Myanmar

Donderdag 24 februari 2005

Tussenstop In Bangkok

We namen de Airportbus A21 om 06.24 uur naar de luchthaven. De bushalte lag voor de deur van het hotel. Het was nog donker en het regende heel licht. Het was al opvallend druk op straat op dit vroege uur van de dag. Veel mensen stonden al te wachten bij de bushalte. De bus was keurig op tijd en bracht ons in ruim een half uur naar de luchthaven. Het was behoorlijk mistig en toen we eenmaal uit Kowloon waren, zagen de woonflats, de bergen en de enorm lange brug er zeer mysterieus uit.

De grondstewardess begreep niets van onze reisroute toen ze door de tickets bladerde en vroeg ons: ‘Sir, where do you fly from Bangkok?’. Wij antwoorden dat we met de bus van Bangkok naar Peking zouden reizen en daar begreep ze helemaal niets van. Ze overlegde dit vreemde geval met haar college naast haar en besloot nogmaals aan ons te vragen waar we heen zouden gaan na Bangkok. Opnieuw was ons antwoord dat we met de bus naar Peking zouden reizen. Niets ervan begrijpend checkte ze ons in. De rugzakken wogen nog steeds zo’n 19 en 16 kilogram.

Nog veel te veel voor het reizen door Azië, maar we kunnen nog niet veel doen aan het gewicht. We slepen nog altijd alle Lonely Planets voor het reizen door Azië met ons mee, alsmede een aantal leesboeken. In de loop van de tijd zou het gewicht dus moeten afnemen. Vooral als we de dikke gids van Thailand kunnen terugsturen. Nadat we onze boarding cards hadden ontvangen gingen we een kopje koffie drinken in een coffee shop en bij een elektronicawinkel keken we naar een aantal laptops. Die zijn hier behoorlijk goedkoper dan in Nederland en wie weet nemen we er wel één mee terug naar huis als de financiën dat toelaten.

Met een onbemand treintje werden we van de ene naar de andere terminal gebracht en toen stonden we al snel bij de gate. Het apparaat waar de boarding pass doorheen wordt gehaald gaf een foutmelding bij Remco z’n pass en we werden uit de rij gehaald. Het bleek dat er twee stuks bagage onder hetzelfde nummer waren ingecheckt onder Remco z’n naam. Gelukkig bleek het de rugzak van Marjolijn te zijn en na een omnummering konden we verder lopen. We waren zo’n beetje de laatsten die het vliegtuig betraden en al snel vertrok het toestel voor een bijna drie uur durende vlucht naar Bangkok.

We landden op de (oude) luchthaven van Bangkok, waar het in tegenstelling tot Hong Kong zo’n 34 graden was. Lekkere overgang! Langs de startbaan was een golfbaan aangelegd en er was niet eens een afzetting tussen de golfbaan en de startbaan, waar een groot aantal mensen de warmte trotseerden voor een spelletje golf. In de rij voor de immigratiebalie ging een en ander nog redelijk vlot en we hadden ook redelijk snel onze bagage. In de aankomsthal informeerden we bij twee hotelboekingskantoortjes naar speciale aanbiedingen en we boekten één nacht in het Thong Poon hotel. Dit was het goedkoopste alternatief dat werd aangeboden. Buiten de luchthaventerminal namen we een taxi naar het centrum. De tijden van onderhandelen over de prijs zijn ten einde nu de overhead vastgestelde tarieven hanteert.

De taxi scheurde over de snelweg die als één lang viaduct op pilaren hoog boven de grond is aangelegd. Zelfs op plaatsen waar een maximumsnelheid van 40 gold, reed de taxi door met een vaart van niet minder dan 100 kilometer. Al snel waren we dus bij het hotel, dat er nogal gedateerd uitzag. De receptionist waren niet echt vriendelijk en zelfs tamelijk kortaf. We werden zeker niet begroet met de ‘Thaise glimlach’. Onze kamer lag op de tiende etage en had een mooi uitzicht over de stad. Er stond een zeer breed bed in. Het bed was breder dan dat het lang was.

We liepen naar het metrostation (Sky train), omdat we ons geluk wilden beproeven bij de Ambassade van Myanmar. De Sky train heet zo omdat ‘ie, net als de tolweg, is gebouwd op een viaduct hoog boven de straat. Omdat de trein zo hoog boven de straat rijdt, heb je wel een leuk zicht over Bangkok. Het treinstel was air conditioned en leek wel een vrieskast toen we er binnen stapten.

Hoewel we weten dat de meeste ambassades alleen ‘s ochtends geopend zijn voor visumaanvragen, maar we besloten er toch heen te gaan om te kijken waar de ambassade was gevestigd. Gelukkig was die gevestigd op de plaats die ook in de reisgids stond en de ambassade bleek zelfs ‘s middags voor visumaanvragen geopend te zijn. Het was er binnen echter erg druk. We kwamen binnen om 14.10 uur en de ambassade zou tot 15.00 uur open zijn. We hadden geen schijn van kans om vandaag nog geholpen te worden. We namen een aantal aanvraagformulieren mee en besloten om ons geluk morgenochtend nog eens te beproeven. We liepen in de richting van Patpong en onderweg informeerden we bij enkele reisbureautjes naar vluchtprijzen naar Yangon en naar speciale aanbiedingen voor hotels in Bangkok. We hadden besloten om een mooie kamer uit te zoeken voor Fred en Madelon voor als zij in maart naar Bangkok zouden komen. De hotelletjes die werden genoemd liepen we af en er zaten enkele keurige kamers bij.

Bij het kantoor van het internationale ‘Sta-Travel’ informeerden we ook naar vluchtprijzen en naar hotelkamers. Dit reisbureau heeft in ieder geval de beschikking over een geautomatiseerd systeem waarin de vluchtprijzen en de vluchttijden kunnen worden geraadpleegd en dat voelt toch wat beter aan. Sta Travel had een zeer aantrekkelijk tarief voor een kamer in het Asiahotel, dat in de Lonely Planet staat gerangschikt onder de ‘Top end hotels’. We besloten om de kamer in het Asia hotel te gaan bekijken. Het was een behoorlijk eindje lopen vanaf Patpong naar het Siam Square. Onderweg bekeken we een schitterende tempel. In het Asiahotel konden we geen kamer bekijken, omdat het geheel volgeboekt was. Het hotel zag er echter keurig uit.

Het aantal restaurants dat beschreven staat in de Lonely Planet rondom het Siam Square is nogal beperkt en we waren aangewezen op onszelf om iets leuks te vinden. In een shopping Mall op het Siam Square zagen we het Japanse restaurant Fiji en we besloten daar een kijkje te nemen. Buiten het restaurant stond de menukaart en alle gerechten waren gefotografeerd. Het zag er allemaal lekker uit en de prijzen vielen ook nog eens mee. We besloten er te gaan eten. Marjolijn bestelde een gerecht met blokjes biefstuk en Remco nam sushi. Toen de gerechten werden geserveerd, zagen ze er net zo uit als op de foto.

De biefstuk was heerlijk mals en het was net alsof we weer eventjes in Argentinië waren. Naast ons zat een Belgische man en hij zei dat dit restaurant één van de beste van Bangkok was en dat een hoop van z’n Japanse collega’s het eten in dit restaurant beter vonden dan thuis in Japan. Dat zegt genoeg, toch.

Vrijdag 25 februari 2005

Om 08.30 uur stonden we weer voor de deur van de Ambassade van Myanmar. Voor ons was de rij gelukkig beperkt tot vier mensen. Dat was wel even wat anders dan gisteren. We hadden besloten een spoedaanvraag te doen. In dat geval zouden we het visum nog dezelfde dag krijgen. Anders zou de aanvraag zeker twee werkdagen duren en dat net voor het weekend zou betekenen dat we nog zeker vier dagen aan Bangkok gekluisterd zouden zitten. De aanvraag van het visum was zo geregeld en Thb 2.520 en twee paspoorten armer stonden we om 09.30 uur weer buiten.

We liepen langs een enorm drukke straat naar de Cental Pier, waar we de watertaxi naar het Grand Palace namen. Het zicht over Bangkok vanaf het water was erg leuk. Al snel nadat we bij het Grand Palace van de boot waren gestapt werden we benaderd door een ‘bij-de-handje’ die ons vrolijk kwam melden dat het Grand Palace vandaag tot 14.00 uur gesloten zou zijn. Hij wist ons wel te vermaken tot die tijd. Die praktijken, waarbij je snel je portomonee afhandig wordt gemaakt, hadden we al gelezen in de Lonely Planet en we negeerden hem. We liepen naar de entree van het Grand Palace en nadat we de entree hadden betaald konden we van alle pracht en praal genieten.

Tjeetje, wat is dit een schitterend complex. Het was er vreselijk druk, maar ondanks dat konden we enkele schitterende plaatjes schieten met een minimum aan toeristen erop. De Emerald Buddha stond nog op dezelfde plek als 9 jaar geleden, toen we het paleis ook hebben bezocht. De tempel was nog altijd even mooi. Na het bezoek aan het Grand Palace liepen we naar Wat Pho, waar de reclining Buddha is. Ook weer een schitterende tempel en ook de stupa’s er omheen zijn schitterend.

Het was al weer 13.30 uur en we moesten hoognodig terug naar de boot. De boot was afgeladen vol en bracht ons terug naar de central pier en daar namen we de sky train naar de ambassade. Er was een mooi visum in het paspoort geplakt dat 28 dagen geldig is. Met het visum op zak konden we een vliegticket gaan boeken. We namen de sky train naar het Siam Square in de hoop daar een aantal reisbureautjes te vinden. Er bleek echter maar één in de shopping mall te zitten en die kwam nu niet echt betrouwbaar over.

Toen we later over straat liepen, werden we aangesproken door een vrouw die wel een goed reisbureau voor ons wist. Het reisbureau zou door het T.A.T. erkend zijn en goedkoper dan degene rondom Siam Square. Ze regelde een Tuk Tuk en niet veel later zaten we in het reisbureau dat zij had opgegeven. Het reisbureau zag er keurig uit en de tarieven die ze daar hanteerden ontliepen niet veel de tarieven die andere reisbureaus vroegen. Voordeel van dit reisbureau was, dat het schuin tegenover ons hotel ligt. We boekten twee tickets voor zondag met Bangkok Airways. Volgens de reisagent was dit een dochteronderneming van Thai Airways. Zou dus goed moeten zijn.

We verstuurden nog enkele e-mailtjes vanuit een internetcafé en we aten ’s avonds weer bij het Fuji-restaurant. Nu moesten we echter achteraan in de rij aansluiten. De wachttijd bedroeg zo’n 20 minuten, maar het was het wachten wel weer waard.

Zaterdag 26 februari 2005

Het scheuren in een Tuk Tukje door de stad beviel ons gisteren wel en daarom namen we vanochtend een Tuk Tuk vanaf het hotel naar het kantoor van Sta Travel. Het was nog niet zo eenvoudig om de chauffeur ervan te overtuigen dat we niet meer wilden betalen dan 80 baht en dat we niet langs kleermakers etcetera wilden. Uiteindelijk bracht hij ons tot voor de deur van Sta Travel. Daar boekten we twee kamers in het Asiahotel voor eind maart. Daarna namen we weer een tuk tuk terug naar het hotel om de vliegtickets op te kunnen halen bij het reisbureautje.

De tickets waren oké en we betaalden de resterende helft van het uitstaande bedrag. Een Tuk Tuk bracht ons vervolgens naar China Town. Daar bezochten we een temple met een enorme massief-gouden Buddha, die wel 5.000 kilo weegt. Indrukwekkend. Verder liepen we wat door China Town, dat we toch minder leuk vonden dan dat we ervan konden herinneren. Drukke straten met verkeer en nauwelijks de mogelijkheid om over het voetpad te lopen, omdat de winkels daar hun waar hebben uitgestald.

We kwamen uiteindelijk uit bij de Indiase wijk en daar lunchten we bij restaurant New India. Dit restaurant bleek in 2003 en 2004 uitgeroepen te zijn tot één van de beste restaurants van Thailand. Het restaurantje was erg klein, er stonden hooguit 10 tafeltjes in, maar het eten was smakelijk. In het restaurant zaten aan een tafel naast ons vier mensen die net naar Myanmar waren geweest en aan hen vroegen we een en ander over het geld in Myanmar. Zij gaven aan dat het niet mogelijk was om traveller’s checks in te wisselen en dat er ook geen geldautomaten zijn. Het kwam er op neer dat we een hoop contante dollars mee moesten gaan nemen. En we hadden helemaal niet zo veel contante dollars meer.

Het zweet brak Remco al uit en hij vreesde dat we zonder geld zouden komen te zitten in Myanmar, ook omdat alle banken in Bangkok in het weekend gesloten zijn. We vonden bij toeval toch nog een bank die geopend was en die bereid was om ons dollars te verkopen.

Het vrouwtje achter de balie wees ons er echter op dat het ook mogelijk was om Thaise baht om te wisselen in Myanmar. We besloten echter om toch maar 19.250 baht om te wisselen voor 500 dollar en we kregen een aantal biljetten van 50 en van 100 dollar mee. We liepen naar de Sikh temple in de Indiase wijk en bezochten die. De tempel hadden we 9 jaar geleden ook bezocht, maar we konden ons niets meer herinneren van de entree. De enorme hal op de vierde etage kwam nog wel bekend voor. We werden vriendelijk begroet door een paar mannen.

Zondag 27 februari 2005

Myanmar

Om 8.00 uur namen we een taxi naar de luchthaven. De chauffeur nam niet de tolweg en dat scheelde 50 baht in de ritprijs. Niet te min scheurde de chauffeur met een rotvaart door Bangkok. Bij het inchecken kregen we een lunchcoupon van een fastfood-keten, omdat de vlucht 2 uur vertraagd was. Er was een internetcafé op de luchthaven en we besloten nog een uurtje te gaan internetten. Daarna liepen we door de douane en wisselden we nogmaals 19.375 baht voor US$ 500.

We lunchten bij de fastfood keten en liepen daarna naar de gate. Daar zat een vreselijk grote groep moslims die van Chinese afkomst leken. Hen duurde het wachten zonder thee veel te lang en al snel kwamen de waterkokers en zelfs hele pannen uit de handbagage om thee te kunnen maken. Dit was mannenwerk en de hele groep bemoeide zich ermee. Vlak voor onze neuzen. Grappig. Met de bus werden we naar de Boeing 717 van Bangkok Airways gebracht. De vlucht naar Yangon ging goed en we kregen zelfs een maaltijd uitgereikt.

Yangon Airport was simpel in z’n puurste vorm. Geen slurven en een zeer basic aankomsthal. In deze hal was de immigratie, de bagagecarrousel en de douane. In no-time waren we door de immigratie, maar niet voordat onze temperatuur was gemeten. Buiten het luchthavengebouw was het even zoeken naar een taxi-chauffeur die ons mee wilde nemen voor $ 3. Iedereen vroeg $ 4 en dus reden we voor dat bedrag naar het centrum. Wat zo’n beetje als eerste opviel toen we het luchthavengebouw uitliepen was dat vrijwel alle mannen een rok dragen; de zogenaamde longgyi.

