Vrijdag 22 oktober en zaterdag 23 oktober 1999

Onze vlucht met Royal Jordanian Airlines vertrok met een half uur vertraging, om 14.30 uur. De vlucht verliep vlekkeloos en om 19.45 uur kwamen we aan op het Queen Alia International Airport. Eenmaal uit het vliegtuig volgden we gewoon de mensenmassa die ons leidden naar de transitbalie, waar we incheckten voor onze vlucht naar Damascus. Daarna begon het wachten. In Nederland hadden we al een ongunstige tijdsverandering doorgekregen. Onze vlucht naar Damascus zou in eerste instantie om 20.45 uur vertrekken, maar in Nederland werd dat tijdstip al verschoven naar 00.10 uur de volgende dag. Eenmaal in Amman stond op het vertrektijdenbord dat de vlucht pas om één uur ‘s-nachts zou zijn.

We doodden de tijd in eerste instantie met het liggen op de banken, door rond te wandelen en een beetje rond te hangen in de tax free winkels, maar die hadden we binnen 5 minuten wel gezien. Overal op de luchthaven liepen arabieren in witte gewaden alsmede gesluierde vrouwen. Er waren zelfs twee vrouwen geheel gesluierd met burqa’s.

Toen we weer op één van de banken zaten, kwam een studentje op ons aflopen om vervolgens Marjolijn te interviewen over haar ervaringen met vliegtuigmaatschappijen uit het Midden-Oosten. Als vergelijkingsmateriaal stond in de enquête ook de KLM vermeld en die kreeg toch wel erg vaak onze voorkeur boven een maatschappij uit het Midden-Oosten. We hadden slechts ervaring met Royal Jordanian Airlines als enige Midden Oosterse luchtvaartmaatschappij en die had met alle vertragingen niet echt een positieve indruk op ons gemaakt. Na afloop van de enquête kregen we een nogal groot uitgevallen bidkraal.         

Rond 21.45 uur werd omgeroepen dat reizigers naar Damascus verzocht werden zich bij de transitbalie te melden. Daar werd ons meegedeeld dat het vliegtuig niet eerder zou vertrekken dan 04.30 uur. We kregen een hotelkamer aangeboden en een transitkaartje. Met dit transitkaartje moesten we naar de douane, waar direct een visumstempel in het paspoort werd gezet en ons werd uitgelegd waar we ons moesten melden voor de shuttle bus naar het hotel. Eenmaal buiten het luchthavengebouw konden we de shuttle bus natuurlijk niet vinden en dus ging ik maar weer naar binnen om het te vragen…. en weer naar buiten zonder enig resultaat. Buiten vroegen we enkele malen aan passerende werknemers de weg en toen was de halte zo gevonden.

De bus bracht ons naar het Queen Alia hotel op de luchthaven, ongeveer 5 minuten rijden vanaf de terminal. We vulden snel een formuliertje in en kregen de sleutel van een kamer. Om ongeveer 22.45 uur lagen we op bed en om 3.30 uur werden we door een telefoontje van de receptioniste gewekt.

Het vliegtuig vertrok om 4.30 uur en een uurtje later waren we in Damascus, waar het vliegveld er behoorlijk primitiever uitzag dan in Amman. Inmiddels was het licht geworden. Met de bus werden we naar de terminal gebracht en daar stonden we eigenlijk meteen voor de immigratiebalie. Aangezien er maar twee loketten open waren, duurde het een eeuwigheid voordat wij aan de beurt waren. Marjolijn d’r nieuwe paspoort was nog vrij van visastempels (op die van Syrië na, die we in Nederland al hadden geregeld) en kon dus weinig vraagtekens opleveren, maar bij mijn paspoort hadden de douaniers een overdreven aandacht voor het Vietnamese visum. Enkele keren werd er ‘Israël’ gefluisterd en uiteindelijk werd ik verzocht om mee te lopen naar de hoge pieten. Achter een deur met een luikje (type gevangenisdeur) stond een hoge pief die me vroeg wat voor een visum het was. Toen ik zei dat het een Vietnamees visum was, was hij opgelucht, maar hij wilde nog wel even weten waar m’n vader en waar m’n moeder vandaan kwamen. ‘Uit Nederland’ was het juiste antwoord en ook ik mocht Syrië in. Let op! met een Israelisch stempel in je paspoort, kom je het land niet in.

Nadat we de rugzakken hadden gepakt, liepen we zonder problemen door de douane en we wisselden honderd gulden voor S£ 2.200 bij het kantoortje van de Syrische bank. Daarna vroegen we in de aankomsthal een man in uniform naar de halte voor de bus naar Damascus. Dat werd keurig uitgelegd en we werden voor de eerste keer ‘Welcome to Syria’ geheten; iets wat nog zeer veelvuldig zou gebeuren.

Tijdens het wachten op de bus raakten we aan de praat met een Syrische jongen die in Canada woonde, maar in Syrië in dienst moest omdat hij ook nog de Syrische nationaliteit had.

Rond zeven uur vertrok de stokoude bus naar Damascus. De ramen van de bus zaten los in de sponningen en dat veroorzaakte een enorm lawaai. Toen de kaartjesverkoper in de bus langs kwam, wilde ik betalen met één van de grote coupures die ik zojuist had gewisseld. De ‘conducteur’ duidelijk maakte dat hij geen wisselgeld had voor het (te grote) biljet dat ik hem gaf. De busrit werd voor ons betaald door een wildvreemde jongeman achter ons. Ook weer in het kader van ‘Welcome to Syria’.

Bij het treinstation in het centrum van Damascus stapten we uit en zo ook onze Syrische reisgenoot. Hij liet ons zien waar het hotel was waar we heen wilden en daarna namen we afscheid. Hotel l’ Oasis was een ware ‘culture shock’. Nu is het eerste hotel van de reis altijd weer even wennen, maar dit was toch wel weer even helemaal ‘back to basic’. We checkten toch maar in voor S£ 400 (ƒ 20,-) per nacht.

De rest van de dag hebben we ingevuld door naar het toeristenbureau te gaan, heerlijke vers geperst mangosap te drinken bij een fruit juice stand, de oude stad met de souq te bezoeken, alsmede de Omayadenmoskee.

Voordat we de moskee binnen konden, moest Marjolijn een ‘monnikengewaad’ aan. Het plein van de moskee is prachtig en erg indrukwekkend. De moskee zelf was nogal groot. Een aantal mensen zat te bidden. We liepen op onze sokken door de moskee van de ene ingang naar de andere ingang. Daarna verlieten we het terrein.

We namen plaats op een terrasje aan de oostzijde van de moskee. Op het terras zaten allemaal mannen een waterpijp te roken en dat rook lekker.

Terug op de kamer bleek er een soort poeder te zijn gestrooid. De volgende dag kwamen we er achter dat er in de kamer een kakkerlakplaag heerste. Ook hadden we last van de tv die de hele nacht aan leek te staan. We zijn de volgende dag maar verhuisd naar een andere kamer.

Zondag 24 oktober 1999

Na een lange nacht (ik lag er gisteravond al om zeven uur in) begon de nieuwe dag erg vroeg met kattengejank vanaf de diverse minaretten. Nadat we ons hadden aangekleed, liepen we eerst naar het Sultan hotel dat om de hoek lag. Daar informeerden we naar een kamer, maar de prijs viel nogal tegen: $30 per nacht. We hadden toch pech gehad, want het hotel was vol.

Bij het naastgelegen bakkertje kochten we ons ontbijt, dat bestond uit éénhapsbroodjes die mierzoet waren (soort baklava). Met de broodjes liepen we naar het ‘Open Air Café’, waar we thee bestelden en het ontbijt aten.

Na het ontbijt begon onze zoektocht naar het Pullman busstation, want we wilden buskaartjes kopen naar Palmyra. Onderweg naar het busstation liepen we langs een internetcafé van waaruit we een e-mailtje trachtten te verzenden. Dat was niet eenvoudig, want we moesten met een arabische versie van windows werken. Vandaar dat er de hele tijd een mannetje naast ons stond om ons te vertellen welke knopjes we moesten aanklikken. Eénmaal terug in Nederland zou blijken dat de mailtjes helemaal niet zijn aangekomen

We liepen verder naar een busstation, dat het verkeerde bleek te zijn. Toen we het busstation inliepen, kwam direct een groot aantal mannen op ons af, allemaal even weinig Engels sprekend (niet veel meer dan ‘yes’ en ‘no’).

Alle mannen wezen een andere kant op toen wij “Palmyra” zeiden. Uiteindelijk werden we door iemand die wel drie woorden Engels sprak naar een nabijgelegen busstation gestuurd en toen we buitenom lang het busstation liepen, hielp een passerende man ons in de juiste richting. Hij vond het leuk dat we Nederlanders waren, omdat hij werkte bij een, aan Shell gelieerd bedrijf. In het arabisch noteerde hij op een visitekaartje waar we heen moesten en hij wees ons de microbus die we moesten hebben.

Met de microbus gingen we naar het Pullman busstation, dat aan de rand van Damascus aan de weg naar het noorden ligt. Voordat we het busstation konden betreden, moesten we eerst door de metaaldetector. Er stonden nogal veel agenten en Syrische passagiers werd gevraagd de tassen of koffers te openen, maar wij mochten zonder problemen doorlopen. Eenmaal in het busstation bleek iedereen tickets te verkopen en dat maakten ze ook allemaal duidelijk. Iedereen kwam om je heen staan en begon aan je te trekken. Behoorlijk irritant. Toen we ze allemaal van ons af hadden geschud, liepen we naar een boekingskantoortje ergens achter in het busstation en reserveerden we een plaats in de bus.

