China

Woensdag 4 mei 2005      

Dit is het vervolg van het verhaal uit Laos.

Van ver af was al te zien dat China er heel anders uit zou gaan zien. Vanaf de slagboom die de Chinese grens markeerde, zagen we dat het grensplaatsje er nogal kitscherig uitzag met pastelkleurige en opgesmukte huizen. Een behoorlijk contrast met Laos. De vrouwelijke douanebeambte aan de Chinese zijde was erg vriendelijk en sprak zelfs twee woordjes Engels, maar sloeg op tilt toen ze door Remco’s paspoort bladerde. Ze vond namelijk een uitreisstempel van China in zijn paspoort, maar geen inreisstempel. Ze vroeg of het de eerste keer was dat we naar China reisden. Wij wisten niet beter en antwoorden dat dat inderdaad het geval was. Even later kwamen we er door eens goed naar het stempel te kijken achter dat de stempel was gedateerd op de datum dat we Tibet hadden verlaten. China beschouwt Tibet als haar grondgebied. De douanier belde met iemand en Remco kreeg de hoorn aangereikt. Er bleek iemand aan de andere kant van de lijn die het Engels zeer goed machtig was en Remco legde de situatie uit.

Na ongeveer een uur wachten kwam er een douanier aangelopen met een fax. Het ‘probleem’ bleek te zijn opgelost en nu konden we toch China met een gerust hart betreden. Er stond al een minibusje klaar die ons naar Mengla wilde brengen. In het busje zaten nog drie andere toeristen. We maakten de chauffeur duidelijk dat we nog geen Yuans hadden, maar hij zou in Mengla wel langs de bank rijden…. althans, dat dachten we uit z’n gebaren te begrijpen. De weg naar Mengla was in een uitstekende conditie – wel even wat anders dan in Laos – en de omgeving was veel groener. Dat kwam vooral doordat de berghellingen hier niet platgebrand worden. De weg was begroeid met grote, overhangende bomen aan weerzijde, waarvan de stammen witgeschilderd waren. Het was alsof we door een laan reden. Zelfs de huizen van de hill tribes zagen er stukken beter uit; houten huizen op palen en met houten dakpannen in plaats van stro of bladeren.

Na anderhalf uur rijden kwamen we aan in Mengla en de chauffeur stopte inderdaad voor een bank. De bank was echter dicht, maar er stond wel een geldautomaat. Die accepteerde ons pasje echter niet en we hadden dus nog steeds geen geld. We betaalden de chauffeur met dollars en liepen vervolgens in de richting van het centrum… althans dat gokten we. We kwamen uit bij een pleintje en onze buurtjes van gisteren hadden gezegd dat aan dat pleintje een best aardig en goedkoop hotelletje zat. We wisten het hotelletje te vinden en namen voor 50 Yuan (€ 5,-) een kamer.

Daarna gingen we direct op zoek naar een bank om geld te wisselen. We vonden drie banken, die ook nog open waren, maar die alle drie vanwege de feestweek géén buitenlands geld wilden wisselen en ook géén traveller’s cheques wilden accepteren. We moesten maar tot maandag 9 mei wachten, zeiden ze.

Inmiddels had een mannetje op een fiets ons gespot. Hij wilde wel geld wisselen, maar we hadden in de Lonely Planet gelezen dat dat niet zo verstandig was vanwege het grote aantal valse biljetten van 100 en 50 yuan die op die manier veranderen van eigenaar. Het mannetje sprak redelijk goed Engels, maar begreep waarschijnlijk niet was ‘No!’ betekende. Hij was behoorlijk volhoudend en werd een beetje een stalker. We probeerden hem af te schudden door terug te lopen naar de hotelkamer, maar al snel werd er op onze kamerdeur geklopt en stond hij voor de deur.

Dit ging Marjolijn te ver. Ze deed de deur open met de mededeling dat als hij niet direct maakte dat ‘ie wegkwam, we naar de politie zouden gaan. Dat bleek effectief en hij droop (uiteindelijk) af. Maar… wij hadden nog steeds geen geld. We liepen maar weer naar een van de banken die we eerder hadden bezocht en we ‘smeekten’ de mensen achter de balie om geld te wisselen. Door eetgebaren te maken en ‘geen geld’-gebaren te maken wisten we iets te bereiken dat maar met veel moeite lukt; namelijk het starre van de Chinezen te doorbreken. Het moment dat ze iets flexibeler werden, grepen we direct aan om 40 dollar te wisselen. Snel, voordat ze zich bedenken! We hadden geld!!

Mengla is echt een stadje met veel winkels. Marjolijn concentreerde zich op het zoeken naar sandalen en/of naar stevige sportschoenen ter vervanging van d’r volledig versleten bergschoenen. De schoenen bleken tamelijk gunstig geprijsd, maar alles is ‘Made in China’, dus het is afwachten hoe de kwaliteit is. Ook waren vele schoenen ‘gekopieerd’. De Teva-sandalen die we zelf hadden, lagen tegen veel leukere prijzen hier gekopieerd in de winkel (en wellicht van een betere kwaliteit dan onze Teva’s). We konden ons best redden aan de hand van ons ‘Engels – Mandarin’ woordenboekje, dat nu al een onmisbaar item in onze persoonlijke bagage bleek te zijn. In twee of drie winkels vroegen we naar het busstation en naar de vertrektijden van de bussen naar Jinghong. De werknemers in de winkels wezen allemaal in dezelfde richting voor het busstation en al snel waren we er achter dat de bussen ieder half uur vertrokken. Dat maakte het Chinese winkelpersoneel ons duidelijk aan de hand van een calculator waarop ze de tijd aanpasten. Met een hoop handen en voetenwerk red je je best in China, ha, ha.

’s Avonds dronken we een waterig biertje (maar vreselijk goedkoop) op een terrasje naast het hotel. Twee toeristen die op weg waren naar Laos hadden ons gevraagd bij hen te komen zitten en een en ander te vertellen over Laos. En zij gaven ons meer informatie over China. Enige tijd later schoof ook een Amerikaan bij ons aan. Waarschijnlijk waren nu wel alle ‘blanken’ toeristen nu op dit terrasje verzameld. Weer even later kwam er een Chinese man langs die een stoeltje pakte en bij ons aan tafel kwam zitten. Hij sprak verbazingwekkend goed Engels en bleek zeer veel te weten over de geschiedenis van Amerika en over de landen waar wij vandaan kwamen (Nederland / Israël / Amerika).

Vrijdag 5 mei 2005

We ontbeten met een noodle soepje in het restaurantje naast het hotel. In eerste instantie kregen we een menukaart in het Chinees uitgereikt, waar we natuurlijk helemaal niets mee konden. In ons ‘Point it’-boekje zochten we een plaatje van een kom soep op, maar die was niet volledig identiek aan het kommetje soep dat in het restaurant werd verkocht en dus begreep de serveerster er niets van. Ons woordenboekje bracht ons verder en we bestelden ‘noodles’. Even later kregen we een grote kom noodle soep voorgeschoteld.

Na het ontbijt pakten we de rugzakken en liepen we naar het busstation. Onderweg probeerden we bij een bank nog geld te wisselen. Die bank was gisteren nog gesloten en vandaag weer open, dus nieuwe ronde, nieuwe kansen. Maar ook nu hadden we geen geluk.

Inmiddels had onze stalker ons weer gespot en hij kwam alweer de bank binnenlopen. We stuurden hem direct weg en wonder boven wonder verdween hij ook. Maar niet voor lang, want bij het busstation stond hij ons alweer op te wachten en volgde hij ons tot aan de kaartjesbalie. Het kopen van kaartjes was kinderlijk eenvoudig; bestemming roepen en geld geven en we hadden kaartjes voor de bus van 09.25 uur. Dat was 10 minuten later!

De busrit naar Jinghong verliep soepel, alhoewel er frequent werd gestopt. We waren al bang dat de rit door al dat gestopt veel langer zou gaan duren dan de 5 à 7 uur waar we rekening mee hadden gehouden, maar dat bleek achteraf erg mee te vallen. Na 4 1/2 uur kwamen we aan in Jinghong. Het eerste deel van de rit stonden alle ramen van de bus open en dat was maar goed ook, want er werd flink gerookt in de bus. Minder prettig van de open ramen was dat de mannen uit het raam hingen te rochelen. Ongeveer halverwege vond de chauffeur het waarschijnlijk te heet worden en gaf hij aan dat de ramen dicht moesten en de airconditioning aan. Wij vonden dat een minder goed idee, maar we trokken aan het kortste eind.

Verbazingwekkend genoeg werd er niet of nauwelijks nog gerookt. In Jinghong stopte de bus op het long distance busstation en in de directe omgeving daarvan zochten we een hotelletje. Remco bekeek drie kamers in drie verschillende hotelletjes en nam een kamer in het laatste hotelletje. De hotels zijn vanaf de straat zo te herkennen. De lobby is altijd betegeld met plavuizen en hierin bevindt zich een receptie in in de vorm van een halve ‘U’. Boven de receptie hangen altijd enkele klokken. De lay out van de kamers lijkt in ieder hotel wel hetzelfde en de reden om voor het laatste hotel te kiezen, was omdat daar plavuizen in de kamer lagen in plaats van (oud en smerig) tapijt.

Het eerste dat we deden toen we de spullen op de kamer hadden gelegd, was naar de Bank van China lopen om daar geld te wisselen. Buiten de Bank van China stond een geldautomaat en we hadden dit keer wel geluk. Het apparaat gaf ons de yuans die we zo hard nodig hadden. Daarna liepen we naar het Forest café, dat samen met het Mei Mei café en het Mekong café de westerse toeristen bedient met een Engelse menukaart en onder andere westerse maaltijden. Tevens is er beperkte reisinformatie te verkrijgen.

Vrijdag 6 mei 2005

We hoefden vanochtend niet vroeg op en deden het rustig aan. We liepen via de Jademarkt naar het Mei Mei café. De jademarkt wordt ook wel de Birmese markt genoemd, want alles wat daar wordt aangeboden vindt z’n oorsprong in Birma. Er werd naast jade veel houtsnijwerk aangeboden. De verkopers zijn ook duidelijk van Birmese afkomst, want je herkent ze direct aan hun longgy’s; iets dat de Chinees niet snel zal aantrekken. In het Mei Mei café ontbeten we met een fruit muesli met yoghurt en daarna maakten we even gebruik van het gratis internet. We verkleinden foto’s voor ons online fotoalbum en typten enkele berichtjes aan familie, vrienden en kennissen.

We liepen wat door Jinghong en gingen op zoek naar een paar nieuwe bergschoenen voor Marjolijn, zonder succes overigens. We slaagden er wel in om de sandalen van Marjolijn professorisch te repareren, zodat we in ieder geval niet meer op zoek hoefden te gaan naar nieuwe sandalen.

’s Avonds aten we in het Mekong restaurant. Hier ontmoetten we Giles weer. We waren met deze Canadees in Muang Sing in Laos naar de bergdorpjes geweest.

Later schoof ook Ed aan. Dit was een Britse jongen die in Shanghai woonden en daar samen met twee vrienden een advertentiebureau runt. Hij was voor een weekje op vakantie.

Zaterdag 7 mei 2005

We ontbeten bij het Mei Mei café. Dit is een populair reizigerscafé waar je wat ervaringen kan uitwisselen onder het genot van een hapje en een drankje. Ze hebben ook een gratis internet voorziening en een tv-hoekje waar je dvd’s kunt kijken. Vanuit ons hotel is dat ongeveer 10 a 15 minuten lopen.

Tijdens het ontbijt schoof Ed aan. Hij verwonderde zich erover dat er bijna niemand op straat was. Dat alles hier wel erg laat op gang kwam. Wij vertelden hem dat het gisteren ook niet veel drukker was. Het is voor Chinese begrippen een erg rustig stadje. Wij vonden het wel prima. Na het ontbijt huurden we fietsen bij een fietsverhuurder twee winkels verderop. In het ‘travel book’ in het Mei Mei café stond een fietstocht door de omgeving.

De route ging deels over een verharde weg, stond in het boek. Dat dat onverharde stuk als gevolg van de regen van de afgelopen nacht was geworden tot een glibberig modder/kleipad, dat hadden we vooraf niet kunnen voorzien. De wielen liepen vast door de modder, die zich nestelde in de voorvork en het frame. Onze schoenen zaten tot aan onze enkels onder de modder. We waren blij toen we de verharde weg weer bereikten. Doordat het behoorlijk dreigend weer was, maakten we rechtsomkeert toen de eerste spatjes uit de hemel vielen. Daardoor werd het een niet al te lange, maar wel intensieve fietstocht. Terug in Jinghong fristen we onszelf op de kamer op en spoelden we direct de kleding uit, die ook smerig was geworden tijden het fietsen. We kochten een vliegticket naar, Dali, omdat het idee van een uurtje vliegen ons meer aansprak, dan 36 uur in de bus.

Inmiddels was het steeds harder gaan regenen. We liepen naar het Mei Mei Cafe en gingen daar een beetje zitten lezen en internetten. Omdat het bleef regenen besloten we hier ook ’s avonds maar wat te eten.

Zondag 8 mei 2005

We openden de gordijnen en … het regende! Door de regen bleef ons programma een beetje beperkt tot wat winkelen en rondkijken in een grote supermarkt. Om 12.00 uur checkten we uit en lieten we de rugzakken achter in een afgesloten ruimte in het hotel. Onze rugzakken werden voorzien van een labeltje en we kregen een bonnetje mee. En dat terwijl we de enigen waren die de rugzakken op dat moment op lieten slaan. Laat de Chinezen alsjeblieft niet afwijken van hun patronen, want anders loopt alles in het honderd.