Onze chauffeur nam ons mee naar z’n oude taxi en reed ons heel keurig en relaxed naar het centrum. Geen gejakker keurig richting aangevend en niet sneller dan zo’n 50 km per uur. Het vreemde was alleen dat het stuur in de auto aan de rechterkant zat en dat al het verkeer ook rechts rijdt. Op straat was het lekker rustig en er was weinig verkeer. Op weg naar het centrum gaf ie ons al een korte sightseeing en vertelde waar we allemaal langs reden. Al snel bleek dat de Birmese chauffeur zeer gedisciplineerd rijdt. Men rijdt niet door oranje en zeker niet door rood (in Bangkok deed men dat maar al te graag) en als ze doorreden tot over de stopstreep, dan werd de auto achteruit gereden tot voor de stopstreep. Keurig.

Het eerste hotel van onze keuze was vol en de chauffeur reed door naar de 2e keuze, waar een airco kamer zonder raam $ 18 kostte. Nadat we hadden ingecheckt in het hotel, wisselden we voor de zekerheid 1000 Thaise baht voor 15.000 kyatts (uitspraak: tsjat). Achteraf zou blijken dat dit een zeer slechte koers was. We liepen wat door de straten van Yangon.

De stoepen waren van een vreselijke kwaliteit. Het zou erg belangrijk worden om goed uit te kijken waar we lopen. De stoepen zijn breed en de helft van de stoep wordt of door straatverkopers of door terrasjes in beslag genomen. De terrasjes zijn van theehuizen of van zgn. ‘cold drink’ shops. De tafeltjes zijn kniehoog en de stoeltjes bestaan uit kleine plastic krukjes. Op tafel staat een dienblad met een aantal kopjes en een aluminium theekannetje. Er was weinig verkeer op straat en het oversteken van de straat op kruispunten was nauwelijks een probleem.

Ons was dus al direct opgevallen dat de mannen een rok dragen. De rok bestaat uit een aan elkaar genaaide doek, die om het middel wordt geknoopt.

Ook erg opvallend was dat de meeste mensen je begroeten met een lach of met een hoofdknikje.

We passeerden de Sula pagode die op een enorme rotonde in de weg ligt. De weg is in een perfecte cirkel om de pagode aangelegd. De pagode glom mooi in het zonlicht. We besloten echter om niet naar binnen te gaan maar verder rond te lopen. We passeerden een groot aantal schitterende gebouwen. Sommige van de gebouwen, alle zo’n beetje uit de koloniale tijd, waren schitterend opgeknapt terwijl andere er wat vervallen bijstonden. Maar ook die gebouwen waren erg mooi en zouden er na renovatie prachtig bij kunnen staan.

We liepen langs het Mahabandoola park waar toeristen toegang voor moeten betalen. De toegangsprijs die ze vroegen was 10 keer het bedrag dat in de Lonely Planet stond en we vonden dat een beetje vreemd. We hadden ook nog geen idee van de waarde van het geld en we liepen verder. Later zouden we er achter koen dat de nieuwe vraagprijs omgerekend 0,05 eurocent bedroeg.

’s Avonds aten we bij de Indiër. Het eten was van minder goede kwaliteit dan we gewend waren. Het eten was koud en werd geserveerd op de Dahl Bat-borden die we ons nog levendig konden herinneren uit Nepal. Voor de deur stond een jong meisje de aandacht te trekken door over d’r buikje te aaien en met d’r hand een eetgebaar te maken. We bestelden nog een naan-brood en dat gaven we aan haar.

Maandag 28 februari 2005

We hebben goed geslapen in het stevige bed, maar het ontbijt was niet zo bijzonder; twee toastjes met ei. Na het ontbijt liepen we door het centrum naar het treinstation. Monniken met hun bedelnappen voor hen op de buik, liepen over straat, langs winkels en restaurants te bedelen om voedsel. Dat was erg apart om te zien. Allen

in het rode gewaad en met een kaal koppie. Het is overigens een normaal gebruik dat de monniken bedelen om voedsel. Bij het treinstation informeerden we naar treintickets naar Kyaikto. Hoewel echt alles bewegwijzerd was in het Birmees, was het niet moeilijk om het juiste loket te vinden. Er was namelijk iemand die ons de weg wees naar het loket. Die vriendelijke persoon probeerde ondertussen een taxiritje aan ons te slijten.

Gelukkig gaat dat hier op een vriendelijke en niet opdringerige manier en weet men ten minste wat ‘nee’ betekent. De treinreis zou US$ 8 koste en was volgens de Lonely Planet niet de meest efficiënte manier om naar Kyaikto te geraken. Dat was namelijk de bus. Het kantoortje waar we bustickets zouden kunnen kopen zat aan de andere kant van het treinstation en we liepen er hen. De bustickets bleken 5.000 Kyatt per persoon te kosten. Het busstation bevindt zich echter vlakbij de luchthaven en we zouden met een taxi naar het busstation op zo’n 25 kilometer buiten Yangon moeten gaan. Kun je het je voorstellen: 25 kilometer buiten Yangon ligt het busstation. Dat zou zijn alsof je in Amsterdam woont en in Hilversum op de bus moet stappen!

We liepen terug naar de Bogyoke Ang San markt, een overdekte markt, waar naast de traditionele Longgyis en andere kleding ook houtsnijwerk, muziekinstrumenten en sieraden worden verkocht. Het houtsnijwerk ziet er soms schitterend uit, aar de vraagprijzen zijn nogal aan de forse kant voor de Birmese standaard. Op deze markt kun je op de zwarte markt geld wisselen tegen twee keer de officiële koers. Dat hadden we vernomen van de receptioniste in het hotel. We hadden verwacht direct aangesproken te worden door geldwisselaars zodra we de markt op zouden lopen, maar niets daarvan was waar. Toen Marjolijn bij een kledingstalletje rondkeek, vroeg Remco heel discreet aan de eigenaresse van het stalletje waar hij geld kon wisselen.

Dat deed zijzelf ook wel en zo kwam het dat we 3.000 Thaise Baht owisselden voor 66.000 Kyatt. Al een behoorlijke verbetering ten opzichte van het hotel, waar we 15 Kyatt kregen voor 1 Baht. Nu kregen we 22 Kyatt voor 1 baht. De koers ging van € 1,33 per 1.000 Kyatt naar € 0.90 voor 1.000 Kyatt. Een behoorlijk verschil. We waren drie biljetten kwijtgeraakt en kregen er 66 voor terug. Bij een juwelierswinkeltje wisselden we nog eens 4.000 baht tegen 88.000 Kyatt. Na het bezoek aan de markt, waar Marjolijn een Batikpakje (rok en bloesje) kocht liepen we naar de Shwedagon pagode. Het was een kort stukje lopen langs een brede weg.

Toen we langs een kazerne liepen, werden we door de bewakers weggestuurd. We moesten aan de overkant van de weg gaan lopen. Schijnbaar mochten we niet langs de metershoge muur langs de kazerne lopen. Voordat we bij de Swedagon pagode aankwamen, liepen we langs de aha Wizaya Paya (pagode) die we eerst bezochten. De grote gouden stupa stond helaas in de steigers, maar van binnen zag de pagode er schitterend uit. Het centrale deel van de pagode bestond uit een koepel met op het plafond allemaal dierenafbeeldingen. Natuurlijk ontbraken de tientallen, zo niet honderden buddha-figuren niet.

Schoenen en sokken moesten uit en al snel hadden we pikzwarte voetzolen, want schoon is de grond in de pagodes niet. Ook een nadeel van het lopen op blote voeten was de temperatuur van de marmeren tegels. Die tegels waren afwisselend wit, groen of bruin van kleur. We beperkten het lopen zoveel mogelijk tot de witmarmeren tegels, want die waren het koelste. We raakten aan de praat met Myo, een jonge monnik, waar we nadat we de zonsondergang hadden bewonderd, nog een kopje thee mee dronken.

Dinsdag 1 maart 2005

Vandaag slenterden we wat door Yangon. We liepen naar de rivier, waar boten met grote zakken werden uitgelaten. Vele mannen liepen met een enorme zak (inhoud onbekend) op de schouder van de boot en de pier via een smal loopplankje naar de laadbak van een vrachtauto. Voordat ze de loopplank opliepen, gooiden ze een stokje naar een mannetje dat onder de vrachtwagen in de schaduw zat. Op die manier werd geteld hoeveel zakken er in de vrachtwagen gingen. Aan de rivier stond ook weer een mooie pagode, maar we gingen er niet naar binnen vanwege de hoge toegangsprijs. We zullen nog tientallen pagodes zien en als je, net als hier, voor iedere pagode minimaal US$ 2 per persoon (+ US$ 1 voor fotocamera + US$ 2 voor videocamera) moet betalen, dan zijn wij snel door het geld heen. En van buiten het hek was de pagode ook goed zichtbaar. Via strand street liepen we naar het centrum en ging Remco even ‘op z’n plaat’ toen hij wegzakte in een putje in de weg.

Nogmaals werden we er op attent gemaakt goed te kijken waar we lopen. We passeerden het Strand Hotel, waar de goedkoopste kamer US$ 425 per nacht kost. We hadden het idee om er een duur kopje koffie te drinken, maar vonden US$ 4 per kopje iets te veel van het goede.

We liepen verder en gingen naar het kunstmatige meer even ten noorden van het centrum. We wandelden een deel om het meer, waar een enorm drijvend chinees restaurant in ligt. Dit restaurant is gebouwd in de vorm van een tempel op een groot ponton met twee draken. Het is een mooi gebouw. We namen een taxi naar de markt, waar we nog net voor sluitingstijd 5.000 baht inwisselden voor 112.500 kyatt. Nog een 113 biljetten erbij!

Op een terrasje dronken we een biertje en daarna gingen we een uurtje internetten. Een uurtje is niet veel, aangezien het internet vreselijk langzaam is en niet goed werkt. We hadden 5 e-mailtjes ontvangen in de ene mailbox en 3 op de hotmail en het duurde ongeveer een uur om tientallen keren inloggen voordat we ze allemaal hadden gelezen en enkelen hadden beantwoord.        

Hotmail is door de overheid afgeschermd en is via de Internet Explorer niet te benaderen. De eigenaar van het internetcafé wist hotmail echter wel te benaderen via de browser Mozilla. E-mails verzenden vanuit hotmail was echter niet mogelijk. Onze marrem.waarbenjijnu-pagina was echter snel geopend en we besloten deze website de komende tijd te gebruiken als e-mailbox en alleen onze familie te machtigen. We beveiligden de pagina met een wachtwoord, ons realiserende dat we anderen hiermee wellicht teleur zouden stellen.

Woensdag 2 maart 2005

De eigenaar van het Three Seasons Hotel had gisteren de bus naar Kyaikto voor ons gereserveerd. We konden de bus reserveren zonder vooraf te betalen. Dat zouden we pas in de bus hoeven te doen. De bus zou om 09.00 uur vanaf het ‘Highway busstation’ vertrekken. Even na 08.00 uur namen we vanuit het hotel een taxi naar het busstation en daar kwamen we rond 08.45 uur aan. Het bleek dat de bus net 5 minuten eerder was vertrokken. Nog voor de vertrektijd en zonder ons. Gelukkig dat we nog niet hadden betaald. Er zat niets anders op dan twee uur wachten voordat de volgende bus vertrok. Die was overigens van een andere maatschappij dan degene die we in eerste instantie zouden hebben genomen, want anders hadden we zelfs drie uur moeten wachten op de volgende bus.

We doodden de tijd met lezen en het bijwerken van het dagboek en we verwonderden ons over het aantal vliegtuigen dat landde op de luchthaven van Yangon, dat een paar kilometer verderop lag. De wachtruimte bestond overigens uit niet mee dan een tochtige ruimte met hier en daar een plank om op te zitten of een plastic tuinstoeltje, waar iedereen van alles aan je probeerde te slijten. Om 11.20 uur vertrok de bus pas. De ene bus vertrekt veel te vroeg en de andere bus vertrekt veel te laat. Schijnbaar is het openbaar vervoer hier ook onbetrouwbaar wat vertrektijden betreft. Maar een bus die te vroeg vertrekt is echt een bijzonderheid in Azië.

We hoefden niet meer helemaal de stad door, want het busstation ligt al 25 kilometer buiten de stad. Al snel reden we door de uitgestrekte, dorre vlakten. Veel akkerbouw aan weerzijden van de weg, maar omdat het oogstseizoen al was geweest zag alles er grauw en bruin uit. Niet echt mooi of bijzonder. De chauffeur reed kalmpjes aan, maar toeterde continue. Naar alles wat bewoog of mogelijk zou kunnen bewegen op of langs de weg werd getoeterd. Op een gegeven moment begon dat wel een beetje te irriteren. In de bus werd de TV aangezet en natuurlijk werd een karaoke-cd in de videospeler gestopt. De muziek die werd gespeeld was heel herkenbaar, aangezien het allemaal in het Birmees gecoverde hits uit het westen waren.

Na ongeveer 4 uur kwamen we aan in Kyaikto, waar we werden verzocht om met een pick up verder te reizen naar het dorpje Kinpun. De kosten van de pick up waren inbegrepen in de kosten van de busrit, maar we stonden even vreemd te kijken toen we in de middle of nowhere ineens moesten overstappen. Niemand had ons daarover iets verteld. Het dorp lag nog 10 kilometer verderop. In de pick up zaten we te midden van allemaal Birmezen. Veel oogcontact, lachen etcetera, maar geen woord kunnen wisselen.

Toen we in Kinpun aankwamen stonden als diverse jongens klaar om ons naar hun hotel te brengen. Twee van die jongens waren van hotelletjes die ook in de Lonely Planet stonden en terwijl Marjolijn bij de bagage achterbleef ging Remco met de jongens naar de kamers kijken. We besloten om de kamer bij het Sea Sar guesthouse te nemen. Dit guesthouse had een nette kamer met airconditioning (op zich niet nodig in Kinpun) en een eigen badkamer in een stenen twee-onder-een-kap bungalow. Het zag er leuk uit en kostte slechts US$ 8,-

Na het inchecken doodden we alle muggen in de kamer. Het is ons inmiddels wel duidelijk geworden dat het Myanmar stikt van de muggen. Vandaar dat we ook trouw slapen onder onze geïmpregneerde klamboe. We liepen door het dorpje dat uit één straat en een centraal pleintje bestaat. Langs de hoofdstraat waren allemaal restaurantjes en souvenirswinkeltjes. En dat terwijl het aantal toeristen die die spullen wellicht zouden kopen op één hand te tellen waren. Varkens, runderen en kippen scharrelden rond op straat en er waren overal kleine vuurtjes om afval te verbranden. Overal hing dus ook rook.