We liepen het busstation weer uit en namen een taxi naar het Nationaal Museum. Ondanks dat we de chauffeur de plattegrond van het centrum van Damascus lieten zien, wist hij het in eerste instantie niet te vinden. Op een gegeven moment had ik wel door waar we waren en ik vertelde de chauffeur hoe te rijden. We zagen op deze manier wel wat van Damascus! Het nationaal museum (entree S£ 300 p.p.) was wel interessant, zeker als je van geschiedenis houdt.

Rond half drie liepen we naar de citadel, maar een echte citadel is er niet meer. Een hoop winkeltjes is wat er van over is. Na wat rondlopen, kwamen we uit bij de Si’ouda Ruqqaya moskee, een Iraanse, sji’itische moskee. Deze moskee bezochten we. Marjolijn moest weer een zwarte lap om (ach, zwart staat d’r goed zegt ze altijd) en we gaven de schoenen af bij de balie, in ruil voor een bewijsje. Binnen was alles van 14 karaats bladgoud en kristal. Op de grond lagen allemaal dikke karpetten.

Er was een stikte scheiding tussen het mannendeel en het vrouwendeel en we namen dus tijdelijk afscheid van elkaar. Vanuit het vrouwendeel klonk een enorm gejammer van huilende vrouwen.

Een man vroeg me om met zijn camera een foto van hem te maken voor een soort altaar en daarna begon hij me het een en ander over de moskee te vertellen in het Duits. Het was erg interessant om te horen over het geloof, de betekenis van het altaar etc.

Na het bezoek aan de moskee liepen we door de souq terug naar het hotel om te douchen. Eerst moest de boiler nog worden aangezet, maar na een kwartiertje konden we (lauw) douchen in de douche op de gang. Op de kamer hadden we wel een badkamertje met douche en toilet, maar dat was zó klein dat je letterlijk je kont niet kon keren en het was goor. De douche op de gang was trouwens niet veel schoner. Uit de grote douchekop kwamen maximaal tien straaltjes. De rest van de gaatjes was verstopt door de kalk.

We hebben gedoucht en we zitten nu op het terras van het ‘Open Air Café’ met een glas thee. We zitten aan de straatzijde en hebben een mooi zicht op het gebeuren op straat. Er rijden ontzettend veel gele taxi’s rond van alle merken en typen en allemaal zijn ze oud. Soms zie je particuliere auto’s rondrijden. Die zijn of ‘nieuw’ of enorm oud. Auto’s uit de vijftiger (wellicht nog ouder) en de zestiger jaren zijn hier heel gewoon. Heel leuk om te zien. Om ons heen zitten mannen een waterpijp te roken of backgammon te spelen.

Een arabier uit Saoedi Arabië b (volgens zijn nummerplaat) vraagt aan een Syriër langs de kant de weg. Hij stapt in om de Saudier naar de plaats van bestemming te brengen. Wat dat betreft zijn de Syriërs erg vriendelijk en behulpzaam.

Alle auto’s toeteren, zelfs als daar geen aanleiding toe is. Automobilisten voor het verkeerslichten wachten niet eens tot de gloeidraad van de lamp die het groene licht aangeeft heet is; ze toeteren direct. Een enkele fietser is levensmoe en fietst tegen het verkeer in.

‘s Avonds aten we in een restaurantje aan het martelaarsplein en daarna dronken we nog wat frisdrank op het terrasje bij een oude trein in het station. De eigenaar van de trein c.q. café kwam in het Duits vertellen dat de trein in 1894 was gebouwd en dienst deed tot de vijftiger jaren tussen Turkije en de Rode Zee en dat hij hem had opgekocht om de trein tegen de ondergang te behoeden. Nu woont hij in een treinstel en doet de rest dienst als café.

Maandag 25 oktober 1999

Vanochtend stonden we om 07.15 uur op. We haalden ons ontbijt bij hetzelfde bakkertje als gisteren en aten het weer op in het Open Air Café onder het genot van een kopje thee. Daarna wisselden we traveller’s cheques bij het filiaal van de Syrische bank tegenover het station, tegen de koers van S£ 46 per dollar. Er werd geen commissie berekend, niet naar de salesslip van de traveler’s cheques of naar ons paspoort gevraagd en de transactie werd zeer snel verricht. Efficiënter dan in Nederland. De receptionist van het hotel had ons ook al benaderd om geld of cheques te wisselen, zelfs tegen een betere koers (S£ 49 per dollar), maar dat is op de zwarte markt, welke overigens erg levendig is, en daar doen we niet aan mee. De bank was slecht beveiligd; er waren open loketten, de deur tussen het kasgedeelte en de weg stond open, het geld lag niet netjes in een lade, maar overal en nergens op bureaus en er was maar één medewerker aanwezig. Leuk contrast met de high tech veiligheidsmaatregels in de Nederlandse banken.

Nadat we geld hadden gewisseld, haalden we onze rugzakken op en namen we een taxi naar het Pullman busstation en een half uurtje later, om 9.35 uur, vertrok de bus naar Palmyra. De busrit in de luxe airconditioned bus verliep vlekkeloos. Er was een steward inde bus die snoepjes uitdeelde (wij kregen meer snoepjes dan de Syrische passagiers) en water. Dat laatste sloegen we maar even over.

Het landschap was niet echt indrukwekkend. Kale, gladde bergen, een steenwoestijn en een hoop zwarte plastic zakken. De woestijn bestaat uit een harde onderlaag en vuistgrote kiezels. Onderweg werd een aantal keren gestopt bij een politiepost die zich veelal bevond op een splitsing van wegen.

Om 12.30 uur waren we in Palmyra. Voordat we het stadje binnenreden, passeerden we de Romeinse opgravingen al. Die maakten al direct een behoorlijke indruk op ons.

Toen we uit de bus stapten, werden we direct benaderd door jongens die ons naar hun hotel wilden brengen. Daar gingen we niet op in en we belandden uiteindelijk bij het Silk Road hotel dat aan het centrale plein ligt. De eigenaar liet ons eerst twee gloednieuwe kamers zien bij de receptie, maar die lagen aan de ‘drukke’ weg en een kamer bij de receptie heeft niet echt de voorkeur. De kamers zagen er wel heel goed uit. Zoals de eigenaar zei waren ze net verbouwd. We namen een grote, maar een oude(re) kamer op de eerste etage.

De badkamer was niet echt mooi en de douche had geen douchekop, maar er was wel warm water (nadat de boiler op ons verzoek was aangezet). De kamer kostte S£ 400 per nacht, hetzelfde als voor het ranzige hok in Damascus.

Na het inchecken gingen we naar de tempel van Ba’al. De toegang bedroeg S£ 300 (ƒ 15,-) per persoon, maar ik besloot de gok te wagen om mijn stamkaart van het openbaar vervoer aan te wenden als studentenkaart.

Het mannetje bekeek mijn kaart en las in het Duits ‘Stadt und streekstamkarte’ en vroeg ‘Was heisst das’? Toen ik hem antwoordde dat het de studentenkaart van de Universiteit van Amsterdam was, bleek hij ‘overtuigd’. Mijn kaartje kostte toen nog maar S£ 15, wat neerkomt op ƒ 0,75. Zo werd de gemiddelde toegangsprijs wat dragelijker.

De tempel was bijzonder imposant. Wat een hoogte! Er stonden zuilen van ten minste 15 meter hoog. Na het bezoek aan de tempel staken we de weg over naar de ‘rechte straat’. De rechte straat is een Romeinse straat uit de eerste eeuw voor Christus tot de vierde eeuw na Christus. De triomfboog markeerde het huidige begin van de straat, maar volgens mij moet de straat vroeger veel langer zijn geweest. De ruïnes waren vrijwel verlaten (d.w.z. er waren nauwelijks toeristen) en dat was een groot voordeel. Het enige wat tegen zat was het weer. De lucht was grijs en het zicht reikte niet erg ver. Daardoor was de kruisvaardersburcht op de berg ook minder goed te zien.

‘s Avonds aten we in het Traditional Palmyra Restaurant. Het eten was goed en de rekening ‘hoog’, maar dat kwam doordat we teveel hadden besteld. Na het eten liepen we nog wat door de hoofdstraat en kochten we twee vlaggetjes van Syrië voor op de rugzak. De oude eigenaar van de winkel wilde maar wat graag dat we wat thee met hem dronken, maar dat deden we niet. Het kostte ons wel veel moeite om hem duidelijk te maken dat we geen thee wilden. Hij bleef maar aandringen. Het niet erg beleefd om te weigeren, maar we moeten ook een beetje om de tanden denken. De thee is namelijk mierzoet.

Dinsdag 26 oktober 1999

Na het ontbijt liepen we weer naar de ‘rechte straat’ om opnieuw foto’s te maken. Het weer was namelijk stralend

en de hemel prachtig blauw. Dat was ook direct aan de temperatuur te merken. De ruïnes en zuilen staken nu mooi af tegen de blauwe hemel en ook het licht was beter. De burcht was nu ook in volle pracht te zien. Nadat we dezelfde plaatjes als gisteren hadden geschoten, trachtten we door de oase terug te lopen. Toen we door een gat in de muur (de oase is omgeven door een stenen muur met hier een daar een (afgesloten) poort) de oase inliepen, kwamen we vrijwel direct bij een bedoeïenfamilie die olijven aan het oogsten waren. Een kindje begon te roepen en al snel daarna kwamen pa en ma van de trap die tegen de boom stond, naar beneden. Van pa kregen we en hand en we werden direct uitgenodigd voor…. thee!

