Mongolië

Maandag 26 augustus 2019

We kwamen rond 04.30 uur aan op de oude luchthaven van Ulaanbatar (de nieuwe luchthaven wordt binnenkort geopend). Het vliegtuig behield een enorme snelheid toen het een touchdown maakte, wat wijst op een enorm lange start- en landingsbaan. Net als in Nederland was het nog een stuk rijden naar de pier. In het toestel werd omgeroepen dat het 6 graden was in Ulaanbatar. Zo fris hebben we het de afgelopen drie maanden niet gehad, maar gelukkig hadden we onze fleecetrui (doet tevens goed dienst als kussen in het vliegtuig) bij ons.

In het luchthavengebouw vulden we een inreisformulier in en daarna liepen we door de douane. Al snel stond er een stempel op het visum dat al in het paspoort was geplakt en konden we doorlopen naar de bagageband. Net als in Nederland (normaalgesproken) duurde het behoorlijk lang voordat de rugzakken op de band aankwamen.

We liepen door de ‘green lane’ ondanks dat we niet voldeden aan de eis om geld boven een bepaald bedrag aan te geven. Na de ‘green lane’ zagen we al snel een bordje met onze naam, die door de jongeman die ons op kwam halen omhoog werd gehouden. De ‘taxi’ hadden we via het hostel geregeld. De reisgids had dat aanbevolen, omdat toeristen worden uitgebuit door de taxichauffeurs op de luchthaven, maar ook omdat we op een ongoddelijk tijdstip aankwamen.

Het begon al licht te worden toen we in de Toyota Prius naar Ulaanbatar reden. En we reden niet in de enige Toyota Prius. Het leek erop of alle auto’s op de weg Toyota Priussen waren. De chauffeur had weinig op met rode verkeerslichten. Je kunt je natuurlijk afvragen waarom een voetgangerslicht om 05.30 uur op groen staat, maar met volle vaart door rood rijden is toch iets anders. En dat gebeurde meerdere keren.

Bij het hostel aangekomen kregen we een korte uitleg. Fluisterend, want de anderen lagen te slapen.

Iemand die op de bank in de ‘woonkamer’ lag te slapen, werd bruut verstoord in z’n slaap toen het licht aanging. Hij vertrok naar de slaapzaal met vier bedden en wij namen zijn plaats op de bank over, nadat de jongeman die ons naar het hostel had gebracht was vertrokken.

Met z’n tweëen op de bank probeerden we nog iets van de gebroken nacht te herstellen. Gelukkig bleven de gasten van het hostel ‘s ochtends lang (tot wel 10.00 uur) op bed liggen, waardoor ons toch een paar uurtjes rust werd gegund op een wel heel beperkte ruimte. We werden alleen bruut gestoord door een oude Canadees die luid op de deur bonsde en kwam informeren of er nog plaats was in het hostal.

Rond een uur of half twaalf hadden we de spullen op de kleine tweepersoonskamer gelegd en konden we UB in, zoals Ulaanbatar wordt afgekort. Het hostal ligt pal achter de State Department Store, zoiets als de Bijenkorf van UB. Op de begane grond is een grote supermarkt en in die supermarkt zit ook een bakkertje, waar we een paar broodjes kochten. In de supermarkt zelf kochten we melk en keken we alvast rond voor wat we allemaal mee zouden moeten nemen op de 15 daagse trip die we hadden geboekt. We aten de broodjes en liepen daarna door de State Department Store. Er was van alles te verkrijgen en ook veel spullen vanuit Europa, zoals Brabantia, Fischler (pannen), WMF (pannen) en natuurlijk bekende kledingmerken. Er was ook een klein deeltje met campingspullen, waaronder een tent, pannetjes etc. Supergroot waren de winkeltjes of afdelingen niet, maar er was ruim aanbod.

We liepen richting de Decathlon door de hoofdstraat. Opvallend waren de mensen die hier iets meer weg hebben van  Chinezen, maar dan gemanierd. (laat beide groepen dit maar niet horen). Op de straten reden vele bussen tussen het drukke verkeer, dat nauwelijks vooruit kwam. Op de kruispunten stonden politieagenten het verkeer te regelen naast functionerende verkeerslichten en overal zag je betonnen sceletten van hoge gebouwen in aanbouw. Verder viel het op dat er überhaupt veel hoogbouw is in UB. En die is niet perse lelijk.

De Decathlonwinkel bleek op de maandag niet geopend te zijn. Ook was het winkeltje zeer klein in vergelijking tot de megawinkels in Europa. We betwijfelen of we hier kunnen slagen voor waar we naar op zoek zijn, namelijk een brander en pannen voor het kamperen in Zuid-Korea.

We liepen naar het station  waar we een tijdje op een bankje gingen zitten op het perron. We zagen een hoop mensen met rolkoffers richting het station lopen, wat moest duiden op een naderend vertrek van een trein en inderdaad kwam een trein het perron oprijden. Het perron was honderden meters lang en de trein vulde het perron geheel. Zo’n lange pasagierstrein hebben we nog nooit gezien. We richtten de Samsung tablet met Google Translate op het bordje met de bestemming die aan iedere wagon hing en we zagen dat het de trein was vanuit UB naar de grens met China. Het duurde een behoorlijke tijd voordat de mensen in rijen voor de deuren van de treincoupes gingen staan en we wachtten niet totdat de trein vertrok. Het duurde allemaal nogal lang. Daarbij kwam dat het bewolkt was en er een flink windje stond en we hadden ons inmiddels al in onse donzen jasjes gehezen. Na drie maanden meezeulen in de grote rugzak, konden we die jassen nu eindelijk gebruiken.

Een enrom lange trein van UB naar de grens met China.

We aten ‘s avond bij Indiaas restaurant Namaste. Reusachtige porties.

Dinsdag 27 augustus 2019

Vanochtend werden we pas om 09.30 uur wakker. De extra uurtjes slaap hadden we wel even nodig na het gebroken nachtje van gisteren. Wat ons gisterochtend al opviel, namelijk dat men in het hostel pas vrij laat opstaat, werd vanochtend weer bevestigd, want we waren  de eerste die opstonden vanochtend.

We ontbeten in het kleine keukentje en daarna gingen we op weg. We liepen naar het  nationaalmuseum, waar we kaartjes bekochten en de tentoonstelling bekeken. Er waren meerdere zalen met onder andere hele oude geschiedenis, maar er was ook een zaal met kleding van de diverse stammen in Mongolië en ook een zaal met de recente geschiedenis van Mongolië na (ongeveer) 1986.

We lunchten bij een bakkerijtje met goede broodjes en een grote kop koffie. Een Russische man, die ons gister al groette op straat, kwamen we nu tegen in de bakkerij. Gister sprak hij ons in het Duits aan en nu begon hij in het Engels, maar ging al snel weer over in het Duits toen hij begreep dat wij ook Duits spraken. Hij had Duits gestudeerd, had een Duits paspoort en had ook in Duitsland gewerkt, maar was weer teruggekeerd naar Moskou, omdat het leven daar toch minder gehaast was dan in Duitsland, naar eigen zeggen. Hij was nog op zoek naar een tour door Mongolië en wij vertelden van onse plannen aan een tafeltje tijdens onze lunch. Helaas bleek onze plannen niet te matchen met de zijne.

Na de lunch namen we afscheid en liepen we naar het Fine Arts museum. Daar waren enkele zalen met schilderijen en boeddhistische kunst, waaronder boeddhabeeldjes en thankas. Erg leuk.

We doolden nog wat door het centrum van Ulaanbatar en verwonderden ons over het drukke verkeer, de verkeerspolitie op de kruispunten met verkeerslichten (is een van de twee niet overbodig) en het feit dat het verkeer ondanks de zorgen van de politie nauwelijks doorreed. De reden is vrij simpel; ieder gaatje op het asfalt wordt gevuld, waardoor niets meer kan bewegen. Waarschijnlijk is het de taak van de politieagent op het kruispunt om het kruispunt vrij te houden en niet om het verkeer te regelen.

Verkeerschaos in Ulaanbaatar

We dronken een biertje in een Irish pub en daarna kochten we bij de supermarkt op de begane grond van het State Department store groente om in het hostal een salade te maken. Ook kochten we een mamee soepje en een biertje.

‘s Avonds werkten we de website bij en deden we het rustig aan.

Woensdag 28 augustus 2019

We werden om 08.30 uur wakker, maakten ontbijt in het keukentje en liepen vervolgens naar het Gandenklooster . Op straat was het nog erg rustig. Winkels waren nog gesloten (die gaan pas erg laat ‘s ochtends open).

Vlak voor het klooster waren enkele winkeltjes met Tibetaanse souvenirs, maar echt mooie spullen zaten er niet tussen. Het leek erop alsof er veel Chinese spullen tussen zaten.