Een klein meisje, misschien een jaar of vijf, stond op Birmese muziek traditionele dansen te vertonen. We beloonden haar kunsten met een snoepje. Al snel bleken er heel veel kinderen in het dorp te wonen en waren we snel door de snoepjes heen. ’s Avonds aten we bij het Sea Sar restaurant. Remco nam een sweet and sour pork en Marjolijn nam een Thaise soep. Die bleek zo pittig, dat haar het zweet uitbrak en de tranen over haar wangen rolden. Het eten van het soepje werd voortijdig gestaakt.

De elektriciteit viel tijdens het eten uit en al snel stonden de kaarsjes op tafel, totdat een generator de stroomvoorziening herstelde.

Donderdag 3 maart 2005

De wekker ging vanochtend vroeg, namelijk om 06.00 uur. We ontbeten in het Sea Sar restaurant (het ontbijt was inclusief) en daarna liepen we naar de truck die ons naar de Golden Rock zou brengen. De truck was een vrachtauto met open laadbak en in de laadbak waren over de dwarszijde 8 balken bevestigd. Daarop pasten tenminste 48 passagiers en met minder dan dat aantal vertrok men niet. Zo kwam het dat we met 46 andere Birmezen op weg gingen naar de pagode. De rit naar het eindpunt duurde 45 minuten en was bergopwaarts. Daarna mochten we nog eens 45 minuten verder lopen. De weg ging behoorlijk steil omhoog.

Langs de weg waren vele restaurantjes/cafeetjes en souveniersstalletjes. En iedereen bood het zelfde aan. Als je geen zin zou hebben om naar boven of naar beneden te lopen, dan kon je je ook laten dragen.         

Een soort van houten tuinstoel was bevestigd tussen twee lange bamboe stokken en het geheel werd gedragen door vier jongens. Op onze weg naar boven zagen we een aantal mensen (dikke Duitsers) naar beneden worden gedragen. Het viel ons op dat veel oudere toeristen die in groepsverband reizen naar Myanmar. Ook nu kwam weer een hele groep Duitse 65+ ers naar beneden.

Maar wij moesten omhoog. De weg was dus nogal steil en al snel liepen de straaltjes zweet van het hoofd. Gelukkig was de temperatuur aangenaam op dit uur van de dag. Midden op de dag zou dit toch een stuk warmer zijn. We betaalden toegang en deden onze schoenen en sokken uit. Op blote voeten betraden we het tempelgedeelte. De marmeren tegels waren nog minder schoon dan in de Swe Dagon tempel in Yangon.

We liepen naar de ‘Golden Rock’ die ook al in de steigers stond. Als alle tempels waar je forse entree moet betalen in de steigers staan, dan is de lol er snel vanaf. In verhouding tot het dagelijks leven is de entree van US$ 6 zeer hoog en het bijkomende nadeel is dat het geld naar de overheid gaat en die willen we nu juist niet steunen. De steen was mooi om te zien. Wie heeft die steen daar ooit gekregen? Boven op een bergkam en geen andere rotsen in de omgeving te zien, balanceert daar ineens een groot rotsblok op een andere rots. En bovenop die balancerende rots staat een stupa (in de steigers). De hele rots en de stupa zijn van goud(kleur). Onder de steen zouden twee haren van Buddha liggen, die de steen in balans houdt. Het uitzicht vanaf de bergtop was mooi. Het was wat heiig en aan de andere zijde van de berg was het bewolkt, maar we keken mooi uit over de groene heuvels. Overal in het landschap stonden witte tempelcomplexjes.

Er was een ‘beach’ volleybaltoernooitje aan de gang in het tempelcomplex en de toeschouwers klapten wanneer er weer een punt was gescoord. Een oudere monnik met een baardje (hij had inderdaad enkele lange haren aan z’n kin hangen) en nauwelijks nog toonbare tanden in z’n mond vanwege het jarenlang kauwen op betelnoot, kwam even informeren of we het wel mooi vonden en dat was wel zo. Het was erg rustgevend en leuk om te zien. Te voet keerden we weer terug naar het dalstation waar we een truck terugnamen naar Kinpun. We mochten dit keer voorin zitten. Wel tegen 100 % toeslag.

In de cabine was het echter niet veel minder krap dan achterin, want naast de chauffeur werden daar ook nog 5 passagiers gepropt. Marjolijn raakte aan de praat met een jonge monnik en kwam zo iets meer te weten over o.a. Nederlands voetbal, want iedereen lijkt hier de spelers te kennen (en wij niet). Toen we in Kinpun uitstapten kreeg Marjolijn een kettinkje van deze vriendelijke monnik. We liepen naar het hotel en namen nog stel even een douche voordat we gingen lunchen. Om 13.15 uur vertrok een airconditioned bus en we konden ons ticket voor een bescheiden toeslag van 0,45 eurocent p.p. upgraden naar deze bus. En zo vertrokken we naar Bago in de airco-bus. De rit naar Bago ging over dezelfde weg en was wederom niet bijster interessant. Het is leuk om het leven in de stadjes die we passeerden te zien, maar het vlakke landschap was nogal saai.

In Bago stonden de jongetjes van de diverse hotels al bij de bus toen die stopte. Ook hier waren ze niet opdringerig en konden we samen met die jochies een voor een de hotelletjes bekijken. Marjolijn ging kijken, terwijl Remco achterbleef bij de rugzakken. We belandden uiteindelijk in het Myananda hotel, waar de kamer US$ 7 kostte. We dronken wat frisdrank bij het 555-café, dat in de Lonely Planet beschreven staat als ‘shabby’ dat zoiets als smoezelig betekent. Er stonden brommers in het café geparkeerd, er scharrelde wat honden rond verder zaten er wat Burmezen bier te drinken. We zagen op het menu dat men hier ‘Geitenballen’ serveert, op diverse manieren bereid. Inderdaad smoezelig. Wij hielden het maar op een flesje cola.

We aten ’s avonds bij het Panda restaurant. De sweet en sour vegatables waren uitstekend en het bier koud. Het is wel lekker en goed dat we ons portie groente op een dag zo kunnen bestellen.

Vrijdag 4 maart 2005

Omdat het hotel geen ontbijt serveerde gingen we naar het theehuis, waar we gisteren ook de bustickets naar het Inle-meer hadden gekocht. De thee was gratis en de cakejes die erbij geserveerd werden namen we als ontbijt. De cake werd vers gebakken in het restaurant. Er werd geen gebruik gemaakt van cakeblikken, maar de cake werd gebakken in oude krantenpapiertjes. Een plak cake kostte 100 Kyatt (€ 0.09), dus het was weer eens een duur ontbijtje, maar niet heus.

Aan onze tafel waren twee trishawrijders geschoven die ons maar wat graag iets van Bago wilden laten zien. Marjolijn kan er niet zo goed tegen als mensen aan tafel komen zitten om hun ‘waar’ te verkopen, maar Remco had er veel minder problemen mee en zag er de humor wel van in. Voor 2000 Kyat per persoon zouden ze ons meenemen naar een paar pagodes, een sigarenfabriekje een weverij en het klooster. We hadden niet eens de behoefte om over de prijs te onderhandelen, want het klonk als een zeer ‘faire’ prijs. Ze beloofden ook dat we geen toegang hoefden te betalen bij de pagodes. Ze kenden een manier om de entreeprijs, die US$ 10 per persoon bedroeg te omzeilen op een heel eerlijke manier. Je moest gewoon niet de pagode zelf betreden, maar net buiten de pagodes op de trap blijven staan. Zo konden we wel het interieur bekijken en de buddha’s zien zonder te betalen. En niemand die er iets van zei bij de ticketbureautjes, want iedereen wist dat we niet in overtreding waren.

Al snel propten we onze dikke achterwerken in de stoeltjes die naast een fiets waren bevestigd. Die stoeltjes waren niet gebouwd op de grote en brede westerlingen. Het was erg leuk om het leven langs de weg vanuit de trishaw te zien. Lekker relaxed. Al snel sloegen we af van de hoofdstraat en kwamen we meer in de woonwijk terecht. Hier was ook een sigarenfabriekje. Vele meisjes, sommige van twijfelachtig jonge leeftijd, maakten daar sigaren. Het zijn de sigaren die je vele Birmezen ziet roken. Heel vlug werd een blad gepakt, waarop een mengsel van houtsnippers en tabak werd gelegd, alsmede het filter dat uit krantenpapier met een bamboe-inhoud bestaat. Het geheel werd heel behendig tussen de handen gerold en vervolgens voorzien van een chique sigarenbandje. En dat in minder dan een minuut tijd.

Zo zaten misschien wel honderd meisjes en vrouwen sigaren te rollen. De volgende stop was bij een reclining (liggende) buddha. Deze buddha werd net gebouwd en bestond geheel uit beton. In een kleine pagode bij de nieuwe buddha lag het ongeveer twee meter lange voorbeeld. De enorm grote, nieuwe, buddha leek precies op het voorbeeld. Zeer bijzonder hoe men de drapering van het kleed zo in beton kan gieten. Erg kunstzinnig hoe je beton op die manier kunt gieten, want de kleding kende nogal wat plooien. Nog een poosje en er kan wat stuckwerk en verf tegenaan en Myanmar is er weer een buddha rijker.

Een eindje verderop lag een buddha in een tempel. De trishawrijders gaven exact aan hoe we de entreeprijs konden omzeilen, namelijk door op de toegangstrap te blijven staan en niet de tempel te betreden. Vanaf de toegangstrap hadden we hetzelfde zicht op de buddha als in de tempel, maar nu alleen gratis. de weverij was ook erg leuk om te zien. De productiemethode was al wat verder ontwikkeld dan we hadden gezien in Ecuador, maar het is nog altijd het Europa van 200 jaar geleden. Het resultaat was echter erg mooi. Alle weefgetouwen zijn gemaakt van hout en bamboe. De draden worden op een natuurlijke manier geverfd en handmatig gesponnen en vervolgens verwerkt tot schitterende doeken die niet veel kosten. Marjolijn kocht twee mooie doeken voor 5000 Kyat (€ 4,50).

Toen we verder reden zagen we een man die tegen een ladder opliep. De ladden stond tegen de stam van een palmboom. Hij kroop de boom in om sap af te tappen, dat een beetje op bier schijnt te lijken, inclusief 3% alcohol.

De volgende stop was bij het klooster. De monniken hadden net de lunch genuttigd en liepen in een lange rij en in hun rode gewaden met hun bedelnap in de hand voor de buik naar buiten. We hebben nog nooit zo veel monniken bij elkaar gezien. Het was erg leuk. We mochten een kijkje in de keuken nemen. Daar zagen we grote gamellen op houtvuurtjes in een vies en donkere ruimte.

Het klooster was het laatste dat we bezochten en we werden netjes voor de deur van het hotel afgezet. In de hotelkamer wasten we even de voetjes, want in alle pagodes moeten schoenen en sokken uit en daar krijg je pikzwarte voeten. We checkten uit en liepen met volle bepakking naar het Panda restaurant voor de lunch. Na de lunch liepen we naar het theehuis, waar we wachtten op de bus. Die vertrok exact op tijd om 13.30 uur. Onze trishawrijders, die ook weer present waren, brachten onze rugzakken ongevraagd naar de bus. Se mensen zijn hier nog echt eerlijk, vriendelijk en behulpzaam.

Opgepropt in een veel te volle bus reden we in 15 uur naar het Inle meer. Zelfs in het gangpad zaten mensen op plastic stoeltjes. De busrit ging niet snel, maar was relaxed. Iedere drie uur werd een half uurtje gepauzeerd en konden we de benen strekken en iets drinken. Het landschap bleef saai, maar de dorpjes en het leven in de dorpjes bleven het bekijken waard. Tientallen keren passeerden we de enige spoorlijn en de bus reed zelfs een keer door toen de hekken van de spoorwegovergang al werden gesloten. Het zou toch nog wel tien minuten duren voordat de trein, die in slakkegang rijdt, voorbij zou komen. In de bus ontmoetten we Berend, een 20 jarige jongen uit de omgeving van Amsterdam. Hij reisde alleen. Het was wel weer eens leuk om met een Nederlander te kunnen praten. Om 04.00 uur in de nacht werden we bij een splitsing naar het Inle meer afgezet.

Er stond al een taxi klaar om ons verder te brengen. Samen met Berend namen we de taxi naar Nyaungshwe, het plaatsje bij het Inle lake. De taxichauffeur wilde ons graag naar een hotel brengen waar hij commissie zou krijgen, maar wij wilden naar het Teakwood guesthouse. Volgens de chauffeur was dit guesthouse natuurlijk gesloten, maar we hielden voet bij stuk. Uiteindelijk bracht hij ons er toch heen en om half zes lagen we dan eindelijk weer onder onze klamboe in een keurige kamer in een tweepersoonsbed.

Zaterdag 5 maart 2005

Van 05.30 uur tot 09.30 uur hebben we geslapen en er was een frisse douche voor nodig om weer een beetje tot leven te komen. We aten wat koekjes en appels en daarna gingen we het dorp verkennen. Er was weinig te doen. De markt was zo goed als verlaten, maar rond de markt was het wel levendig. In een kanaaltje lagen allemaal lange, smalle houten bootjes met een soort van tractor motor aan de achterkant. We liepen langs een poppentheater waar 2 x per avond een 25 minuten durende voorstelling wordt gegeven. De poppenspeler was erg vriendelijk en gaf wat uitleg over de tientallen houten poppen die aan de muur hingen. We namen ons voor een show te gaan bekijken.

In het dorp kwamen we Berend tegen, die we gisteren in de bus hadden ontmoet. We besloten om ergens iets te gaan drinken en gingen op een terrasje zitten. Al snel moesten we naar binnen vluchten, want het begon te regenen. De regenbui werd al snel een moesonbui, met grote druppels die tegen het golfplatendagk kletterden. Wij zaten echter droog nadat de ramen ook waren gesloten en praatten en dronken wat. Berend was in totaal 9 maanden op pad door Azië. Hij was geruime tijd in Thailand en China geweest. Het was leuk om wat reiservaringen uit te wisselen.

We gingen een half uurtje internetten en het verbaasde ons hoe ‘snel’ het internet was. Het was wel 10 x zo snel als in de hoofdstad waar de bits en bytes per express-slak werden vervoerd. We konden in ieder geval wat e-mailtjes lezen. Met z’n drieën aten we in een Chinees Bamar (Birmees) restaurant en het eten was weer oké. Na het eten liep Berend met ons mee naar ons guesthouse waar we ons liet voorlichten over de boottrip over het Inle Lake. De eigenaresse had haar ‘own’ special program samengesteld. We boekten voor een stevige 20.000 een boottocht voor ons drieën voor de volgende dag. De volgende dag zou blijken dat veel goedkopere bootcharters haar ‘own special program’ hadden gekopieerd.