We sloegen helaas het aanbod af en we liepen van ze weg. Pa bleef volgen en bleef ons uitnodigen voor thee. Uiteindelijk kwamen we terug op de hoofdweg, omdat er door de oase geen duidelijke paden lopen en we hadden geen zin onze weg te zoeken door de oase.

Om 11.30 uur lunchten we bij het Traditional Palmyra restaurant en daarna checkten we uit bij het hotel. De eigenaar had ons al duidelijk gemaakt dat we net zo lang konden blijven als we wilden en daarom hadden we ook geen haast om uit te checken. De bijzonder vriendelijke, forse eigenaar bood ons nog een kopje bedoeïenkoffie aan. We kregen een klein kopje met letterlijk een bodempje koffie. Die koffie zorgt er echter wel voor dat je de komende tijd wakker blijft! Ook werden de dadels en vijgen op tafel gezet. Terwijl wij onze koffie dronken, belde de eigenaar met het busbedrijf om twee plaatsen te reserveren voor de bus van 12.30 uur. We rekenden de afgesproken S£ 400 af en liepen vervolgens naar het busstation dat 50 meter verder in de hoofdstraat lag.

De oude minibus vertrok om 12.35 uur en onze bagage zat netjes in het bagagecompartiment. We hadden al gezien dat er enkele gaten in het compartiment zaten en we bereidden ons voor op enkele stoffige rugzakken in Homs. Onderweg naar Homs zagen we weer de gladde, kale bergen van het Anti Libanonmassief, vele bedoeïententen, militaire bases en keien…. heel veel keien. Naarmate we dichter bij Homs kwamen, groeiden er dennenbomen langs de weg. Eerst kleine boompjes, die allemaal scheefgegroeid en aan de westzijde kaal waren. Verder naar Homs werden de bomen hoger en talrijker, maar ze bleven scheef staan.

Tegen drieën waren we op het busstation van Homs en wisselden we van bus. De bus naar Hama vertrok om 15.40 uur en drie kwartier later werden we in Hama bij het busstation gedropt. We namen een prachtige, prehistorische taxi naar het Ryad hotel en checkten in voor een schitterende kamer met een brandschone badkamer. Prijs: S£ 455 per nacht, terwijl de startprijs S£ 500 was. Een mager resultaat, maar S£ 455 was de officiële prijs volgens de prijslijst aan de deur. We namen een warme douche en ik deed onder de douche de was.

Daarna liepen we naar de vier noria’s (waterraderen). Deze waren mooi verlicht. Bij de noria’s werden we begroet door twee mannen die ons de weg naar de noria’s wezen. Nadat we foto hadden gemaakt, werd ons weer thee aangeboden en we weigerden weer.

We liepen langs de koude en stinkende rivier richting het centrum. De rivier had echt een grote invloed op de omgevingstemperatuur, want aan de overkant van de straat was het al een stuk aangenamer van temperatuur. En het was toch al behoorlijk afgekoeld. De fleecetruien die we voor de vakantie nog net even hadden gekocht, kwamen nu goed van pas.

Onderweg naar het centrum passeerden we twee mannen en de oudere van de twee zei ‘bonjour’ tegen ons toen we hen passeerden. Ik zei bonjour terug en wilde verder lopen. De twee liepen met ons op en het oude mannetje vroeg in het Frans waar we vandaan kwamen en nodigde ons even later uit om ergens thee te gaan drinken. Aanvankelijk hadden we daar niet echt veel zin in, omdat we net waren aangekomen en omdat we het stadje wilden verkennen, maar het mannetje bleef aandringen en zei dat het maar tien minuten duurde. Dit keer gingen we op de uitnodiging in, omdat we ook wel een beetje dorst hadden. We liepen naar een terrasje nabij de noria’s in het centrum waar we thee dronken. Ik was inmiddels in het Engels aan de praat geraakt met Mohammed die pas drie maanden bezig was met een cursus Engels, terwijl Marjolijn in het Frans over koetjes en kalfjes praatte met Mister Kassim. Tijdens de thee werden we door Mohammed uitgenodigd om ergens te gaan eten. Mister Kassim zou niet mee gaan, maar nodigde ons wel uit voor de volgende avond. Zo kwam het dat we voor de volgende avond met Mister Kassim afspraken en vanavond samen met Mohammed in zijn Skoda pick up naar een restaurantje buiten het centrum reden. Het was Mohammed z’n favoriete restaurantje en hij bestelde enkele pizzabroodjes voor ons (dat was overigens het gehele aanbod van het restaurantje). We gingen zitten in een grote plastic tent in de tuin. In de tent (met zandvloer) zaten alleen maar mannen en ze rookten waterpijp of / en zaten backgammon te spelen. We aten onze verschillende pizzabroodjes. Mohammed was beledigd toe ik zei dat we genoeg hadden en schoof ons nog meer broodjes toe. Toen ik een hapje nam van een pizzabroodje met groene pepers en de vlammen overal uitschoten zei ik dat ik echt vol zat. Hij nam mijn broodje over en at het verder op.

Na het eten reed Mohammed wat rond, testte uitvoerig zijn ruitenwissers en kwam toen tot de conclusie dat we nog een cakeje moesten eten. Hij keerde de auto en reed dezelfde weg terug om vervolgens door de ‘stille wijk’ naar een bakkertje te rijden. Daar bestelde hij cake voor ons, maar accepteerde niet dat wij wilden betalen. Nadat we het cakeje hadden gegeten besloot hij ons nog wat rond te rijden door Hama. Zo kregen we een “Hama by night” tour. Aan het einde van de avond werden we keurig netjes voor het hotel afgezet en ging hij naar zijn vrienden om een potje te kaarten. En dat terwijl zijn vrouw thuis zat.

Woensdag 27 oktober 1999

Om zeven uur stonden we op, om half acht ontbeten we in het hotel en om acht uur kwam een prehistorische auto voorrijden. Gisteren hadden we namelijk een dagtour geboekt in het hotel (S£ 2.300). De prehistorische auto was een prachtige Pontiac 8 uit 1952. In Nederland worden deze alleen nog maar gebruikt voor trouwpartijen. De auto zag er piekfijn uit en reed lekker.

De chauffeur had zware voeten, want we reden met een snelheid van 100 kilometer naar de ruïnes van Quala’at Sheisar, een oninteressante, zwaar vervallen citadel. Vanaf de burcht hadden we wel een prachtig uitzicht over de vruchtbare omgeving. Terug in de auto reden we door het dorpje en werd ik een beetje misselijk van de vele slagers en het bloederige restafval van zojuist geslachte schapen, dat overal op straat lag.

We reden naar Apamea, waar onze taxi stopte bij het museum. Mijn ‘studentenkaart’ werd niet geaccepteerd en daarom besloten we het museum maar over te slaan (entree bedroeg weer ƒ 15,- per persoon). We reden verder naar de Romeinse straat. Aan het einde van de straat werden we afgezet en we spraken met de chauffeur af in een cafeetje aan het begin van de straat. Na eerst enkele groepen toeristen te hebben gepasseerd (allemaal Italianen), werd het erg rustig. De twee kilometer lange zuilenstraat is indrukwekkend, maar toch minder indrukwekkend dan Palmyra. Aan het begin van de straat moesten we een toegangskaartje kopen voor S£ 300 per persoon en daar was ook het cafétje waar onze chauffeur wachtte. We dronken wat fris alvorens we verder reden door het bergachtige landschap naar Musyaf. Onderweg stopte de chauffeur bij een veld waar katoen werd verbouwd en hij plukte enkele bloemen voor ons. De katoenvezel is een draderige massa dat verschijnt als de bloemknop open barst. Leuk om eens te zien. Op de weg reden vele tractoren met balen katoen op de aanhangers. Een dode ezel lag langs de kant, maar niemand voelde zich geroepen deze te verwijderen.

In Musyaf was weer een citadel. Dit exemplaar was beter bewaard, maar ook deze citadel verdient geen schoonheidsprijs. De toegangsprijs was wel aangenaam. Ik liet mijn studentenkaart zien en die werd direct geaccepteerd. Marjolijn zocht quasi-druk in d’r tas en toen ze zei dat ze haar kaart niet kon vinden, vond de caissière het wel in orde. Twee studentenkaartjes. We betaalden S£ 30 in plaats van de officiële S£ 300.

Na Musyaf scheurden we richting het Crac de Chevaliers. Onderweg stopten we nog bij een, volgens de Lonely Planet oninteressant klooster. Vroeger was het klooster wel interessant omdat de 17e eeuwse kerk nog te bezichtigen was, maar tegenwoordig was die gesloten. Maar dat lazen we pas achteraf. We bezochten het klooster en de nieuwe kerk. Plots komt er een oud mannetje de kerk binnenlopen die me gebaart mee te lopen. Hij had de sleutel van de oude kerk en liet ons de kerk zien. Inderdaad was dit kerkje heel wat liefelijker van aard en ook waren daar de antieke iconen te zien. Daarna bedankten we het oude mannetje en lieten we wat muntjes als donatie achter.