We kochten entreekaartjes voor de tempel en begaven ons op het terrein. Eerst langs de grote gebedsmolens en daarna kwamen we bij de paviljoens met de kloostergebouwtjes. Vanuit de openstaande ramen hoorden we de monnikken hun gebeden murmelen. Een monotoon, maar rustgevend geluid. We gingen zitten op een houten bankje en een Mongool trok onze aandacht. Hij en de man naast hem waren tekenaars. De man naast hen was Remco z’n gezicht aan het tekenen en we kregen de tekening mee. Het had ieder ander willekeurig persoon kunnen zijn geweest op de tekening, waar hij graag 5.000 Turgik voor had willen hebben, maar dat niet van ons kreeg.

De tempels waren klein en na de ervaringen in Tibet ietwat teleurstellend. Alleen in een complex stond een enorme hoge boeddha (wellicht wel 15 meter hoog), die indrukwekkend was.

We liepen daarna naar de bakker waar we gister ook hadden geluncht en namen een dubbele Americano en een taartje om de verjaardag van Remco te vieren. Daarna lunchten we ook in de bakkerij en na de lunch liepen we naar het winterpaleis aan de andere zijde van de rivier. Het verkeer stond weer behoorlijk vast en toen we over het viaduct liepen zagen we een iel stroompje, dat ‘de‘ rivier door UB was. De rijen met auto’s waren breder.

Het winterpaleis bestond uit een serie houten poorten en gebouwen, dat niet heel erg strak in de verf zat. Sterker nog…. de meeste verf was reeds afgebladderd. Toch gaf het een goede indruk van hoe het winterpaleis er 100 jaar geleden moet hebben uitgezien, toen de laatste koning en koningin van Monholie er nog woonden. Bijzonder was ook de locatie van het paleis tussen alle hoogbouw.

We liepen terug naar het State department store, waar we om 17.45 uur kennis maakten met Tsogoo, die ons de komende 15 dagen zou meenemen door zuid, midden en noord Mongolië. We maakten kort kennis en bespraken enkele puntjes en daarna liepen we langs het Beatles monument naar een Koreaans restaurant. Daar zijn er tientallen van in Ulaanbatar, als gevolg van de vele Mongolen die in Zuid-Korea werken.

In het restaurant ontmoetten we twee jongens die al een behoorlijke hoeveelheid alcohol achter de kiezen hadden. Ze vroegen of we bij hen kwamen zitten en ze waren niet onaardig. Het was wel even gezellig en ze praatten honderduit over van alles en nogwat.

Vijf straaljagers vlogen twee keer over Ulaanbatar, omdat vandaag de 60e verjaardag van de Mongoolse luchtmacht werd gevierd. Na het eten deden we nog wat inkopen in de supermarket in de State department store en daarna liepen we terug naar het hostal om te douchen en de tas in te pakken.

Donderdag 29 augustus 2019

Tsogoo stond rond 09.15 uur voor het hostel met een auto. We laadden de spullen in de auto en vertrokken. We reden westwaarts, tergend langzaam door het drukke Ulaanbaatarse verkeer, dat voor ieder verkeerslicht minutenlang stilstaat, om vervolgens niet te kunnen oprijden bij groen licht, omdat het kruispunt nog versperd is.

De supermarkt waar we langsreden was gesloten tot 12.00 uur in verband met inventarisatie. Een teleurstelling voor Tsogoo, die graag nog iets had gekocht.

We verlieten Ulaanbatar en in de buitengebieden was wat industrie en veel oud ijzerhandel. We reden de groene, begrasde heuvels in. Opvallend waren de autobanden die half uit de grond staken. Tsogoo gaf aan dat iedere Mongool een stuk land mag opeisen en de banden markeren een opgeeist stukje land.

Tegen 13.30 uur kwamen we aan bij het Hutai Nationale park. We lunchten in het restaurant van het luxe ger-kamp. Er was een lunchbuffet met warme maaltijd en het eten was helemaal niet slecht; een goede start van de trip.

Na de lunch hadden we even tijd voor onszelf. We liepen een heuvel op en genoten van het uitzicht en tegen 17.00 uur gingen we met de auto naar een rivier, waar wilde Prezwalskipaarden zouden komen drinken. Er was een goede kans dat we een paar van de 300 nog in leven zijnde paarden zouden kunnen zien. Op de parkeerplaats ter plekke was het druk. Er stonden ongeveer 5 auto’s en een grote tourbus, waarvan de hufterige chauffeur weer eens te beroerd was om de motor af te zetten (wat is dat toch vaak met buschauffeurs om altijd die motor maar te laten draaien?).

Ondertussen zochten we (en alle anderen ter plaatse) naar de paarden en plots had iemand drie paarden heel in de verte gespot, evenals een groep van 5 paarden in een hele andere richting, maar ook honderden meters ver weg. Erg opwindend was het niet, zeker als je bedenkt dat diezelfde beesten ook in Nederland rondlopen. Ze zijn namelijk met hulp van Nederland van het uitsterven gered. Er schijnen ook een aantal exemplaren in o.a. de Oostvaardersplassen rond te lopen.

We reden terug en zagen nog zeven paarden en ook nog dichterbij dan de eerdere exemplaren. Heel mooi ook vonden wij de omgeving.

Het land van de (niet) altijd blauwe luchten!
Hutai National park

Tsogoo maakten het diner, dat bestond uit Mongoolse pasta, aardappel en schapenvlees. Het was best redelijk te eten (nu nog niet realiserende dat dit niet de enige keer zou zijn dat we dit te eten kregen).

Onze eerste kennismaking met de ger.
En zo ziet die er overdag uit.
En zo zag onze eerste ger eruit van binnen.

Vrijdag 30 augustus 2019

We ontbeten in de grote eetzaal van het luxe ger-kamp. De eigenaresse van onze eigen ger voelde zich nog steeds niet lekker, nadat ze gisteravond al naar de dokter was geweest. Daarom maakte ze voor ons geen ontbijt en konden we gebruik maken van het ontbijtbuffet in het luxe ger-kamp.

Na het ontbijt reden we terug richting Ulaanbatar. We reden om Ulaanbatar heen via een ringweg en reden verder naar het oosten. Het doel was het Genghis Khanmonument op een uurtje rijden ten oosten van Ulaanbatar. De weg was goed en er was niet al teveel verkeer. Van ver zagen we het monument al blinken in de zon. Voordat we bij het monument aankwamen, zagen we een hoop standbeelden van ruiters te paard in oorlogstenue en dit was pas het begin. Volgens Tsogoo was het de bedoeling om een ‘leger’ van 1.000 standbeelden te creëren. Iemand heeft zoiets ook in Xi’an, China gedaan, maar dan van terracotta. Maar dat is al eventjes geleden.

De auto werd geparkeerd aan de voet van de trap naar het monument. De trap was in onderhoud en dat was hard nodig. Vele treden lagen los.  Tsogoo kocht de entreekaartjes en we namen de lift naar boven. Bovenaan moesten we nog enkele treden lopen om uit te komen op het hoofd van het paard. Het hele monument bestaat uit roestvrij staal en de brandende zon had ervoor gezorgd dat je je handen nauwelijks op de randen kon neerlegen. Vanaf het hoofd van het paard hadden we mooi uitzicht over de omgeving.

Chenggis Khan van roestvrij staal georienteerd op het oosten.

We gingen met de lift terug naar de begane grond en daalden per trap af naar de kelder waar een klein museumpje was met verschillende ger-tenten, in verschillende vormen en maten. Leuk om even te hebben gezien, maar het was zeker geen ‘niet te missen’ museum. Het Genghis Khan monument zelf vonden wij een omweg (of dure dagtocht vanuit Ulaanbatar) eigenlijk niet waard.

Nabij de parkeerplaats was weer een uitbater van roofvogels. Tegen betaling kun je een vogel op je arm nemen en een beetje wiebelen. De vogel spreidt dan de vleugels en je hebt een pittoresk plaatje.

De arend ziet zichzelf in de lens van de camera.

We reden terug richting Ulaanbatar, maar sloegen na een aantal kilometers rechtsaf richting het nationale park. Aan het einde van de middag kwamen we aan bij een ger-kamp, waar we een niet erg fris ruikende ger kregen. Het hele ger-kamp was vol met luidruchtige jonge Zuid Koreanen, die hun eigen voedsel her en der bereidden en de flessen wodka opentrokken.

Met de auto reden we 10 minuten naar een boeddhistische tempel, die we kort bezochten. De wandeling naar de tempel, tegen de heuvel op, was even inspannend, maar ook wel weer leerzaam met alle wijsheden van Boeddha op een groot aantal borden langs het pad. Indrukwekkender dan de tempel was het uitzicht over de vallei.

Wij aten in de restaurant-ger en na het eten keerden we terug naar onze eigen ger. Er was elektriciteit in de ger.

Tegen de tijd dat we (vroeg) naar bed gingen begonnen ze in een ander kamp met luide muziek! De slechte DJ vond z’n eigen muziek niet de beste, want de meeste nummers werden halverwege beëindigd. De herrie in het nationale park werd echter niet door ons gewaardeerd en we gingen naar bed met de oordopjes in.