Zondag 6 maart 2005

Om 07.00 uur ontbeten we en om 07.30 uur vertrokken we naar de boot. Die lag op zo’n 5 minuten wandelen vanaf he hotel in het kanaal naar het Inle-meer. Al snel nadat we in de boot waren gestapt, moesten we US$ 3 per persoon toegang tot het meer betalen. De eerste 3,5 kilometer tot aan het meer ging door een kanaal en daarna zaten we op het vreselijk brede en lange meer (22 x 11 kilometer). Het was erg frisjes op het bootje, waar we eigenlijk niet opgekleed waren. We voeren het hele meer over en aan het einde van het meer waren weer waterwegen. Ook daar voeren we door.

Overal in het water stonden bamboehuisjes op palen. Op het meer waren vissers bezig om met zeer primitieve middelen te vissen. Het is bijzonder om te zien hoe de mensen hier de bootjes voortpeddelen. Dat doen ze namelijk met een been! Het been wordt om de peddel gevouwen en de peddel wordt voortbewogen zonder ‘m uit het water te halen. Ingenieus. Toen we na 2 uur varen eindelijk weer aan vaste wal raakten, waren we in een klein dorpje waar die dag de 5 daagse markt was. De vijfdaagse markt is een markt die iedere dag in een ander plaatsje wordt gehouden en na vijf dagen weer terugkeert in hetzelfde dorpje.       

De vijfdaagse markt was verre van bijzonder, maar het leven in het plaatsje was des te leuker. Er stonden vele paarden- en ossenkarren langs de waterkant. Veel lokaal transport vindt nog altijd plaats met behulp van paard-en-wagen of met ossenkarren. In het dorpje was ook een smid die op zeer middeleeuwse wijze nog karrenwielen maakte. Het ijzer werd boven een vuurtje van kolen verwarmd. Het vuur werd handmatig aangewakkerd d.m.v. een blaasbalg. Het karrenwiel bestond uit allemaal kleine gebogen stukjes die tezamen één geheel vormden. Erg bijzonder om dat te zien.

In een ander huisje demonstreerde een oud vrouwtje hoe ze potten kleide. Ook hier was alles handwerk. Het pottenbakkerswiel werd handmatig aangedreven. Met zo’n 60 jaar ervaring wist ze in no-time een heel aardig potje te kleien. Na de demonstratie probeerde ze natuurlijk iets aan ons te slijten, maar daar had ze geen succes mee. Wat moeten wij nu met een kleien potje de komende 3 maanden? En daarnaast was haar vraagprijs in Dollars en als dat gebeurt weet je eigenlijk al dat je veel te veel voor de spullen gaat betalen. We voeren naar een pagoda (aaagh, weer één) en daarna verder naar een weverij.

Dit was zo’n zelfde soort weverij als we in Bago hadden gezien met één uitzondering, namelijk dat de draden waarmee men hier weefde, afkomstig waren van de lotusplant. Eén meisje was bezig de vezels uit de stengels van de lotusplant te trekken. Dat deed ze door steeds een stukje van de lotusstengel (10 centimeter of zo) half door te snijden en dan kon ze een vezel van ongeveer 30 centimeter eruit trekken. De sjaals die waren geweven uit lotusdraden, zagen eruit als jutte. De volgende stop was bij een smederij. Weer allemaal handwerk.

Vijf mannen stonden in een halve cirkel gelijktijdig (natuurlijk heel ritmisch net na elkaar) op een heet stuk staal te hameren en na een korte tijd was er weer een sabel gemaakt. Het houtskoolvuur werd door middel van twee zuigers aangewakkerd en die zuigers werden weer handmatig bediend door iemand die op een plateau hoog boven het houtskoolvuur zat. In de smederij maakten ze ook de belletjes die aan de metalen paraplu’s hangen die op hun beurt boven alle pagoda’s zijn bevestigd. De belletjes waren gegraveerd en we kochten er twee van. Echt een origineel Birmees souvenir.

Op naar de parasolfabriek, waar zonneparasolletjes werden gemaakt. Niet zo vreselijk bijzonder. De volgende stop was bij een goud- en zilversmid. Wel bijzonder. Het is haast niet te geloven in welke omstandigheden men hier werkt. De sieraden zagen er schitterend uit en het was een vreselijk priegelwerk om ze in elkaar te zetten. Zeer bijzonder om te zien. De sieraden zagen er soms erg mooi uit, maar we besloten om niets te kopen. Op naar weer een pagode.

Onderweg over de rivier, zagen we jongetjes (het zijn altijd jongetjes) die de waterbuffels mee naar de rivier namen, waar ze hun welverdiende, dagelijkse bad konden nemen. Op de heenweg waren het er nog niet zo veel, maar op de terugweg leek de hele rivier vol te liggen met waterbuffels, die zo diep in het water lagen dat alleen de reusachtige kop met de enorme horens nog uit het water staken. In diezelfde rivier deed met ook de was én de vaat én men waste zichzelf erin én men poetste de tanden met het water. De mensen moeten hier wel over ijzeren magen beschikken.

De route naar de pagode ging door een galerij van enkele honderden meters en duizenden pilaren en was bijzonder om te zien. De stupa’s stonden her en der door de omgeving verspreid en waren zwaar vervallen. Toch was dat ook zeer bijzonder om te zien, omdat de meeste stupa’s er zo gerenoveerd en opgeknapt uitzien dat het vaak lijkt of ze er gisteren zijn neergezet. De stupa’s waren tussen de twee en vier meter hoog (zo ongeveer) en waren soms zo oud dat de bomen eruit groeiden. Op weg naar de stupa’s moesten we weer honderden keren ‘No, thank you’ zeggen tegen alle souvenirstalletjes die onder de galerij stonden.

Er zijn vreselijk veel souvenirstalletjes overal in en om het Inle-meer en iedereen verkoopt hetzelfde. De meeste toeristen zullen dus na twee stalletjes alle interesse erin verliezen en doorlopen. Zo ook wij. Als laatste attractie vaarden we naar het klooster, waar ‘Jumping Cats’ zouden wonen. Toen we er arriveerden, bleken de katten net te hebben gegeten en niet vooruit te branden, maar een monnik kreeg het toch voor elkaar een aantal katten door een hoepeltje op zo’n anderhalve meter boven de grond te laten springen.

’s Avonds aten we met Berend in een Chinees restaurant. We bestelden alle drie een kipgerecht, maar toen het eten werd geserveerd, bleek het overduidelijk varkensvlees te bevatten. Wij attendeerde de ober op het feit dat het geen kip was, maar hij bleef volhouden dat het wel zo was. En zo leerden we dat kippen in Birma knor, knor zeggen. Het tapbiertje bevatte geen koolzuur en was nauwelijks te drinken en daarna besloten we na het eten in een ander cafeetje nog een afzakkertje te nemen.

Maandag 7 maart 2005

Opstaan, douchen en ontbijten en daarna rekenden we de kamer af. We liepen naar de plaats waar de pick ups naar de splitsing met de weg tussen Taunggy en Kalaw zouden gaan. De pick up werd al behoorlijk volgeladen met allemaal manden met een soort van komkommers. Die manden gingen op het dak.

Er werden nog een groot aantal mensen achter in de laadbak gepropt en daarna vertrok de pick up. Ver kwamen we echter niet en tot twee keer toe verdween de chauffeur met een schroevendraaier onder de motorkap voordat er weer een aantal meters verder kon worden gereden. Toen een vrijwel lege pick up aan kwam rijden verruilden wij ons wrak voor een stevige pick up en daarna kwamen we snel aan op de splitsing. Daar moesten we overstappen op de bus naar Kalaw, maar die bleek pas om 13.00 uur te vertrekken en het was pas 10.00 uur. De twee opties die we hadden bestonden uit drie uur wachten of met een pick up twee uur verder rijden naar Kalaw. Na wat overpeinzingen besloten we een pick up te nemen. We waren daar niet zo enthousiast over, omdat we wisten dat de weg nogal stoffig was.

Toen de eerste pick up aankwam, waren de Birmese omstanders ervan overtuigd dat we er nog makkelijk bij konden. Wij voelden er echter niets voor om als sardientjes in een blik opgevouwen te zitten en de rugzakken die inmiddels al op het dak lagen, mochten weer van de auto af.

De tweede pick up was al net zo vol, maar na een zeer ingenieuze stoelendans kwamen twee, tamelijk ruime zitplaatsen aan de achterzijde van de pick up vrij. De plaatsen achterin bleken ‘geluksplaatsen’ te zijn. We zaten net naast de overkapping en konden dus gewoon rechtop zitten en daarnaast hadden we een onbelemmerd uitzicht naar achteren. En met de stof viel het gelukkig ook nog wel mee. 10 meter nadat de pick up was vertrokken, kregen we een lekke band. De band werd verwisseld terwijl iedereen gewoon bleef zitten. Wij gingen maar in de schaduw staan wachten.  

Het was wederom zeer heiig en dus was het zicht zeer beperkt. Het heuvelachtige landschap was dor en droog. De groene bomen staken daar schril tegen af. Op vele plaatsen waren mannen en vrouwen de gaten in de weg aan het opvullen met stenen en teer. Zwaar werk in de hete zon. Een betere oplossing zou zijn om de hele weg opnieuw aan te leggen, want de weg was al vreselijk oud en versleten. Onderweg zagen we ook vele Birmezen fietsen. Een longgyi daarbij aanhebben is geen probleem.

Na twee uur in de pick up kwamen we aan in Kalaw. We stopten voor het Winner hotel en daar checkten we in. We kregen natuurlijk eerst de duurste kamers te zien van 20 dollar en uiteindelijk na nog drie kamer gezien te hebben namen we de 8 dollar kamer. De kamer was erg eenvoudig 3 bedden en meer niet. De badkamer bevond zich op de gang.

Er was een vijfdaagse markt die we bezochten. Er waren vele traditioneel geklede mensen van de hill tribes (bergstammen) uit de omgeving die hun waren aanboden. Veel groente en gedroogde vis met veel vliegen. De groente was er in overvloed, maar alles was heel klein; 1-persoons bloemkooltjes, mini-paprikaatjes, tomaatjes etc. Maar wel weer reusachtige watermeloenen.

Op de reguliere markt kocht Marjolijn een geweven doek. Het was een doek die de hill tirbes zelf dragen. Al snel waren we over de marktjes heen en namen we plaats op een terrasje waar we wat dronken en lazen en schreven. Op zich ook niet zo vervelend omdat het dagboek alweer een week achterlag, nu zijn we weer bij.

In Kalaw en de omgeving is het mogelijk om te wandelen, wat we in eerste instantie ook van plan waren. Ons idee veranderde toen we de omgeving hadden gezien en ook al een groot aantal bergstammen op de markt hadden gezien. ’s Avonds aten we bij het Nepalese restaurant Everest. Veel toeristen, maar ons smaakte het niet zo.

Dinsdag 8 maart 2005

De bus naar Mandalay zou tussen 07.30 uur en 08.30 uur aankomen in Kalaw. De busstop was voor het hotel en dat kwam goed uit voor ons. We zaten al gereed om 07.30 uur, maar de bus kwam niet voor 08.20 uur. Toen we de bus zagen, moesten we wel even slikken; weer een gammele en oude bus. Het was een 25-persoonsbus (zo ongeveer) en was natuurlijk niet air conditioned. Nu is dat niet zo’n probleem, maar het betekent wel dat de rit wat stoffiger dan in een airconditioned bus is.

Er konden geen 25 mensen in, want het achterste deel van de bus werd in beslag genomen door goederen. Onze bagage verdween tussen de goederen in de bus. Zelf moesten we over tientallen oude accu’s naar onze plaatsen kruipen. Naast de accu’s was de bus volgeladen met zakken baby-knoflookjes. Die lagen in het gangpad en onder de stoelen. Dus we zaten bovenop de zakken knoflook en onze voeten rustten op accu’s. Halverwege de rit verruilde Remco z’n stoel voor de knoflookzakken. Hij kon z’n benen nauwelijks kwijt en bij elke hobbel beukten z’n kniëen tegen de leuning van de stoel voor hem. De knoflookzakken zaten dan wel iets harder, maar er was veel meer beenruimte.

De weg tot aan Thazi was in zeer slechte staat en bestond uit een brede eenbaansweg, die natuurlijk voor twee rijrichtingen was. Om de haverklap moest worden uitgeweken voor tegenliggers. Nu was dat niet zo’n probleem, want de berm is zo ingericht dat die ook als rijbaan kan worden gebruikt (en was misschien nog wel beter dan de asfaltweg). Door de slechte staat van de weg en de krakkemikkige bus, werd deze rit de slechtste busrit die we ooit hebben gemaakt.

Nadat we Thazi waren gepasseerd, kwamen we op de weg Yangon – Mandalay en die verkeerde in een stukken betere staat. Men was druk bezig de weg te upgraden en op sommige plaatsen was de weg zo breed dat die eenvoudig als landingsbaan kon dienen. Maar op andere plekken, veelal op punten waar men bruggen aan het bouwen was, werd de weg weer voor korte tijd een ‘hel’.

Zeer binnenkort wordt ook dit een tolweg. De tolhuizen waren al gereed en het is nog maar een kwestie van tijd voordat de tolhuisjes ook worden bemand. De bus reed nog steeds, maar dat hield ook op toen we Mandalay letterlijk in zicht hadden. De bus stopte ermee en de chauffeur verdween met z’n gereedschapskist onder de bus. Er waren problemen met de aandrijving en na een half uurtje / drie kwartier sleutelen, reden we verder. We kwamen echter niet veel verder en weer verdween de chauffeur onder de bus. Weer een half uurtje wachten en daarna konden we verder.

Na een paar honderd meter stopte de bus echter weer. De benzinetank was leeg en er moest worden getankt. Dat is ook een hele belevenis. Er zijn geen tankstations zoals bij ons. Letterlijk met een handpomp zoals wij water nog incidenteel oppompen, werd de benzine opgepompt uit een ondergronds vat en in emmers gedaan. Die emmers werden vervolgens in een olievat geleegd. Onderin de olievat was een slang bevestigd, die in de benzinetank van de bus werd gehangen. Het olievat stond op een primitief, metalen standaard. Erg primitief, maar wel leuk om te zien.

Uiteindelijk kwamen we toch nog aan in Mandalay, zo rond de klok van 17.00 uur. We werden eruit gezet bij het Highway busstation, waar de ‘blue taxi’ chauffeurs al onze aandacht probeerden te trekken. De blue taxi is ook een leuk fenomeen. Het zijn vreselijke kleine Mazda pick up trucks. Ze zijn het beste te omschrijven als een Minicooper met laadbak. Niet de moderne minicoopers, maar de oude. Probeer je zoiets voor te stellen.