Terug bij de auto bleek dat de chauffeur de auto (deels) had gewassen. We reden verder naar het Crac. Eerst reed de chauffeur achter de burcht langs naar een plek van waaraf je een mooie foto van de burcht kon nemen. Daarna bracht hij ons naar de entree. Maar voordat we het Crac bezochten, dronken we eerst thee op het terras van het café tegenover de ingang. Na de thee kochten we de tickets en bezochten we de burcht. Erg mooi en indrukwekkend en een bezoek zeker waard.

We reden in één ruk terug naar Hama, waar we rond vier uur terugkeerden. Op de hotelkamer namen we een douche en deden het even rustig aan. Marjolijn las wat in d’r boek en ik moest natuurlijk het dagboek even bijwerken.

Om 19.00 uur hadden we met Mohammed en Mister Kassim, zoals Mohammed hem altijd noemde, afgesproken bij hetzelfde terrasje als waar we gisteravond thee met hen dronken. Mister Kassim was er nog niet, maar Mohammed wel. Hij nam ons te voet mee door de oude stad. Dit is inderdaad nog oud en dat terwijl het grootste deel van Hama is platgebombardeerd na een opstand tegen president Assad in de zeventiger jaren. In de oude stad kwamen we Mister Kassim tegen. Met z’n vieren liepen we een blokje door de oude stad om vervolgens weer terug te keren bij het café waar Mohammed zijn auto stond. Met de auto reden we naar het restaurant. Marjolijn gezellig tussen de heren voorin in de auto en ik in de laadklep van de pick up.

We aten in een restaurantje nabij de oude moskee. Ik had een kippetje van het spit besteld, maar geen bestek gekregen. En dat terwijl ik niet echt van plan was te gaan kluiven. Ik vroeg om bestek, maar er werd door de heren raar opgekeken. Uiteindelijk werd bestek gebracht door de ober, alleen….. in plaats van een gewoon mes te brengen kwam hij met een slagersmes aan. Dat hoefde nu ook weer niet en dus toch maar kluiven. Het kippetje smaakte er niet minder door.

Na het eten reden we met de auto naar de citadel, waar we eerst door het park liepen om vervolgens in het park op een terrasje plaats te nemen. Mohammed bestelde een waterpijp en iets te drinken. Tegen 22.30 uur werden we keurig netjes voor het hotel afgezet en namen we afscheid van beiden.

Donderdag 28 oktober 1999

Vanochtend sliepen we eerst uit. Ik werd pas om 9.15 uur wakker. Daarna ontbeten we in een soort cafetaria/bakkertje schuin tegenover het hotel. Weer van die mierzoete baklava en daarnaast had ik ook de traditionele pudding uit Hama besteld (minder goed idee. Niet vies, maar toch).

Na het ontbijt gingen we op zoek naar het ‘busstation’. We wilden met de luxe bus naar Aleppo en die bussen vertrekken vanaf het kantoor van de busonderneming en niet vanaf het busstation. Gelukkig waren beide kantoren (van twee verschillende ondernemingen) binnen een straal van 200 meter van het hotel. De bus van het eerste bedrijf dat we bezochten vertrok pas rond twee uur en daarom liepen we ook naar het kantoor van de andere onderneming (bij de rivier). Daar vertrok ieder uur een bus naar Aleppo. Nadat er inmiddels al zo’n vijf mensen voor hadden gedrongen, boekten we twee tickets voor de bus van 11.15 uur. Toen we ons ticket eindelijk in handen hadden, stond daar 12.15 uur op. Dus weer terug in de rij om het te laten corrigeren. We hadden nu ongeveer een uurtje voordat de bus zou vertrekken. We liepen terug naar het hotel om de rugzakken te pakken en vroegen we de receptionist om een kamer te reserveren in het “Tourist” hotel in Aleppo. Daarna liepen we naar het kantoortje van de busonderneming.

De bus vertrok keurig op tijd en anderhalf uur later waren we in Aleppo. De weg naar Aleppo liep door een glooiend landschap met veel boomgaarden en was best mooi. Het leek een beetje op Noord Frankrijk.

Op het busstation van Aleppo werden we al direct ontvangen door enkele taxichauffeurs die om het hardst tegen elkaar opboden om ons te charteren voor een ritje. Echter alle genoemde prijzen waren wat aan de hoge kant. Zo schreeuwde een chauffeur dat een rit 50 pond kostte, een ander dat de rit bij hem 25 pond was. Uiteindelijk hielden we een taxi aan even buiten het busstation en de rit naar het centrum (misschien 500 meter, hooguit een kilometer) kostte op de meter 10 pond. We werden afgezet voor het Tourism Hotel. We hadden de chauffeur gezegd naar dit hotel te rijden, maar toen we de entree van het hotel bekeken, werd het duidelijk dat dit geen backpackershotel was. We waren dus naar het verkeerde hotel gegaan. Dan maar te voet naar het Tourist Hotel. Maar eerst even vragen naar de weg. Op de hoek van de straat stond een agent, maar die bleek over een zeer beperkt Engels vocabulaire te beschikken: ‘yes’ en vooral ‘no’. Toen kwam ik op het idee om het kompas er eens bij te pakken en al snel werd toen duidelijk in welke richting we moesten lopen. We liepen door een winkelstraat naar het Tourist Hotel.

Na ongeveer een kwartier stonden we bij de receptie, waar een super chagrijnig grietje ons de prijs van de kamer vertelde: S£ 700 per nacht. We bekeken de kamer en besloten toen op zoek te gaan naar een ander hotel. We belandden bij het tegenovergelegen hotel Zahert al-rabin. Niet echt luxe, maar met S£ 350 per nacht een stuk beter geprijsd. Na te hebben ingecheckt bij een op een monnik lijkende, receptionist (stekeltjes haar, rond brilletje, rustig figuur én natuurlijk lopend op sandalen) liepen we richting de citadel op zoek naar een gelegenheid om thee te kunnen drinken. Natuurlijk vonden we die niet zo snel, want als je geen thee wilt dan krijg je het overal aangeboden, maar als je op zoek bent dan vindt je het niet. Uiteindelijk vonden we een plek waar we thee konden drinken op een pleintje midden in de souq.

Na de thee liepen we naar de ingang van de citadel en je raad het al… voor de ingang waren prachtige terrassen waar je heerlijk een thee kon drinken. En dat deden we dan ook maar. Vervolgens terug naar het hotel, want Marjolijn d’r maag was een beetje van streek.

‘s Avonds aten we goed in het restaurant Al Kindi en na het eten namen we een taxi naar de terrasjes voor de ingang van de citadel om daar nog iets te drinken.

Vrijdag 29 oktober 1999

De ochtend begon met nogal wat lawaai op de gang. Om 8.30 uur stonden we op en we liepen naar een fruitstalletje (om de hoek) waar we een fruitontbijt nuttigden, samen met versgeperste appel- en sinaasappelsap. We liepen naar de citadel en bezochten die. Er was wat overredingskracht nodig om een studentenkaartje te krijgen, maar uiteindelijk lukte het. De binnenkant van de citadel is heel wat minder imposant dan de buitenkant. Sommige dingen, zoals de moskeeën (natuurlijk) zijn nog in tact, maar voor de rest bestaat het binnenste van de citadel uit brokken steen en veel zand. Het theater is gloednieuw en niet mooi. Wel mooi was het uitzicht over de stad. Overal klonk gejammer vanuit de minaretten. Nogal ongeorganiseerd en lelijk!.

Na ons bezoek aan de citadel, liepen we door de souq, maar die was heel wat minder levendig dan gisteren. Alles was namelijk gesloten. Tsja, dat heb je op de vrijdag. We liepen door het ‘uitgestorven’ Aleppo naar het luxe busstation en kochten we in een ticketbureautje twee tickets naar Damascus. De Syrische mannen die na ons binnenkwamen, drongen allemaal voor, maar het mannetje achter de balie had dat in de gaten en hielp ons toch eerst.

Met de taxi reden we terug naar het hotel voor een sanitaire stop. Ik moest de taxichauffeur vertellen hoe die moest rijden, maar dat was totaal geen probleem. Aleppo is een zeer overzichtelijke stad. Het enige nadeel is dat alles éénrichtingsverkeer is. Na de sanitaire stop lunchten we (15.00 uur) bij Al-kindi. Soep en frites.

We liepen richting het park en onderweg kochten we een verzamel cd met arabische muziek. Ook de man in deze winkel sprak geen woord Engels, maar we konden de cd beluisteren. De cd werd afgespeeld over de boxen in het winkeltje en de volumeknop werd zodanig ver opengedraaid dat heel Aleppo kon horen wat we luisterden. Met handgebaren gaf ik aan dat we het volgende nummer wilden horen.

Bij het park is ook het postkantoor en daar postten we enkele ansichtkaarten en daarna liepen we dus naar het park. Het was een mooi park, met enkele fonteinen en veel bezoekers (vanwege de vrijdag). Plots werden we achtervolgd door vijf jongens. Toen ze ons passeerden, maakten ze door met hun fotocamera te zwaaien duidelijk dat ze met ons op de foto wilden. Daarna waren ze al weer verdwenen.