Zaterdag 31 augustus 2019

Toen we opstonden was het relatief koel, maar zodra de eerste zonnestralen boven de heuvel uitkwamen, werd het meteen aangenamer.

We ontbeten in de restaurant-ger. We kregen een goed ontbijt, bestaande uit vers gemaakte gefrituurde pannenkoekjes met jam. Daarnaast was er warme rijstmelk en kregen we een eitje. Alleen het water voor de koffie was niet zo heet.

Na het ontbijt pakten we de spullen in en vertrokken we. De eerste stop was al na 10 minuten bij ‘Turtle rock’. Gister, op de heenweg, waren we hier niet gestopt,omdat het licht verkeerd stond voor foto’s, maar vanochtend  was dat anders. In de kleine vallei kleurden de eerste berkenbomen al geel en de andere struiken begonnen al rood te worden.

Turtle rock heet zo omdat het iets weg heeft van een schildpad. Bijzonder was in ieder geval dat er zo’n rotsformatie zomaar ergens stond, zonder nabij gelegen andere rotsen of bergen.  We zagen mensen op de rots staan, maar wij lieten het voor wat het was en bleven op de begane grond.

Turtle Rock.

We reden terug in de richting van Ulaanbatar en stopten bij een grote kudde yaks, die langs de kant van de weg graasden.

Yaks onderweg.

Om 11.00 uur waren we terug in Ulaanbatar en daar wisselden we van auto. We zouden niet verder rijden in de comfortabele Mazda, maar overstappen in een Russische jeep. We maakten kennis met de chauffeur, Ulzee. Al snel werd duidelijk dat we daar geen indrukwekkende gesprekken mee zouden gaan voeren; hij kwam niet verder dan hello, yes en no.

De Russiche jeep waarmee we onderweg waren.

In de Russische jeep reden we weer tergend langzaam door Ulaanbatar. Dat werd met name veroorzaakt door de verkeerslichten en het feit dat iedereen op de weg ieder gaatje opvult, waardoor uiteindelijk niemand meer vooruit of achteruit komt. We verlieten we Ulaanbatar en reden we zuidwaarts. Naarmate Ulaanbatar verder achter ons kwam te liggen, hoe rustiger het op de weg werd.

Plots sloeg de chauffeur rechtsaf. Waar gaan we heen? We schoten een spoor op en reden door de groen begrasde heuvels. Vreemd genoeg waren er bochten in het spoor, wat erop wijst dat er om eigendommen heen werd gereden. Soms waren die eigendommen gemarkeerd met een omheining, maar in de meeste gevallen was het bezit niet zichtbaar.

We reden langs bijzondere rotsformaties. Niet hoog, maar erg gelaagd gesteente, zoals (erg dikke) pannenkoeken op elkaar. Toen we om een fotostop vroegen en uitstapten werden we overvallen door een heel kruidige geur. Overal in het landschap bleek kamille te groeien en de omgeving rook daar dan ook naar.

We kwamen aan het einde van de dag aan bij een nomade famillie die enkele ger-tententen verhuurde. We installeerden ons in een ger-tent en stelden ons voor aan de buren; een stel uit Trier. We genoten van  het weidse uitzicht. In de verte, op de top van een heuvel, graasde een hele grote kudde schapen en geiten. ‘s avonds zouden die terugkeren naar de ger van de eigenaar om daar te overnachten. Maar voordat ze de ren in werden gedreven, graasden ze om ons en onze gers heen.

We aten met het stel uit Trier en een stel uit Tourlouse. De gids/chauffeur/kok van de Fransen had voor ons gekookt, omdat de vrouw van de ger-eigenaar naar de grote stad was om de kleinkinderen weg te brengen. Het schooljaar begin namelijk in Mongolië op 1 september weer.

Onze ger tijdens de derde overnachting.
En ons toiletgebouw. In de groene trechter doe je water en door het witte staafje op te lichten met je handen stroomt een beetje water over je handen.

‘s avonds zagen we de geiten en schapen inderdaad terugkeren. Niet geheel zonder begeleiding; de herder zat op een motor en dreef de kudde naar z’n ger. Tijden zijn veranderd en het leven van een herder is er iets gemakkelijker op geworden. Maar geloof ons, je wilt niet ruilen!

Zondag 1 september 2019

Na een goede en rustige nacht slaap in de ger ontbeten we in het zonnetje aan een laag houten tafeltje met houten wiebelende bankjes. We kregen brood en er was chocopasta en smeerkaas, maar we hadden ook onze eigen pindakaas bij ons. Verder kregen we een thermoskan heet water voor koffie of thee. We liepen nog even over de rotspartij naar de andere kant en zagen de geiten en schapen van de eigenaar van de ger, die de hele nacht bij de ger hadden overnacht, uitgewaaierd in een schittende groene vallei grazen.

Na het ontbijt vertrokken we. Gisteren hadden we aan Tsogoo gevraagd of we dezelfde weg terug zouden rijden naar de hoofdweg of dat we een andere weg zouden nemen. De chauffeur zou daarover beslissen en vanochtend kwamen we erachter dat hij een andere weg nam.  We reden door een landschap van groene heuvels naar het eerstvolgende stadje. Nomaden op de brommer dreven het vee op, dat soms bestond uit koeien en een andere keer uit paarden. Onze chauffeur had flink de vaart erin en soms haalde hij wel 60 of 70 kilometer per uur over de onverharde sporen. Die waren niet van erg slechte kwaliteit nu het weer droog was, maar een chauffeur die we spraken zei dat enkele weken geleden, na hevige regen, de sporen waren veranderd in modderpoelen en dat er nauwelijks doorkomen aan was. We zagen veel muisjes terug rennen naar hun holletjes als de auto hen naderde.

Aangekomen in het eerstvolgende stadje zagen we de schooljongens en -meisjes, keurig in uniform en op z’n mooist uitgedorst,  op weg naar school. Hoewel het zondag was, was het 1 september en dus aanvang van het nieuwe schooljaar. Tsogoo gaf aan dat het niet een echte schooldag zou zijn, maar kennismaking met de klasgenoten en de onderwijzer(es). Maar in zo’n dorp kent iedereen elkaar toch al van haver tot gort?

In een klein supermarktje kochten we 5 liter water en twee repen chocolade. De schoolkinderen kochten allemaal een roos (van plastic). Zou de arme lerares haar hele huiskamer vol hebben staan met kunstrozen?

We verlieten het stadje en reden verder zuidwaarts. Het landschap veranderde. De groene heuvels verdwenen en het werd vlakker, droger en minder groen. Het was duidelijk dat we nu meer de woestijn in reden. We lunchten in een ‘wegrestaurantje’. In een zeecontainer waren enkele ramen gemaakt en een deur. Voor de deur van de zeecontainer die werkelijk in en uitgestrekte lege vlakte stand, was wel een bordje “parkeren” neergezet.  Het zal toch maar gebeuren dat iemand zomaar de auto ergens neerzet.  In de zeecontainer waren twee tafels met stoelen in geplaatst en aan een uiteinde van de container was de keuken; een mobiel (camping)gaspitje, waar een eenvoudige maaltijd op werd gekookt. Het was de traditionele Mongoolse maaltijd die bestaat uit noodles en vlees. Het vlees bleek meer gummie te zijn. Geit of schaap is toch niet echt ons ding.

Na de lunch reden we verder. Eindeloze lange wegen en eindeloze lege vergezichten. We raakten helemaal opgewonden toen we de eerste kamelen deze dag zagen, niet realiserend dat we er honderden zouden zien later vandaag.

kamelen, kamelen en nog eens kamelen. Het stopt niet bij 100 stuks.

In ‘the middle of nowhere’ sloeg se chauffeur linksaf van de verharde weg een onverharde weg op. Hij leek ineens veel harder te gaan rijden dan op de hoofdweg. We waren op weg naar de witte stupa. Eenmaal ter plaatse bleek er geen stupa te zijn en ook niet iets wits, maar wel een mooie omgeving met gekleurde bergjes  die we van bovenaf konden bekijken. We waren er als enige en her was sereen rustig.

De White Stupa (geen idee wie die naam heeft verzonnen).

We reden verder over de onverharde weg terug naar de hoofdweg. Twee sukkelige kamelen hadden hun rustpunt gevonden precies op het onverharde pad terwijl er zoveel ruimte is. Ze werden hard verstoord tijdens het herkauwen en moesten hard wegrennen voor onze Russische jeep, waarvan de chauffeur niet echt de intentie had om af te remmen.

Eenmaal op de hoofdweg was er weer mobiel bereik en ook internet. We reden verder zuidwaarts. Links en rechts van de weg niets anders te zien dan  een steenwoestijn met lage graspolletjes en heel in de verte zagen we bergen. Soms was er ander leven anders dan op de hoofdweg. Dat werd verraden  door de enorme stofwolk achter de auto die over de onverharde weg reed.