Om 14.30 uur namen we een taxi naar de luchthaven voor Y 20. We moesten nog een tijdje wachten voordat we konden inchecken. In China moet je anderhalf uur van tevoren aanwezig zijn en wij waren er twee uur van tevoren. In de incheckhal stonden helemaal geen bankjes en er was geen vertier, Een Chinees meisje kwam op ons aflopen om een praatje te maken. Ze stond te wachten op een vriendin die vanuit Kunming kwam. Haar Engels was heel aardig en het was wel even leuk om met haar te praten en wat meer te weten te komen over China. Ze wist een aardig hotel in Dali en schreef de naam van het hotel in onze reisgids. Nadat we waren ingecheckt en door de beveiliging waren gelopen, kregen we te horen dat het vliegtuig vertraging had. We zagen allerlei vliegtuigen landden, maar een vliegtuig van onze maatschappij zat er niet bij. Om 17.15 uur konden we opeens ‘boarden’ in een vliegtuig dat niet van onze maatschappij was. De vlucht verliep goed, maar er was alleen sprake van meer dan gewone turbulentie. De Chinese dames aan de andere kant van het gangpad vulden gretig hun kotszakjes.

De bemanning liep tot twee keer toe naar voren in het toestel om na een aankondiging in het Chinees te buigen als knipmessen. Dat was een behoorlijk komisch gezicht. Nadat we waren geland op het vliegveld van Dali, dat op een afgetopte berg is aangelegd, bleek dat wij een van de weinigen waren met grote bagage. In China reist men kenbaar licht. We liepen naar buiten, waar een hele rij taxi’s stonden te wachten. Marjolijn vroeg aan een Westers stel dat bij een taxi stond of ze het een idee vonden om een taxi te delen naar Dali en dat sprak hen wel aan. En zo zaten we even later met een stel Russen in de taxi naar Dali. De chauffeur gebruikte de meter, dus geen gezeur met prijsonderhandelingen. De Russen spraken goed Engels en zij sprak ook een beetje Chinees.

De chauffeur was ondertussen bezig met autorijden, bellen naar het hotel dat we hadden opgegeven om te vragen of er kamers vrij waren, trachten de vangrail te ontwijken, bellen naar een vriendje van hem die in het Engels duidelijk kon maken dat de chauffeur graag de volgende dag ons rondreed voor Y 200 etc. De taxichauffeur bracht ons in eerste instantie naar een veel te duur hotel. Dat viel zowel niet in het budget van de Russen als dat van ons. Het tweede hotel lag er direct tegenover en daar wisten we de kamerprijs te reduceren van Y 130 naar Y100 per nacht (Y 260 volgens het bord). De kamer zag er zeer verzorgd uit en Remco vond het net het Hilton.

We aten bij het Wooden House in ‘Foreigner Street’. Foreigner Street is niet de echte naam van de straat, maar de bijnaam vanwege de vele westers georiënteerde restaurantjes en cafés. In het Wooden House was het erg druk en er bleek een enorme grote groep Belgen te zitten. Die kwamen we even later weer tegen in ons hotel! Op de kamer keken we naar CCTV (China Central Television), de enige Engelstalige zender die op de tv te zien was, maar al snel lagen we op een oor.

Maandag 9 mei 2005

Onze eerste nacht in onze super-de-luxe kamer is goed bevallen, maar ’s ochtends werden we al om 07.00 uur wakker. Bij het uitzoeken van een kamer gisteravond hadden we juist gekozen voor een kamer ver van de receptie en de binnenplaats / parkeerplaats om zo rustig mogelijke kamer te hebben. We hadden gisteren gezien dat we uitkeken over een mooi binnentuintje, maar wat we gisteravond niet wisten was, dat daar iedere ochtend om 07.00 uur Tai Chi wordt beoefend door de lokale dames. Dit gebeurt onder het genot van een muziekje en instructies uit een schelle megafoon. Niet dat die nu zo hard aanstond, maar we werden er wel wakker van.

En zo zagen we de vrouwen allemaal rare bewegingen maken om er maar vooral fit en gezond uit te blijven zien. Na drie kwartier van oefenen was het voorbij en keerde de ‘rust’ terug. Op de kamer maakten we een kop thee/koffie met behulp van het hete water uit de thermosfles die op geen enkele kamer ontbreekt en daarna gingen we ontbijten in ‘foreigner street’. Al vrij snel nadat we aan een tafeltje op een terrasje waren gaan zitten, schoof er een vrouwtje bij ons aan tafel dat aan ons wel een boottripje of entreekaartjes tot de kabelbanen wilde verkopen. Vreemd genoeg werden die tegen een prijs fors onder de op het ticket geprinte prijs verkocht. Zo zou een ticket voor een boottochtje over het meer Y100 kosten, maar die prijs wisten we snel te reduceren tot Y 30 en de tickets voor de grote kabelbaan zouden Y82 kosten, maar die verkocht ze voor Y 65. We maakten het vrouwtje duidelijk dat het onze eerste dag was in Dali en dat we vandaag het plaatsje zelf zouden verkennen en wellicht morgen op haar aanbod terug zouden komen.

Na het ontbijt liepen we naar de westpoort en daarachter bleek een marktje te zijn. Het eerste dat opviel op de markt was dat op ieder tafeltje een megafoontje lag, waaruit een schel geluid kwam, dat om de paar seconden werd herhaald. We verstonden er niets van, maar het was duidelijk dat op deze manier de aanbiedinkjes werden aangeprezen. Het was een kakofonie van geluiden en het was niet echt mooi. Nogal schel. Dan zijn de marktkooplieden op de Albert Cuyp toch een stuk leuker en authentieker.

Op de markt liepen veel oudere mensen rond in kledendracht en dit keer was het niet voor de toeristen, zoals wel het geval is binnen de stadsmuur. Oude Chinese mannetjes zaten langs de weg pijp te roken en op straat was een grote openbare kapsalon. Vele mensen waren aan het knippen in witte doktersjassen. Alle kapsels konden worden geknipt, zolang het maar een potkapsel was.

Er werden rode pepers vermalen en verkocht, gebitten gerepareerd (ja, er zijn hier openlucht tandartsen op de markt met verre van vertrouwenswekkende en natuurlijk niet gesteriliseerde apparaten, zoals een trektang). Er werden minder fraaie dingen verkocht, zoals klauwen van beesten (beren?, tijgers?). Het was in ieder geval een erg leuke markt om te zien. Weer eens wat anders dan de talloze groente en fruitmarkten die we inmiddels hebben gezien.

We liepen terug door de westpoort en via de voornaamste winkelstraat liepen we naar de noordpoort en verder naar de 3 pagodetempel. Die lag op 2 km buiten de stad. Onderweg liepen we langs een veemarkt waar met name varkens en koeien werden verhandeld. De varkens werden met paard en wagen vervoerd en gilden het uit terwijl er (nog) niets aan de hand was. Bij de 3 pagode tempel schrokken we een beetje van de entreeprijs. In ons boek werd nog gesproken over 10 Yuan, maar die bleek in 4 jaar te zijn geëxplodeerd tot 52 Yuan per persoon. Dat hadden we er niet voor over. Even ter vergelijking, de gemiddelde hotelovernachting tot nu toe was 75 Yuan per nacht. Ontbijten doen we voor 30 Yuan en dineren doen we voor 60 Yuan, dus 104 Yuan voor twee entreekaartjes is buitengewoon veel.        

We liepen terug naar Dali centrum en lunchten in Foreigner Street en gingen daarna weer op zoek naar schoenen. Uiteindelijk vond Marjolijn een paar goedzittende bergschoenen van het merk Coleman. Echt of namaak, daar zullen we later wel achterkomen, maar voor 32 Euro kunnen we nauwelijks een buil vallen. Bij de zuidpoort was het een drukte van belang. Talloze vrouwen en meisjes in klederdracht lieten zich voor wat centen op de foto zetten samen met toeristen. Net Volendam. In heel Dali lopen vrouwen rond in klederdracht, maar er is niets authentieks meer aan. Alleen van de oude vrouwtjes kun je aannemen dat ze hun klederdracht niet voor de toeristen dragen, aangezien zij er niets aan verdienen. Voor de rest is het een grote kermis, maar wel een leuke en kleurrijke. De hordes Chinese toeristen zijn behoorlijk erg. Ze zijn duidelijk herkenbaar aan hun identieke baseball caps of aan hun identieke rugzakjes en aan het feit dat ze achter een vrouwtje in klederdracht met een vlag in de hand, aanhobbelen. Ze moeten overal voor op de foto, waardoor wij vaak lang moeten wachten voordat we een foto kunnen maken zonder toeristen op de voorgrond.

Dali zelf is best een aardig stadjes, zolang je maar door al het toerisme heenkijkt. De stad is ommuurd en heeft (ten minste) drie poorten. Zowel de muur als de poorten zien er uit alsof ze net zijn neergezet, maar ze zijn wel mooi. De voornaamste winkelstraat wordt gekenmerkt door een kanaaltje met daarlangs vele planten in potten. Erg fleurig. De winkels worden van de weg gescheiden door houten panelen in plaats van glazen etalages en die houten panelen zijn prachtig bewerkt met houtsnijwerk. Alles is laagbouw, wat het ook mooier maakt.

Daarnaast zijn de vrouwen dop straat irritant die iets aan je willen verkopen. Naast korte excursies in Dali en omgeving hebben ze steevast een hoeveelheid Marihuana in de aanbieding. Met een fotoalbumpje komen ze naar je toe en laten ze een foto zien en zeggen dan hardop ‘do you want’ en fluisteren dan ‘marihuana’.

Woensdag 11 mei 2005

Ochtendgymnastiek om 07.00 uur – althans voor de lokale dames – in de achtertuin van het hotel. We kregen er niet veel van mee, want we hadden onszelf bewapend met oordopjes en werden lekker pas een uurtje later wakker. We ontbeten weer met een fruitmeusli met (gezoete) yak-yoghurt in het Tibetan Cafe en kochten daarna kaartjes voor de minibus van 10.30 uur naar Lijiang. Ineens moesten we ons haasten en hadden we maar een half uurtje om uit te checken en ons bij het ticketbureautje te melden. We zouden ons om 10.20 uur moeten melden bij het ticketbureautje in Foreigner Street waarvandaan we zouden vertrekken, maar toen we het hotel uitliepen stond een minibusje klaar en de eigenaar maakte ons duidelijk dat hij naar Lijiang ging. We lieten ons ticket zien en die accepteerde hij. Dat scheelde ons weer een klein eindje lopen en zodoende vertrokken we om 10.15 uur richting Lijiang.

Het eerste deel van de route, ongeveer tot aan het noordelijke deel van het meer, reden we door een vlak gedeelte. Overal waren mensen in lange rijen bezig de jonge rijstplantjes uit te zetten. Sommige akkers waren nog niet gedaan en op andere akkers stonden de uitgezette rijstplantjes in kaarsrechte lijnen. De mensen droegen laarzen en stonden de hele dag gebogen om de rijstplantjes uit te zetten. Wat een arbeid, zeg! Even verderop werd graan geoogst en het zag er sterk naar uit dat na de oogst van het graan de akkers geschikt worden gemaakt voor het verbouwen van rijst. Nadat we de noordzijde van het meer waren gepasseerd, begon de weg te klimmen.

Het landschap werd steeds meer en meer gedomineerd door groene en gele akkers, waar graan op werd verbouwd. Soms zag je (voornamelijk vrouwen) met enorme manden net geoogste graanhalmen de weg oversteken van de akkers naar hun huizen. Sterke vrouwen! Na ruim 2 1/2 uur rijden kwamen we aan in Lijiang. Vandaag was het een kort ritje. Toen we uit het Long Distance Bus Station liepen, stond een aantal vrouwtjes met foto’s van hun guest house al klaar. Ook kwam er een toerist op ons aflopen met een kaartje van het guest house waar hij en zijn vriendin verbleven en volgens hem was het een heel redelijk guest house. We besloten om een taxi naar dat guest house te nemen.

De taxi bracht ons tot aan de grens van de oude stad. De chauffeuse mocht namelijk de oude stad niet in, omdat die geheel autovrij is. We moesten dus nog een stukje lopen door de oude stad en we moesten regelmatig de weg vragen, maar uiteindelijk kwamen we uit bij het guest house, dat vlak naast de oude stenen brug ligt. De kamer was basic, maar okay en de badkamer zag er verzorgd en schoon uit.

Voor de vergelijking ging Remco nog bij drie andere guest houses in de buurt kijken, maar de kamers waren daar gelijkwaardig of veel duurder en dus besloten we het bij onze eerste keuze te laten.

We slenterden vervolgens nog wat door de stad en aten bij een restaurantje dat goed aangeschreven staat in de Lonely Planet. Hier raakten we ook in gesprek met en Nederlands stel. We konden wat informatie uitwisselen want we reisden in tegenovergestelde richting.

Donderdag 12 mei 2005

Morgen is het vrijdag de 13e, maar in de loop van vandaag kregen we het idee dat het vandaag de 13e was. Na het ontbijt huurden we twee fietsjes bij een verhuurbedrijfje vlakbij het guest house. De eigenaresse sprak (natuurlijk) geen woord Engels en wilde maar liefst Y 400 borg hebben voor de fietsen, die wellicht die prijs niet eens waard waren. We vonden dat niet zo’n goed plan en we regelden een borg van Y 100. We liepen door de oude stad, want de straten in de oude stad zijn betegeld met een soort keien waarvan je een week lang zadelpijn krijgt als je daarover fietst. Daarnaast zijn de straten nogal smal en lopen er honderden, zo niet duizenden toeristen rond die niet voor je aan de kant gaan. Niet zo geschikt om te fietsen, dus.