Na een wandeling door het park en vooral mensen kijken vanaf een bankje liepen we naar (het schijnt) het beroemde hotel “Baron”, welke stamt uit 1909. Het verhaal doet dat dit hotel belangrijke gasten heeft gehad, waaronder Lawrence of Arabia en Agatha Christi, die hier haar boek ‘moord in de Oriënt Express’ schreef. Het interieur was inderdaad oud. Waarschijnlijk is er niets meer gewijzigd sinds de opening. De basten zaten in de plavuizen, er stonden antieke banken en de foto’s aan de wand waren zwaar vergeeld. We dronken er een kopje thee (niet het goedkoopste kopje) en daarna gingen we naar een restaurantje om daar een biertje te drinken.

We aten echter bij Al Kindi, om daarna vroeg naar bed te gaan.

Zaterdag 30 oktober 1999

Vanochtend maar weer een fruitontbijtje genomen en na het ontbijt pakten we de rugzakken en gingen we met de taxi naar het busstation. Ik moest de chauffeur weer de weg wijzen. Het is gewoon ongelofelijk dat ze de weg niet weten of het gewoonweg niet begrijpen als je het ze in het Engels vraagt. Zelfs niet met een kaartje van de stad erbij!

Om 10 uur vertrok de bus, maar voordat de bus vertrok moesten we eerst naar het politiebureau op het busstation om onze tickets af te laten stempelen en de paspoorten te laten zien. De politieagent wilde onze foto in het paspoort bewonderen (wie niet!). Om 11.45 uur waren we bij het kantoor van de busonderneming in Hama en een kwartier later vervolgden we onze weg naar Damascus. Naarmate we Damascus naderden, werd het landschap steeds kaler en woestijnachtiger.

Op het Pullman busstation werden we afgezet en we werden direct overvallen door taxichauffeurs. Toen een groot deel van de passagiers weg was (en daarmee de taxi’s) namen wij een taxi naar het Al-Haramein Hotel. Dit hotel ligt in een rustig zijstraatje vrijwel in het centrum. Het is een oud koloniaal huis en de inrichting is er naar. Helaas was er geen douche en toilet op de kamer, maar (zeer) kleine toilets op de gang.

‘s Avonds liepen we door de souq op zoek naar een waterpijp. We hadden de eerste keer dat we in Damascus waren in de souq al enkele waterpijpwinkels dichtbij elkaar gezien en daar gingen we heen. Het was bijzonder moeilijk om een keuze te maken, want bijna alles was versierd met goud en dat wilden we nu juist niet. We slaagden niet, maar hadden wel een indruk gekregen van de prijs.

We liepen naar het terrasje achter de Omayadmoskee en dronken daar thee, om vervolgens door de oude stad te dwalen op zoek naar een felafel tentje. Die vonden we niet, maar we vonden wel een snackbar en daar was het bijzonder druk. We bestelden er een zeer goede cheeseburger, patat en een kleine pizza voor beide en liepen naar het nabije pleintje bij de Bab Toama om te eten. Eén pizza bleek genoeg voor beide en ik verdeelde de andere onder de mensen op het plein.

We liepen door de oude stad terug naar het terrasje bij de moskee. De straatjes waren smal en het was niet echt plezierig om er rond te lopen, omdat het een doolhof was. Aan die paar mensen die langs kwamen, vroegen we waar de Omayadmoskee was en zodoende kwamen we goed uit. Op het terrasje raakten we aan de praat met een zeer goedlachse man en een iets serieuzere vriend van hem. Toen we af wilden rekenen, mocht dat niet. Zij wilden voor ons betalen.

Zondag 31 oktober 1999

Gisteravond had ik aan de twee heren op het terrasje gevraagd waar vandaan de bus naar Bosra zou vertrekken. We namen een taxi naar het betreffende busstation en daar aangekomen wilde ongeveer iedere buschauffeur ons in zijn wagen hebben. Om 8.30 uur vertrok onze minibus naar Der’a. We betaalden S£ 45 per persoon voor de rit en in Der’a stapten we over in een gereedstaande minibus naar Bosra. In Damascus waren we samen met een ouder Frans echtpaar ingestapt en in Der’a charterde een microbuschauffeur ons voor S£ 100 naar Bosra. Een redelijke deal en door deze goede overstaptijd duurde de rit slechts twee uur. In Bosra werden we afgezet op het plein voor de ingang van het theater, maar voordat we het theater bezochten, dronken we eerst een cola op een terrasje op het pleintje.

Op de achterkant van het biljet van vijf Syrische Ponden staat het theater in Bosra afgebeeld

De toegangsprijs voor het theater was absurd: S£ 400 p.p., maar weer deed mijn stamkaart dienst. Hierdoor viel de stop nog wel mee. De entreeprijs is al voldoende reden om dit theater van de reisplanning te schrappen. Na de vele theaters die we al hadden gezien, voegde dit theater niets meer toe aan het beeld dat we reeds hadden. Dat neemt niet weg dat het theater imposant was. Zeer hoge tribunes en een mooi gedecoreerde achterwand. Toen er even geen toeristen waren en de zon op de achterkant scheen (het was namelijk bewolkt), kon ik enkele foto nemen.

Na het bezoek aan het theater liepen we door de oude stad. Alleen het waterreservoir, het grootste in het Midden-Oosten, was indrukwekkend. De rest vond ik tegenvallen. Er was nog een oude hammam. Toen wij er binnen liepen, waren er net enkele andere toeristen die uitleg kregen. Toen wij de hammam wilden verlaten, maakte een mannetje ons duidelijk dat de entree gratis was, maar het was duidelijk wat hij daarmee wilde zeggen. We bedankten hem vriendelijk (ahum).

Via de westpoort verlieten we de oude stad en we gingen op zoek naar een plek waar we felafel konden eten. Toen we dat aan passerende jongens vroegen, werden we naar een klein zaakje aan de overkant van de straat verwezen. Een mannetje voor de balie hielp ons bij onze bestelling. Terwijl wij buiten de felafel aten (er werden stoeltjes voor ons gehaald) bleef het mannetje bij ons staan en we raakten aan de praat. Hij was eigenaar van een fourniturenwinkeltje enkele huizen verderop en wilde graag zijn winkeltje aan ons tonen. In het winkeltje kregen we al z’n stoffen te zien met een uitleg erbij waarvoor je het zou kunnen gebruiken. Na nog enkele andere dingen te hebben gezien, besloten we uit beleefdheid iets te kopen. Het werd een halsbandje van kraaltjes voor Marjolijn, maar toen we wilden afrekenen werd dat resoluut geweigerd. Hij wilde het ons geven als cadeau met natuurlijk het ‘Welcome in Syria’-argument.

Na ons bezoek, hield het mannetje (hij was 31 jaar, getrouwd en trotse vader van een zoontje) de bus naar Der’a aan. Dit was geen microbus, maar een oeroude en rijkelijk versierde minibus (25 personen). We reden half Syrië door en stopten onderweg in een plaatsje waar het een en ander uitgeladen moest worden. Vanaf het dak werden enorme hoeveelheden lange stalen pijpen gelost. Na het laden en lossen-verhaal reden we door naar Der’a, waar we weer een directe aansluiting hadden naar Damascus.

In Damascus kochten we een waterpijp in een klein winkeltje naast de ingang van het ‘Open Air Café’ voor S£ 850. Wel duur, maar inclusief kooltjes en tabak.

Maandag 1 november 1999

Na een ontbijt van zoete zooi (van het bakkertje) en een kop thee in het ‘Open Air Café’, pakten we de rugzakken en namen we een taxi naar het “shared taxi” station. We meldden ons rond half elf bij iemand die (waarschijnlijk) de leiding had over het verdelen van de passagiers over de taxi’s. Hij vroeg naar onze paspoorten en toen we die aan hem hadden gegeven, overhandigde hij ze aan een taxichauffeur, ondanks dat we daar bezwaar tegen maakten. De chauffeur verloor ik niet meer uit het oog. De paspoorten dienden voor de chauffeur als bewijs dat hij al klanten had. Na ongeveer drie kwartier vertrok de taxi naar Amman. We zaten met nog drie andere passagiers, alle Jordaniërs, in de taxi. Onderweg werd bij een benzinestation, annex winkelcentrumpje, gestopt en de chauffeur sloeg massaal sloffen sigaretten in. Eén tas met enkele sloffen werd onder de voorstoel verstopt en andere sloffen werden verdeeld onder de overige (wij niet) passagiers.

De douaneformaliteiten aan de Syrische grens verliepen uiterst soepel. Onze namen en paspoortnummers werden in een groot boek geschreven en er werd een stempel in het paspoort geplaatst. Terug bij de taxi bleek dat we zelfs eerder klaar waren dan onze Jordaanse reisgenoten.

Hashemite Kingdom of Jordan

Maandag 1 november 1999

(vervolg op het reisverhaal in Syrië)

We reden met de taxi verder naar de Jordaanse grens, ongeveer een kilometer verder. Daar moest de taxi eerst over een gat in de weg (zoals je die nog in oude autogarages tegen kunt komen) rijden. Een douanebeambte liep in het gat om de onderkant van de auto te inspecteren. Vervolgens moest we de bagage uit de kofferbak halen en neerleggen op een lange, brede muur. Ook de motorkap werd geopend. Een douanier inspecteerde de uitgestalde bagage. Ik moest mijn kleine rugzak openen, maar na een blik op toiletpapier en enkele boeken was hij tevreden. Er werd mij nog gevraagd of ik drugs bij me had.