De Blue taxi chauffeur wilde ons voor 2.500 Kyatt naar het ET-hotel brengen dat we uit hadden gezocht in de Lonely Planet. We vonden 2.500 Kyatt nogal aan de hoge kant, maar de chauffeur gaf aan dat het de standaardprijs was en dat we in het hotel het tarief konden nagaan. We werden afgezet voor het ET-hotel, waar de eigenaar direct naar buitenkwam en onze rugzakken mee naar binnen nam om onder het motto van ‘Ik weet zeker dat je m’n hotel fantastisch vindt’. Marjolijn bleef achter bij de bagage in de lobby, terwijl Remco de kamers bekeek samen met de eigenaar. De prijs was wat aan de hoge kant, maar er bleek al snel wat met de prijs te onderhandelen. De eerste nacht zou de kamer US$ 12 kosten en iedere volgende nacht ‘maar’ US$ 10. Door dit te melden was het voor ons wel duidelijk dat we US$ 2 commissie moesten betalen voor de blue taxi, omdat hij ons bij dit hotel had afgezet.

We checkten nog enkele andere kamers in hotels in de omgeving en we besloten een kamer te nemen in het Nylonhotel. Daar was een kamer met bad (!) ook US$ 10. Het werd al weer donker en we gingen wat eten bij een Chinees – Birmees restaurant. Het eten was zeer smakelijk.

Woensdag 9 maart 2005

Mandalay

Altijd hebben we zoiets gehad van ‘Mandalay, dat is een mooie naam voor een stad’. En al snel krijg je dan het beeld voor je dat de stad ook wel zo mooi moet zijn als zijn naam. Dat was een beetje een tegenvaller. Na een dagje rondstruinen in Mandalay vonden we Mandalay maar een hete, stoffige, drukke en lawaaierige stad. De stad deed z’n mooie naam geen eer aan. Vooral ’s avonds werd het een lawaaierige stad. Het drukke verkeer is dan weliswaar afgenomen, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de generatoren die overal op de stoepen voor de gebouwen staan. Schijnbaar is de elektriciteitsvoorziening zo slecht dat gebouwen gebruik moeten maken van eigen generatoren voor de elektriciteitsvoorziening.

’s Ochtends liepen we naar het fort. Dit fort is geheel ommuurd en iedere zijde van het vierkante complex is 2 kilometer lang. De muur was indrukwekkend en zag er ook nog eens mooi uit. We besloten een klein deeltje langs de muur te lopen en daarna sloegen we af, een willekeurig straatje in. Bij twee reisbureautjes en bij het kantoor van Air Mandalay vroegen we naar de prijs van een vliegticket van Bagan naar Ngapali en bij de reisbureautjes bleek het tot US$ 10 per ticket voordeliger te zijn. Gelukkig zitten de reisbureautjes vlak in de buurt van het kantoor van Air Mandalay en kost het niet veel moeite een snel voordeeltje te behalen.

De tickets kostte US$ 87 per enkele reis per persoon en vielen behoorlijk mee. In de Lonely Planet stond namelijk een prijs van US$ 110 vermeld. Aan het einde van de dag bezochten we nog een pagode. Veel mensen waren aan het bidden en dat is altijd erg interessant en leuk om te zien. Het is ook altijd zeer rustgevend om in een tempelcomplex rond te lopen. Er was ook Live muziek en het was leuk om daar even naar te luisteren. Verder onderscheidde de pagode zich niet veel van de andere pagodes.

Donderdag 10 maart 2005

Om 09.00 uur zou de ferry naar de oude koningsstad Mingun vertrekken. We liepen naar de ferry in de relatieve koelte van de ochtend. Op straat was het al weer een drukte van belang. Bij de ferry ontmoetten we Marina en Jens, het Duitse stel dat we al eerder hadden ontmoet en ook in ons hotel overnachten. Ook langs de rivier was het een drukte van belang. Boten werden ingeladen en uitgeladen en er werden spullen verhandeld langs de kade. In de rivier lagen vele boten en ook boten die er sterk op leken alsof het ferryboten waren. Daar konden wel 50 mensen op. Om 09.00 uur kwam iemand aanlopen die de eerste 10 passagiers verzocht om naar de boot te lopen. De mensen liepen naar de grote ferry over de loopplank. Die had natuurlijk geen railing om je aan vast te houden, maar die werd geïmproviseerd. Twee mensen hielden aan beide zijde een bamboestok omhoog er was een railing. De mensen moesten echter doorlopen naar een volgende boot en na een kort tijdje zagen we een heel klein bootje vertrekken.

Even later zaten we zelf ook op zo’n klein bootje. De passagiersferry was overduidelijk bestemd voor buitenlandse toeristen, want dat gaf een bord aan boord van het scheepje aan. Niet dat de boot nu luxe was, of zo. Niets van dat alles. We voeren stroomopwaarts voor bijna anderhalf uur naar Mingun. Onderweg zagen we de baggerschuiten die zand opbaggerden en in het zand op zoek gingen naar goud. De chemicaliën die daarbij gebruikt worden gaan met het spoelwater terug de rivier in. De rivier is zodoende zwaar vervuild en dat was ook wel te zien aan de bruine schuimkoppen op het water.         

Even verder stroomopwaarts waren mensen gewoon aan het badderen en de was aan het doen in het rivierwater! Bij Mingun gingen we aan wal en al snel stonden we voor de pagoda. Die is enorm groot en helaas door de aardbeving in 1975 behoorlijk beschadigd. De pagoda mat 72 bij 72 meter en was 50 meter hoog. De bouw van de pagoda is nooit afgemaakt, want anders was het de hoogste pagode ter wereld geworden met een totale hoogte van ruim 140 meter.

Via een bakstenen trap konden we naar boven klimmen. Onderaan de trap moesten de schoenen en de sokken uit en het was een helse en hete klim naar boven. Daar werd het uitzicht goed beloond, maar het bleef behoorlijk onder de voetjes branden. Het uitzicht over het tempelcomplex en de rivier was schitterend. We gingen een tijdje op de rand van het bouwwerk zitten en genoten van het uitzicht. We moesten vervolgens op onze blote voeten weer over de hete trap naar beneden lopen. Dat was bijna niet te verdragen en het was zeer aangenaam om de schoenen weer aan te mogen trekken toen we weer onderaan de trap stonden. We dronken met de Duitsers een flesje fris en daarna liepen we naar de enorme Mingun bel. Dit is de op een na grootste bel ter wereld die nog in goede staat verkeert. De bel is 4 meter hoog en heeft een diameter van 5 meter.

We luidden de bel 5 keer. Vijf schijnt het magische getal te zijn om een bel te luiden. Dit hadden we geleerd van een gids die ons in de Schwedagon Pagode in Yangon had rondgeleid. Vijf keer de bel luiden staat voor:

    Buddha

    je eigen vader

    je eigen moeder

    jezelf

    je dierbaren

Via de enige straat op het eiland liepen we naar de Hsinbyume-pagode. We liepen langs een zeer groot aantal souvenirstalletjes en iedereen probeerde je aandacht te trekken. Bij de pagode probeerden jongetjes kaarsjes en wierookstokjes aan ons te verkopen. Ze liepen met ons de trappen van de pagode op, onder het continu herhalen van ‘Nicht teurer, 200 Kyatt, nicht teuer’. De kinderen hadden drie maanden vrij van school en probeerden in die tijd een leuk zakcentje te verdienen met het verkopen van kaarsjes en wierookstokjes.

Na het bezoek aan de pagode was het al weer tijd om terug te gaan naar de boot. Die vertrok om 13.00 uur en mochten we niet missen, aangezien we anders een privéboot hadden moeten charteren. De terugreis naar Mandalay ging stroomafwaarts en duurde maar een half uurtje. Toen we van de boot stapten was het maar een klien stukje lopen naar de pick up, die ons naar de klokkentoren bracht. Vandaar was het niet zo ver meer naar het hotel.

Aan het einde van de middag bezochten we een gold leaf factory, maar voordat we daarheen reden met een blue taxi gingen we eerst kaartjes reserveren voor de bus naar Hsipaw. We gingen met het Duitse stel naar de gold leave factory en zij wisten ook het kantoortje te vinden waar we de bustickets konden kopen. Dat was maar goed ook, want anders hadden we het nooit gevonden. Het kantoortje bestond uit namelijk niets meer dan een bureautje en dat bureautje ging schuil achter grote dozen met goederen. Er hing geen naambordje aan de buitenzijde van het gebouw.

We kochten twee buskaartjes. We konden niet meer naast elkaar zitten, want de bus was vol. In plaats daarvan zaten we achter elkaar bij het gangpad. Op de buslay-out zagen we de naam van Joris van der G. staan. Een van ons zou dus naast een Nederlander komen te zitten morgen. We reden met de blue taxi naar de gold leave factory en konden het maken van goudblaadjes aanschouwen. Deze goudblaadjes worden aan de gelovigen verkocht, die het goud vervolgens op de buddha’s plakken. Het was echt slavenarbeid, maar het werk bleek hoog aangeschreven te staan, aangezien het ‘religieuze’ werkzaamheden zijn. Voor een periode van 6 uur wordt met een hamer op een klein stukje goud geslagen. Net zo lang totdat het minder dan een-tiende milimeter dik is. Zwaar werk. Vervolgens wordt het goudblaadje door vrouwen op een stukje papier geplakt van ongeveer 3 bij 3 centimeter. Ook dit gebeurt heel precies.

De vrouwen bleken werkdagen te maken van 9 uur (van 8 tot 5 uur) en verdienden per dag 800 Kyatt. Dit is 0.72 eurocent! We gaven om die reden de dames een bescheiden fooi (25% van het dagsalaris per persoon). ‘s Avonds aten we samen met Marina en Jens.

Vrijdag 11 maart 2005

Vandaag stonden we al vroeg op, want we moesten ons al om 06.30 uur melden bij het ticketbureau waar we gisteren de buskaartjes hadden gekocht. Om 07.00 uur zou daar een shuttle bus vertrekken die ons naar het Highway busstation zou brengen. De shuttle bus was echter niet veel meer dan een bestelbus, waar niet eens bankjes inzaten. Wel stonden er enkele kleine krukjes, maar niet eens voldoende om iedereen te laten zitten. Er waren sowieso teveel passagiers, waardoor het behoorlijk druk werd in de bestelbus.

Op het highway busstation moesten we ongeveer driekwartier wachten voordat de bus naar Hsipaw vertrok. De bus was weer eens overvol, zowel met mensen als met goederen. Aan onze voeten stonden de dozen Myanmar bier dit keer. Remco zat naast Joris. Hij bleek een zeer vriendelijke en vrolijke jongen van 19 jaar die er 9 maanden in z’n eentje op uit was getrokken in Azië. Hij had een maand Engelse les gegeven in Hanoi, Vietnam en een maand in Ngapali Beach in Myanmar en Remco en Joris hadden een leuk gesprek tijd tijdens de aftandse busrit. Ze wisselden reiservaringen uit en daardoor vloog de tijd om.

Onderweg werd in een klein plaatsje gepauzeerd voor de lunch en in een ander plaatsje moest van bus worden gewisseld. We moesten een uur wachten op de volgende bus en dat had behoorlijk sneller gekund, want na een uurtje wachten kwam een lege bus voorrijden. De weg naar Hsipaw was nogal bochtig (veel haarspeldbochten) en heuvelachtig, maar het stuk na de overstap was mooier dan het stuk ervoor, want het landschap werd groener, doordat de akkers groen waren. Het stuk voor de overstap was dor en droog en de akkers waren bruin, omdat de oogst al enige tijd geleden binnengehaald was.

In Hsipaw werden we afgezet voor het guesthouse van ‘Mister Kit’. Samen met Marina en Jens bekeken we de kamers die erg goedkoop waren. Het waren ook erg donkere gevangeniscellen. Niet zo bijzonder en we besloten ons geluk te proberen in het hostal van ‘Mister Bean’. Hier waren nog precies twee kamers vrij en na enige onderhandelingen over de kamerprijs, besloten we de kamers te nemen. We hoefden ons nog niet te registreren en om die reden namen we de kamersleutels mee. We wisten dat er kapers op de kust waren en we konden de gok niet nemen om eerste de rugzakken op te halen bij Mister Kit en er dan achter te komen dat anderen de kamers hadden ‘ingepikt’.

Samen met Marina en Jens gingen we ’s avonds eten bij ‘Mister Food’ en kwamen we erachter dat iedereen zich blijkbaar een bijnaam had aangemeten met ‘Mister’ ervoor. Het eten bij Mister Food was erg lekker.

Zaterdag 12 maart 2005

Joris zou vanochtend om 09.00 uur naar ons hostal komen en dan zouden we een boottochtje over de rivier gaan maken met z’n vijven: Marina, Jens, Joris en wij. We liepen naar de rivier en – volgens ons- naar de plaats waar de boten in de rivier zouden liggen. We konden de aanlegplaats echter helemaal niet vinden en we besloten maar een eindje door de omgeving te gaan wandelen.

We volgden het wandelpad langs de rivier stroomopwaarts. Dat pas ging door de groene akkers naar enkele Shan-dorpjes. De huizen stonden allemaal op palen en vlak langs de rivier. De muren van de woninkjes bestonden uit gevlochten bamboematten en hadden over het algemeen rieten daken. Onderweg kletsten we veel met elkaar, afgewisseld met het nodige zwaaien naar kinderen, die ons steevast begroetten met een vrolijk ‘hello’. De mensen die aanwezig waren bij de huisjes waren allemaal druk bezig met van alles op en om het erf.

Mensen waren wierookstokjes aan het maken, of haalden de vruchten uit de boom etc. Het was zeer leuk om van het toeristische pad af te wijken en het dagelijkse leven te aanschouwen. Het pad dat we volgden eindigde bij de spoorrails. We volgden de spoorrails een klein stukje totdat er een spinnenweb aan kleine paadjes verscheen. We volgden één van die kleine paadjes en voor we het wisten stonden we op een woonerf. We schuilden voor de zon onder het huisje dat ook nu weer op palen stond en voor we het wisten kwamen de bewoners aanlopen. Niet vijandig, maar zeer vriendelijk lachend kwamen ze kijken wie er zo onaangekondigd aan waren komen waaien. Het bleken blanken te zijn en dat was aanleiding voor wat hilariteit. We vroegen de bewoners of we ze mochten fotograferen en ze konden direct het resultaat op het beeldschermpje zien. Dat leidde natuurlijk tot nog meer hilariteit.

We hadden een beetje het idee om stroomafwaarts terug te keren naar Hsipaw in een bootje. Gelukkig hadden we ons Point it-boekje bij ons. Voor degene die dit fenomeen niet kennen: het Point it-boekje is een boekje op A-5 formaat, dat vol staat met kleine foto’s van allerlei dingen die je tijdens het reizen nodig kan hebben. Zo stond er ook een fotootje van een bootje in en al snel begrepen de bewoners dat we met een bootje terug wilden naar Hsipaw.

Echter, voordat we naar de rivier toe konden lopen, werden we eerst uitgenodigd in het huisje. We mochten de ‘woning’ even bekijken. Het was een ‘tweekamerwoning’. Eén woonkamertje met keuken (een haardvuurtje en niet meer dan dat) en een afgeschermde slaapkamer, waar een matras op de grond lag met een klamboe erboven. In het huisje was ook een klein altaartje. We moesten maar plaatsnemen op het ruime, vierkante balkon van de woning en we kregen een schaaltje pelpinda’s. Die aten we op en we namen nog enkele foto’s van de bewoners en daarna namen we hartelijk afscheid van deze gastvrije mensen.