Eenmaal in de nieuwe stad konden we gaan fietsen en we fietsten in eerste instantie naar de Black Dragon Pool. In het midden van de Black Dragon Pool staat een pagode, die schitterend afsteekt tegen de besneeuwde bergen op de achtergrond. Dit schijnt het meest gefotografeerde object in Zuid West China te zijn en we moeten toegeven, dat het inderdaad een erg mooi plaatje is. We moesten ons wel een beetje in vreemde posities manoeuvreren om niet de enorm lelijke elektriciteitsmasten op de foto’s te zetten. Dat is echt China. Men geeft absoluut niet om uiterlijk en zelfs bij het meest gefotografeerde en pittoreske plaatsje planten ze elektriciteitsmasten neer of bouwen ze op de achtergrond de meest afgrijselijke bouwwerken.

De lucht was strakblauw. We konden het ons niet beter wensen. We liepen nog wat door het park en zagen een groot aantal oude vrouwen in kledendracht rondlopen. Even verder liepen we langs het meer en viel ons oog op een bord dat in het water stond en waarop stond: ‘Take care, fall in wate carefully’. Vriendelijk gebaar van die Chinezen, door aan te geven dat je voorzichtig in het water moet vallen. Ze bedoelden waarschijnlijk je juist niet in het water moet vallen.

In het busstation van Lijiang hing ook al zo’n vreemd bord boven een vuilnisbak. Op dit bord stond: Rubbish Receptacle’. Wellicht bedoelen ze ‘Rubbish recyclable’ of ‘Rubbish responsible’. Maar goed, tot zover was er nog geen vuiltje aan de lucht. Na het bezoek aan de Black Dragon Pool reden we naar Baisha. Het eerste deel van de route was de weg erg slecht (au in de kont, want het zadel was zo hard als een baksteen), maar na een kilometer of vier werd de weg beter. Toen duurde het echter nog 7 kilometer over een vierbaansweg voordat we in Baisha waren. Er was nauwelijks verkeer op straat en de weg was zo breed dat een vliegtuig er op zou kunnen landen en toch vonden de automobilisten het nodig om hevig te toeteren als ze ons passeerden. Behoorlijk irritant.

Na Baisha was het nog zo’n vijf kilometer verder fietsen naar de Yufeng-Si tempel. We vonden het dorpje waar de tempel moest staan wel, maar de tempel niet. Onverrichter zake keerden we terug. De terugweg naar Baisha was iets prettiger. Het was weliswaar dezelfde weg, maar dit keer licht heuvelafwaarts en dus minder inspannend. We fietsten door graanvelden en hele kleine dorpjes, waar we werden nagekeken door de plaatselijke bevolking, alsof ze nog nooit een blanke hadden gezien.

In Baisha bezochten we de tempel aldaar. De tempel staat bekend vanwege de zeer oude wandschilderingen, die de culturele revolutie hebben overleeft. De tekeningen waren erg verweerd, maar nog wel herkenbaar. Nadat we de tempel hadden bezocht moesten we het terrein via de achterpoort verlaten. Toen we daar heenliepen, stonden vier vrouwen op die daar op een krukje zaten. Drie van de vrouwen gingen op een rijtje staan dansen en zingen, terwijl de vierde vrouw ons wees op een donatiebox. Nou, als het zo moet, blijf dan maar zitten.

Eenmaal de poort door liepen we langs een lange rij souvenirstalletjes en de eigenaars waren ineens wakker geworden en kwamen uit alle windhoeken aanlopen om ons op hun waar te wijzen. Het waren allemaal standaard souvenirtjes en bood ieder stalletje hetzelfde aan. Het was heel rustig in het stadje, maar aan het aantal souvenirshops te zien, rekende men op veel meer toeristen. Op een terrasje dronken we wat frisdrank en bestelden we een appeltaartje. Die zag er wel even wat anders uit dan thuis, maar was best te eten.

Na de ‘break’ fietsten we naar een dorpje dat twee kilometer verder lag. De weg was onverhard en onze billetjes vonden het niet zo prettig. In het dorpje zou ook weer een klooster zijn, maar ook die vonden we niet. We raakten een beetje gefrustreerd in het niet vinden van bezienswaardigheden en we besloten terug te fietsen naar Lijiang en op dat moment kreeg Marjolijn een lekke voorband. Omdat het zadel op de fiets van Remco te hoog was voor Marjolijn betekende het dat Remco met twee fietsen terug kon naar Lijiang (11 kilometer) en dat Marjolijn super de luxe met een minibusje terugging.        

Eenmaal terug in Lijiang gingen Remco eerst maar even op bed liggen om bij te komen van de vermoeiende fietstocht. Marjolijn probeerde ondertussen samen met de eigenaar van het guest house te redden wat er te redden viel aan de voorband van haar fiets, maar die bleek echt lek. Volgens de eigenaar zou het Y 1 kosten om de band te plakken. We brachten de fietsen terug naar het verhuurbedrijf en daar wilden ze ons Y 10 berekenen voor het plakken van de band. Altijd hommeles als we fietsen huren en we besloten dat maar niet meer te doen. ’s Avonds ontmoetten we toevallig weer het Nederlandse stelletje waar we de avond ervoor ook mee hadden gesproken. Zij hadden dezelfde fietstocht gemaakt en helemaal geen klooster gevonden. Het lag dus niet geheel aan ons.

Vrijdag 13 mei 2005

Vandaag gingen we naar de Tiger Leaping Gorge. Na verhalen van andere reizigers in Lijiang, die beiden dat het niet al te bijzonder was om de tweedaagse trekking te doen, besloten we om er een eendaagse tocht van te maken. We stonden om 07.45 uur op, maar dat bleek te vroeg om te kunnen ontbijten, want alles in Lijiang was nog gesloten.

Uiteindelijk vonden we een bakkertje waar we wat cakejes kochten. We liepen naar het busstation, waar we de bus van 08.30 uur namen naar de Tiger Leaping Gorge. We hadden een dikke, vrouwelijke buschauffeur en in eerste instantie vonden we dat wel leuk, maar al snel veranderde dat, want ze begon al te toeteren op het busstation en de hele weg bleek ze niet verder te komen dan de tweede versnelling. In een slakkengangetje reden we dus naar de kloof.

Ondertussen zat ze met een andere passagier te ouwehoeren alsof dat belangrijker was dan rijden. Tot onze frustratie en van die van de andere toeristen haalde alles en iedereen ons in. Onderweg werd even gestopt om een foto te kunnen nemen van de ‘eerste’ bocht in de Yangtse rivier. Niet dat dat nu zo bijzonder was, maar alle bussen bleken er voor te stoppen.

Na zo’n 2 1/2 uur rijden bereikten we het startpunt voor de kloof. De andere vier westerse toeristen gingen de tweedaagse tocht lopen en wij bleven achter met een stel Chinese toeristen. We besloten om met z’n vieren een minibusje te delen naar de middle rapids. Die liggen op ongeveer 16 kilometer rijden vanaf het begin van de kloof. Tot onze verbazing reden we niet door het dal, maar over een weg die zich ver boven de rivier bevond. Vanaf de hoofdweg konden we afdalen tot bij de rivier. Om het pad naar de rivier te kunnen nemen moesten we Y 10 per persoon betalen en omdat het zo’n gevaarlijk pad was, werd een gids ook aangeraden. We hadden in Lijiang echter al op berichtenborden gelezen dat die gids overbodig was en we vertrokken dan ook zonder gids.

We lunchten eerst in het restaurant bovenaan het pad ligt. Marjolijn stapte de keuken in en wees wat aan, maar de hulp van onze nieuwe Chinese ‘vrienden’ kwam ook goed van pas. We aten met z’n vieren van de bereide maaltijd. In China is het heel gewoon dat iedereen goed kan horen dat je aan het eten bent, dus er werd flink geslurpt en gesmakt. Een beetje tot ergernis van ons, maar de Chinezen zullen ons wel zeer saaie eters vinden. Met behulp van ons Mandarijn-woordenboekje konden we nog redelijk met ze communiceren, want ze spraken alleen heel basic Engels. Dat verbeterde overigens gedurende de dag. Na de lunch gingen we op weg.

Het pad naar beneden was op sommige stukken wat steil (vrijwel verticaal), maar was goed te doen. Op sommige stukken hing een touw of waren stokken bevestigd voor wat extra houvast. De geschatte tijd op naar beneden en naar boven te lopen zou drie uur zijn. Marjolijn vond het op sommige stukken te steil en wilde niet verder, maar onze Chinese ‘vrienden’ gingen niet verder tenzij we met z’n vieren gingen. Wel sympathiek. Ze bleven haar aanmoedigen en uiteindelijk werkte de Chinese peptalk bij Marjolijn! In de kloof werd de rivier samengeperst tot een breedte van ongeveer 15 meter en het water was vreselijk woest. We klommen op een rots langs de rivier, vanwaar we een schitterend uitzicht hadden over de rivier, de kloof en de hoge bergen, die vrijwel verticaal omhoog rijzen hier.

We vervolgden onze route tot aan een bruggetje dat naar een andere rots leidde. Net als overal wil men geld hebben voor een klein stukje pad, dat ze claimen zelf aangelegd te hebben. De brug zou Y 6 per persoon kosten, maar zag er niet al te stevig uit en leidde alleen naar een rots en volgens ons bood het geen ander aanblik vanaf die rots dan dat we al hadden. De rots was daarnaast zo steil, dat een misstap wellicht meer nadelige gevolgen zou hebben dan ons lief was. We dronken wat fris bij een cafeetje langs de rivier en begonnen toen aan de terugtocht. Die bleek voor ons beter te doen dan voor onze Chinese vrienden, want die deden er behoorlijk wat langer over dan wij.

Het Chinese meisje had van het bergwater onderweg gedronken en voelde zich achteraf niet helemaal in orde. We deden het daarom rustig aan. Bovenaan het pad wachtte de taxichauffeur nog steeds op ons, zoals was afgesproken en nam ons terug naar de upper rapids. Die waren niet zo indrukwekkend als de middle rapids, maar dat kwam ook omdat we niet meer de puf hadden om naar de rivier te lopen. We bekeken de upper rapids vanaf de weg. De chauffeur bracht ons terug naar het dorpje aan het begin van de kloof en van daaruit namen we een taxi terug naar Lijiang. Die was met Y 20 per persoon maar Y 5 per persoon duurder dan de bus en heel wat sneller en comfortabeler.

Nu duurde de rit maar 1 1/2 uur. De auto was een zwarte Volkswagen Passat met gouden biezen rondom de wielkasten. Lekker kitscherig en dat is waar de Chinezen van schijnen te houden. We spraken af dat hij rustig zou rijden naar Lijiang en daar hield hij zich ook aan. Ook heel bijzonder voor Chinezen. Eenmaal terug in Lijiang vroegen we aan onze Chinese vrienden of ze zin hadden om samen met ons iets te gaan eten en dat vonden ze wel leuk.

Uiteindelijk belandden we in een restaurant met alleen een Chinese menukaart (dus er zaten geen toeristen) en we spraken af dat zij het een en ander zouden bestellen. Zij bekeken de menukaart en vroegen aan ons of we gefrituurde kikkerhuid lekker vonden. Dat hadden we nog nooit gegeten en het sprak ons ook niet aan. Ze zeiden echter dat het een groentesoort was en we lieten ze het maar gewoon bestellen. Ondertussen kregen we een kopje Chrysantenthee. De thee zat al in het kopje en met een enorme gieter werd heet water in het kopje geschonken. De gieter had een tuit van wel twee meter en degene die de kopjes inschonk deed dat zeer behendig, zonder ook maar een druppeltje heet water te morsen! De thee (heet water) werd steeds opnieuw weer bijgevuld, dus we konden een groot aantal keren van de inschenkkunst genieten.

Al snel werden de gerechten geserveerd. Het was voornamelijk eten uit de streek van Lijiang. Wat op tafel kwam kunnen we het beste omschrijven als: – mos met een sausje. De Chinezen noemen dit boombloem; – een soort boomschors. Dit bleek de gefrituurde kikkerhuid te zijn. Het had het meeste weg van zeewier; – vier zeer kleine forelletjes, die gefrituurd waren en die je met graat en al moest opeten (en dat ging niet met stokjes). Er bleek niet veel vlees meer aan te zitten, dus het was min of meer gefrituurde forellenhuid. Het was in ieder geval lekker gemarineerd en smaakte best goed.

Verder aten we noodle soep, maïs en champignons. Het was erg gezellig en een reuze leuke ervaring. We aten wat we zelf nooit zouden bestellen, maar nu konden we iets aparts proberen. We namen afscheid van elkaar en spraken af dat we elkaar, indien mogelijk, in Beijing nogmaals zouden ontmoeten. Zij kwamen namelijk uit Beijing en ze zouden ons dan wel de stad laten zien. Leuk idee.

Zaterdag 14 mei 2005      

’s Ochtend liepen we nog wat door Lijiang. Prioriteit nummer 1 was een foto-cd te branden, want de kaartjes raakten bijna vol en na Lijiang zou het wel eens wat moeilijker kunnen worden om een cd-brander te vinden, omdat we ‘off the beaten track’ zouden gaan.

Remco ging op zoek naar lege cd’s en een internetcafé met een cd-brander, terwijl Marjolijn nog wat souvenirtjes ging kopen. Om 11.30 uur checkten we uit en liepen we naar het busstation. Gistermiddag waren we door de chauffeur bij het busstation afgezet en hadden we onze weg gevonden naar ons guest house door het doolhof dat Lijiang heet en vanochtend wisten we wonderwel dezelfde weg terug te vinden, maar dan in omgekeerde volgorde. Na een kwartiertje stonden we op het busstation en hoefden we maar een kwartiertje te wachten op de bus naar Zongdian.

De busrit verliep soepel. We hadden stoelen op de op een na laatste rij gekregen, maar de beenruimte was zo nihil, dat zelf Chinezen pijn in de knieën kregen van het beuken tegen de stoel voor hen. De achterbank was nog vrij en we besloten daar te gaan zitten, zodat we onze benen in het gangpad kwijt konden. Nadeel was wel dat we nu niet meer bij het raam zaten en geen invloed meer hadden op open of dichte ramen. En die bleven natuurlijk dicht en sigaretten aan.

