkaas. Daarna reden we naar de kust. Net als in Cancun was de kust voor 100% dichtgebouwd met hotels en strandtenten. Hier (gelukkig) geen hoge gedrochtelijke hotelcomplexen, maar ook zo’n beetje geen enkele doorgang naar het strand. Uiteindelijk reden we door tot een klein open stukje waar we wel de zee konden zien. Dit stukje tussen de weg en de zee was te smal om het dicht te bouwen. We parkeerden de auto en namen plaats op een aangespoelde boomstronk op het strand en lunchten. Voor ons op het strand stonden enkele pelikanen en een aantal vloog ook door de lucht; laag scherend over het water en soms ook over het strand op slechts een halve meter of een meter boven de toeristen die op het strand lagen.

Na de lunch reden we naar de ruïnes van Tulum. We reden via de strandweg en konden de auto langs de weg parkeren. Niet dat het erg rustig was; langs de hele weg stond het vol met geparkeerde auto’s. We hadden gewoon mazzel dat er net iemand vertrok toen we kwamen aanrijden.

Via het strand liepen we richting de ruïnes, althans tot zover we konden. Op het strand lagen veel badgasten. Het water was schitterend turquoiseblauw, maar direct in de branding lag wel veel dood zeegras. Toen het strand overging in rotsen, liepen we een paadje naar boven en via de rimboe de laatste 100 meter terug naar de weg. Van daar af was het zo’n driehonderd meter lopen naar de kassa van de ruïnes. Het was duidelijk dat we weer in de bewoonde en te bereizen wereld waren gekomen voor de meeste mensen. Veel toeristen vonden het nodig om in hun badkleding te flaneren en ook in het ruïne complex zagen we vele toeristen in badkleding. Met name de dames met stringgetjes vond Remco zijn zeer ongepast, zeker als er ook nog een heel stripboek op het lichaam is aangebracht. Goh, wat is hij ouderwets aan het worden. In het complex liepen ook veel gemakeerde toeristen rond. Gemarkeerd met een sticker op de borst, een polsbandje om of op een andere manier identificeerbaar. De meesten zijn oudere bootvluchtelingen uit Trumpistan. Die boten leggen niet veel verder noordwaarts aan.

Overal lagen we leguanen lekker in het zonnetje. De ruïnes van Tulum liggen weliswaar mooi aan de azuurblauwe of turquoiseblauwe zee, maar erg indrukwekkend zijn deze ruïnes niet. Geen imposante hoge torens en eigenlijk is niets echt heel bijzonder. Het grote aantal onaantrekkelijke toeristen maakte het er niet beter op.

Na het bezoek aan de ruïnes van Tulum reden we naar het hotel en checkten we in. We waren al lang blij dat we een kamer kregen aan de achterzijde van het hotelletje. Op het internet hadden we al verhalen gelezen van reizigers die klaagden over geluidsoverlast van muziek. Hopelijk hebben wij daar vannacht minder last van.