We liepen naar de waterkant en we zagen daar twee uitgeholde boomstammen liggen, waar de plaatselijke bevolking het hoogste vertrouwen in hadden, maar waar wij ons niet in zagen zitten met z’n vijven. We besloten het zekere voor het onzekere te nemen en we liepen terug naar Hsipaw. Dat was een verstandig besluit, want hoewel de terugweg dezelfde was als de heenweg, zagen we toch weer hele andere dingen. Weer konden we zonder problemen de mensen fotograferen (zelfs een oud vrouwtje zonder tanden, dat graag breed lachend voor ons op de foto ging).

Een beetje uitgedroogd kwamen we weer in Hsipaw en we liepen direct naar ‘Mister Food’ om ons vochtgehalte weer terug te brengen op aanvaardbaar niveau en om ook maar meteen te lunchen. Marina en Jens gingen terug naar het hostal. Na de lunch gingen we op zoek naar de popcornfabriek. In de Lonely Planet hadden we gelezen dat de popcorn in Hsipaw op ‘explosieve wijze’ wordt gemaakt en we wilden wel eens zien hoe explosief dat dan was. We liepen de brug over de rivier over en we dachten dat we inde verte in de rivier monniken de was zagen doen. We liepen langs de rivier over naar ze toe en toen we dichterbij kwamen, bleken het nonnen te zijn. Het was geen probleem om een foto van ze te maken, maar poseren deden ze niet.

We liepen verder in de richting van de popcornfabriek, maar die was niet zo eenvoudig te vinden. We vroegen enkele keren de weg bij kioskjes, maar daar begrepen ze ons niet, omdat ze geen Engels spraken. Dus gingen we in de kioskjes op zoek naar popcorn en toen begreep men het wel en wees men ons de weg. We liepen langs twee kloosters en we besloten het terrein van één van de kloosters op te lopen. We liepen langs een klaslokaaltje waar we uit de open ramen wat gemurmel hoorden. De raampjes waren voor ons op ooghoogte en we konden net naar binnen kijken. Toen de ‘novices’ (jonge monniken in de leer) ons zagen werd het direct stil. Even verder op stond een oudere monnik, die Engels sprak en ons uitnodigde om de bamboe buddha te komen bekijken. Die was in het klooster en hadden we op eigen houtje nooit gevonden.

We kregen thee en nootjes aangeboden door de monnik en we konden een klein beetje met hem praten, maar het was met name éénrichtingsverkeer, want de beheersing van het Engels bleek hij minder machtig dan we in eerste instantie hadden gedacht. We bedankten de monnik voor de thee en hij wees ons de weg naar het popcornfabriekje. Dat zou niet zo ver meer zijn, maar we moesten het nog een keer aan een man vragen voordat we er uiteindelijk geraakten.

De popcornproductie is inderdaad explosief te noemen. Een vreemd soort apparaat, het lijkt wel op een enorme granaat waaraan een drukmeter is bevestigd wordt gevuld met maïs en vervolgens goed afgesloten. Boven een houtvuur wordt de ‘granaat’ verhit totdat de druk in de ‘granaat’ een bepaalde waarde heeft bereikt. Dan wordt de ‘granaat’ van het vuur gehaald en wordt deze geopend in een hok met een afmeting van twee bij drie meter.

Als de cilinder wordt geopend, gaat dat gepaard met een enorme knal en spuit de popcorn letterlijk en figuurlijk uit de cilinder het hokje in. Ter plaatse werd de popcorn in kleine plastic zakjes gedaan en werd het plastic zakje met behulp van een kaars dichtgesmolten en verpakt per tien pakjes. We wilden ons steentje bijdragen aan het popcornfabriekje door tien zakjes popcorn te kopen. We hadden een behoorlijke prijs (relatief duur) verwacht, maar voor de tien zakjes hoefden we slechts 100 Kyatt (¤ 0.09) te betalen.

De zakjes popcorn deelden we uit aan de kinderen die we op de terugweg naar het centrum tegenkwamen. Marjolijn liep terug naar het hotel om te gaan douchen en Joris en Remco gingen snookeren. Het eerste potje liet Remco Joris alle hoeken van de tafel zien, maar revange van Joris kwam tijdens het tweede potje. Het was erg leuk om even een snookertje te leggen.

’s Avonds aten we met z’n vijven bij ‘Mister Food’.

Zondag 13 maart 2005

Joris had geregeld dat we vandaag een boottochtje konden maken over de rivier. Hij had dat bij ‘Mister Charles’ bij zijn hostal geregeld. We meldden ons om 08.30 uur bij zijn hostal. We waren nog altijd in de veronderstelling dat we met z’n drieën op pad zouden gaan, maar al snel bleek dat we met z’n achten zouden zijn. De boot was vol.

Om 09.00 uur vertrok de longtailboot met de enorm lawaaierige buitenboordmotor. Er was een motor of zoiets bevestigd aan de achterzijde van de boot, die een propeller aan een lange stok in het water aandreef. We voeren een uurtje stroomopwaarts en toen legde de boot aan. We stapten van de boot en moesten toen nog een kwartiertje/twintig minuten lopen naar het klooster. Het eerste stukje was behoorlijk klimmen tegen een heuvel op, maar daarna was de weg vrijwel vlak en liepen we door ananasplantages en papayaplantages. Volgens onze gids werden de ananassen op de lokale markt voor 100 of 200 Kyatt per stuk (€ 0.09 / 0.18) verkocht.

Bij het klooster waren een aantal ‘novices’ (jonge monniken in de leer) aan het voetballen, met ontbloot bovenlichaam. Toen ze ons zagen, trokken ze snel hun gewaden aan. Voetballen was het nauwelijks te noemen. Ze probeerden op alle mogelijke manieren tegen een tennisbal aan te trappen, maar er was niets van techniek of tactiek in het spel te herkennen.

Het klooster was niet al te bijzonder en zelfs een beetje teleurstellend na het bezoek aan het klooster gisteren. Wel leuk was het om te zien hoe de monniken gewoon doorgingen met hun rituelen, terwijl er een aantal toeristen aanwezig was. Zo gingen ze rond 10.45 uur lunchen en ze deden net of wij er niet waren. We kregen thee en we zaten op de rieten matten op de grond. We liepen dezelfde weg terug en daarna voer de boot nog een klein stukje stroomopwaarts om aan te leggen op het punt waar twee rivieren samenkomen. Hier bestond de mogelijkheid om even te gaan zwemmen; iets dat Joris zich geen twee keer liet zeggen en voor we het wisten lag hij al in het water. In z’n onderbroek, want hij had geen zwembroek bij zich.

Na een kwartiertje zwemmen stapten we weer in de boot en voeren we een stukje stroomafwaarts om bij een Shan-dorpje aan wal te gaan. Samen met de gids liepen we door het dorpje, dat zeer stil was. We zagen bij elk huis een aantal plastic zakken met zand of met water hangen en de gids legde uit dat dat was om een beginnend vuurtje te blussen. Wij hadden er niet veel vertrouwen in dat het kleine beetje zand of water voldoende was om een beginnend vuur te blussen, aangezien de huizen uit zeer brandbaar materiaal bestaan (droog hout, rieten daken en bamboematten muren).

Bij een ‘restaurantje’ langs de spoorlijn lunchten we. Op de kaart stond noodle soup, noodle soup en noodle soup en we besloten om maar een noodle soepje te nemen. Het soepje was erg lekker.

We voeren nog een half uurtje stroomafwaarts en kwamen toen weer aan in Hsipaw. Het was een heerlijk relaxed dagje geweest, maar niet al te bijzonder en minder leuk dan gisteren, toen we er zelf op uit waren getrokken. Bij Mister Food troffen we ook Berend weer. Met hem hadden we bij Lake Inle een boottocht gemaakt. Hij zou eigenlijk vandaag teruggegaan zijn naar Mandalay, maar had zich verslapen. Wij vonden het wel gezellig om hem weer te zien. Samen met Berend en Joris gingen we twee uurtjes snookeren. Dat was erg leuk, maar het spel was drie keer knudde en we hadden (weer) weinig toeschouwers. Die bleven kijken (en gokken) bij de tafels waar wel behoorlijk werd gespeeld. Ach, zolang we het maar naar ons zin hebben, niet waar?

Maandag 14 maart 2005

De wekker ging vanochtend vroeg af. Om 05.45 uur stonden we naast het bed en om 06.30 uur stonden we bij het kantoortje van de busonderneming. Nou ja.. kantoortje… Het was meer een tafeltje langs de weg en de bus die voor het tafeltje stond maakte duidelijk dat daar het buskantoor was. We dronken een kopje ‘drie-in-één’ koffie in het restaurantje tegenover het buskantoor. Het restaurantje was heel gezellig verlicht met allemaal kaarsjes. Het was namelijk nog donker en het restaurantje beschikte blijkbaar niet over elektriciteit.

De bus naar Puyn U Luyn vertrok keurig op tijd om 06.00 uur. De bus was weer van het type beroerd. Erg weinig beenruimte en met name de stoelen die voor ons waren gereserveerd (direct achter de chauffeur) waren zeer krap. Vandaar dat we voor het vertrek bij het ‘kantoortje’ de stoelreservering hadden gewijzigd. Dat ging in eerste instantie natuurlijk niet helemaal volgens plan, maar uiteindelijk ging de jongen achter het bureau overstag en veranderde hij de stoelnummers op onze tickets, maar niet op de busplattegrond. Dit is een A4-tje waarop de stoelen staan en de personen die die stoelen hebben ‘gekocht’. Berend werd voor zijn Guest house opgepikt. Hij had nog een slechtere plaats dan wij. Hij kon niet met z’n hoofd recht omhoog zitten.

De busrit zou maar 5 uur duren en het was dus niet een al te groot probleem dat we niet al te ruim zaten. Althans.. dat dachten we toen we vertrokken en de bus niet afgeladen vol was met passagiers. Maar daar kwam al heel snel verandering in en binnen de kortste keren was de bus wél afgeladen vol. Na een uurtje rijden werd gestopt in een stadje en daar moesten we -net als op de heenweg- zo’n 45 minuten tot een uur wachten. Na het wachten vertrok de bus voor de drie uur naar Puyn U Lyn. Onderweg, eigenlijk al snel nadat we het stadje hadden verlaten, stopte de bus bij een huisje langs de weg om 20 enorme zakken in te laden. Die werden deels achterin de bus gegooid, waar ook onze rugzakken lagen en een groot deel van de lading werd in het gangpad en onder de stoelen gelegd.

De reis ging verder. We reden door het deel van de route met alle haarspeldbochten en dat werd een aantal vrouwen te veel en al snel hoorden we naast ons en achter ons braakgeluiden. Ach, dat kon er nog wel bij. Onze chauffeur en bijrijder waren al de hele route stevig op betelnoot aan het kauwen en schraapten om de haverklap hun keel en spuugden het rode speeksel uit op straat. Nogal ranzig allemaal. De busrit verliep allemaal voorspoedig, maar langzaam. In Puyn U Lyn werd nog geluncht even voordat we werden gedropt in het centrum van het stadje.

We hadden de buschauffeur verzocht om ons bij de klokkentoren eruit te zetten, maar we werden één straatje er vanaf afgezet. Ook goed. We liepen naar het Grace 1 hotel. De eigenaar of een ‘tout’ (wie weet) stond voor het hotel en sprak ons aan. Volgens hem was het hotel van z’n buurman niet al te schoon. We bekeken de kamer bij he Grace 1 hotel, maar we weten één ding absoluut zeker en dat is dat bij Grace 1 dezelfde schoonmaker in dienst is als bij de buurman. Dan maar voor één nachtje in de lakenzak. We slepen die ten slotte ook al die tijd met ons mee.

’s Middags bezochten de Botanisch tuin. In Puyn U lyn rijden nog allemaal erg leuke paardenkoetsjes rond en we charterden er één naar de Botanisch tuin. Toen we op weg naar de tuin waren, zagen we Berend lopen en hij besloot gezellig met ons mee te gaan. Bij de botanische tuin betaalden we 1000 Kyatt entree en gingen naar binnen.

De tuin was schitterend aangelegd en onderhouden. Er waren meertjes met een groot aantal zwarte zwanen erin rondzwemmend en mooie houten bruggetjes en veel planten en bloemen stonden in bloei. De tuinen werden besproeid en we zagen de vrouwen (écht!) met een schaar ter grootte van een nagelschaar de kantjes bijwerken. We liepen naar iets waar een ‘Takin’ te zien zou zijn. We wisten niet wat we konden verwachten. Het bleek een enorm hok te zijn, waar beesten inliepen.

De dieren leken een beetje op runderen, maar waren afgrijselijk lelijk. De achterpoten waren kleiner dan de voorpoten, waardoor ze weer iets weg hadden van hyena’s. Het diersoort schijnt alleen nog voor te komen in het noorden van Myanmar en dat is misschien ook maar goed ook.

In het theehuis in de botanische tuin dronken we wat fris en een aardbeien milkshake en daarna liepen we terug naar de uitgang. We namen een paardenkoetsje terug naar het centrum, waar we nog wat over de markt en in de directe omgeving ervan liepen. de markt was niet erg speciaal meer, omdat we inmiddels een beetje ‘markt-moe’ aan het worden zijn. ’s Avonds aten we met Berend en Joris, John (uit Nieuw Zeeland) en een Amerikaans meisje bij een Indiër.

Dinsdag 15 maart 2005

We zouden samen met Berend en met Joris om 15.30 uur een taxi huren en terug rijden naar Mandalay. Tot die tijd brachten we door in Puyn U Lyn. Omdat er geen ontbijt werd geserveerd in het guest house, moesten we voor ons eigen ontbijt zorgen. We liepen langs wat restaurantjes, voordat we langs een bakkertje liepen. Bij het bakkertje kochten we een cakeeje en nog enkele broodjes van bladerdeeg en we liepen vervolgens naar een theehuisje, waar we een cola bestelden en ons ontbijtje opaten.

We liepen naar de Shan-markt, maar die was niet zo bijzonder. We hadden gelezen (en verwacht) dat er veel houtsnijwerk te verkrijgen was, maar de markt was zoals alle marktjes met veel groente, fruit en vlees. En veel vliegen. Maar geen houtsnijwerk etc. We liepen via een straat buiten het centrum om naar de Chinese tempel. Langs de straat stonden grote villa’s en het was wel duidelijk dat hier een hoop ‘foute’ mensen wonen. Aanhangers/vertegenwoordigers van de huidige regering hebben het stukken beter dan de gewone man in Myanmar. Puyn U Lyn kent een groot aantal militaire kazernes en er zullen dus ook een hoop hoge militaire pieten in Puyn U Lin wonen. De grote villa’s contrasteerden nogal tegen de kleine, houten hutjes die in dezelfde straat tegenover de villa’s stonden.