Onderweg werd een echtpaar met een dochter langs de weg opgepikt. Ze hadden nogal wat bagage bij zich en dat ging allemaal op het dak. De vrouw was traditioneel gekleed en had een hoed op die minimaal 50 * 50 centimeter was. Ze ging voor Remco zitten, waardoor zijn uitzicht redelijk werd belemmerd. De vrouw zat nog niet goed en wel in de bus of het raam ging open en stak ze d’r hoofd uit het raam om de maaginhoud even te legen. De andere ramen van de bus bleven gesloten en de ene na de andere sigaret werd opgestoken. We vonden het dan ook niet al te erg dat de traditioneel geklede vrouw regelmatig even een ‘luchtje moest happen’.

De eerste twee uur was de route dezelfde als die we gisteren hadden gereden. Na Qiaotou werd de weg minder van kwaliteit. We gingen weer bergopwaarts en overal was men bezig met de weg, maar de bus reed nog redelijk door. Vanuit het niets verschenen ineens de Chortens (stupa’s) langs de weg, alsmede Tibetaanse huizen met de stokken met gebedsvlaggen op het dak en het was duidelijk dat we het Tibetaanse land inreden. Niet de ‘provincie’ Tibet (de Chinezen zien het als een provincie, maar het zijn gewoon bezetters van een land), maar de uitlopers daarvan. Na zo’n 5 1/2 uur rijden kwamen we aan in Zongdian (Shangri-La), dat op 3730 meter hoogte ligt. Dat was korter dan in onze reisgids stond, maar (natuurlijk) langer dan ons op het busstation was beloofd. Op het busstation van Zongdian stonden vrouwen met foto’s van hun guest house al klaar, alsmede taxichauffeurs. Maar wij liepen uit het busstation en namen daar een stadsbus, die ons vrijwel tot voor het Tibet Hotel bracht. De kamer in het Tibet Hotel was niet bijzonder, maar de bedden hadden allemaal elektrische dekens en dat zou wel eens van pas kunnen komen, want het was behoorlijk wat kouder en minder zonnig in Shangri La (Zongdian) dan in Lijiang. We wisten de kamerprijs te drukken van Y 120 naar Y 80 en dat was ook de prijs die de kamer maximaal waard was. We aten bij het Tibet café, dat nogal lovend in de Lonely Planet staat, maar het was niet echt bijzonder. Daarnaast kwam de helft van wat we hadden besteld nooit op tafel (maar ook niet in rekening gebracht). We hadden ook niet zo’n grote eetlust, dus het was op zich niet zo erg.

Zondag 15 mei 2005

Na het ontbijt namen we bus nummer 3 naar het Ganden Sumtseling-klooster, een Tibetaans klooster dat op 4 kilometer buiten Zongdian ligt. Toen de bus over de heuvel reed zagen we het klooster en het was een brok van herkenning met de Tibetaanse kloosters in Tibet zelf. Terug in Tibet! Goed gevoel. Nadat we entreekaartjes hadden gekocht (Y 10 p.p) liepen we het 300 jaar oude klooster in. Het gevoel van in Tibet zijn, zoals we dat 1 1/2 geleden hadden gevoeld, was weer helemaal terug. Alleen het bezoek aan het klooster was nu anders. We hadden geen gids en geen tijdsdruk en we konden net zolang rondkijken als we zelf wilden. We konden nu ook naar de delen van het klooster die je als groepstoerist niet bezoekt en waar geen monniken zijn die zeggen dat je niet mag fotograferen etc. We konden overal binnenlopen waar een deur open stond, behalve in de keuken. Die was niet toegankelijk voor vrouwen (?). Die monniken zijn geëmancipeerde jongens.

In de belangrijkste zaal was een dienst aan de gang en we konden de zaal niet betreden via de hoofdingang. Die was door middel van een doek afgesloten en werd door twee monniken bewaakt. Via een zijingang konden we echter zonder problemen de zaal in en al snel stonden we te kijken naar de murmelende monniken. Tijdens de dienst (we stonden inmiddels weer bij de hoofdingang) kwamen de belangrijkste monniken naar buiten en gingen even buiten de hoofdzaal een gebedssessie houden. We stonden er met onze neuzen bovenop en het was erg bijzonder om dat te zien. Na de dienst zag het plein rood van de monnikenhabijten. Honderden monniken hadden zich verzameld en het was een leuk gezicht. Allemaal hebben ze dezelfde kleding aan, maar voor de schoenen geldt dat niet en iedere monnik loopt weer op ander schoenen; keurige instappers, hardloopschoenen, slippers, sandalen etc.

We namen de bus terug naar het centrum. Inmiddels was het zwaar bewolkt geworden en we waren blij dat we mooie foto’s van het klooster hadden genomen toen de lucht nog strakblauw was. Omdat we op hoogte waren, wilden we ons niet teveel inspannen en daarom namen we voor 0,05 yuan per persoon de bus terug. In Zongdian kochten we buskaartjes naar Xiangchen voor de volgende dag. Tot onze grote verbazing sprak men een beetje Engels op het busstation en dat terwijl we hier ‘off the beaten track’ waren. In de namiddag liepen we nog wat door de oude stad, waar nog volop schitterende Tibetaanse huizen staan. Een stuk leuker dan de ‘nieuwe’ Chinese stad. Daar is verder niet veel aan.

In de oude stad was men druk bezig nieuwe huizen te bouwen in oude stijl. Gelukkig weten de Tibetanen nog wat mooie architectuur is (alhoewel alle huizen er min of meer hetzelfde uitzien) in tegenstelling tot de Chinezen. We hadden het idee om nog een klooster in de oude stad te bezoeken, maar toen we aan een blanke vrouw vroegen (die daar woonde!) waar het klooster was en ze wees naar een gebouwtje op de top van een heuvel, bedachten we dat we daar geen zin in hadden en we deden dat dan ook maar niet. De tijd (het was aan het einde van de middag), het weer (zwaar bewolkt) en de hoogte waren genoeg redenen om ervan af te zien. We kochten nog wat koekjes, nootjes, frisdrank en wc-papier voor het vervolg van onze reis, omdat we niet wisten hoe basic het zou gaan worden.

Maandag 16 mei 2005

Ons bedje was gisteravond letterlijk het enige warme plekje in de stad. Onze elektrische dekens hadden ons bedje lekker voorverwarmd toen we erin stapten. Vanochtend stonden we vroeg op. We namen een taxi naar het busstation. Niet de taxi die onze aandacht al toeterend probeerde te trekken, maar de taxi die achter hem reed en niet toeterde. Een soort van ontmoedigingsbeleid, alhoewel de Chinezen daar waarschijnlijk niets van begrijpen. Om 07.30 uur vertrok de bus. In de bus zaten nog twee andere toeristen, een Duitse Jongen – Johannes- en een Amerikaanse, gepensioneerde man – Chris -. Verder zaten we tussen de Tibetanen. We vertrokken uit het busstation, maar al snel stonden we weer stil bij een garage. Daar werden de twee achterbanden van de bus gedemonteerd en geplakt, wat 45 minuten vertraging opleverde. Het was bijzonder te zien hoe behendig de buitenbanden van de velg werden gehaald en de binnenband bloot werd gelegd, zonder dat er machinale kracht aan te pas kwam. Simpel met een moker en een soort van breekijzer werd de buitenband van de velg gescheiden. Die mannen moeten berensterk zijn!.

Nadat de banden waren geplakt konden we eindelijk op weg. Het eerste stuk van de weg was verhard en we reden over een soort van kinderkopjes. Hobbel de hobbel. Het regende licht. Al snel ging de weg over in een onverharde weg en dat zou zo blijven tot in Xiangchen. We reden door een dal met aan weerzijde weiden met grazende Yaks en na een uurtje rijden kwamen we bij een politiepost wat ook weer voor wat oponthoud zorgde, maar tevens een plaspauze opleverde. Daarna reden we verder, maar na een minuut of zo was er wat opschudding, natuurlijk in het Chinees. Er werden drie vingers opgestoken door de vriendin van de chauffeur, die als kaartjesverkoopster op de bus meereed. Wij wisten natuurlijk niet wat er aan de hand was en we rekenden erop dat we drie uur extra vertraging zouden hebben.

Het bleek echter zo te zijn dat de weg was versperd door een kapotte truck. De chauffeur was natuurlijk zo sympathiek geweest om z’n truck midden op de weg te parkeren, zodat niemand er meer langs kon. We moesten (gelukkig) allemaal uitstappen en toen een andere truck probeerde de kapotte truck te passeren en daarin slaagde, probeerde de buschauffeur het ook en ook hij slaagde erin de kapotte truck te passeren. Maar er was echt niet veel ruimte meer over tussen de kapotte truck en de afgrond. Nu was die afgrond niet te diep, maar diep genoeg om een bus te laten kantelen.

Toen de bus er langs was applaudisseerden we met z’n allen. Nadat we weer waren ingestapt en we weer verder reden, hoorden we twee doffe knallen direct achter elkaar en we dachten dat de banden het hadden begeven. Het bleek echter dat men met dynamiet bezig was in de omgeving. De rest van de trip verliep verder soepel. Het landschap was adembenemend mooi met vergezichten op dramatische bergen. De weg was verder ook in een zeer redelijke conditie, alhoewel de stukken met een enorme afgrond naast ons soms wat minder prettig waren.

We passeerden enkele hoge passen en voor een groot deel van de route lag de weg hoog tegen de berghelling. De laatste 40 kilometer van de route reden we langs allemaal kleine Tibetaanse dorpjes met traditionele Tibetaanse huizen die allemaal wit waren gekalkt. Tussen de huizen verbouwde men graan, zodat het landschap groen was met witte stippen. Een kabbelend beekje maakte het pittoreske beeld helemaal compleet. Xiangchen, waar we rond 16.30 uur aankwamen was een beetje een teleurstelling. Echt een Chinese, en dus smakeloze, karakterloze stad.

Op het ‘busstation’, niet meer dan een modderig stukje grond, stond een vrouwtje van een guest house klaar en we liepen met haar mee naar haar guest house. De reisgids was verder namelijk niet al te positief over onderkomens in het plaatsje en dus kreeg het verre van vriendelijke vrouwtje van het guest house de voordeel van de twijfel. Het guest house was in een Tibetaans huis en de kamers zagen er best leuk uit, maar de faciliteiten (douche en toilet) waren buiten. Minder praktisch. Het toilet was een beerput. Johannes en Chris verbleven er ook en samen met hen aten we ‘s avonds. Na het eten dronken we met twee Belgen die in tegenovergesteld richting reisden een biertje op het dakterras.

Dinsdag 17 mei 2005

We hadden gisterenmiddag bij aankomst in Xiangchen direct kaartjes gekocht naar Litang. Johannes en Chris waren ons net voor, maar zij hadden geen kaartjes kunnen bemachtigen, omdat het vrouwtje op het ticketbureau hen niet wilde begrijpen en alleen kaartjes naar Kanding wilde verkopen. Toen wij het probeerden was het een minder groot probleem. Wij hebben blijkbaar een beter aura of wie weet hield ze niet van Amerikanen?! Vanochtend was het weer vroeg op, want de bus vertrok om 06.30 uur. Remco had een ‘mooie’ plaats op het midden van de achterbank. Johannes en Chris zaten naast hem en hadden nog beroerdere plaatsen, vanwege de stoelen voor hen. Balen, dus. Marjolijn had het beter voor elkaar en kon naast een Tibetaanse plaatsnemen.

De vrouw zong de hele rit en ze deelde al haar lekkers met Marjolijn. Zo zaten ze met z’n tweeën lekker zonnebloempitten te knagen. In de bus bleken de passagiers van gisteren ook vrijwel allemaal weer aanwezig te zijn. De route naar Litang was weer schitterend. Alleen al vanwege de schitterende omgeving is de detour naar Chengdu via Litang al de moeite waard. We reden weer over hoge passen (4.919 meter) en hoewel het landschap schitterend was, waren de rotspartijen minder dramatisch. Nog altijd passeerden we Tibetaanse dorpjes en soms stonden zwarte nomadententen langs de weg of tegen de heuvels op. Wat een erbarmelijke leefomstandigheden hebben die mensen. Alleen een tent, die weliswaar wordt verwarmd door een vuurtje, maar de rook gaat via een gat in het dak naar buiten en dus echt warm zal het niet worden in de tent.

Verder is er niets in de omgeving. Alleen maar yaks of geiten hoeden en verder is er niets! Geen groente die ze kunnen verbouwen, niets. Toen we Litang binnenreden (4.730 meter hoogte) was de eerste indruk een beetje teleurstellend. We reden een Chinese stad in en stapten op het busstation (inderdaad, weer een modderpoel) uit en liepen naar een guest house. Toen bleek dat daar nauwelijks faciliteiten waren, keken we bij enkele andere guest houses en belandden bij het Crane Guest House, midden in de hoofdstraat. Basic met 1 stinkend Frans toilet voor alle gasten. De kamers waren niet beter anders dan de andere, maar er was een warme douche (buiten het gebouw). Dat was de reden om hier te verblijven.

’s Middags (na 15.30 uur) liepen we een beetje door de hoofdstraat en bleek dat buiten de karakterloze Chinese architectuur het een erg leuk dorpje was. Tashi Delek was de gebruikelijke groet (Tibetaans voor goedendag). De straat werd gedomineerd door Tibetanen, en wat voor Tibetanen! Het bleek dat we waren beland in een stadje waar zonnebrillen en hoeden erg populair waren en hoe groter het brilmonturen hoe beter. In vergelijking tot de monturen hier, draagt Lee Towers een doktersbrilletje!