Vervolgens gingen we het douanegebouw binnen om de formaliteiten af te handelen. Dat verliep heel wat minder vlot dan aan de Syrische grens. We werden van loket naar loket gestuurd. De postzegelverzameling in het paspoort werd aangevuld en er kwam nog een stempel bij. Echter, voordat het paspoort werd afgegeven, moest er worden betaald. Dat hield in dat ik eerst geld moest wisselen bij de bank in een ander gebouw. Ik wisselde ƒ 100,- tegen dinars.

Terug bij in het douanegebouw betaalde ik de visumkosten à JD 11 per persoon (1 JD is ongeveer ƒ 3,-) en kreeg ik de paspoorten. Met de taxi reden we naar de daadwerkelijke grens. Daar bleek dat er twee stempels ontbraken. Dus ik kon teruglopen naar de douane, waar de stempelverzameling werd aangevuld. Toen alle stempels en postzegels compleet waren, mochten we eindelijk doorrijden.

Om drie uur waren we in Amman en we stapten over in een andere taxi die ons naar het Cliff hotel bracht. Dat verliep ook niet geheel vlekkeloos. De chauffeur moest enkele keren de weg vragen en we kwamen heel ergens anders uit dan waar we moesten zijn. Uiteindelijk zagen we zelf het bord “Cliff hotel” en sommeerden de chauffeur te stoppen. Toen ik hem wat geld gaf, werd hij boos dat ik niet volledige meterprijs wilde betalen. We hadden ongevraagd immers half Amman al gezien.

Om vier uur waren we in het nul sterren hostal. We douchten en gingen daarna eten. Voor de derde achtereenvolgende avond aten we een hamburger en patat. Na het eten wilden we naar de bioscoop. In het hotel hing een twee weken oude filmladder, met de aankondiging dat ergens de film “Hammam in Amsterdam” draaide. In Syrië hadden we al vaker die naam gehoord. Soms als we zeiden dat we uit Nederland kwamen, zeiden Syriërs met een brede smile “Hammam in Amsterdam!!”. Omdat ik er niet zeker van was dat de film nog draaide in die bioscoop, besloot ik om het aan iemand op straat te vragen. Zo ontmoetten we Ghassan. Aan hem vroeg ik naar de film en de bioscoop, maar hij wist niet of die film daar draaide. Daarop vroeg ik hem te bellen naar de bioscoop met onze mobiele telefoon. Dat deed hij en het bleek dat de film inderdaad in een andere bioscoop draaide. Dat meldde hij aan zijn vriend Mohammed, die net kwam aanlopen. Hij bood direct aan om ons te brengen. Bij de bioscoop bleek dat we nog 1½ uur moesten wachten voor de aanvang en de jongens nodigden ons uit voor een drankje. Met de auto doolden we wat door Amman en passeerden we vier keer dezelfde rotonde, om uiteindelijk uit te komen bij een cafeetje. We dronken iets en praatten over het een en ander, om vervolgens terug te gaan naar de bioscoop.

De film was leuk. Het verhaal ging over een Egyptische jongen die een meisje wilde huwen, maar van haar vader eerst maar eens wat geld moest gaan verdienen. Hij besluit dat te doen in Amsterdam. Zijn reis naar Amsterdam verloopt niet geheel vlekkeloos, omdat hij onderweg z’n paspoort en geld verliest. Natuurlijk wordt hij in Nederland door de politie opgepakt etc. Uiteindelijk weet hij in Amsterdam toch een groot fortuin te verdienen en de film eindigt ermee dat Hammam zijn eigen restaurant in Amsterdam opent. .Het leuke was dat de film voor 90% in het arabisch gesproken was en voor 10% (met name door de politie) in het Nederlands. Als er arabisch werd gesproken, lag de zaal in een deuk en wij begrepen wij de humor niet, maar toen er Nederlands werd gesproken, was dat andersom. Erg geinig. Na afloop van de film, werden we keurig door de jongens bij het hotel afgezet en spraken we af voor de volgende avond.

Dinsdag 2 november 1999

Gisteravond een fijne avond gehad, alleen was het ’s avonds flink afgekoeld. Vandaar dat we vanochtend onze fleecetruien aantrokken voordat we naar buiten gingen. De hemel was onbewolkt en de zon scheen heerlijk. Desondanks was de temperatuur waarschijnlijk niet veel hoger dan zo 15 graden. Recht tegenover het hotel is een bakkertje en daar haalden we witte bolletjes en in het winkeltje naast het hotel haalden we La Vache Qui’rit.

We liepen naar het Romeinse theater en kwamen onderweg langs een heel klein parkje met daarin enkele plastic tafels en stoelen. We bestelden thee en aten ons ontbijt. Daarna bezochten we het theater. Bij de entree werden we aangesproken door een ‘gids’, maar die was ook weer snel vertrokken. Het theater was wederom imposant, doch minder indrukwekkend dan bijvoorbeeld Bosra of Palmyra (in Syrië), doordat de achterkant ontbrak. Wel was het uitzicht over (slechts een klein deel van) de stad erg leuk.

Na het bezoek aan het theater en het museum begonnen we aan een klim door de steile straten van Amman naar wat eens de citadel moet zijn geweest. Eenmaal boven bleek dat er inderdaad zeer weinig meer van over was, maar het uitzicht was erg mooi en de korte klim zeker waard.

Om een uur of twee belden we vanuit het hotel naar Mohammed met de vraag of we een auto bij hem konden huren. Zijn vader had namelijk een autoverhuurbedrijf. Hij stelde voor om binnen een half uur langs te komen met een soortgelijke auto die wij zouden kunnen huren, namelijk een Hyundai Excel. Nadat we de auto hadden gezien, reden we met hem naar het kantoor van zijn vader waar we lange tijd met Mohammed praatten en met zijn vriend Ibrahim. Uiteindelijk kwamen we tot een verhuurovereenkomst. Dit had nog wel wat voeten in de aarde, omdat Mohammed onze paspoorten wilde hebben als borg. Maar we hielden voet bij stuk dat we die niet wilden afgeven. Stel je voor dat hij ze zou vergeten als hij de auto komt ophalen in Aqaba (dat hadden we afgesproken), dan hebben wij een probleem! Na wat heen en weer bellen met zijn vader en de bank, accepteerde hij een creditcard slip als borg. Beide partijen tevreden. De autohuur bedroeg JD 185 voor acht dagen inclusief de ophaalservice in Aqaba. Ik kon nog JD 5 afdingen, want in eerste instantie vroegen ze JD 190.

Aan het einde van de middag brachten Mohammed en Ibrahim ons met de auto terug naar het hotel en ik vroeg hun waar we een goede mansaf konden eten. Dat wisten ze wel en ze boden aan om ergens te gaan eten. Tijdens het eten werd veel informatie uitgewisseld. Eigenlijk was er meer sprake van een monoloog van Mohammed over de ontstaansgeschiedenis van Israël en de rol van de Palestijnen daarin. Het werd ons duidelijk dat er onderhuids behoorlijk wat onvrede is over de Palestijnse situatie en Israël, hoewel je er in het dagelijkse leven toch zeer weinig van merkt.     

Na het eten, om ongeveer 19.15 uur vertrokken Mohammed en Ibrahim. Om 20.00 uur hadden we afgesproken met Mohammed en Ghassan en ze waren er stipt op tijd. We toerden wat door Amman, onder andere door de luxe wijk en we gingen winkelen in een grote supermarkt. Ze waren nogal trots op hun grote supermarkt en wij zeiden maar niet dat wij die ook hadden. Na het winkelen dronken we nog iets in een cafeetje en rookten we een waterpijp. De ‘story’ over de fundamenten van de islam ‘continued’ en Mohammed was constant aan het woord. Ghassan was een wat liberalere moslim (geen Palestijn) en die kon het allemaal niet zo erg boeien. Hij had liever een biertje.

Het verhaal van Mohammed was in ieder geval erg interessant. Zo hoorden we ook eens het ‘andere’ verhaal.

Woensdag 3 november 1999

Om 8 uur bracht Mohammed onze auto bij het hotel en nadat we op de kofferdeksel van de auto het contract hadden getekend, brachten we Mohammed terug naar zijn huis. Hij zou ons vervolgens met zijn eigen auto Amman uit helpen in de juiste richting van Jerash. Maar voordat hij de auto pakte, kwam hij met een thermoskan thee naar buiten en moesten we een kopje thee met hem drinken.

We volgden Mohammed en op een gegeven moment gaf hij aan dat we het verder zelf moesten uitzoeken. Toen waren we al aan de rand van Amman en de bewegwijzering naar Jerash was goed. Eenmaal uit Amman was er een oase van rust op de weg. De weg leidde door een zeer bergachtig gebied en dat merkte ik vooral door de druk op mijn oren, hoewel ik daar verder nooit last van heb.

In Jerash was de grootste tegenvaller de entreeprijs: JD 5!! en mijn ‘studentenkaart’ werd niet geaccepteerd. De ruines waren interessant, ondanks dat de nieuwig-heid er wel voor ons wel een beetje af was. In het zuidtheater, dat 10 keer mooier is dan het noordtheater, speelden twee olieboeren doedelzak. Grappig gezicht.