We overnachtten bij een nomade familie met een kudde geiten en schapen. ‘s Avonds in het omheinde gedeelte hoorden we ze met name ruften.

Op een krukje voor onze ger genoten we in het donker van de sterrenhemel.

Maandag 2 september 2019

‘s Ochtends kregen we een vel van de gekookte geitenmelk met kleine gefrituurde pannenkoekjes. De smaak van het vel leek op hele jonge kaas. Door Tsogoo werden we erop geattendeerd dat ze de geiten aan het melken waren. Buiten stonden twee kluitjes van zo’n dertig geiten aan elkaar gebonden. Het leverde uiteindelijk een emmer melk op.

De geiten worden ’s ochtends gemolken door het hele gezin.
Ger van de nomade familie met de vervanging van het paard.

Na het ontbijt reden we naar de vultures valley oftewel de gierenvallei. Deze vallei begon aan de overkant van de weg waar de gert-ent stond. Deze stond iets van de weg af, waardoor we van de weg geen last hadden. Niet dat er veel verkeer rijdt , overigens.

Bij de entree van de vallei was een klein museumpje met opgezette dieren uit de Gobiwoestijn en er waren enkele beenderen van dinosaurussen, alsmede enkele versteende dinosauruseieren.

Na het bezoek aan het museum reden we de vallei in tot aan de parkeerplaats. Daar stond het al vol met auto’s. We begonnen aan een wandeling door de gierenvallei. Het zou een heen-en-terugwandeling worden over hetzelfde pad, dus we konden zo ver lopen als we zelf wilden. De vallei was bij de parkeerplaats nog wel breed, maar al snel zou die steeds smaller worden. We volgden een riviertje, dat ter hoogte van de parkeerplaats ineens uit de grond verscheen. Dit riviertje moesten we steeds oversteken, omdat het pad dan weer rechts en dan weer links van het riviertje liep. Dus steeds balanceren over de keien in het water. Het riviertje was niet diep, maar wel soms zo’n twee meter breed. Op het smalste deel van de vallei, dat tevens zo’n beetje het hoogste deel was, was de vallei een meter of twee breed en daar perste het riviertje zich doorheen. De omgeving was prachtig, maar erg veel gieren hebben we niet gezien. In de verte zagen we er drie vliegen. Aan de witte poepvlekken tegen de bergwanden op was te zien waar de nesten zich hebben bevonden.

Vulture’s valley.

Op de terugweg werden we verrast door een grote groep yaks, die rustig graasden in het bredere deel van de vallei. We probeerden ze iets te benaderen, maar ze liepen weg van ons als we te dichtbij kwamen.In het bruin, zwart en wit waren deze wollige beesten rustig aan het grazen.

Yaks in de Vulture’s valley.

We reden terug naar de hoofdweg die we een tijdje volgden. Een heerlijke asfaltweg. We stopten in een dorpje voor de lunch. Hoewel aan de muur in het restaurant een menukaart hing met wel 8 verschillende soorten gerechten, was er volgens Tsogoo alleen Plov verkrijgbaar. En dus aten we plov (rijst met schapenvlees en een paar stukjes wortel).

Na de lunch begonnen we aan en helse tocht. Het asfalt lieten we achter ons en er kwam zo’n 150 kilometer over een pad door de woestijn. Een gebeuk en geschud stond ons te wachten. Een uitermate onprettige rit en het landschap veranderde maar langzaam van uitgestrekte steppe naar ietwat bergachtiger. Aan de linkerzijde begonnen de zandduinen. In eerste instantie heel laag en langzaam werden die hoger.

Aan het einde van de middag kwamen we volledig door elkaar geschud en ietwat chagrijnig aan bij de ger. De ger had de voordeur op het zuiden en we hadden dus mooi uitzicht op de zandduinen. Kamelen graasden tussen de ger en de zandduinen en dat leverde mooie plaatjes op.

Isn’t it beautiful?

De eigenaar van de ger hield kamelen en er lagen een paar bij het gerkamp. We liepen naar ze toe en terwijl we  naar ze keken, geneerden ze zich niet door al liggend te gaan poepen en plassen. Verder schonken ze weinig aandacht aan ons.

Siameese kameeling.

We zouden vanavond de zonsondergang bekijken op de top van de zandduin, maar de chauffeur begon na aankomst in het kamp te sleutelen aan de schokdemper en (natuurlijk) duurde dat langer dan het door Tsogoo ingeschatte halfuurtje en dus ging de zonsondergang op de top van de zandduin aan ons voorbij. Niet dat de zonsondergang vanuit het gerkamp minder mooi was, overigens.

We maakten een praatje met een paar Russen en een stel uit Litouwen. De Rus was al 21 dagen in het kamp omdat zijn bus kapot was. Zijn vriend was vanuit Rusland gekomen met een onderdeel om de bus te repareren. Het stel uit Litouwen reisde low budget en was liftend en lopend in het kamp gekomen. Dat was geen eenvoudige opgave omdat er weinig verkeer was en zo veel verschillende zandsporen dat het lastig was om een lift te krijgen. Ze hadden die dag 20 km door de woestijn gelopen.

Het avondeten bestond uit met schapenvlees (ja, daar gaan we weer) gevulde dumplings. Hele volksstammen leven erop, maar wij waren er niet erg gek op. Met veel ketchup gaat het nog wel.

Dinsdag 3 september 2019

Het ontbijt was niet om over naar huis te schrijven. Het Mongoolse brood leek wel van eeuwen geleden, maar er was wel een gebakken eitje, vier schijfjes komkommer en drie door midden gesneden cherrytomaatjes per persoon. Gelukkig hadden we zelf nog brood bij ons en dus aten we dat aten maar op.

Na het ontbijt reden we naar de zandduinen, waar we al zo’n 120 kilometer langs hadden gereden gistermiddag. De zandduinen lagen op ongeveer 3 kilometer van de ger. Het ritjes was dus kort.

We bestegen de duinen. Er waren nog niet veel sporen, wat erop duidde dat er nog niet veel mensen die ochtend waren geweest. We bestegen niet de hoogste duin. Daarvan hadden we afgezien, omdat het bestijgen meer tijd (en ook inspanning) zou kosten, maar het totaalbeeld niet erg zou veranderen. Boven op de top van de duin hadden we prachtige vergezichten. Op sommige duintoppen waren die mooie messcheppe randen te zien. De ochtendzon wierp lange schaduwen aan de westzijde van de duintoppen, dat ook voor mooie plaatjes zorgde. Er stond nog steeds veel wind en we zagen het zand over de duintoppen waaieren en onze voetstappen werden al gevuld met zand.

Schitterende zandduinen. De voetsporen waren zo weer verdwenen door de straffe wind.

We liepen terug naar de Russische jeep en daarna begon een 160 kilometer lange hobbelige rit. Afwisselend was het landschap schitterend en dan weer oersaai. Het laatste overheerste helaas. Het schitterende deel was toen we door een smalle vallei reden. De weg vormde de bodem en wanden begonnen direct aan weerszijde van de weg. De wanden waren niet enorm hoog, maar wel rotsachtig en deels begroeid met laag gras. Het oersaaie deel was toen het landschap weer vlak was en er kilometerslang niets anders te zien was dan geel gras. Het meest opwindende was toen we drie gazelles zagen.

De lunch hadden we in een ger-tent in een klein plaatsje en daarna was het nog 20 kilometer rijden naar de ger-tent waar we zouden overnachten. We kwamen daar rond 14.00 uur aan en hadden tot  17.30 uur vrij te besteden.  Maar wat doe je op een grasvlakte in de brandende zon met in de verste verte niets bijzonders om je heen? Dan maar lezen in de schaduw van de ger-tent of in de ger zelf.

Rond 17.30 reden we een, kort stukje naar de Flaming moumtains. Ter plaatse konden we geen enkele aanleiding vinden om deze mountains ‘flaming’ te noemen. In onze visie hadden deze bergen kunnen bestaan uit verschillende lagen steen van verschillende kleuren, waardood er ‘vlammen’ in de bergen te zien zouden zijn. Iets absurds als Darwaza in Turkmenistan, waar de grond in de fik staat, hadden we niet verwacht; bergen die in brand zouden staan.

En van beide was dan ook niets waar. Er was een soort water en wind geërodeerde kloof van rood zandsteen. Wind en water hadden bijzondere vormen gecreëerd. De zon stond al wat lager en de schaduwen werden groter en dat zorgde wel weer voor mooie plaatjes.

Flaming mountains.

Het avondeten in de ger bestond uit een groentesoepje en dat was een welkome afwisseling. Zowel de groente als de soep. Tsogoo had de kokkin gevraagd om er niet teveel vlees doorheen te gooien en dat was ook perfect.