De monniken hier zijn een beetje fors. Zowel in lengte als in de breedte. Ze krijgen hier blijkbaar goed te eten. De monniken lopen met een geel zonnehoedje, dat onderdeel is van de kledinglijn. Dat hadden we nog niet eerder gezien. Erg leuk. Wat ook zeer leuk was, was dat men zich opvallend makkelijk liet fotograferen. Waar we in Tibet nog wel eens nee te horen kregen op onze vraag of we een foto mochten maken, was het hier veelal geen probleem. Daardoor waren we in staat een aantal mooie plaatjes van die fantastische mensen te schieten. Grappig om te zien was dat de monniken op kleurrijk versierde motoren reden. Ook zagen we vele monniken met mobiele telefoons!

De monniken gaan hier echt met de tijd mee. Op het voornaamste kruispunt in de hoofdstraat is een plaats waar de Tibetanen langs de weg gaan zitten en wij deden dat ook. Al snel waren we omringd door Tibetanen die net zo nieuwsgierig waren naar ons al wij naar hen. Met hun bidkraaltjes en hun draaiende gebedsmolens in hun handen, staarden ze ons aan. Op die manier hadden wij tegelijkertijd de mogelijkheid om die mensen te bekijken. Allebei blij. Een lange, magere jongen met een hoed schuin op z’n hoofd en lang, krullend haar kwam op ons aflopen. Hij droeg natuurlijk ook een zonnebril en had gouden tanden. Hij leek wel een beetje op Michael Jackson in z’n doen en laten.

Dat de Chinezen echt beschikken over wansmaak blijkt wel uit de palmbomen die op 4.730 meter groeien. Nou ja, groeien… ze zijn natuurlijk wel van plastic. Maar palmbomen in de Himalaya… dat is net zo absurd als een plastic gletsjer aanleggen op een strand ergens op de evenaar.

Het zonnetje had zich inmiddels al een tijdje verscholen achter de bewolking en zonder zonnetje wordt het op deze hoogte al snel onaangenaam koud en dat waren we natuurlijk niet meer gewend. ‘s Avonds aten we met Johannes en Chris in een restaurant met een ‘English menu’. Dat stond op een A4-tje, dat op het raam was geplakt. Het menu was in een schriftje geschreven en de meeste woorden waren aan elkaar geschreven, zodat het eerste wat we gingen doen was zinsontleding. Toen bleek dat we uit het menu nog niet veel wijs werden.

Het eten was matig, maar de kok was zeer blij dat we het eten lekker vonden en keek ons continue aan met z’n duimen opgestoken. De kok was wel een vriendelijk ventje, maar juist hij was degene die geen woord Engels sprak. Wie heeft die menukaart dan opgesteld? We spraken in het

restaurant een Tibetaan die de Engelse taal machtig was. Hij vertelde ons dat hij lange tijd in India had gewoond waar hij ook Engels geleerd had. Hij was 7 jaar geleden in 36 dagen zonder paspoort over de Himalaya getrokken onder erbarmelijke omstandigheden. Dit gebeurt vandaag de dag nog steeds. Hij bleek ook een zus te hebben die in Nederland woont.

Woensdag 18 mei 2005

Gisteravond leek het wel of het heel mistig werd in de ‘heuvels’ achter het guest house, maar toen we vanochtend wakker werden, bleek het te hebben gesneeuwd. Niet in het dorp zelf, maar wel op de hoger gelegen heuvels. Een dun laagje sneeuw had de wereld om ons heen wit gemaakt en dat was een heel aardig gezicht. Vanochtend scheen heerlijk het zonnetje, waar we zeer blij mee waren, want dat zou betekenen dat het niet zo koud zou worden als gisteravond.

Bij een bakkertje haalden we cakejes en koekjes. Die laatsten om uit te delen aan de kinderen. Ergens anders haalden we een colaatje en op een pleintje onder de palmbomen aten we ons ontbijtje. We hadden niet zo veel zin in een noodle soepje. De cola deed wonderen, veel suikers natuurlijk en die gaven ons weer extra energie. Na het ontbijtje liepen we naar de Chode Gompa (het klooster) door de oude Tibetaanse wijk.

Het klooster lag boven op de heuvel, dus we deden het zeer rustig aan. De oude wijk was, zoals altijd, veel leuker dan de Chinese stad. In de oude stad stonden Tibetaanse huizen en zaten de Tibetanen hun gebedsmolentjes te draaien in een stoel in de tuin. Ook in de niet verharde straten liepen allemaal Tibetanen met hun gebedsmolens. Er was geen verkeer in de straten. Voordat we bij het klooster kwamen, liepen we langs enkele Chortens en zagen we Tibetanen de kora lopen (pelgrimsroute om kloosters / Chortens). Er was ook een grote hoop met gebedsstenen.

We volgden de pelgrims en kwamen uit bij een klooster met enorme gebedsmolens. Die waren wel twee meter hoog en loodzwaar om in beweging te krijgen. Er stonden / hingen er wel een stuk of zestien! De Tibetanen namen kort notie van ons en gingen snel verder met hun bezigheden. Erg leuk om te zien. De wanden waren, zoals altijd mooi beschilderd. De mensen waren zeer vriendelijk en lieten zich vrijwel zonder problemen fotograferen. Het was duidelijk dat we ons niet op het toeristische pad bevonden. Inmiddels was het half bewolkt geworden en uit de bewolking begon het te sneeuwen. Sneeuw en zon tegelijkertijd. Nog niet eerder meegemaakt! We liepen het klooster in en kwamen daar Johannes en Chris tegen. In het kloostercomplex werd overal verbouwd en er werd zelfs een nieuw klooster gebouwd. Zou het dan toch zo zijn dat de Tibetanen meer vrijheid krijgen? Het zou een goede zaak zijn.

In het klooster konden we overal vrijuit en rustig rondlopen en het was er –afgezien van enkele biddende monniken- erg rustig. We konden foto’s maken en niemand die ons tegenhield. We liepen het dak op, waar enkele grote hoorns stonden, waarmee de monniken van de daken blazen. Helaas niet toen wij er waren. Het bezoek aan het klooster was weer een fantastische ervaring.

We liepen terug naar de nieuwe stad, waar we nog zoveel mogelijk mensen probeerden te fotograferen en van hen genoten. ‘s Avonds begon het te regenen en koelde het snel af. Voldoende reden om lekker vroeg onder de wol te kruipen.

Donderdag 19 mei 2005

Om 06.30 uur vertrok de bus naar Kanding. Het eerste half uur bleek er echter nog een plekje over in de minibus (15 personen ongeveer) en reed de chauffeur drie keer op en neer door het plaatsje. Om 07.00 uur gingen we eindelijk op weg. Het was zwaar bewolkt en het was niet warm te krijgen in de bus.

De route was erg mooi. Het had vannacht weer licht gesneeuwd op de hoge toppen en af en toe reden we door een witte wereld. We passeerden passen van bijna 5.000 meter (4.919) en nog enkele lagere passen. Daarna daalden we af tot in een groene vallei, waar we een lunchbreak hadden. We hadden appeltjes bij ons en peuzelden die op in het zonnetje. Zodoende konden we een beetje opwarmen (zo erg was het nu ook weer niet, hoor!)

Terwijl we ons appeltje aten, fietste er een jongen langs met een aantal ijsjes in z’n hand. Hij was zo van ons gecharmeerd (wie niet, ha, ha), dat hij ons tijdens het fietsen lange tijd bleef nastaren. Dat had hij beter niet kunnen doen, want hij ging met de fiets onderuit. Als z’n ijsjes vlogen over de weg. Dat hij onderuit ging was nog z’n geluk ook, want anders was hij het riviertje ingereden. We stonden namelijk vlak bij een bruggetje over een riviertje.

Na de lunchbreak steeg de weg weer en gingen we weer over passen van bijna 5.000 meter. Witte bergen, zwarte nomadententen en yaks domineerden het landschap. In de bus hoorde we achter ons braakgeluiden en zonder waarschuwing kotste de medepassagier alles uit in het gangpad. We konden nog net op tijd onze rugzakken veiligstellen. Het interesseert de Chinezen allemaal niets als het om anderen gaat. Ongelofelijk gewoon. Op de weg reden allemaal veel te zwaar beladen vrachtwagens, met rokende remschijven. We beginnen zo langzamerhand te denken dat de remschijven watergekoeld zijn, want vele bussen hebben een olievat aan boord die regelmatig wordt gevuld met water en langs de kant van de weg zagen we vele waterplaatsen.

We namen vele foto’s vanuit het raam van de bus. Medepassagiers waren er minder gecharmeerd van dat we steeds de ramen open deden om te kunnen fotograferen, maar wij waren op onze manier minder gecharmeerd van al het gerook en gekots in de bus. We hadden dus een soort van evenwicht bereikt. Exact volgens planning, arriveerden we om 15.00 uur in Kanding. De eerste indruk was dat het weer zo’n saaie Chinese stad zou zijn en die indruk werd bevestigd. Daar kwam bij dat het zwaar bewolkt was. De plaats lag wel heel mooi tussen de bergen. Het deed ons sterk denken aan Andorra.

Vrijdag 20 mei 2005

We sliepen lekker uit en haalden vervolgens enkele cakejes bij een bakkertje. Om 10.00 uur namen we de bus naar Chengdu en tot onze grote verbazing zat onze Amerikaanse ‘vriend’ Chris ook in de bus. We kwamen hem overal tegen en vinden het leuker om weer eens alleen te reizen. Ieder uur gaat er een bus en precies als wij de bus nemen zit hij er ook in.

De weg was voor het eerst sinds Litang in een uitstekende staat en niet al te ‘bumpy’. Bij het vertrek uit Kanding volgden we de rivier en die zouden we lange tijd niet meer uit het zicht verliezen. Het weer was redelijk; wel grijze bewolking, maar er waren toch ook stukken bij waar de zon doorheen scheen. Tijdens de rit werd James Bond vertoond en we hebben nooit geweten dat Pierce Brosnan vloeiend Chinees spreekt. Voor ons was het een kwestie van plaatjes kijken. Dat duurde ook niet al te lang, want we stopten rond 12.30 uur voor de lunch. Het restaurant waar we stopten zag er niet al te fris uit, maar het eten werd goed verhit, dus er zal niet veel mis mee zijn. Wij hadden echter een voorraadje voedsel ingeslagen om dit soort restaurants te vermijden. De lunchplek bleek echter een populaire te zijn, want na ons arriveerden nog eens vier bussen.

Rond 16.00 uur kwamen we aan in Chengdu. De laatste paar honderd kilometer werd het weer bepaald door een soort van mist en we wisten niet of het nu echt mist was of gewoon luchtvervuiling. Vanaf het busstation namen we een taxi (op de meter) naar “Mix and Backpackers”, een guest house dat we aangeraden hebben gekregen van een Belgisch stel, dat we in Xiangchen hadden ontmoet. Het guest house zou redelijk goed zijn, het goedkoopste van Chengdu en pas twee maanden open. Toen we daar aankwamen, bleken er geen tweepersoonskamers meer beschikbaar, maar kregen we voor hetzelfde geld een vierpersoonskamer (twee stapelbedden), met de garantie dat er niemand meer bijkwam.

Nadat we hadden ingecheckt, kreeg Marjolijn even een depressie, waarbij ze terugdacht aan de niet al te fijne ervaringen in een dormitory in Sydney. De bedden bleken keihard, maar we konden nu wel de dekbedden van de bedden boven ons gebruiken om onder ons te leggen, waardoor de bedden iets zachter werden. Toilet en douche waren op de gang. We liepen nog langs twee andere guest houses, die beter waren, maar ook duurder (Sam’s guest house à Y 120, tegenover Y 70 bij “Mix”). Onderweg aten we bij Dicos. We hadden van andere reizigers gehoord dat dit een Chinese soort KFC was. Het eten was echter niet echt lekker. Niet voor herhaling vatbaar. ‘s Avonds ontmoetten we Gea en Christiaan. Een Nederlands stel uit Rotterdam. Het was erg gezellig.

Zaterdag 21 mei 2005

Gisteravond hadden we in het guest house een halve dagexcursie naar het “panda breeding centre” geboekt. Dat centrum ligt op enkele kilometers buiten Chengdu. De reisgids is er niet zo enthousiast over (maar dat is ‘ie over het algemeen niet over China), maar van andere reizigers hadden we vernomen dat het best aardig was. Het is daarnaast zo’n beetje de enige plek ter wereld waar je meer dan een of twee panda’s tegelijkertijd kunt zien. We namen een westers ontbijtje in het guest house en om 07.40 uur vertrok het minibusje op weg naar de panda’s.

Om 08.15 uur kwamen we daar aan en we moesten flink doorlopen om de voedertijd van de panda’s mee te kunnen maken. Die is om 08.30 uur, maar het was nog een flink eindje lopen naar de eerste panda’s. Die zaten in ruime buitenruimtes. Nou ja, zaten… ze lagen meer wijdbeens te knagen op bamboestokken, die met de voortanden heel efficiënt werden geschild en daarna door de kiezen werden vermalen. Ze genoten volop van hun maaltje. We liepen langs enkele van de buitenruimtes, waar panda’s van verschillende leeftijden woonden. De binnenruimtes waren heel wat minder ruim bedeeld en het is zielig voor de panda’s als ze daar te lang in zouden moeten zitten.

Het leukste om te zien waren wellicht wel de rode panda’s. We wisten niet eens dat er rode panda’s bestonden. Vandaar dat we die het leukste vonden. Het zijn geen grote panda’s en in tegenstelling tot hun zwart/witte collega’s hebben ze een lange staart en zijn ze tien keer zo klein. Het lijken meer wasbeertjes. Je kon op de foto met een panda, maar daarvoor moest wel fors voor worden betaald en je werd helemaal in een pak gehesen en je kreeg handschoenen aan. Het exploiteren van de dieren op die manier spreekt ons in ieder geval niet aan.