Na Jerash reden we naar Um Quais op de grens met Israël en de Golan hoogvlakte. Onbegrijpelijk dat Israël zo vasthoudt aan de Golan hoogvlakte, want het bestaat uit niets meer dan kale bergen. Puur strategie. Het uitzicht was helemaal niet spectaculair, omdat het nogal heiig was. Boven op de berg waren de ruines van Um Quais, maar weer tegen betaling en daarom hielden we het voor gezien. We reden door de Jordaanvallei terug en namen onderweg nog een foto van de Jordaan. Zielig stroompje! De vallei was groen, maar niet bijster indrukwekkend. Onderweg passeerden we een hardloper en toen we (een behoorlijke tijd) later even langs de weg bij een restaurantje een cola-tje dronken, passeerde hij ons weer.

De tocht door de bergen terug (vanuit de vallei naar Amman) was erg leuk, maar ook nu werd het uitzicht belemmerd doordat het heiig was. We arriveerden in Amman in het donker en…. we raakten de weg even kwijt. We kwamen na wat ronddolen uit op dezelfde rotonde waar we begonnen te verdwalen en op de rotonde (vanaf de andere kant benaderd nu) stond een bordje ‘center’. We hoefden die weg nog maar te volgen om recht voor het hotel uit te komen.

‘s Avonds lekker een kippetje van het spit gegeten en onder het GENOT van een biertje op de kamer het dagboek bijgewerkt.

Donderdag 4 november 1999

Vanochtend pakten we de rugzakken in en liepen vervolgens naar een restaurantje om te ontbijten. We ontbeten op een balkonnetje, dat net groot genoeg was voor één tafeltje en twee stoelen. We hadden een mooi zicht op de straat.

Na het eten vertrokken we naar Madaba. Het duurde ongeveer twintig minuten voordat we Amman uit waren. Gelukkig reden we in één keer goed. Bij een verkeerslicht gebaarde een man de weg richting Madaba. Bij een volgend verkeerslicht had hij nog groen licht, maar wij niet. Het mannetje bleef wachten na het kruispunt en trok op toen wij ook optrokken. Plots sloeg hij af en gebaarde hij ons dat wij rechtdoor moesten blijven rijden.

De mozaïeken in de kerk in Madaba waren de JD 1 entree per persoon niet waard. Het was een toeristische bedoeling en zonder uitleg zijn het gewoon steentjes. We reden verder naar Mount Nebo en ja hoor…. weer entree betalen. Dit keer JD 0.5 per persoon. Voor ‘service’ stond er op het entreebewijs. Het uitzicht over de kale bergen in de omgeving was mooi. De Dode Zee was nauwelijks te zien. Het was weer te heiig en ik vermoed dat het door het stof komt (woestijnzand wellicht). In de kerk op de Mount Nebo waren ook mozaïeken en deze waren wél interessant. Er waren namelijk herkenbare figuren te zien en de mozaïeken waren enorm in omvang.

We reden naar Mahammat Ma’in door een mooie (kale) bergachtige omgeving. De laatste kilometers tot Mahammat Ma’in liep de weg steil naar beneden. De entree bedroeg JD 2. Mahammat Ma’in zijn natuurlijke warmwaterbronnen en volgens Mohammed was het er fantastisch. Je zou er lekker kunnen baden in de hete poelen en staan onder warm watervallen, maar er waren zoveel mannen (en zo weinig vrouwen) dat Marjolijn geen zin had om er te gaan baden. Dus weer terug naar boven en via Madaba en Naur naar de Dode Zee. In de trottergids stond dat je via de loge van een hotel gratis naar de Dode Zee kon gaan (met gratis gebruik van de douches) als je je maar een beetje onschuldig opstelde. Dat is verleden tijd, want de entree bedraagt nu een slordige JD 10 per persoon. We reden verder naar het Government Rest House, waar de entree JD 2.5 bedroeg (voor ons tweeën). Ik vroeg nog expliciet of dit inclusief het gebruik van de douches was en daar werd bevestigend op geantwoord.

We dreven een kwartiertje in (op) de Dode Zee. Een bijzondere ervaring en ook pijnlijk als je ergens een schrammetje of een wondje hebt. Het zout bijt helemaal uit. De temperatuur van het water was aangenaam en om 15.00 uur was de buitentemperatuur, met 30 graden Celsius, heerlijk.

Het was natuurlijk zo warm omdat we ons op het laagste punt ter wereld bevonden (ongeveer 400 meter onder zeeniveau). Toen we uit zee kwamen, droogden we snel op en werden we verschrikkelijke sneeuwmannen. We sloegen wit uit van het zout. Dus snel douchen…. boven een Frans toilet. Er zat een man bij de ingang die graag een halve dinar voor het douchen had gezien, maar die kreeg alleen een bedankje. Ik weiger te betalen voor een douche boven een toilet!

Terug bij de auto bleek een jongen de ramen keurig te hebben gewassen. Echter, mijn humeur was niet al te best (ik begin me in Jordanië al behoorlijk financieel uitgekleed te voelen) en ik reed weg zonder hem nader te bedanken. Per slot van rekening had ik er geen opdracht toe gegeven. Het jongetje bleef boos achter.

We reden langs de Dode Zee naar Kerak. Onderweg stopten we nog bij de enige brug op deze route, welke door borden al van ver werd aangekondigd. Er was een diepe kloof met een riviertje. Erg leuk.

Een aantal kilometers verder sloegen we linksaf de bergen in. Het leek hier wel op een maanlandschap. Rare kale bergen. Plots zagen we een bord langs de kant van de weg staan, dat duidelijk maakte dat we ons op ‘zeeniveau’ bevonden en dat terwijl we toch al een behoorlijke tijd aan het klimmen waren. Eenmaal in Kerak checkten we in bij het Tower Hotel voor 10 dinar per nacht. De receptionist begon met JD 14, maar nam na wat onderhandelen genoegen met JD 10. We aten in een restaurantje om de hoek van het hotel. Verre van bijzonder.

Daarna liepen we nog wat door het stadje. Ik vond het maar een vies en onaantrekkelijk stadje. Na een korte wandeling kochten we frisdrank in een supermarktje en gingen we terug naar het hotel. In de ‘lobby’ dronken we onze fris en spraken we nog met twee Nederlandse vrouwen die samen op reis waren. De receptionist bood ons ook nog thee (zonder suiker!!!) aan.

Vrijdag 5 november 1999

Nadat we het ontbijt hadden gegeten in het hotel, pakten we onze spullen en reden we terug naar de Dode Zee, omdat Marjolijn nog wat foto wilde nemen van de bedoeïententen daar en om nog even te genieten van de omgeving. Vervolgens reden we dezelfde weg terug en vervolgden we in Kerak de King’s Highway. Vooral de brede vallei die we op een gegeven moment passeerden, vond ik erg mooi. Onderweg stopten we in een dorpje om een foto te maken en we besloten om maar meteen ergens iets te drinken. Zo kwamen we uit bij een bakkertje aan de rand van het dorp. Ik liep direct op de koelkast af en pakte twee flesje cola en de eigenaar opende de flesjes. We namen plaats aan een tafeltje en een grote schaal baklava trok mijn aandacht. Het mannetje (de eigenaar) vroeg door middel van gebaren (zijn engels reikte ook niet verder dan ‘yes’ en ‘No’) of ik wat wilde hebben, maar dat wees ik af. Schijnbaar was hij niet tevreden met mijn antwoord, want hij pakte een papieren bordje en begon driftig te scheppen in de bak met baklava en zette een vol bord bij ons op tafel. Toch maar proberen en dit keer was het lekker. Het leek een beetje op rijstevlaai. Ik liet het mannetje weten dat ik het lekker vond. Hij vond het boek dat ik las (de Lonely Planet) wel interessant en ik gaf hem het boek. Kon ‘ie plaatjes kijken.

Toen ik wilde afrekenen, bleek dat hij niet terug had van JD 10 en er zat niets anders op dan het biljet ergens te gaan wisselen. Eenmaal terug met kleinere muntjes, hoefde ik slechts één dinar te betalen. Toen we weg wilden lopen, schepte hij nogmaals het bordje vol met baklava en pakte het keurig voor ons in. Erg sympathiek. Aan de andere kant ook best wel lullig, want hij geeft wellicht z’n dagloon weg.

De volgende bestemming was Shobak, dat bekend staat om z’n burcht. Maar ook Shobak was ‘weer een berg

stenen’. Een bedoeïenman begon ons direct rond te leiden toen we de auto uit kwamen, maar Marjolijn was daar niet van gecharmeerd en poeierde hem af. De Lonely Planet daarentegen, schilderde het mannetje af als behulpzaam en altijd blij met een tip achteraf. Zal hij dan niet zo zijn als vele anderen?

Na Shobak reden we door naar Petra, waar we in de loop van de middag arriveerden. We checkten in bij hotel CleoPetra. Dit hotel was ons aanbevolen door de receptionist van het Tower Hotel in Kerak. Hij had ons een kaartje gegeven van het CleoPetra hotel en zijn eigen naam erop geschreven. De kamer in het CleoPetra hotel kostte JD 18, maar nadat we het kaartje lieten zien, was hij bereid om de kamer voor JD 16 te verhuren. Wij zeiden dat de receptionist van het Tower hotel had gezegd dat het hotel even duur zou zijn als dat van hem en uiteindelijk kwamen we uit op een prijs van JD 11 per nacht inclusief ontbijt. Een goede deal dacht ik zelf. Vervolgens liepen we naar de kleine kamer, met een schone badkamer.