Woendag 4 september 2019

Na weer een winderige nacht buiten, maar aangenaam van temperatuur binnen de ger-tent en een goede nacht slaap hadden we een best aardig ontbijtje in de gertent van de eigenaresse. Ze had een eigen kas in het dorp waar ze groente in verbouwt en er was zelfs wat komkommer en tomaatjes vanochtend naast het warme Mongoolse brood met bramenjam. Het is toch een bijzonderheid hoe sober de mensen hier in de gers leven. Slapen op een tapijt op de grond, een gaspitje en verder nauwelijks iets in de tent op een televisie na, die waarschijnlijk niet meer werkte. Er lag een dikke laag stof op.

Rond 09.00 uur reden we naar het Gobi forest. Nu kun je een hele voorstelling maken bij en bos in de Gobiwoestijn, maar dat het bos uit enkele lage bremstruiken zou bestaan hadden we niet verwacht. De stop bij het bos duurde dan ook niet erg lang.

We vervolgden de bumpy road naar een dorpje verderop. Daar hielden we even halt bij de dorpsupermarkt om wat water en frisdrank te kopen. Het was een populaire stip voor tourgroepen, want we waren niet de enigen die er halt hielden. Er was internet en we annuleerden een van de twee hostals in Seoul, die we hadden geboekt. De deadline voor het gratis annuleren zou morgen verlopen en we wisten niet of er verderop nog internet beschikbaar was. Een headhunter had een aanbod voor Remco bij Humanitas in Amsterdam; iets wat Remco zou hebben aangesproken indien aanwezig in Nederland. We stuurden een bedankmailtje naar de headhunter.

Eindeloos lange rechte wegen dor de Gobiwoestijn. En deze is dan verhard!

We scheurden verder over de eindeloos grote, saaie vlakte. De weg was kaarsrecht en nu in een betere staat. De chauffeur haalde snelheden van ongeveer 110 kilometer per uur. Exact konden we de snelheid niet bepalen, want ondanks dat het spoor redelijk goed was schoot de snelheidmeter op het dashboard van 100 naar 120 kilometer en weer terug. De Russische jeep is nog een en al mechanica in plaats van elektronica.  De snelheidsmeter danste er op los.

Plots reed de chauffeur door een diepe kuil in de weg en werden we even gelanceerd. Met de auto en met ons was gelukkig niets aan de hand. We reden langs grote kuddes kamelen, waarvan sommige kuddes een rustpunt op de zandweg hadden gevonden en zich uit de voeten moesten maken voor ons in de aanstormende Russische jeep. Als je de kamelen niet ziet, kun je hun aanwezigheid wel ruiken. Net als paarden stinken kamelen nogal.

Kamelen onderweg.

Rond 14.00 uur waren we in het volgende gerkamp. We lunchten in het stenen gebouw, dat als restaurant was ingericht. Een eenvoudig rijstgerecht, maar wel leuk opgemaakt. En er zat iets van groente door de rijst, dat in stervormige bulten op het bord was geserveerd.

‘s middags hadden we tijd voor onszelf en zaten we onder een afdakje langs een klein riviertje te lezen, dit reisverslag bij te werken en foto’s te benoemen. Tevens schreven we een stukje voor de waarbenjij.nu. Er was voor het eerst in zes dagen stromend water en de gelegenheid om te douchen. Dat deden we dus ook.

Tegen zonsondergang wandelden we naar de ruïnes van een oud klooster dat vernietigd was door de Russische overheersers. We liepen een heuvel op waarvandaan we mooi uitzicht hadden over de omgeving. Daar zagen we nog twee kleine slangetjes.

Uitzichtpunt bij ruïne
De rivier die langs het kamp en het klooster stroomt.

 ‘s Avonds raakten we aan de praat met vier architecten uit Duitsland. Onder hen was ook een Duits sprekende Ier en een Roemeense. Ze hadden de Trans Siberië Express genomen vanuit Moskou en waren daar erg enthousiast over. Onder het genot van een paar glaasjes wodka wisselden we onze reiservaringen uit. Later dan normaal gingen we slapen. De wind gierde om de ger, daardoor hadden we ook niet gehoord dat we bezoek hadden gehad van een muisje. Daar kwamen we de volgende dag achter toen we een zagen dat er een gat was gegeten in één van de bakjes yoghurt, die we als noodrantsoen mee hadden genomen.

Donderdag 5 september 2019

Na het ontbijt in het stenen restaurantgebouw vertrokken we zoals gebruikelijk rond 09.00 uur. Het zou een lange rit worden met een hoop gehobbel.  Direct nadat we het kampterrein verlieten stonden er ineens imposante grote bomen met dikke stammen.  Het waren er maar een stuk of acht, maar wel mooi.

We reden door een plaats waar Tsogoo aangaf dat zijn ouders daar een aantal nachten in een kuuroord zaten en hij vroeg ons of hij achter mocht blijven in die plaats.  Wij hadden daar geen probleem mee en alleen met de chauffeur reden we verder richting de waterval.  Wat we niet wisten was dat dit nog een rit zou worden van twee-en-een-half uur en die rit was weer enorm bumpy. De lucht was afwisselend blauw en dan weer grijs en we zagen de regen in de verte neerdalen vanuit de wolken. In the middle of nowhere stonden twee toeristen met volle bepakking in de stromende regen. Ze waren 4 dagen aan het wandelen in de Orkhon valley en vroegen of er in de buurt een brug was omdat ze naar de andere kant van de rivier moesten zien te komen. Toch maar even Tsogoo gebeld en die bevestigde dat dat het geval was. In de stromende regen lieten we het jonge Franse stel achter. Zij liever dan wij.

Eenmaal bij het gerkamp aangekomen liepen we direct naar de waterval, die zich op anderhalve kilometer van het kamp bevond.  Je kon de waterval al horen, want naast het geblaat van schapen en geiten en het leuke geknor van de yaks is het hier muisstil. Behalve als een nomad zich op de brommer verplaatst.

De waterval was imposant hoog. Het water stortte in een rond meertje en vervolgde z’n weg door een diepe kloof die door het water was uitgesleten om en paar honderd meter samen te komen met een brede rivier, die ook al in een diepe kloof lag.

We zagen échte helden zwemmen in het meertje.  Aan ons niet besteed, want het water was niet echt aangenaam van temperatuur (een ander word hiervoor is domweg: koud) en daarnaast was het bewolkt en kon je dus niet opwarmen na afloop in de zon.

We liepen terug naar de ger. Naast dat je her en der in het landschap helaas plastic flessen en kapotgegooide wodkaflessen tegenkomt, ligt het ook bezaaid met botten. Soms ligt er een hele geitenkop in het veld. Dat zijn de mindere charmes van Mongolië; men is niet erg zuinig op hun eigen omgeving.

Het avondeten was redelijk. In ieder geval kregen we een beetje groente bij het eten.

Vrijdag 6 september 2019

Het ontbijt was niet het beste dat we ooit hebben gekregen. We kregen wel een gebakken eitje en een paar schijfjes warme worst, maar het brood was helaas niet van die ochtend (en ook niet van de ochtend ervoor, waarschijnlijk).

We reden hetzelfde stuk terug dat we gisteren ook hadden gereden; bijna twee en een half uur terug naar de plaats waar we Tsogoo ophaalden. Hij kwam ons al tegemoet lopen toen we eindelijk aankwamen in het dorp.

We reden naar Kharakhorum. Het eerste deel van de rit was over een onverhard spoor. Lekker hobbelen en wiebelen. Toen we bij de afsfaltweg naar Ulaanbatar aankwamen, lunchten we in een restaurantje (niet bijzonder).  We vroegen Tsogoo of we rechtsaf of linksaf zouden gaan over de asfaltweg, waarop Tsogoo antwoorden dat we rechtdoor zouden gaan over een onverhard spoor.

Na een paar uur rijden kwamen we aan in Kharakhorum, waar we de boeddhistische tempel bezochten. Tsogoo stelde voor om eerst het klooster te bezoeken, omdat er voor die middag regen werd voorspeld en daarna pas te gaan lunchen. En dus bezochten we de tempel. We was een aantal gebouwen in zowel Mongools boeddhistische stijl (enkel dak), als ook Chinees boeddhistische stijl (dubbel dak)  en de Tibetaanse stijl (plat dak).  In de paviljoens waren nog originele muurschilderingen en er hing een groot aantal thanka’s.  In de Tibetaanse tempel zaten boeddhisten de boeken op te murmelen. Het was allemaal niet erg groot en ook niet bijster indrukwekkend na onze avonturen in Tibet, maar wel weer leuk om te zien.

In een ger zaten jongetjes de leer van Buddha op te dreunen en het leek er om te gaan wie het dat hardste kon.

Inmiddels was het gaan regenen en we reden naar een écht restaurant, restaurant King, in het stadje.  Het etablissement zag er strak en modern uit, maar daar was dan ook alles mee gezegd, want het eten was niet slecht, maar was ook niet bijzonder.