Na het bekijken van de pandaberen en -beertjes, bezochten we het museum, waar een film werd vertoond. Hierin kwamen alle stadia van het leven van de panda aan bod. De film was nogal slecht van kwaliteit en je vraagt je af waarom ze die niet opnieuw maken. Om 10.30 uur keerde het busje terug naar het guest house en eenmaal terug maakten we gebruik van de wasmachine om onze spullen eens grondig te laten wassen. Onze kleding heeft al in maanden zo’n beetje- geen wasmachine gezien (altijd op de hand) en we keken uit naar schone en frisse was. Het duurde een eeuwigheid voordat het apparaat klaar was met het eerste wasje en daarna moest het tweede wasje worden gedaan. Het drogen ging echter behoorlijk snel en toen de was droog was, bleek dat de meeste vlekken niet uit de kleding waren. Maar alles rook wel weer lekker fris.

In de namiddag bezochten we de Wenshu-tempel, de grootste en best bewaarde Chinese tempel van Chengdu. We waren erg content dat de temple aan de andere kant van het riviertje lag ten opzichte van het guest house. We konden er rustig naartoe wandelen. Afgezien van het feit dat er druk werd verbouwd aan de temples, waren de gebouwen erg mooi. In de tempels stonden vele beelden en anders dan bijvoorbeeld in Tibetaanse temples, kijken de beelden niet allemaal even vriendelijk en zijn ze nogal veelzijdig van kleur; groene, blauwe en rode hoofden. Wat ook erg opvalt is dat de Chinezen schijnbaar niet houden van spleetoogjes, want vrijwel alle beelden hebben uitpuilende ogen. Tussen de temples stonden grote bakken met walmende wierookstokjes en mensen bleven de bakken maar bijvullen.

Nadat we de temples hadden bekeken, liepen we door de tuin van het complex. Als eerste kwamen we bij een grote vijver, die groen zag van de algen. In de vijver zwommen tientallen kleine schildpadjes. Nadat we door een poortje waren gelopen, kwamen we uit in een tuin met allemaal prieeltjes. Dat bleek de hangplek voor ouderen te zijn. In een prieeltje waren oudjes bezig met muziek maken en zingen. Een ander oudje – die niet ver van het prieeltje zat – vond het maar niks en had heel asociaal z’n draagbare radio op standje tien aangezet. Ze zijn op sommige punten erg egoïstisch, die Chinezen. Helemaal achter in de tuin stond nog een zeer grote temple, die er van buiten mooier uitzag dan van binnen. Na het bezoek aan de temple liepen we de stad letterlijk van noord naar zuid door om bij Paul’s Oasis een biertje te gaan drinken. Paul, een Chinese jongen, sprak aardig Engels en gaf ons nog wat tips voor in en rondom Chengdu.

’s Avonds dronken we wat samen met een Nederlandse jongen uit Tilburg in het Guest house. Het stikt hier werkelijk van de Nederlanders. Hoe zou dat toch komen?

Zondag 22 mei 2005

We namen een stadsbus naar het busstation, waar we door een Engelssprekende busstationhostess werden geholpen met het kopen van kaartjes naar Leshan. We namen de ‘dure’ rechtstreekse bus die via de tolweg naar Leshan reed. We hadden al gelezen dat dit de snelste manier was. Voor een Euro minder hadden we ook de optie gehad om drie uur langer in de bus te kunnen zitten. Eenvoudige keuze.

Op het busstation van Leshan stond een stadsbus klaar om ons naar de ‘Big Buddha'(71 meter hoog) te brengen. De bus reed echter verder dan de ingang volgens de Lonely Planet en we werden ergens gedropt, waarvan we niet wisten waar we waren. We meden alle Chinezen die ons in hun restaurant probeerden te lokken. We hadden niet twee uur gereden om in Leshan bij een Chinees restaurant te gaan eten. We kochten kaartjes voor het Buddhapark bij het ticketkantoortje. Terwijl wij bezig waren met het kopen van kaartjes, duwde een Chinees geld door het loketje met de intentie om eens lekker voor te dringen. Marjolijn werd direct opstandig en griste het geld weer uit het loket en gaf het terug aan de Chinees, terwijl Remco hem duidelijk maakte dat wij eerst aan de beurt waren, daarna de toeristen achter ons en dat hij als derde in de rij geholpen zou worden. Zou hij er iets van hebben begrepen? Waarschijnlijk niet.

We liepen het park in en we verbaasden ons dat de bewegwijzering ook in het Engels was. Dat maakte een en ander wel wat makkelijker! We zouden als eerste maar naar de grootste liggende Buddha ter wereld lopen. Die zou 170 meter in lengte zijn. We kwamen daar echter niet, want voor die tijd sloegen we al af naar de 10000 buddha grot. Het bleek meer dan een grot te zijn, met inderdaad een hele hoop Buddha’s. In een van de ruimtes waren allemaal buddha’s in nisjes in de rotswand uitgehakt. Volgend de reisgids zijn het er 1.000. We hebben ze niet geteld, maar het zou zomaar waar kunnen zijn.

Er waren nog meer grotten met soms mooie en soms minder mooie buddha’s. Heel mooi was de Buddha met de 11 hoofden en de ontelbare armen, uitgehakt in de rotswand. De 11 koppige Buddha kan alle kanten opkijken en met z’n vele handen kan hij vele gelovigen in een keer het Buddhisme leren.

Tot zover was het vreselijk rustig in het park. We konden het niet geloven, want met 1,3 miljard Chinezen en het feit dat het Zondag was hadden we verwacht dat het beredruk zou zijn. We liepen verder naar de grote Buddha en daar was het inderdaad vreselijk druk. Chinezen komen schijnbaar alleen voor de grote Buddha en vinden het park (dat veel mooier is) minder of niet interessant.

We kwamen uit bij het hoofd van Buddha en om dat hoofd goed te kunnen zien moesten we wel naar de railing lopen. Daar stonden echter een groot aantal professionele fotografen die alle Chinezen in hetzelfde standje fotografeerden voor wat centen. De Chinezen moesten op een krukje gaan staan en hun arm spreiden, zodat het net leek of de Chinees het hoofd van Buddha raakte. Om Buddha dus te kunnen zien, moesten we naar de railing lopen en we kwamen daarbij natuurlijk in het cameraveld. De fotografen waren daar niet zo blij mee, maar we hadden weinig zin om te wachten totdat alle Chinezen op de foto waren gezet. Daarnaast dringen Chinezen zelf ook altijd voor, dus op de een of andere manier zullen ze het wel begrijpen.

We moesten achter in de rij aansluiten om via trappen naar de voeten van Buddha te kunnen lopen. Door de dranghekken duurde het bijna drie kwartier voordat we bij de trap waren aangekomen en we naar beneden konden. De trap was behoorlijk smal en al snel stonden we aan de 8,5 meter lange voeten van Buddha. Beneden bleek dat we ook weer terug naar boven moesten, via een andere trap. Dat was van tevoren niet gezegd!

We liepen naar de uitgang van het park en namen daar bus 13 naar het centrum. Toen we ergens in een zijstraatje enkele eethuisjes zagen, stapten we uit en lunchten we en na de lunch namen we een bus naar het busstation. We kochten kaartjes terug naar Chengdu en we hoefden maar vijf minuten te wachten. Dat was mazzel!

In Chengdu kwamen we echter op het verkeerde busstation, maar al snel wees iemand ons de weg naar een stadsbus die ons naar het centrum zou brengen.

We aten bij een Thais restaurant, naast het Trafic Hotel. Lekker eten, maar voor Chinese begrippen nogal aan de prijs. We betaalden voor een biertje van 330 cl 15 yuan, terwijl we in het guest house voor vier yuan een biertje kopen van 640 cl.

Na het eten namen we de bus terug naar het Guest house. Hier ontmoetten we weer een aantal andere Nederlanders. In zo’n Guest house ontmoet je wel veel andere reizigers. Misschien is het wat minder luxe, maar wel gezelliger dan zo’n Chinees Hotel, waar je nooit iemand tegenkomt.

Maandag 23 mei 2005

We gaven ‘Mix’, de eigenaar van het guest house de opdracht om vliegtickets naar Lhasa en een permit voor Tibet te regelen. Het ‘pakket’ dat Mix aanbiedt bestaat uit een vliegticket een permit en transport naar de luchthaven voor Y 1.900 en dat bleek na wat controle een strak prijsje te zijn. Het ticket was namelijk Y 1.550 en een permit is Y 350. Het transport naar de luchthaven was dus ‘gratis’.

We liepen de stad door naar de Wuhou temple. Al met al was het vanuit het guest house nog best wel een eindje lopen. De tempel was gewijd aan beelden van gesneuvelde krijgers op het slagveld en opvallend was dat de krijgers vrijwel allemaal hele lange snorren hadden en er groeiden ook enorme lange haren uit de oren. Wel tot op de heupen. Blijven rare lui die Chinezen. We liepen terug naar het centrum en namen aan het einde van de dag de bus terug naar het Guest house. Verder deden we niet al te veel, want we wilden uitgerust in Tibet aankomen, omdat we van 800 meter hoogte naar 3.700 meter zouden vliegen.

Lees verder op de Tibet pagina.

Dinsdag 2 juni 2005

(vervolg van het verhaal van Tibet)

Het vliegtuig vertrok om 11.30 uur, maar al om 07.30 uur zaten we in de bus naar het vliegveld. De vlucht naar Chengdu verliep soepel en het eten aan boord was weer van een zeer droevige kwaliteit. Eenmaal terug in Chengdu bevonden we ons weer in de smog. Inmiddels is het ons wel duidelijk dat het geen mist meer is. In de bus vanaf de luchthaven naar het centrum vroeg een Pakistaanse jongen of we een taxi konden delen naar het “Sim’s Cosy Guest House”. Wij vonden het oké en niet veel later stonden we voor Sim’s Cosy Guest House. Het guest house was vergelijkbaar met ‘Mix and Backpackers’, maar het was net even van een hogere kwaliteit. Khalid, de Pakistaanse jongen zat ’s middags aan een tafeltje wat te lezen toen Remco bij hem aanschoof. Hij had iets van ons tegoed, want hij had de taxi betaald en Remco kocht biertjes. Hij maakte een opmerking over de lelijke wond in Remco z’n nek, die inmiddels aan de beterende hand was. Daarop liet Remco de puist op z’n rug aan hem zien en Khalid constateerde dat het een acuut abces betrof dat snelle behandeling vereiste. Zijn advies klonk niet als iets nieuws, omdat Remco zelf ook al had begrepen dat een ingreep plaats zou moeten vinden om de enorme druk die de puist veroorzaakte weg te nemen en daarmee de pijn, maar Remco had weinig zin in onhygiënische Chinese ziekenhuisjes. Nog een maand wachten tot terugkeer naar Nederland vond Khalid echter niet z’n goed idee en Remco begon ook steeds meer in te zien dat een maand pijn lijden nog een hele opgave zou worden. Khalid had voor vertrek naar Lhasa al een week doorgebracht in Sims Cosy guest house en kende inmiddels iedereen van het guest house wel. Hij regelde met Sim, de eigenaar, dat de volgende dag één van zijn medewerksters mee zou gaan als tolk naar een ziekenhuis.

Vrijdag 3 juni 2005

Dit zou de zwartste dag van Remco z’n wereldreis worden. Om 10.00 uur namen we samen met de receptioniste van het guest house een taxi naar het “People’s number 3 hospital” in Chengdu. We werden voor het ziekenhuis afgezet, staken de straat over en liepen het ziekenhuis binnen. Dat zag er meteen al wat anders uit dan in Nederland. Geen receptie, grauwe donkere gangen met zeer veel deuren, waarvan de meesten openstonden. We liepen naar een balie waar we een registratiefee moesten betalen, alsmede voor een behandelboekje dat we daarna nooit meer zouden terugzien. We liepen door donkere gangen met granieten vloeren naar de eerste etage. Er liepen vreselijk veel mensen door de gangen. Niet alleen doktoren en patiënten, maar erg veel mensen die helemaal geen patiënten leken. In een kamertje stelde een arts de diagnose en daarna moesten we ons melden in een kamertje op de begane grond. Aan een oud tafeltje, dat zeer veel leek op een ouderwetse schoolbank, zat een dokter. De ramen naar de weg stonden open en onder het ‘bureau’ van de dokter lag een aantal uitgetrapte peuken. Het zag er allemaal niet echt fris en steriel uit. Hoewel in het kamertje een behandeltafel stond, moesten we naar het naastgelegen kamertje . Daar stond een behandeltafel, waarop Remco moest gaan liggen. Het blauwe laken dat over de behandeltafel was gespannen was bedekt met bloedvlekken van iemand anders. Marjolijn maakte bezwaar tegen de vuile behandeltafel, maar de Chinese dokter scheen niet te begrijpen waar we ons druk over maakten. Hij begon enkele operatiegereedschappen uit een kast te halen en uit te stallen op een tafeltje. Daarna wilde hij met de ingreep beginnen zonder steriele materialen. Hij haalde de instrumenten door een vloeistof en gaf aan dat die vloeistof regelmatig werd verschoond. Khalid, onze ‘reisdokter’ had ons echter op het hart gedrukt dat we vooral moesten eisen dat er steriele materialen zouden worden gebruikt. Na een half uurtje van discussie, vooral tussen onze tolk en de dokter, kwamen ‘nieuwe’ instrumenten uit een plastic zak. Op de plastic zak stond een datum in de toekomst en het bleek dat het gesteriliseerde instrumenten waren. De zak werd geopend en de operatie kon beginnen. “Little pain” was zo’n beetje het enige Engels dat de dokter beheerste. Zonder verdoving werd het abces ingeknipt en blootgelegd. Aangenaam is anders. De wond werd schoongemaakt en vol gestopt met watten. Ook dat was niet zo’n prettig gevoel. Waarschijnlijk staan de afdrukken van twee handen in de metalen buizen van de behandeltafel. Het geheel werd afgedekt met verbandgaas en vastgeplakt. Toen was de behandeling voorbij en konden we de nodige medicijnen gaan halen. Remco kreeg penicilline en een zalfje mee. Het gebruik van de penicilline was duidelijk, maar waarvoor het zalfje nu diende was ons niet duidelijk. Buiten het ziekenhuis namen we afscheid van onze tolk en liepen we naar een hamburgertent om iets te eten. Met een zeer dubbel gevoel aten we een hamburger. Aan de ene kant was Remco zeer opgelucht, want de druk was van z’n rug, maar hoe was de operatie verlopen? Hoe hygiënisch is de ingreep verricht, geen verdoving wat tot behoorlijk wat pijn leidde etc. ’s Middags deden we niets meer. We lazen wat en Remco kwam bij van de ingreep die psychologisch wel enige belasting had veroorzaakt.