De Chinese tempel was erg leuk om te zien. Het was een leuke afwisseling ten opzichte van alle andere tempels die we hadden gezien, omdat de Chinese tempels heel kleurrijk zijn en er nogal kitscherig uitzien. Het was leuk dat er, nadat wij waren gearriveerd, een hoop Chinezen aankwamen om te bidden. In de tempel stonden buddha-afbeeldingen zoals in het boedhisme worden gebruikt, maar natuurlijk ook de vette ‘lucky’ buddha en nog een aantal andere Chinese beelden.

We liepen terug naar het centrum. Onderweg passeerden we enkele militaire kazernes en enkele collones militairen marcheerden langs. Keurig in de pas! In het hostal kwamen we Berend tegen en we gingen met z’n drieën lunchen. Het werd weer Chinees eten, maar het eten was weer goed.

Na de lunch keerden we terug naar het hostal, waar we zouden wachten op (hopelijk) voortijdige terugkeer van Joris, die naar de Botanische tuin was. Gelukkig kwam hij eerder terug dan afgesproken en zodoende konden we een uurtje eerder een taxi regelen naar Mandalay. Het was heerlijk om in een taxi te zitten na alle busritten die we hadden gemaakt in Myanmar. De rit verliep soepel en snel. Het enige vreemde aan de taxi was dat de uitlaat enorm knalde na iedere keer dat de chauffeur overschakelde of terugschakelde.

In Mandalay werden we voor het Royal Guest House afgezet. Daar bleken ze echter geen tweepersoons kamers meer te hebben en dus moesten we toch maar terug naar het Nylon hotel. Daar waren nog precies twee tweepersoonskamers beschikbaar. Precies genoeg, alhoewel we nu geen keuze hadden en we op de bovenste etage in twee kleine kamertjes werden geduwd. In de namiddag liepen we naar een reisbureautje, waar we twee vliegtickets met Air Mandalay vanuit Bagan naar Tantwe (Ngapali Beach) kochten voor de 19e februari 2005 en daarna gingen we eten samen met Berend en Joris.

Na het eten gingen we nog een uurtje internetten. De lucht was in de loop van de middag nogal grijs geworden en tijdens het internetten leek de hel los te barstn. Het begin vreselijk hard te waaien, regenen en te onweren en ook te hagelen. De mensen van het internetcafé gilden het uit: ‘it rains ice, it rains ice!’ en inderdaad.. de hagelstenen waren zo groot als ping pong ballen. Volgens de eigenaar was het tenminste tien jaar geleden dat het voor het laatste had gehageld.

Na de regenbui was de lucht opgeklaard (geen stank meer van uitlaatgassen), was de temperatuur met tenminste 15 graden gedaald en was het in de straten een enorme smeerboel. Overal plassen water en modder. Later hoorden we dat een toeriste tijdens een sprintje door de straten tijdens de regenbui in het riool was gevallen en tot aan de nek toe was weggezakt. Jakkes!

We dronken nog een biertje op de bovenste etage van een restaurantje samen met Berend en Joris en realiseerden ons dat we van deze jongens en gezellige reismaatjes afscheid moesten nemen.

Woensdag 16 maart 2005

Eigenlijk wilden we met de boot naar Bagan vanuit Mandalay, maar precies op de woensdag gaat er geen ‘snelle’ boot, maar alleen een langzame boot die ook nog eens van de overheid is ook We hadden ons voorgenomen om zo min mogelijk diensten van de overheid af te nemen. In plaats daarvan gingen we vandaag met de bus naar Bagan.

Om 08.00 uur namen we een ‘bleu taxi’ naar het highway busstation waar om 09.00 uur de bus naar Bagan zou vertrekken. De temperatuur was nog zeer aangenaam, nadat de regenbui van gisteren de temperatuur had laten zakken. Maar de zon scheen alweer en het beloofde vandaag weer een hete dag te worden. Onze ‘blue taxi’ chauffeur was zeer vriendelijk en hielp ons het juiste loket voor de bus naar Bagan zoeken. Dat deed hij geheel ongevraagd, maar het was wel prettig. Het betekende nu dat we niet zelf hoefden uit te zoeken waar we heen moesten. We hadden gisteren door het Royal Guest House twee plaatsen in de bus laten reserveren. In het Royal Guest House vroegen ze daarvoor maar 250 Kyatt, terwijl de commissie in het Nylon Hotel 2.600 Kyatt bedroeg. En het enige dat ze hoeven te doen is een belletje plegen.

Onze reservering werd omgeruild voor tickets nadat we hadden betaald. De ‘blue taxi’ chauffeur hielp ons daarna nog de juiste bus zoeken en sleepte de rugzakken naar de bus. Voor al deze ongevraagde, maar zeer gewaardeerde arbeid beloonden we hem met een fooi. Hij blij en wij minstens net zo blij!. De bus vertrok eens een keer niet helemaal afgeladen vol. Het eerste deel van het traject ging over de ‘snelweg’ naar Yangon. De weg was in uitstekende conditie en reizen in Myanmar werd zowaar nog prettig ook. Er werd bij een restaurantje gestopt voor de vroege lunch (of was het late ontbijt) en daarna sloegen we al snel van de goede weg af en kwamen we terecht op een standaard Birmese weg; één bus breed en niet al te best onderhouden. De reis verliep echter voorspoedig en op de rechte stukken wist de chauffeur de gasplank behoorlijk te raken. Er werd onderweg nog een keer gestopt voor de lunchstop in de middle of nowhere. Het landschap werd steeds droger. Het had meer weg van een woestijnlandschap zoals in Midden-Australië.

Rond 15.30 uur kwamen we aan in Bagan. Voordat we het dorp in mochten, werd bij het ticketbureau gestopt. Daar moesten we US$ 10 per persoon betalen als toegangsprijs tot Bagan. Bij de rotonde in Bagan stapten we uit en vandaar was het nog een klein eindje lopen naar het New Park hotel, waar een nette kamer met eigen badkamer én airco US$ 8 per nacht kostte. Er bestond de mogelijkheid om de was te doen en van die mogelijkheid maakten we direct gebruik.

’s Avonds aten we in het Bagan-restaurant. Het is het eerste restaurant met sfeerverlichting en het zag er zeer gezellig uit. De ober die ons bediende probeerde een dagexcursie aan ons te verkopen met een paardenkoetsje. Hij noemde een heel redelijke prijs en gaf aan dat hij niet met z’n paardenkoets voor de hotels en guest houses mocht staan, omdat die plaatsen ‘vergeven’ waren aan slechts enkele paardenkoetssyndicaten en dat het voor hem veel moeilijker was om aan klanten te komen. We hadden van Joris al de tip gekregen om één dagje lekker relaxed met een paardenkoets rond te rijden en we vonden het een goed idee dat onze ober dat ging doen voor ons. En zo spraken we af voor de volgende ochtend om 08.00 uur.

Donderdag 17 maart 2005

Om 08.00 uur (eigenlijk al ruim voor die tijd) stond de ober/koetsier voor het hotel. De jongen was 22 jaar oud en tamelijk ongeschoold. Hij had alleen de lagere school doorlopen. Maar hij was uiterst gedreven. Hij was koetsier en werkte ’s avonds in een restaurant als ober. Hij kreeg daarvoor niet betaald, maar kreeg wel gratis kost en inwoning. Wat hij overdag verdiende was ongeveer 20% van de dagprijs. In ons geval 6000 kyatt, waarvan hij 1200 Kyatt mocht houden. Dit was dus min of meer zijn netto salaris. Voor Birmese begrippen is een dagsalaris van 1200 boven gemiddeld, maar hij had natuurlijk niet iedere dag klanten. Het geld dat hij verdient gaat o.a. naar de studie van zijn twee jongere zusjes en hij heeft als wens uiteindelijk zelf een eigen paard en wagen te bezitten. Een investering van 700 US$. Hij beheerste de Engelse taal redelijk, maar lezen en schrijven kon hij die taal nauwelijks. Het was een goede nobele jongen.

Onze tocht ging vooral door Oud Bagan, waar zeer veel stupa’s staan. Her en der om Bagan staan 2250 kleinere en grotere stupa’s in het landschap en het is zeer bijzonder om te zien. We reden van stupa naar stupa. Sommige waren zichtbaar oud en sommige waren zeer nieuw. Nadeel in was dat oude bouwwerken niet werden gerenoveerd, maar exact worden nagebouwd met nieuwe stenen. Ook de echte oude stupa’s waren gerepareerd. De aardbeving in 1975 heeft zoveel schade aangericht dat veel van de bovenste delen van stupa’s zijn beschadigd en die zijn voor nieuwe bakstenen vervangen. Niet te min blijven ze erg mooi en indrukwekkend.

Op sommige van de stupa’s mochten we naar boven klimmen en werden we beloond met een schitterend panorama. Overal in het landschap waren stupa’s te zien. Zeer indrukwekkend. In alle stupa’s staan natuurlijk één of meerdere buddha’s; zittend, liggend en staand. Soms oud, soms modern en soms met kitscherige kerstverlichting op de achtergrond.

Tegen de middag luchten we ergens. Een jongen van 11 jaar was onze ober. Hij had 3 maanden schoolvakantie en hielp in het restaurant van z’n oom. Hij sprak zeer goed Engels. Voor een schijntje lunchten we en onze ober kwam met een extra salade aanlopen die we niet hoefden te betalen. Toen we afrekenden kregen we ook nog eens twee ansichtkaarten en een blokje Tanaka. Dit is dat gele spul dat vele (vrijwel alle) vrouwen op het gezicht smeren; een soort make-up. Het is ongelofelijk hoe vriendelijk de Birmezen zijn.

’s Middags bezochten we, naast vele stupa’s ook een lakdozen fabriekje. Het was echt een familiebedrijf, waar 35 (!) personen werkten. Het hele proces werd ons uitgelegd en we stonden versteld van het vele werk dat het kost om een lakproduct te maken. Een goede lakdoos (hoge kwaliteit) kent 18 laklagen. Terwijl een kwalitatief minder goede lakdoos maar 6 lagen kent. Alles wordt handmatig gedaan. Het bewerken van een doos is zeer secuur en tijdrovend werk. En na iedere laklaag moet het product een week lang drogen.

Het kost bijna een jaar om een lakdoos van hoge kwaliteit te maken. Niet verwonderlijk dat de prijskaartjes in de winkel nogal (extreem) hoog waren. In het bedrijfje hielden de mannen zich bezig met het grovere werk (lakken en schuren), terwijl de vrouwen over het algemeen het fijnere werk deden. Zij graveerden de tekeningen in de producten (dozen/tafels/dienbladen etc.) De basis van lakproducten bestaat uit bamboe en is vederlicht.

Aan het einde van de dag reden we naar de ‘zonsondergangsstupa’. Het was er redelijk druk; het leek alsof alle toeristen in Bagan deze plek hadden uitgezocht. Boven op de stupa probeerden jongetjes en meisjes ansichtkaarten te verkopen. Ze waren daarin nogal aanhoudend. Overal bij belangrijke stupa’s in Bagan staan souvenirsstalletjes en iedereen probeert je aandacht te trekken.

Vrijdag 18 maart 2005

We huurden vandaag twee fietsen bij het guest house. We controleerden de fietsen vooraf goed en ze leken in orde. Al bij het uittesten kwamen we erachter dat het zadel wel erg dik was, maar toch erg hard zat. We fietsten was door de omgeving van Bagan. De weg was erg rustig en we kwamen nauwelijks toeristen tegen. Misschien dat we er 5 tegengekomen zijn. We stopten lang niet meer bij alle stupa’s. We genoten alleen nog van het geheel. Het is toch zeer bijzonder dat er zoveel stupa’s staan op zo’n relatief kleine oppervlakte. Het was behoorlijk warm en er was nauwelijks schaduw, dus deden we rustig aan.

We lunchten in een echt Birmees restaurant en we kregen Bamar food. Dat betekent dat de tafel vol wordt gezet met kleine schaaltjes eten (vis / vlees / groente / sausjes). Het lijkt een beetje op een rijsttafel. De lekkerste dingen pikten we er tussen uit en we aten onze buikjes vol. Na de lunch reden we terug naar het plaatsje en zochten we een internetcafé op, waar we een deel van het dagboek bijwerkten en waar we onze foto’s op cd brandden. ’s Avonds fietsten we naar een stupa, waarvan onze koetsier gisteren had gezegd dat als je daar naartoe zou gaan om de zonsondergang te zien, je dan zeer waarschijnlijk de stupa voor jezelf hebt. Inderdaad was dit geen favoriete stupa, want we deelden de stupa met slechts één andere toerist en die was nog Birmees ook. Voor de zonsondergang was de stupa ook perfect, dus daarvoor hoefden we niet naar de zeer toeristische stupa van gisteravond.

Zaterdag 19 maart 2005

We hadden gisteravond aan de eigenaresse van het guest house gevraagd of ze een taxi voor ons kon regelen naar de luchthaven. Het werd vanochtend geen taxi, maar een paardenkoets die ons naar de luchthaven bracht. Veel leuker dan een taxi. Rond 08.45 uur kwamen we aan op de luchthaven van Bagan. Het luchthavengebouw zag er strak uit. Het was helemaal nieuw en de airconditioning in het gebouw stond nog in de dozen. Het inchecken was een handmatig gebeuren. Er kwam geen computer aan te pas. Er was ook geen bagageband die de rugzakken meenam. Die werden gewoon bij de gate gelegd.

Nadat we de boarding cards hadden gekregen werd ons gezegd dat we ergens konden gaan zitten en dat we vanzelf werden gehaald zodra het tijd was om door de bewaking te gaan. We gingen in de hal zitten en we hoefden ons niet al te lang te vervelen, want al snel werden we letterlijk opgehaald. Een meisje kwam ons zeggen dat we door de beveiliging konden gaan. Dat was rond 09.20 uur. De metaaldetector ging af. Die reageerde op de metalen onderdelen van onze bergschoenen, maar dat vond men geen probleem. We gingen in de vertrekhal zitten en raakten aan de praat met David en Willemijn.

Om 09.35 uur werden we verzocht te boarden. We hadden op de passagierslijst gezien dat er maar zeven mensen in Bagan op zouden stappen en die waren schijnbaar allemaal aanwezig. Het vliegtuig stond er ook al en schijnbaar had de piloot besloten dat hij zo snel mogelijk weer door wilde. Zo kwam het dat we driekwartier eerder dan gepland vertrokken. Op weg naar Tantwe / Ngapali Beach. De vlucht naar Tantwe in het ATR-42 propellervliegtuigje van Air Mandalay verliep soepel. Aan boord kregen we een sandwich uitgereikt alsmede een beker cola.

We zaten aan de linkerkant van het toestel en zodoende konden we nog wat van Bagan zien tijdens het opstijgen, maar al snel was niets meer te zien vanwege het feit dat het erg heiig was (stof in de lucht waarschijnlijk) Na een krap uurtje stonden we weer aan de grond. De luchthaven van Tantwe was stelde nog minder voor dan de luchthaven van Bagan. Het bestond uit één gebouwtje waarin alle handelingen werden verricht. We moesten ons bij de politie(?) registreren voordat we het luchthavengebouwtje konden verlaten.