Inmiddels was het harder gaan regenen en we reden naar ons gerkamp.  Vier gers op een rij, waarvan alleen onze ger een kachel had.  Naast dat het regende, was het ook behoorlijk koeler dan de dagen ervoor en voor het eerst hadden we behoefte aan het opstoken van de kachel in de ger. De ger bleek ook niet helemaal waterdicht te zijn.

De eigenaresse stookte de kachel op en verdween.  Extra hout was niet voorradig in de tent en na een half uur vroegen we Tsogoo of hij ervoor kon zorgen dat er hout werd geleverd.  Pas veel later kwam Tsogoo terug en hij stelde voor om van gerkamp te wisselen, omdat de eigenaresse niet echt welwillend was en omdat Tsogoo en de chauffeur in een niet verwarmde gertent zaten te kleumen van de kou.

We verhuisden naar het Family guesthouse, waar we een veel ruimere, droge ger kregen en waar voor hout en warmte werd gezorgd.

‘s avonds aten we in de gertent. Daar zagen we het jonge Franse stel. Zij hadden toch maar eieren voor hun geld gekozen en waren met een auto mee naar Kharakhorum gelift. Het eten was verre van bijzonder; witte rijst met schapenvlees.  Wie kun je daar nu voor wakker maken?

Zaterdag 7 september 2019

We ontbeten in de grote restaurant ger en het ontbijt was niet slecht; Mongools brood, dat we smeerden met de laatste Nutella die we hadden.  Die moest op voordat we naar Seoul zouden vliegen.

We namen afscheid van de twee speelse poezen en we vertrokken. Vanaf het dorp reden we door diepe en grote plassen na de overvloedige regen van gisteren en al snel zaten we (gelukkig) op een asfaltweg. De weg was echter nog steeds niet in optimale conditie. Op veel plekken waren keurig rechte stukken uit het wegdek gesneden om later opgevuld te worden met asfalt. Maar door de regen van gisteren waren het nu kleine plassen met onbekende diepte en daarom laveerde de chauffeur van links naar rechts over het wegdek, waar overigens weinig ander verkeer reed. Het landschap was weer weids, met aan de rechterzijde van de weg enorm uitgestrekte graanvelden. Het graan was erg laag en geel. Links van de weg waren groene heuvels. We zagen weer erg veel roofvogels, zowel langs de weg als in de lucht. Het is en blijft een imposant gezicht om de grote vogels te zien zweven in de lucht.

Twee Mongolen stonden naast een motor die op z’n zijkant in de berm lag. Twee mannen in een lange oranje jassen, met keurige zwarte laarzen aan en beiden hadden een (ander) wit hoofddeksel. Ze hadden problemen met de rem en onze chauffeur stond ze bij met het gereedschap uit de Russische jeep. Na een kwartiertje sleutelen was de rem gerepareerd en konden wij onze weg vervolgen. Het asfalt was inmiddels in goede staat en we reden behoorlijk door over de kaarsrechte weg.

Bij een plaatsje lunchten we en na de lunch begon het gehobbel weer over een onverharde weg. We waren op weg naar een uitgedoofde vulkaan die zich als een zwarte heuvel openbaarde in het groene landschap. De grond werd ook langzaam zwart van het lavagesteente. De jeep werd geparkeerd en we beklommen een uitgedoofde vulkaan. De vulkaan was net als de rest van de omgeving meer een heuvel en binnen 15 minuten stonden we al aan de rand van de krater. De krater was behoorlijk diep en de wanden in de krater behoorlijk steil. We hadden geen behoefte om af te dalen naar de bodem van de krater.

De Russiche jeep had na het bezoek aan de krater behoorlijke moeite om een heuvel op te komen. De auto had vierwielaandrijving nodig en dan nog spinden de wielen op de losse stenen die op het pad lagen.  We vroegen aan Tsogoo of dit wel de juiste weg was, wat hij beaamde. Eenmaal boven op de ‘pas’ over de heuvel hadden we ineens schitterend zicht op de Terkhiin Tsagaan nuur, oftewel het Therkiin meer (nuur = meer). De zon stond een beetje verkeerd, waardoor we tegenlicht hadden.

Het gerkamp lag op vijf minuten rijden van de lastig te beklimmen heuvel. We keken bij drie gerkampen en kozen voor het kamp waar een groep schoolkinderen was neergestreken. Tsogoo was bang voor geluidsoverlast, maar wij vonden de twee andere kampen erg doods, omdat we daar als enigen waren en we hoopten een beetje op aanspraak. Een tweede voordeel was dat er in ons gekozen kamp elektriciteit in de ger was en goed internetbereik.

We aten in de keuken van het gerkamp. De eigenaar en eigenaresse spraken zowaar een beetje Engels en waren erg gastvrij en goedlachs. De eigenaresse van een kamp dat we ervoor hadden gezien, keek niet op of om naar ons en kwam op ons lui en ongeïnteresseerd over.

We kregen ook een redelijk goede maaltijd, bestaande uit rijst, groente (aardappel en wortels) en yakvlees in een smakelijke jus. Gelukkig een keer geen schapenvlees, want daar wordt je niet echt vrolijk van. Soms heb je mazzel en is hel vlees ‘mals’, maar vaak is het schapenvlees aan de taaie kant, deels veroorzaakt door de vetranden.

Gezellig op tafel stond overigens een grote schaal met wat gekookte overblijfselen van een eerder die dag geslacht schaap: de ingewanden. En hoewel de groep Mongolen in de keuken (geen idee wie het waren, maar naast ons zaten nog een stuk of vier Mongolen bij ons aan tafel, naast de eigenaar en de eigenaresse) van de schaal met ingewanden gretig snoepten en Tsogoo ons ook uitnodigden om te proeven, hielden we ons er verre van.

’s Avonds boekten we het vliegticket vanaf Jeju (eiland ten zuiden en onderdeel van Zuid-Korea) naar Taipei en boekten we ook de huurauto in Zuid-Korea. Op de website van Avis hadden we een verhuurlokatie gevonden (Hongkik University), waar de auto’s 50% goedkoper waren dan op de andere verhuurlokaties van Avis, waardoor de auto nog maar zo’n 20 euro per dag kostte.  Tevens stond op de Avis website dat het eigen risico bij schade USD 0 zou zijn.  Hopelijk gaat dat goed als we de auto op gaan halen. We houden er alvast rekening mee dat ze zich gaan verschuilen als ‘een fout op de website’.  Het enige dat we nu nog moeten vastleggen is een vlucht vanuit Seoul naar Jeju, maar dat zou niet zo’n probleem moeten zijn aangezien er tenminste ieder kwartier (!!)  en vlucht vertrekt naar Jeju vanuit Seoul.

Na de administratieve handelingen namen we een welverdiende Ghinggis wodka.

Zondag 8 september 2019

Volgens Tsogoo gisteravond zou vandaag een kort dagje reizen zijn en dus spraken we af (pas) om 08.30 uur te ontbijten in plaats van 08.00 uur zoals de afgelopen dagen gebruikelijk was. Uitslapen!, dachten we, maar de eigenaar van de gers kwam om 07.15 uur de kachel in de ger aansteken. Hoewel hij dat heel zachtjes deed, werden we toch wakker van de gasbrander waarmee het droge hout werd aangestoken. Het stoken van hout heeft twee nadelen; de eerste is het feit dat er weinig hout voorhanden is in Mongolië en ten tweede is het een erg inefficiënte manier van verwarmen. De ger wordt erg snel erg warm (zodat je de deur van de ger maar weer open doet voor verkoeling), maar zodra het hout verbrand is, wordt het direct weer koeler.

Om 08.30 uur ontbeten we. De eigenaars van de ger waren -voor het eerst eigenlijk- echt hoffelijk en schoven van alles naar ons toe. Er was (koud) Mongools brood en zelfs verse kleine, gefrituurde  broodjes die iets weg hadden van oliebolletjes. Verder was er jam (diverse soorten) en honing.

Rond 09.15 uur vertrokken we. De hemel was deels blauw en deels grijs. Zou het blauw overheersen vandaag of niet?

We reden aan de rechterzijde van het meer noordwest waarts. De weg was niet van al te beste kwaliteit, ondanks dat dit de ‘hoofdweg’ was naar het noorden. We reden door een heuvellandschap met geel gras. We passeerden erg veel kuddes met yaks, die verschrikt een korte sprint namen als de Russische jeep dichterbij kwam. Ook zagen we veel roofvogels en natuurlijk weer immens grote kuddes schapen en geiten. Her en der in het landschap stonden gers. De toeristen-gers waren overigens al voor een deel ontmanteld en alleen de ronde funderingen waarop de gers worden geplaatst bleven achter in het landschap, alsmede de omheiningen.

De hemel boven het meer was inmiddels donkergrijs, wat het water van het meer zwart deed kleuren. We zagen de regen vanuit de wolken neerdalen, maar gelukkig niet boven ons. De hele weg bleef de scheidslijn tussen grijze hemel en blauwe hemel zo’n beetje boven ons hangen.