’s Avonds schoven we aan bij de barbecue die georganiseerd werd door het guest house. We aten allerlei zeer aparte dingen waarvan we niet wisten wat het eigenlijk was. Het was een leuk idee. Alles stond blauw van de rook, totdat een vreselijke regenbui roet in het eten gooide.

Zaterdag 4 juni 2005

Om 09.45 uur weer naar het ziekenhuis. Hetzelfde ziekenhuis, hoewel gisteren bij terugkomst in het Guest house door Sim werd voorgesteld om naar het universiteitsziekenhuis te gaan. Het was wel fijn dat gisteren iedereen in het Guest house vroeg hoe het was gegaan. Iedereen was oprecht geïnteresseerd en bezorgd.

Hoewel we Sim gisteren hadden verteld van de ‘lage’ hygiënische standaard (zeker voor Europese begrippen), besloten we toch terug te keren naar hetzelfde ziekenhuis. Nu hoefde alleen het verband te worden verschoond en niet meer te worden ingegrepen.

In het ziekenhuis zocht de tolk naar iemand die ons zou kunnen helpen. Uiteindelijk vond ze een zuster bereid om Remco te verschonen.

Remco moest op een stoel gaan zitten. Ondertussen praatte de zuster honderd uit. Ze praatte zoveel dat ze wel 100.000 woorden per minuut sprak. En dan natuurlijk ook nog in het Chinees. Remco werd hier nogal nerveus van. Ze trok het oude verband van z’n rug en liep naar een tafeltje waarvan ze een lange naald pakte. Remco wilde geen geknip of geprik meer in z’n rug na gisteren. Hij had zich voorgenomen het wel uit te zingen tot in Nederland en daar de behandeling verder voort te zetten. Toen Remco de zuster met de naald zag staan en ze maar niet ophield met praten, sprong hij op en riep hard ‘meo’ wat ‘nee’ in het Chinees betekent. Dit maakte indruk, want ze wilde hem niet meer verder helpen.

Later zouden we van de tolk horen dat zelfs ‘haar zoontje van twee moediger was’. Maar goed dat ze geen Engels sprak, want anders zat ze nu achter het behang geplakt. Remco raakte helemaal opgefokt van deze verpleegster.

We moesten terug naar het behandelkamertje van gisteren. Een andere dokter hielp ons en hij maakte de wond schoon. Dat deed weer de nodige pijn, maar alleen op dat moment. Supergespannen lag Remco op de behandeltafel.

Na de verschoning gingen we terug naar het Guest house en ’s middags liepen we nog wat door de winkelstraten rond het Guest house. We bezochten een tempel die niet in de Lonely planet beschreven staat. We hoefden geen entreegeld te betalen. Het was een mooie tempel en er liepen heel veel nonnen rond. Schijnbaar was het een klooster.

We kochten wat kaarsjes en wierookstokjes en staken deze aan. We deden een wens voor een spoedig herstel voor Remco. Om 16.55 uur zou onze trein naar Xi’an vertrekken en ruim voor die tijd namen we een taxi naar het station. Dat was maar een klein stukje rijden.

Het gesleep met de rugzak was geen pretje. Hij kon natuurlijk niet op de rug en nu bleek het een zwaar en lomp geheel te zijn.

Op het station moesten de rugzakken door het röntgenapparaat voordat we het station in konden. We liepen naar een enorme wachtruimte en wachtten daar totdat de toegangshekken naar de perrons opengingen. Ruim voordat dat gebeurde stonden de Chinezen zich al te verdringen in de rij. En dat terwijl iedereen gereserveerde plaatsen heeft. Toen de poort openging persten we ons in de rij en liepen naar de trein. We hadden de twee middelste bedden gereserveerd in een hard sleeper cabine. Hard sleeper wil zeggen dat er zes bedden in een coupe zijn er geen afscheiding is tussen het gangpad en het slaapgedeelte. Een soft sleeper wil zeggen dat er vier bedden zijn in een coupe, die wel d.m.v. een deur kan worden afgesloten van het gangpad.

De trein was comfortabel genoeg en we konden nog redelijk goed slapen.

Zelf Remco kon goed slapen. Het was de tweede nacht dat hij weer een beetje kon slapen. Voor de ingreep deed liggen veel pijn. Nu was de pijn weg, maar vanwege de enorme berg verbandgaas op z’n rug kon hij nog altijd niet goed op z’n rug slapen.

Zondag 5 juni 2005

Rond 08.30 uur reden we het station van Xi’an in. Onderweg was de trein nog op een paar plaatsen gestopt, maar ‘s nachts hebben we daarvan niets gemerkt.

We liepen het station uit en gingen direct op zoek naar de loketten, want we wilden eigenlijk direct kaartjes voor de trein naar Beijing kopen. Er bleken alleen nog maar dure soft sleeperkaartjes beschikbaar te zijn en we besloten nog maar even te wachten. Misschien vonden we Xi’an wel de moeite waard om hier wat langer te blijven.

Op het grote plein voor het station was het nogal hectisch. Veel mensen, bussen en taxi’s die ons voor absurde bedragen naar het hostal wilden brengen. Uiteindelijk vonden we een taxichauffeur die bereid was om ons op de meter naar het hostal te brengen. 7 Yuan i.p.v. 30 Yuan die andere taxichauffeurs vroegen. Tijdens de taxirit kregen we ook een aanrijdinkje. De gemiddelde Chinese chauffeur kan niet rijden. Ze doen maar wat. Als ze bijvoorbeeld afslaan, dan kijken ze niet of het wel veilig is. Anderen anticiperen wel, zal ook wel de gedachte zijn.

Zo ook tijdens onze aanrijding. Een auto voor ons geeft richting aan naar links, maar onderneemt vervolgens geen actie, waarop onze taxichauffeur maar gaat inhalen. Op dat zelfde moment slaat de auto voor ons linksaf en zet z’n voorbumper in de zijkant van de auto. Kleine schade, maar we moesten wel overstappen in een andere taxi. We checkten in bij het International Youth hostel ‘Bell Tower’, dat aan de rotonde ligt waarop de beltoren staat. Er waren geen tweepersoonskamers meer beschikbaar en daarom kregen we een zes-persoons dormitory voor onszelf en dat voor de prijs van twee dormbedden! De kamer rook een beetje muf, dus we gooiden direct de ramen open. De bedden waren oké, en er lagen zelfs lekker zachte dekbedden op en een goed kussen. Inmiddels was het gaan regenen en het zou de hele dag blijven regenen.

We vroegen bij de receptie waar het ziekenhuis was. Ze boden aan om iemand van het guest house met ons mee te laten gaan. Het ziekenhuis lag op loopafstand van het Guest house. De dokter verwisselde het verbandgaas en maakte de wond schoon. De jongen die met ons mee was gegaan, vond het niet zo’n lekker gezicht en wachtte op de gang.

’s Middags liepen we door de regen naar het treinstation en kochten toch maar twee softsleeper kaartjes voor morgenavond naar Beijing. Met 417 Yuan per persoon (40 euro) behoorlijk geprijsd, maar er restte ons geen andere keuze als we de volgende dag weg zouden willen en dat wilden we.

De rest van de middag deden we niet veel bijzonders. Vanwege het slechte weer loonde het niet de moeite om door Xi’an te slenteren. We keken naar een suffe film in het Guest house.

Pas tegen de avond klaarde het op en toen winkelden we nog wat.

Maandag 6 juni 2005

We namen de stadsbus naar het treinstation, waar we overstapten op de bis baan het terracottaleger. Vanaf het station van Xi’an was het ongeveer een uurtje met de bus naar het terracottaleger. Het grootste deel van die tijd ging verloren in Xi’an, want eenmaal buiten Xi’an nam de chauffeur de tolweg. Het uitzicht vanuit de bus was weer niet zo speciaal vanwege de smog. Bij het terracottaleger was ook de eindhalte van bus 603. Vanaf de bushalte was het een kwestie van de meute volgen naar de ingang. Het was nogal een stukje lopen tot aan de kassa, maar de route liep door een keurig aangelegd park, waarin – vreemd genoeg – alle bomen werden ondersteund met palen.

De regen van gister had plaatsgemaakt voor een lekker zonnetje, maar toch zagen we nog veel paraplu’s. De Chinezen gebruiken paraplu’s tegen zon en tegen regen.

We kochten kaartjes en liepen het terrein op. Ondanks de stevige toegangsprijs, kregen we geen plattegrondje of zoiets. Op het terrein stonden ook geen bewegwijzeringen. We begonnen aan de rechterkant van het complex. Daar bleek het museum te zijn, waarin een aantal bronzen dingen waren uitgestald die tijdens de opgravingen zijn gevonden. Er was ook een kamer geweid aan zilveren en gouden objecten. Er was een zaal waarin twee terracotta paard-en-wagens- waren uitgestald. Erg mooi! Ze stonden in een glazen kast, maar wonderwel lukte het om enkele goede foto’s ervan te schieten. In de laatste hal was een fotoreportage over de totstandkoming van het huidige museum en het terracottaleger zoals dat thans te zien is. De reportage had een hoog ‘Goh, wat zijn wij Chinezen toch goed’-gehalte. De eerste hal van het terracottaleger die we bezochten, was hal 3. We kwamen er al snel achter dat we de route precies verkeerd om liepen. We begonnen achteraan en zouden het beste tot het laatst bewaren (onbewust). In hal 3 mocht niet worden gefotografeerd en gefilmd. Dat was een beetje vreemd, want juist in hal 3 viel weinig te fotograferen. Alles wat we zagen waren zandheuvels en enkele muren. Onder de zandheuvels ligt waarschijnlijk nog heel wat dat nog blootgelegd moet worden, maar thans is er niet veel bijzonders te zien. In een aantal glazen kasten stonden enkele terracottabeelden. Vreemd genoeg mochten deze beelden wél gefotografeerd worden. De tweede hal die we bezochten, was hal 2. Hier stonden enkele krijgers en hier mocht wél gefotografeerd en gefilmd worden. De meeste krijgers waren onthoofd. Hal 1 is de grootste hal en bevat zo’n 2000 krijgers en paarden. Indrukwekkend! Het voorste deel van de hal is zo ingericht dat de krijgers en de paarden in lange rijen achter elkaar staan en twee krijgers breed per rij. Het achterste deel van de hal is nog niet blootgelegd. Hier worden krijgers minutieus gerestaureerd. Ook in deze hal mocht gewoon worden gefilmd en gefotografeerd. Alleen zonder het gebruik van flits. Niet dat een flits van enige waarde zal zijn, maar toch was dat verboden. Waarschijnlijk schrikken de krijgers er teveel van. Op de terugweg naar de bus werden we letterlijk overvallen door ambulante verkopers, die ons een doosje met enkele warriors wilden verkopen voor $ 1,-. Al snel kwam de aap uit de mouw en was het kleinste poppetje in het doosje van 5 te koop voor $ 1,- en wilden ze veel meer hebben voor het hele doosje. De spullen zagen er niet mooi uit en waren van een slechte kwaliteit. Op de souvenirmarkt, waar je zondermeer langsloopt, kochten we twee terracottakrijgers voor minder dan de vraagprijs van één. Aan ons hadden ze dus een slechte. De verkopers en verkoopsters zijn nogal opdringerig en hebben de instelling dat ze liever vandaag nog rijk worden dan morgen. Natuurlijk een goede insteek, maar dan moeten ze maar rijk worden van een ander en niet van ons.

In plaats van de lijnbus namen we een minibusje terug naar Xi’an. Dat bleek niet zo’n goed idee, want het minibusje nam niet de tolweg en deed er langer over dan de lijnbus. Aan de andere kant was het wel weer leuk dat we nu andere dingen zagen dan op de heenweg.

’s Middags bezochten we de drumtoren in Xi’an. In de toren hing een groot aantal….. drums! vier-en-twintig om precies te zijn. Om 16.00 uur was er een korte (15 minuten) drumvoorstelling en dat was leuk om te zien.

We liepen via de islamitische wijk terug naar het hostal. Aan weerzijde van de mooie groene laan waardoor we liepen waren winkeltjes en restaurantjes gevestigd en in de straat hing een mengelmoes van geuren. Soms heel lekker en soms behoorlijk wat minder aangenaam.

In het guest house checkten we onze e-mail en we hadden gelukkig een bevestiging van Kilroy gekregen dat de door ons gewenste vluchtdatumwijziging geautoriseerd was. We pakten onze spullen en begaven ons met de stadsbus naar het treinstation. Op het station moest alle bagage door het röntgenapparaat voordat we de hal mochten betreden. Omdat we met de Z20-trein van Xi’an naar Beijing zouden reizen, konden we plaatsnemen in een speciale wachtruimte – met zachte bankjes – voor klanten van de Z20. Nou ja, zachte bankjes is wat overdreven. Het waren houten bankjes met een stukje zeil eroverheen gespannen en geen luxe fauteuils.