De bagage werd vanuit het vliegtuig op een kar gelegd en die kar werd handmatig naar de gereedstaande bussen gebracht. Die bussen zijn van de diverse hotels / guest houses en bieden gratis transport aan. Wij hadden vanuit Bagan een kamer gereserveerd in het Lyn Thar OO guest house in Ngapali Beach. Volgens Joris was dit een goed guest house en we vertrouwden op hem. Willemijn en David hadden niets gereserveerd en besloten met ons mee te rijden. David en Willemijn wonen in Zwitserland. Hij is Zwitser en zij is Nederlandse en het is een leuk en bereisd stel.

De bus bracht ons in een krap half uurtje naar het guest house. We kregen een kleine kamer direct aan het strand. De kamer was niet bijzonder voor het geld dat ze ervoor vroegen (US$ 20), maar de locatie was perfect zo aan het strand. Het zicht op zee en het palmbomenstrand was uitstekend en niet alleen het uitzicht was uitstekend.. ook de zee zelf was uitermate aangenaam van temperatuur. Het hagelwitte zandstrand liep heel geleidelijk af in zee. Perfect! Een paradijs op aarde.

’s Avonds aten we met Willemijn en David en Irwin (een Canadees die zich ook bij ons verse groepje had aangesloten) in een restaurantje nabij het guest house. Het guest house beschikt over een eigen restaurant, dat perfect aan het strand ligt, maar we besloten toch om buiten de deur te gaan eten. De restaurantjes liggen allemaal naast elkaar op 5 minuten lopen van het guest house, dus dat was geen probleem. Het waren allemaal sea food restaurantjes en het eten was UITSTEKEND!! Voor minder dan 2.000 kyatt (€ 1,80) had je een hoofdgerecht (inclusief salade, rijst en fruit na) dat ruim voldoende was.

Zondag 20 maart t/m woensdag 23 maart 2005

Naar Ngapali ga je voor het strand. Dus deden we het rustig aan. Veel lezen, dagboek bijwerken, af en toe lekker de zee in en voorbereidingen treffen voor Cambodja en Laos (dus weer lezen). ’s Ochtends was er een ontbijtbuffet in het guesthouse, dat als enige voordeel had boven alle standaardontbijtjes in de andere guesthouses waar we tot nu toe verbleven was, dat je onbeperkt kon bijpakken. Er was een Birmees ontbijt te verkrijgen, dat bestond uit een soepje waar je zelf allemaal ingrediënten aan kon toevoegen en allerlei zoete Birmese lekkernijen.

Daarnaast was er toast, ei, fruit, jus d’ orange en koffie/thee. Het zicht op zee tijdens het ontbijt was erg aangenaam en het was erg gezellig om in een klein groepje (Willemijn, David, Christian en Rita en Irwin) te ontbijten. Christian en Rita waren onze nieuwe buren uit Oosterijk. We waren na 1 nacht verkast naar een goedkopere bungalow (15 US$) die iets verder van het strand lag (zo’n 10 meter).

Tussen de middag en ’s avonds aten we met dit groepje en de rest van de dag gingen we ieder ons eigen weegs, wat er in het kort op neer kwam dat je apart van elkaar op het strand lag, maar dat je elkaar in zee wel weer zag. Het was heerlijk rustig in Ngapali. Het guest house en op het strand en in de zee was het heerlijk rustig. Het was in zee al druk als er vier of vijf andere mensen tegelijk met ons in zee lagen. Vanuit zee hadden we schitterend zicht op het strand met de palmbomen.

Op een middag hebben we samen met David, Willemijn, Christian en Rita een bootje gehuurd en zij we naar het eiland voor de kust gevaren om daar te gaan snorkelen. Het was een zeer ontspannen middag, maar het snorkelen was niet al te bijzonder. Veel van het koraal was dood en het aanbod aan vissen was niet bijster groot. Zeker het stukje dat de boot langs het strand voer was erg leuk. Er werd al veel gebouwd langs het strand; teken dat het toeristischer gaat worden. Gelukkig was het allemaal laagbouw en komen er (nog) geen grote hotels. Met houdt het gezellig. Wel was het contrast tussen de super-de-luxe bungalows en de vissershuisjes enorm.

De laatste avond van Rita en Christian brachten we samen met hen en hun privéchauffeur door op het strand. Hun chauffeur was jarig die dag en Rita en Christian hadden besloten dat te vieren met een barbecue op het strand en ze nodigden ons daar ook voor uit. Om ons steentje bij te dragen aan de barbecue kochten we in het restaurant waar we tot die tijd iedere avond hadden gegeten een grote vis en een aantal spies met garnalen. Verder kochten we wat te drinken.

Het was zeer leuk en zeer gezellig om te barbecueën op het strand. Later die avond sloten David, Willemijn en Irwin zich ook nog bij ons aan. Zeer gezellig. Op onze laatste volle dag in Ngapali wilden we de markt in Tantwe nog bezoeken. We besloten een stukje in de richting van Tantwe te lopen en dan de eerste de beste pickup aan te houden die ons daarheen zou kunnen brengen. Het eerste vervoermiddel dat langs kwam bleek de bus van het guest house te zijn en de chauffeur moest ook naar de markt. Zodoende kregen we een gratis en directe rit. De markt in Tantwe was echter niet zo bijzonder, Remco kocht er nog een T-shirt van Ngapali Beach.

Donderdag 24 maart 2005

We hadden besloten om terug te vliegen naar Yangon. Alle voor- en nadelen tegen elkaar afgewogen, kwam dit als beste optie uit de bus. We hadden geen zin meer in een ruim 17 uur durende busrit naar Yangon vanauit Ngapali en het beviel ons zo goed aan het strand dat we er graag wat geld voor een vliegticket voor over hadden. Nu duurde de reis nog maar 45 minuten.

Vanochtend ontbeten we voor de laatste keer samen met David en Willemijn en daarna genoten we nog één keer van de heerlijke zee en aten we nog één keer een heerlijke visschotel. Om 12.30 uur werden we met de bus van het guest house naar de luchthaven gebracht. Onderweg was weer duidelijk te zien dat er stevig werd gebouwd. Geen woonhuizen, maar toeristenonderkomens. Bij de luchthaven aangekomen werden onze rugzakken vanuit de bus naar het luchthavengebouwtje gebracht. We checkten in en moesten daarna even wachten voor de handbagageinspectie. Die gebeurde visueel en dan komt het erop neer dat je de juiste persoon moet treffen. Remco was zo door de controle heen, maar de tas van Marjolijn werd zeer grondig geïnspecteerd.

Toen we in de ‘vertrekhal’ zaten, zagen we direct achter elkaar twee vliegtuigjes binnenkomen. Het waren allebei ATR-42’s en één was van Yangon Airways en de andere was ons Air Mandalay-toestel. Het was even spitsuur op dit luchthaventje. Zodra de mensen uit het toestel waren gestapt konden we ‘boarden’. Ook nu was het toestel veel vroeger geland dan verwacht en ook nu wilde de piloot weer zo snel mogelijk weg. Zo kwam het dat we 20 minuten eerder dan gepland vertrokken. De vlucht verliep wederom soepel, afgezien van wat lichte turbulentie net voor de landing op Yangon International Airport.

Vanaf de luchthaven namen we samen met een stel uit Singapore een taxi naar het Okinawa Guesthouse. We hadden van Willemijn en David gehoord dat dit guest house erg centraal gelegen was en er zeer verzorgd uitzag. Er waren nog twee kamers beschikbaar in het kleine guest house dat in een zijstraat bij de Sula-pagode ligt. We namen een airconditioned kamer voor US$ 15. We moesten wel op muskietenjacht, want er zaten minimaal 10 muskieten in de kamer en we houden niet zo van die beesten. We sliepen uiteraard weer onder onze klamboe. ’s Middags gingen we even internetten (we hebben een enorme hoeveelheid dagboek bij te werken) en ’s avonds aten we bij een Thais restaurant. Marjolijn d’r curry was goed, maar Remco z’n gerecht was (wederom) koud en smaakte stukken minder goed.

Vrijdag 25 maart 2005

Het onbijt dat in het guest house werd geserveerd was verre van bijzonder en we namen alleen de ‘drie-in-één’ koffie en de jus d’orange. De ‘drie-in-één’ koffiemix is een populair iets in Myanmar. Het bestaat uit oploskoffie met suiker en melk. Na verloop van tijd wen je er wel aan en het is niet vies. We waren gisteren langs de Moon Backery gelopen en we besloten om daar maar te gaan ontbijten. We namen enkele broodjes en koffie en het was goed eten. Bij het kantoor van Bangkok Airways herbevestigden we onze tickets naar Bangkok en daarna liepen we naar het meer. Onderweg passeerden we een muziekwinkel en luisterden we enkele Birmese cd’tjes en kochten we een karaoke Video CD met videoclips die we al vaker tijdens de diverse busritten hadden gezien.

We liepen verder naar het kunstmatige meer en betaalden de toegangsprijs tot het park dat om het meer ligt. Via vlonders liepen we over het water naar een eilandje en vervolgens verder naar een gedeelte met vele terrasjes. Op een terrasje dronken we wat frisdrank en schreven we enkele ansichtkaarten. We verlieten het park aan de oostzijde en liepen via de noordzijde van het meer naar een postkantoortje. Toen we bij de Japanse Ambassade een straatje inliepen om de weg af te snijden, kwamen we langs een winkeltje waar ze allemaal monnikenspullen verkochten. We keken er binnen en we verlieten de winkel een half uurtje later met een monnikenbowl (een bamboe bowl waar de monniken ’s ochtends langs de huizen gaan om eten in te verzamelen),een monnikenwaaier en een mooie monnikenparaplu. We hadden verwacht dat alles wel enorm aan de prijs zou zijn, maar we hoefden ‘slechts’ 4300 kyatt af te rekenen (€ 4,-). Als presentje kregen we van de eigenaresse een ‘handboekje voor de monnik’ met wat uitleg daarin van buddhistische regels.

We vervolgden onze weg naar het postkantoor, waar we postzegels kochten en de ansichtkaarten. De postzegels werden op ons verzoek voor onze neus afgestempeld. Volgens de lokettist zouden de kaarten er ongeveer een week over doen. Wij zijn al blij als ze over een maand worden bezorgd! We dronken bij een cafeetje een colaatje en daarna namen we een taxi naar de markt om de laatste souvenirs te kopen. Maar eerst moesten we wat geld omwisselen en dat deden we bij hetzelfde juweliersstalletje als drie weken geleden. De eigenaresse herkende ons direct en wist zelfs nog welke koers ze ons had gegeven. De koers was iets gedaald, waardoor we nu 500 kyatt minder kregen voor een Thaise bath. Konden we nog goed mee leven en we wisselden 1000 Bath.

Marjolijn kocht nog de nodige souvenirs; sieraden van jade en enkele geweven doeken. Op de markt kwamen we Irwin tegen en we dronken gezamenlijk nog iets nadat we waren uitgewinkeld. Daarna namen we voorgoed afscheid van Irwin, omdat hij naar India zou gaan en wij naar Thailand. We liepen naar het guest house. Op de deur van onze kamer hing een briefje afkomstig van David en Willemijn. Ze hadden een goede vlucht gehad en waren ook in het Okinawa Guest House aangekomen en stelden nu voor om ’s avonds samen iets te gaan eten. Ze zouden om 18.30 uur kijken of wij op de kamer waren. Wij keerden om 17.30 uur terug uit de stad en hadden nu dus nog even tijd om ons op te frissen.

’s Avonds aten we met z’n vieren in het Indiaas restaurant “New Dehli”. Het was er nogal een herrie. Ten eerste zat het kleine restaurant vol met klanten; nieuwe klanten werden bij andere klanten aan tafel geschoven. Daarnaast schreeuwden de vele obers de bestellingen van de klant naar de keuken en zodoende was het een herrie van jewelste. De keuken was door middel van een glaswand gescheiden van het restaurantdeel en achter het raam stonden de bakken met de diverse curries. In de bakken lagen onder andere geitenhersencurrie en andere minder uitdagende gerechten. De muttoncurry (geit) zag er wel goed uit en die smaakte ook nog eens goed. Marjolijn nam een groentecurry en die was ook oké.

Na het eten dronken we nog iets bij een ‘cold drink’ shop voordat we rond 22.00 uur door de vrijwel verlaten straten van Yangon terugliepen naar het guesthouse. Voor de prachtig verlichtte Sula paya namen we nog een groepsfoto van ons vieren

Zaterdag 26 maart 2005

Om 08.00 uur zaten we aan het ontbijt. We namen alleen de koffie en de jus d’orange en we zouden later wel een broodje halen bij de Moon Backery. Remco betaalde de hotelkamer en stuitte daarbij tegen een moeilijke receptionist die een US$ 20 biljet niet wilde accepteren, omdat er een klein vlekje op zat. Nu zat het biljet tussen een kleine serie die allemaal een vlekje had en niemand had er eerder moeilijk over gedaan en dus begrepen we niet waarom er nu wel moeilijk over werd gedaan. De receptionist vond maar dat we het biljet moesten gaan omwisselen. Dat waren we niet van plan, want er was niets mis met het biljet.

We hadden nog twee uur voordat we naar de luchthaven zouden gaan en we wilden nog even op de markt kijken of we een klamboe konden vinden. Boven ons bed in het guest house hing een mooie klamboe en Remco had aan de eigenaar van het guest house gevraagd of hij ‘tweepersoonsklamboe’ in het Birmees in de Lonely Planet wilde schrijven. Dat kwam goed van pas, want op de markt werden we direct naar de juiste kraampjes geleid. Het bleek echter dat de klamboes te klein waren voor ons bed thuis en zonder klamboe verlieten we de markt.

We hadden nog even de tijd om te gaan ontbijten bij de Moon Backery en daarna liepen we terug naar het guest house, waar we de spullen pakten en een taxi namen naar de luchthaven. De taxirit verliep soepel. De taxichauffeur toeterde niet een keer. Dat is namelijk bij de wet verboden in Yangon en iedereen respecteert die wet. Een andere opvallende wet zegt dat er in Yangon geen brommers mogen rijden. Die zie je dan ook niet.

Op de luchthaven moesten we eerst US$ 10 luchthavenbelasting per persoon betalen (alleen dollars worden geaccepteerd!) voordat we konden inchecken. Het inchecken zelf ging efficient en het blijkt dat ook zonder geavanceerde apparatuur als computers en transportbanden het allemaal goed en efficiënt gaat. Rond 12.25 uur mochten we het vliegtuig betreden. De vlucht naar Bangkok was wat bumpie. In bangkok regende het toen we landden, maar toen we een klein uurtje later buiten het luchthavengebouw stonden, was het al weer droog.