We zagen gieren bij een karkas, maar voordat wij hen hadden gezien, hadden zij ons al gezien en zodra de auto halt hield, vlogen ze weg om in grote cirkels boven ons te blijven vliegen.

Plots verschenen de naaldbomen langs de weg en reden we door een vallei met bomen. Schitterend gezicht. Helaas stond er ook een groot aantal dode bomen tussen. Die waren geveld door een worm die zich drie jaar geleden had geopenbaard in de omgeving. Sommige naaldbomen waren geel aan het worden, net als de loofbomen, maar dat is normaal, zo begin september.

De bumpy road ging over heuvels en door stroompjes en rond 13.30 uur waren we bij het volgende kamp, waar we een half uurtje na aankomst een groentesoepje kregen als lunch.

De rest van de middag was vrij te besteden en we werkten met name de website bij en benoemden de foto’s  die we naar de harde schijf hadden gekopieerd. Vaak doen we dat pas thuis bij terugkomst, maar nu doen we dat, vanwege de hoeveelheid foto’s en omdat nu nog helder is waar we de foto’s hebben genomen, zo tijdens de reis.

Kort gingen we samen met Tsogoo en de chauffeur naar een winkeltje in het dorp om een biertje en een flesje wodka te kopen. In de winkel stond een dronken vrouwelijke gast, die iets voor ons wilde betalen. Ze probeerde uit alle macht ons 150 Tugrik te geven, waar je nog geen kauwgombal voor kunt kopen. De eigenaresse werd geïrriteerd toen de vrouw de winkel niet wilde verlaten en probeerde haar naar buiten te werken. Tevergeefs, want de vrouw bleef binnen, zelfs nadat ze twee keer tegen de grond was geworpen door de eigenaresse, waar nu ook weer geen echte aanleiding voor was, omdat de dronken vrouw zich niet echt misdroeg. Ze wilde meer gastvrij zijn, door iets voor ons te betalen. Pas nadat wij hadden afgerekend en de winkel verlieten, deed zij dat ook.

We aten met z’n vieren in onze eigen ger, omdat volgens Tsogoo de medewerkers van het gerkamp een luidruchtig feestje aan het bouwen waren in de restaurant-ger, bij afwezigheid van de eigenaar.

Maandag 9 september 2019

‘s ochtends kwam een vrouw van het kamp rond 07.10 uur de ger in om de kachel aan te steken, zodat we al snel uit de slaapzak moesten, omdat het in de ger een beetje erg warm werd. Maar we moesten toch om 07.30 uur opstaan.

Het ontbijt was in het restaurant. Gelukkig hadden we de dag ervoor in de supermarkt bruin brood gekocht en dat aten we met pindakaas.

We vertrokken en hadden een lange, bumpy weg voor de boeg.

We’re on a road to nowhere….

We hadden lunch in een klein restaurantje onderweg.  In het niets stonden ineens vier kleurrijke huisjes, waarvan er één als restaurantje fungeerde, langs de weg.  We vroegen Tsogoo om een halve portie met weinig vlees, maar dat halve portie was alsnog genoeg voor een heel dorp.  Het vlees was erg vet en dat legden we aan de rand van het bord.  Later zouden we zien dat de agressieve hond, die achter het huisje aan de ketting lag, er smakelijk van smulde. De melkthee kwam uit een zakje en was aan de zoute kant.  Ook niet heel erg lekker.  Alleen de wortelsalade was goed te eten, maar die kwam dan ook uit een potje.

Nomaden te…. motor tegenwoordig.

We reden verder door een bosrijk gebied.  De bomen kleurden al langzaam geel, wat duidde op een intrede van de herfst.

Aan het einde van de dag kwamen we aan bij het Hövsköl Nuur (nuur = meer). Het gerkamp waar Tsogoo in eerste instantie keek, vonden we niet het beste en Tsogoo stelde voor om meer in het centrum van het stadje te kijken naar accommodatie en dat deden we. We belandden in een gerkampje met drie gers en drie blokhutjes in het dorpje en dat deed gezelliger aan.  Daarnaast was de ger ook beter uitgerust, wat inhoudt – minder vies en betere bedden. We keken uit op een grote groep paarden die aan de andere kant van het hek stonden te grazen.

Het avondeten was met name weer erg veel.  Mongoolse noedels met –op ons verzoek met veggies, dus met een stukje aardappel en een stukje wortel erin.

‘s avonds staken we de kachel aan, want het was verrekte koud.  Tsogoo gaf aan dat het bij het meer altijd een stuk kouder was en de noorden wind, die tijd genoeg had om boven het grote meer af te koelen was sterk en onaangenaam.  Later op de avond ging de wind liggen.

Dinsdag 10 september 2019

Na het ontbijt reden we naar de oever van het Hövsköl Nuur. Het was zwaar bewolkt en erg koud (2 graden boven nul), maar de wind was vannacht gaan liggen. Het enorme meer van 140 x 40 kilometer is maar enkele maanden per jaar vrij van ijs.  Tsogoo vertelde dat het meer in oktober al begint dicht te vriezen en dat er in de winter een pak ijs op ligt van 6 meter dik.  Mid-winter is er een ijsfestival midden op het meer en dan staan honderden auto’s op het ijs.  Indrukwekkend.

We hadden vandaag een aangename, maar lange rit voor de boeg.  Aangenaam, omdat de hele rit over geasfalteerde weg zou gaan.  We lazen in ons e-boek en bereidden Korea en Taiwan voor. We lunchten in een wegrestaurant. Er hingen allerlei foto’s van gerechten en wij werden enthousiast van een kipgerecht met een soort curry. Het bleek een pittige Koreaanse soep voor twee personen te zijn met een in stukken gehakte kip. De soepkom wat gigantisch en werd geserveerd met een grote soeplepel. We waren wel even bezig om de maaltijd te verorberen, maar het smaakte erg goed.

Tegen het einde van de middag kwamen we aan bij ons kamp.  Voor het eerst hadden we een blokhut, waarin vier bedden en een tafel met vier stoelen stond. Het weer was behoorlijk opgeknapt na de koude start vanochtend. Nu konden we rustig in een T-shirt lopen en genieten van een blauwe lucht en een zonnetje bij een graad of 20.  Rondom de blokhut groeide op grote schaal edelweiss en de stelen waaraan de bloemen groeiden waren verrassend hoog, zo’n 10 centimeter.

Vanaf het kamp hadden we mooi zicht op een aantal eeuwenoude vulkanen. Perfecte symmetrische heuvels in het landschap en mooi om te zien. In de uitgestrekte groene velden stonden her en der gers. Om de gers liep veel vee heen.  We zagen de modern herders het vee met behulp van hun motor terugdrijven naar de ger toen het avond werd.

We dineerden in het restaurant van het kamp, nadat we heerlijk hadden gedoucht.  Het eten was verrassend goed.  Er was een soepje vooraf, een smakelijke en gelukkig niet al te grote hoofdmaaltijd en we kregen watermeloen achteraf.  Na onze ervaringen met watermeloenen in de stannetjes, was dit maar een klein meloentje en zeker ook niet zo smakelijk als de zoete reuzen in de stannetjes.

Na het eten werd de kachel in onze blokhut aangestoken en dronken een wodka. We benoemden  de foto’s die we afgelopen tijd hadden gemaakt.  We benoemen de foto’s nu regelmatig, omdat nu nog helder op het netvlies staat waar we de foto’s hebben gemaakt.  Achteraf bij thuiskomst zou dat zowel een berenklus zijn om de duizenden foto’s te benoemen en dan zouden we ook niet precies meer weten wat en waar we de foto’s hebben genomen. Alleen de datum is dan nog een aanknopingspunt. Ook selecteerden we de foto’s voor de website.

Woensdag 11 september 2019

Na een ‘warm’ nachtje in onze blokhut aten we vanochtend tezamen met een grote groep Franse toeristen en een Duits ouder echtpaar in het restaurant het ontbijt. Niet gezamenlijk aan een tafel, maar allen apart.  Wij zaten, zoals gebruikelijk met Tsogoo en Ulzii aan tafel.

Na het ontbijt gingen we op weg.  Vrijwel de gehele rit zouden we over een verharde weg rijden. Wat een ultiem genot na al het gehobbel van de laatste dagen. Alleen de laatste 50 kilometer was weer hobbelen en schudden over een zandweg.

We reden door Edernet, de derde stad van Mongolië, die bekend staat vanwege de kopermijnen. We waren er rond 11.00 uur en Tsogoo stelde een vervroegde lunch voor als we daar prijs op stelden. Hij zelf had last van z’n kiezen en moest naar een tandarts.  We gaven aan dat het ons nog iets te vroeg was voor lunch, waarop hij voorstelde dat wij drie kwartier door Edernet zouden lopen terwijl hij zijn gebit zou laten nazien. Dat vonden wij een goed idee, want toen we door de stad reden hadden we gezien dat het behoorlijk levendig was.