Enkele minuten voor vertrek van de trein mochten we het perron op. Onze coupé in de trein zag er erg luxe uit; vier bedden in een afgesloten compartiment met eigen klimaatbeheersing en aan het voeteneind van ieder bed een LCD televisiescherm. We deelden het compartiment met twee Chinese mannen. Eén daarvan sprak wel wat Engels en de ander helemaal niet.

De trein vertrok en al niet veel later ging de zon onder en werd het donker. Er restte ons niet veel meer dan te gaan slapen.

Dinsdag 7 juni 2005

Rond 08.30 uur reden we Beijing binnen. We hadden uitstekend geslapen en in tegenstelling tot de vorige trein die soms nogal schokkerig reed, was deze trein in alle opzichten top.

We reden een groot station binnen. Eenmaal buiten het station kwamen we erachter dat we op station Beijing West waren uitgestapt. We waren niet op het verkeerde station uitgestapt, want de trein stond op het station precies op het moment dat hij had moeten arriveren.

Buiten het station bleek dat een groot aantal taxichauffeurs ons niet op de meter wilden vervoeren, maar ons alleen een poot wilden uitdraaien. We stonden dus even (en dat duurt allemaal ook niet al te lang) te zoeken naar een chauffeur die wel sympathiek en eerlijk was en die wel de meter aan wilde zetten.

Het was nogal een behoorlijk stuk rijden naar het centrum van Beijing. Wat wil je in een stad met 14 miljoen (geregistreerde) bewoners. Met alle niet geregistreerde bewoners erbij, wonen in Beijing net zoveel mensen als in heel Nederland!

Van enkele toeristen uit ons guest house in Xi’an hadden we een adresje opgekregen in de hutongs even ten noorden van de verboden stad. De taxichauffeur bracht ons er heen, maar helaas zat het guest house vol, op een slaapzaal na. Daar hadden we voor de laatste dagen van onze reis geen zin meer in. Terwijl Marjolijn achterbleef met de bagage, ging Remco op zoek naar een alternatief en hij vond een hotelkamer, die maar Y 20 duurder was dan de slaapzaal. Nu hadden we een eigen badkamer en een best aardige kamer voor Y 180 per nacht; een koopje in Beijing.

Nadat we de spullen op de kamer hadden achtergelaten, begaven we ons naar het Beijing Union Medical Hospital, om Remco z’n wond te laten verschonen. De behandel fee was nogal hoog in vergelijking met de andere ziekenhuizen, maar het ziekenhuis zag er al behoorlijk wat professioneler uit. Ook bleek de arts Engels te spreken. Dat gaf direct wat meer vertrouwen. De dokter verzorgde we wond en verbond deze opnieuw en gaf aan de volgende dag terug te keren.

’s Middags gingen we naar het Zomerpaleis. Eerst namen we de metro, gevolgd door een taxiritje naar het paleis. Alles verliep soepel. We kochten kaartjes en volgden de drommen mensen naar binnen. Het paleisterrein is immens groot met tientallen paviljoens en paviljoentjes, tuinen en meertjes (meer!). Het zag er allemaal mooi, maar ietwat grauw uit. Dat kwam ook door de smog. Het grootste nadeel was de duizenden Chinezen die met toergroepen het zomerpaleis bezochten. Hierdoor was het nergens een moment rustig om een mooie foto te schieten. Altijd stond er weer een Chinees voor met z’n traditionele tourgroep-petje, of toergroep T-shirt of wat dan ook voor punt van herkenning.

Met de bus terug tot aan het Tiananménplein (Plein van de Hemelse Vrede) en vandaar verder met de metro naar de Silk Road markt. Op de Chinese televisie (kanaal 9 is de enige Engelstalige Chinese zender) hadden we gezien dat de Silk Market niet meer op straat werd gehouden, maar sinds kort gehuisvest is in een nieuw gebouw. Van andere toeristen hadden we begrepen dat voor weinig geld mooie (namaak)kleding te koop zou zijn. We waren op zoek naar mooie winterjassen met uitwisbare fleece binnenvoering. De startprijzen op de zijdemarkt lagen echter fors boven de prijzen die in Lhasa werden gevraagd, maar van toeristen hadden we al richtprijzen doorgekregen. We bekeken enkele jassen en we begonnen aan de onderhandelingen. Uiteindelijk wisten we een jas voor Remco en een jas voor Marjolijn te kopen voor Y 180 per stuk (zeg maar € 18,- ).

Toen we het gebouw verlieten, onweerde het. Het begon ook al een beetje te regenen en we spoedde ons naar de bushalte. Eenmaal onder het afdakje brak de hel los en werd het onweer serieus en de regenbui als een tropisch bui. Binnen de kortste keren stonden de straten blank en waren onze broekspijpen doorweekt van het opspattende water.

Vriendelijke Chinezen gaven ons aan welke bus we moesten nemen, maar iedere bus die we konden nemen zat tot de rand toe vol met passagiers. Toen een lege bus langskwam, namen we die maar. De reden waarom die bus leeg was, was dat die twee keer zo duur was als de andere bussen. Nu betaalden we € 0,20 per persoon in plaats van € 0,10. Hebben we daarvoor nou zo lang staan wachten in de regen? Wisten die Chinezen dat we zuinige Nederlanders waren, of zo?

Woensdag 8 juni 2005

Bij het guest house waar we in eerste instantie heen waren gegaan, regelden we een excursie naar de Chinese muur voor de volgende dag. De excursie hield in dat we met een busje naar Jinshanling zouden worden gebracht en in vier uur tijd naar Simatai zouden lopen. Deze plaatsjes liggen ten noordoosten van Beijing en zijn het minst toeristisch. Tenslotte zou het busje ons terugbrengen naar Beijing.

We namen de trolleybus naar het centrum en liepen naar de Verboden Stad. Daar was het ook al weer zo druk. We liepen de poorten door en kochten entree- kaartjes. Ook huurden we een audio tour, welke is ingesproken door Roger Moore.

De toelichting van 007 was erg informatief en leuk. Helaas stonden veel gebouwen (weer) in de steigers. We hebben niet veel geluk. Overal waar we komen staan de interessante dingen in de steigers.

Zoals gezegd waren er weer zeer veel Chinese toeristen. Ondanks de vele toeristen, de steigers en de smog was de Verboden Stad indrukwekkend, maar het voldeed niet aan de romantische verwachtingen die we erbij hadden (we hadden het beeld voor ons zoals dat is geschetst in de film ‘The Last Emperor’. Het aantal figuranten in werkelijkheid lag 10.000 keer hoger dan in de film). Toen we even van de gebaande paden afweken in de Verboden Stad, was het rustig. Links en rechts van de doorgaande route zijn nog vele paviljoens, pleintjes en tuinen waar bijna niemand komt en waar de sfeer van weleer nog hangt. Eigenlijk leuker dan de hoofdroute door de Verboden Stad.

Donderdag 9 juni 2005

We meldden ons vanochtend vroeg bij het guest house. Om 06.45 uur vertrok het minibusje voor de drie uur durende rit naar Jinshanling. Vreemd genoeg liep de hoofdweg over het luchthaventerrein. Dat zouden we in Nederland nooit zo regelen. Al het doorgaande verkeer moest langs de luchthaventerminal!

In de buurt van Jinshanling werden we aan de voet van de muur afgezet. Nou ja, aan de voet is wat overdreven, want het was nog zo’n half uur lopen (bergopwaarts) naar de voet van de muur. We kochten entreekaartjes (we zouden twee toegangsbewijzen moeten kopen, waarvan we er één in de minibus uitgereikt hadden gekregen) en begonnen aan de wandeling. Nou, een wandeling zou het niet worden. Het zou ruim drie uur klimmen en klauteren worden. De muur was maar op een klein aantal plaatsen dusdanig gerestaureerd dat je zonder naar de grond te moeten kijken kon lopen. Op de meeste plaatsen was de muur in vervallen staan. Dus goed kijken waar je loopt. Daarnaast was er nauwelijks een stuk van 50 meter vlak. Het was heuvel op of heuvel af en dan waren die stukken ook nog eens behoorlijk steil. Natuurlijk was het erg gaaf, maar een wandelingetje over de Chinese muur was het beslist niet.

Het uitzicht was wonderschoon en het was zeer bijzonder om de muur zo over de bergrug te zien kronkelen. Wat een lengte en wat een vreselijk hoogteverschil. Het is bijna ongelofelijk je voor te stellen dat die muur ooit is gebouwd. Ook nu was het weer eeuwig zonde dat we niet zo ver konden kijken vanwege de smog.

Na zo’n drie / drie-en-een-half uur klauteren kwamen we aan bij het guest house in Simatai. Iedereen was behoorlijk afgepeigerd, maar zeer voldaan. Inderdaad was dit deel van de muur erg rustig met toeristen. Op ons groepje na, liep niemand anders in onze richting. Wel kwamen een klein groepje toeristen ons tegemoet. Fantastisch!

Iedereen trakteerde zichzelf op een drankje op het terrasje bij het guest house in Simatai voordat we terugkeerden naar Beijing.

Rond 19.00 uur waren we terug in Beijing en rekenden we de excursie af (één van de weinige keren dat we een excursie achteraf hoefden af te rekenen!)   

Vrijdag 10 juni 2005

Helaas zit ons bezoek aan Beijing er al weer op. Veel te kort, maar Remco z’n situatie heeft ons genoopt sneller te reizen dan in eerste instantie gepland.

Rond 06.00 uur namen we een taxi naar de luchthaven. De eerste taxichauffeur die langsreed was bereid om ons op de meter naar de luchthaven te brengen en binnen de kortste keren (ongeveer 30 minuten) waren we op de luchthaven. Het inchecken verliep soepel, maar bij de douane was men behoorlijk vervelend. De vrouwelijke douanier wilde dat we al onze afgesloten en gesealde flesjes water openden en ze ging er aan ruiken! (??). Rare lui, die Chinezen.

De vlucht naar Hong Kong verliep soepel en drie uur later stonden we weer aan de grond. Weer door de immigratie (die situatie in Hong Kong blijft vreemd. Het is China, maar in zeer vele opzichten (immigratieprocedure, geld etc.) is dat het niet!

Met de trein reden we naar Hong Kong Island, waar we naar het Ibis hotel zouden gaan. Op het internet hadden we een kamer in het Ibis hotel gereserveerd. Uit onderzoek op het internet was gebleken dat het Ibis hotel het voordeligste was. Bij het hotel aangekomen, bleek het inlooptarief lager te zijn dan het internettarief en we voelden ons flink in de maling genomen. We wilden bij de receptie beklag doen, maar de manager was er natuurlijk niet. We kregen een piepklein, maar net kamertje met zicht over de haven op de 13e verdieping.

Zaterdag 11 juni en zondag 12 juni 2005

Twee dagen besteedden we aan winkelen en daarnaast lieten we een tiental fotorolletjes bij verschillende ontwikkelcentrales ontwikkelen. Bij de outlet store van Esprit konden we weer leuke dingen scoren. Mooie t-shirtjes voor Remco voor ¼ van de prijs die je in Nederland betaald (en waar het nog altijd de gangbare collectie is). Wel moesten we alle passen, want de labeltjes in de kleding deden andere maten vermoeden dan ze in werkelijkheid waren. Remco kocht een mooie zomerjas voor € 17 en enkele mooie t-shirts, terwijl Marjolijn de winkel ook nog eens verliet met enkele spotgoedkope broeken en overhemdjes.

We gingen ook nog een keer naar Stanley market, maar dit keer konden we daar niet meer slagen voor kleding. Wel kochten we nog wat leuke souvenirs, die hier ook maar de helft kosten dan in down town Hong Kong zelf.

De foto’s waren van een zeer acceptabele kwaliteit en we waren er blij mee dat we die alvast hadden ontwikkeld. Minder blij waren we met het extra gewicht dat we moesten meetorsen. Rond 20.00 uur op zondag gingen we bepakt en wel op weg naar ed luchthaven. Het inchecken bij Cathey Pacific liep voor de tweede keer erg stroef. Dat we het retourtje naar Cebu hadden geannuleerd, waar we overigens akkoord op hadden gekregen van Kilroy, begrepen ze niet en dat was niet goed geregistreerd en leverde problemen op. Wij zagen het probleem helemaal niet, aangezien we hadden betaald voor niet afgenomen diensten. Als iemand al problemen had moeten veroorzaken, dan zouden wij dat moeten zijn geweest.

Afijn, de grondstewardess ging overleggen met de manager (die overigens weigerde zich te laten zien en met ons de discussie aan te gaan) en na een uur wachten kregen we dan toch eindelijk onze plaatsbewijzen en bleek dat we de meest onvoordelige stoelen in het vliegtuig kregen en ook nog eens niet naast elkaar. Voor ons was de maat vol en we wilden de manager spreken, aangezien we ruim van tevoren (ruim drie uur) hadden ingecheckt en het was niet ons probleem dat Cathay haar vluchten drie keer overboekt. De manager liet zich echter opnieuw niet zien en we werden met een kluitje het riet ingestuurd. Na deze ervaring en de ervaring die we al hadden opgedaan met Cathey op de vlucht naar Bangkok, daalde de waardering voor Cathey Pacific nog meer en deze maatschappij komt, samen met Iberia, op een gedeelde laatste plaats in de top 100 van luchtvaartmmaatschappijen. Niets slechter dan Iberia en Cathey Pacific.

Zondag 12 juni 2005 06.00 uur lokale tijd Amsterdam

Het sprookje is over en uit. We landden op de polderbaan terwijl de zon opkwam. Voor deze ene keer regende het niet toen we landden.