We liepen wat door een winkelstraat en keken in een aantal winkeltjes. Op Maps.me had Marjolijn dezelfde bakker gevonden als waar we in Ulaanbatar taartjes hadden gegeten met een kop koffie erbij en we liepen er heen.  We hadden nog niet besteld en afgerekend en Tsogoo belde al dat hij klaar was bij de tandarts en we gaven aan dat we terug zouden keren naar de auto.  Maar eerst genoten we van het taartje. Helaas was er geen koffie en dus dronken we een kopje groene thee.

We liepen terug naar de auto.  Een oud vrouwtje met wandelstok in traditionele kleding liep voor ons. We weten niet of ze het zelf door had, maar de appels die op haar kleding waren gedrukt leken sterk op dat van een elektronicamerk. Meisjes in schooluniform met veel te grote rugzakken op waren op weg naar school. Verder keken we goed naar de grond, want putdeksels staken soms wel 20 centimeter boven het trottoir uit.

Bij de auto bleek Tsogoo goed nieuws te hebben; er was niets serieus aan de hand met z’n gebit.  De verstandskies zorgde voor druk op het gebit en de tandarts wilde de verstandskies direct trekken, maar dat moest later maar gebeuren.

We reden langs de kopermijnen en de thermische warmte-opwekcentrale. Enorme buizen lagen boven de grond, waar het warme water doorheen werd getransporteerd.

We lunchten rond 13.00 uur in een restaurantje langs de weg.  Nou ja, restaurantje.  Het was een huisje met twee tafeltjes en een enorme keuken waar verder weinig in stond. We kregen (weer) de standaard Mongoolse noodles en hoewel het niet zo bijzonder is, vinden wij het zo’n beetje het beste te eten. Zoals gebruikelijk moesten we het vlees snijden met een tweede vork.  Messen bestaan domweg niet of nauwelijks in de restaurants.  Tsogoo had voor ons een halve portie besteld, maar daarvan konden we nog niet alles op (het halve portie was niet veel kleiner dan de hele portie van Tsogoo en Ulzii. Tsogoo had ook 8 meat pies besteld. Deze waren zo gigantisch dat ze er vijf lieten inpakken voor later.

Na de lunch verlieten we de verharde weg en kregen we weer een portie hobbel en bobbel. Het is goed dat het Russische busje van binnen gestoffeerd is.  Het landschap was weer heuvelachtig en groen.  We reden door een aantal ondiepe stroompjes. Aan het einde van een lange weg door de heuvels stond het kloostercomplex.  Ulzii parkeerde de auto en we liepen het kloosterterrein op.  Het was er doodstil; we waren er als enigen.  De hoofdtempel was wel weer leuk om te zien.  Helaas zat alles erg slecht in de verf.  Kippengaas weerhield duiven ervan te gaan zitten (en met name schijten) onder het dak. Her en der hing er een karkas van een duif in. In de tempel waren slechts twee monniken.  Twee jonge jongens, die met hun mobiele telefoon bezig waren, ondanks dat wij er met behulp van stickers op werden gewezen geen mobieltje te gebruiken.

De andere complexen waren gesloten, maar Tsogoo vroeg een van de monniken de tempels, waarvan er één in een gertent was, te openen en dat deed hij. 

Daarna liepen we naar de stupa die op een heuvel stond. Er stond een behoorlijk stevige wind die je ook wel storm kunt noemen. Desondanks rook de omgeving heel kruidig en al snel zagen we dat de bodem bezaaid was met dilleplanten. Er was een mooie, lange trap aangelegd met lantaarns naar de stupa toe.  Alleen waren de meeste lampenkappen verdwenen en stak er alleen nog –hier en daar- een LED-lamp uit de fitting. We bestegen de trappen en kwamen bij vele boeddhabeelden uit, die gemaakt waren van marmer. Kraaien vlogen in de lucht, maar kwamen nauwelijks vooruit in de sterke wind. Gebedsvlaggen wapperden in de wind. We liepen een rondje om de stupa heen en namen daarna een pad naar een andere heuvel, waar een enorm groot boeddhabeeld stond. Ook hier was een lange trap naar het beeld aangelegd, maar hier waren de lantaarns nog heel. ‘s avonds zouden we zien dat de lampen helemaal niet brandden.

We hadden een ger nabij het klooster in het kleine dorpje.  De eigenaresse was de Mongoolse Ma Flodder, althans zoals ze eruit zag.  De oude dame was gastvrij, maar een lachje kon er niet vanaf.

Tsogoo maakte in het kleine keukentje op het éénpits elektrische kookstel een rijstmaaltijd, die niet heel erg bijzonder was. De ingrediënten waren beperkt.

Een andere vulkaan in een heel ander gebied.

‘s Avonds zaten we in de ger, terwijl de ‘storm’ om de ger gierde. We vroegen een e-visum voor Australië aan via het internet; al met al een tijdrovende klus (drie kwartier), maar direct werd het elektronische visum verstrekt. Nu kunnen we (als we dat willen) een vliegticket naar Australië boeken voor na de reis door Taiwan.

We pakten de rugzakken goed in, zodat we daar morgen geen omkijken meer naar hebben.

Donderdag 12 september 2019

We ontbeten in de ger. We hadden nog wat yoghurtjes en muesli en appels en die moesten op voordat we vanavond op het vliegtuig zouden stappen. En om heel eerlijk te zijn was dit één van de betere ontbijtjes van de afgelopen 15 dagen. Na het ontbijt deden we de rugzakken voor de laatste keer in de auto en vertrokken we.

Tot aan de hoofdweg was het weer hobbelen.  De chauffeur leek een alternatieve route te nemen en moest onderweg de weg vragen aan een herder op een brommer, die achter z’n vee aan reed. We stopten nog om de laatste foto’s te nemen van het heuvelachtige landschap met de vergezichten.

Eenmaal op de hoofdweg was het even genieten, dat wil zeggen… weinig gehobbel. We lunchten bij een goed wegrestaurant langs de hoofdweg tussen Ulaanbatar en Erdenet. Het eten was zowaar erg smakelijk en zoals gebruikelijk was de portie weer enorm. Verhongeren zul je niet in Mongolië.

De weg tussen Ulaanbatar en Erdenet wordt voor het grootste gedeelte opnieuw aangelegd en dat betekende dat er veel omleidingen waren en die waren weer hobbelig. Tijdens de rit bereidden we de reis door Taiwan voor door op Maps.me de bezienswaardigheden te ‘pinnen’.  Maps.me werkt offline en die software gebruiken we ook als routeplanner. Bij iedere pin vermeldden we de pagina uit de Lonely planet waar de informatie over die plaats of bezienswaardigheid staat, zodat we tijdens de reis niet teveel hoeven te scrollen op onze tablet, waar de reisgidsen in pdf-formaat op staan.

Tegen half zes kwamen we aan in Ulaanbatar.  We hadden Tsogoo en Ulzii uitgenodigd voor het avondeten en gevraagd of ze ons af zouden kunnen zetten op de luchthaven. Dat had voor ons als voordeel dat we niet met de rugzakken door Ulaanbaatar hoefden te zeulen en dat we ook geen taxi hoefden te regelen.

We reden naar een shopping mall, waarvan Tsogoo zei dat daar de originele skeletten van een aantal dinosaurussen stonden.  Deze stonden daar tijdelijk vanwege de verbouwing van het dinosaurusmuseum. In de kelder stonden inderdaad drie reusachtige skeletten, waarvan twee, (waaronder een Ceratosaurus) vrijwel volledig intact. De derde was de reusachtige planteneter Shunosaurus, waarvan alleen de nek en de kop ontbrak.

Het tijdelijke dinosaurusmuseum was geopend en dat bezochten we. Er stonden erg veel skeletten en skeletjes van dinosaurussen en dinosaurusjes, die allemaal in de Gobiwoestijn waren gevonden  in de tachtiger Jaren. Nooit geweten dat er ook kleine dinosaurusjes waren geweest.  We kennen alleen de reuzen uit Juressic park, maar hier stonden ook skeletten van beestjes van een meterje hoog. Helaas was het niet toegestaan foto’s te maken in het museum.

We aten in een food court bij een Japans restaurantje. Het eten was erg smakelijk, maar dat is het eten al snel na 15 dagen reizen door Mongolië. Na het eten brachten Tsogoo en Ulzii ons naar de luchthaven, waar we om ongeveer 20.00 uur aankwamen. We bedankten ze uitbundig en namen afscheid. Nog 5 uur wachten voor vertrek.  Maar die tijd gebruikten we om de website bij te werken en om de vereisten rondom het visum voor Nieuw Zeeland uit te zoeken. Nadat we het visum van Australië hadden geregeld dachten we: “laten we even checken hoe het zit met het visum voor Nieuw Zeeland, want die hebben we waarschijnlijk niet nodig. Maar voor de zekerheid even checken”.  En wat blijkt:  per 1 oktober 2019 geldt een visumplicht voor Nieuw Zeeland!  Goed dat we het toch maar even hebben gecontroleerd.