Om 16.45 uur zagen we de zon ondergaan boven de bergen. Ali, de eigenaar van het hotel, had ons gezegd hoe we naar het uitzichtpunt moesten rijden. Helaas was het wat bewolkt, waardoor de zon eerder achter de wolken verdween dan achter de bergen. Maar toch een mooi gezicht.

Zaterdag 6 en zondag 7 november 1999

We ontbeten in het hotel en daarna reden we met de auto naar de ingang van de oude stad. We kochten voor JD 25 per persoon een tweedaagse ticket voor Petra. De eerste dag werd het ticket gestanst met een perforator en de tweede dag werd de controlestrook verwijderd. De tocht door de ‘siq’ (= kloof) was al direct indrukwekkend. De rotswanden reikten enorme hoogten. Vooral de zonnestralen op de muren waren fantastisch. De tocht door de siq verliep langzaam, omdat we regelmatig moesten wachten totdat de groepen waren verdwenen voordat we een foto konden nemen, maar dat gaf niets. Het was prachtig.

Na ruim een kilometer licht afdalend door de siq te hebben gelopen verscheen de Treasury. Fantastisch! De zon scheen op de Treasury en hij stond daar in volle glorie. Het duurde even voordat alle groepen weg waren en we enkele foto’s konden nemen. Daarna liepen we in de Treasury. Behalve een grote kamer met prachtig gekleurde wanden is er niets van interesse.

We liepen naar het theater, wat absoluut geen indruk meer maakte. Het was bijzonder apart om te zien dat het was uitgehakt in de rotsen en dat er nog geen restauratiewerkzaamheden hadden plaatsgevonden (restaureren kunnen ze in Syrië en Jordanië niet. Dan gebruiken ze nieuwe materialen die scherp afsteken tegen het originele). Doordat het was uitgehakt in de rotsen, had het theater ook het mooie kleurenpatroon dat deze omgeving zo typeert.

Verderop waren de graftomben, waarvan zich één nog in een goede staat bevindt en een ander is indrukwekkend van omvang. Nadat we dit hadden gezien liepen we om de berg heen en begonnen we met het bestijgen van trappen. Het was muisstil, want er was geen toerist te vinden. Na een half uur klimmen begon ik me af te vragen wat we hier deden. De trappen stonden namelijk niet aangegeven in de reisgidsen. Nog een kwartier later waren we eindelijk boven. Daar stond een bedoeïenman die ons vertelde nog iets verder te lopen en uiteindelijk stonden we boven de Treasury. Een waanzinnig uitzicht. Inmiddels was de zon verdwenen en de Treasury was nu gelig van kleur.

Toen we terugliepen naar de trappen, bood de Bedoeinenman ons thee aan en we gingen op z’n aanbod in. We kregen een positieve indruk van de man, maar die verdween direct toen hij ons geld vroeg voor de thee.

We moesten dezelfde trappen weer naar beneden (heel wat minder vermoeiend) en we liepen naar het ‘centrum’, waar nog maar weinig van resteert. Maar in het ‘centrum’ waren de trappen die leiden naar de Monastry. Weer 45 minuten klimmen, maar we werden beloond met een prachtig bouwwerk, dat in de volle zon stond. De Monastry is wat vormgeving betreft te vergelijken met de Treasury, maar het is groter en in geel steen uitgehakt. We klommen nog een stukje verder en hadden een werkelijk waar fantastisch uitzicht over de omgeving.

Daarna daalden we weer af en liepen we terug naar de siq en verder naar de uitgang. Het was inmiddels al weer 16.30 uur. De tocht door de siq was moordend en er leek geen einde aan te komen. De voeten waren behoorlijk vermoeid en waar we op de heenweg heuvel-af gingen, moesten we nu heuvel-opwaarts. Desondanks vielen ons weer nieuwe elementen op en was de tocht ook nu weer facinerend.

Gelukkig stond bij de uitgang de auto op ons te wachten. Die laatste kilometers naar het hotel terug zouden net te veel zijn geweest.

Zondag maakten we een klim naar de heilige plaats. In totaal duurde de tocht zo 2,5 uur, waarvan de eerste dertig minuten (omhoog) het zwaarste waren. Vanaf de heilige plaats hadden we wederom een fantastisch uitzicht over de omgeving. De heilig plaats zelf was veel minder indrukwekkend. Het pad omlaag leidde langs de leeuwenfontein, een leeuw uitgehakt in de bergen en vanuit de kop (rest niet veel meer van) zou dan water stromen (in de natte tijd). Daarna liepen we langs de soldatentempel en andere uitgehakte kamers. Van sommige kamers was duidelijk dat daar mensen in hadden gewoond, want de plafonds waren zwart van het roet van vuurtjes.

Het pad eindigde in het ‘centrum’ en daar bezochten we de twee musea. Het ene museum was maar liefst één kamer groot maar het tweede museum was fors groter: drie kamers. Naast een hoop scherven en wat olielampjes was er weinig te beleven. We vervolgden onze weg langs de ‘oude kerk’ waar een mozaïekvloer was. Was wel mooi.

We aten onze broodjes rond een uur of één in de geplaveide hoofdstraat in het centrum. Regelmatig passeerden bedoeïen op kamelen (zonder toeristen). Na het eten liepen we rustig terug naar de uitgang en om half drie waren we bij de uitgang. We kochten bij de winkeltjes even voorbij de ingang van Petra een aantal flesjes met zand. Dit is wat je veel ziet in Jordanie. Flesjes met gekleurd zand erin, waarmee tekeningen zijn gemaakt, zoals bijvoordeeld een flesje net bruin en zwart zand waar dan met zwart zand een kameel is getekend. Leuk souvenir!

We reden met de auto naar Klein Petra, maar waren daar al weer snel weg, omdat de bedoeïen daar nogal vervelend waren (opdringerig). We werden continue gevolgd door een jong meisje dat om geld vroeg en anderen kwamen op ons af met rotzooi dat ze aan ons wilden verkopen. Natuurlijk wel voor de ‘cheap price, Mister’ en ‘happy hour prices’; iets wat je in Petra overigens ook de hele dag hoort. Ik vraag me overigens af of ze wel iets verkopen. Iedereen biedt namelijk hetzelfde af tegen dezelfde woekerprijzen.

‘s Avonds aten we met een nauwelijks verstaanbaar stel uit Nieuw Zeeland. Met name hij had een groot accent en was soms nauwelijks te verstaan. Na het eten terug naar het hotel, want Ali zou de video van Indiana Jones opzetten. In de laatste 10 minuten waren er de beelden die waren opgenomen in Petra!

Maandag 8 november 1999

Het uitslapen dat we in gedachten hadden, verliep niet zoals gepland. Al vroeg in de ochtend werden de mensen in de kamer tegenover ons gewekt en om half negen stonden wij op. We ontbeten in het hotel en Ali maakte voor ons een roerbak-ei ‘op de bedoeïenmanier’ klaar (what’s the difference?). Daarna pakten we de rugzakken in, rekenden af en vertokken we in de richting van Ma’an om inkopen te doen. We moesten onder andere batterijen zien te vinden voor onze fototoestellen, want van beide toestellen waren de batterijen op. In Petra hadden we batterijen gezien voor JD 6 per stuk, maar we dachten dat dit toeristenprijzen zouden zijn en dat we ze elders we goedkoper zouden vinden.

In Ma’an gingen we eerst naar een supermarktje om wat blikjes frisdrank en toiletpapier te kopen. De eigenaar wilde voor vijf blikjes fris en anderhalve liter water JD 5 hebben en we maakten direct rechtsomkeert. In een fotowinkel vroegen ze JD 10 per batterij en ik begon me behoorlijk op te winden. Ik verklaarde de jongen in de winkel voor gek en we vertrokken.

In de volgende fotowinkel zat een oud mannetje die weinig engels sprak. Er kwam een andere man aanlopen die zich er mee begon te bemoeien. Hij sprak wel Engels en fungeerde als tolk. Uiteindelijk stuurde de oude man een bediende er met de fiets op uit om een batterij te halen, want hij had ze zelf niet.

Ondertussen wachtten wij op straat voor de winkel en de onbekende tolk vroeg of we misschien wat thee wilden. ‘Nee, dank je’ was ons antwoord. Koffie dan? ‘Nee, dank je’. Cola-tje dan? Ach dat is wel bekend, dus doe maar. Onze tolk liep naar een winkeltje op de hoek en kwam met twee flesjes cola terug, maar weigerde de dinar die we hem wilden geven.

Toen het jongetje op de fiets terug kwam met de juiste batterij, bleek dat die JD 8 kostte. Toen kon ‘ie hem weer terugbrengen. De tolk vroeg ons ondertussen even mee te gaan naar zijn winkel aan de overkant van de straat, maar we vroegen ons af wat we moesten zoeken in een twee-de-hands-koelkasten- en vrieskistenwinkel. Na wat aandringen volgden we hem toch maar. In de winkel vroeg hij ons naar de batterij en toen we hem die gaven, haalde hij geld uit z’n portemonnee en stuurde hij zijn bediende erop uit om een batterij te halen. Zijn bediende kwam terug met een identieke batterij voor …. JD 4,5 per stuk. Dat was een heel wat betere prijs (in Nederland kosten ze ook ƒ 15,- per stuk) en we zeiden hem dat we er nog drie moesten hebben. De arme bediende mocht weer op pad en kwam terug met nog één identieke batterij en twee andere batterijen (wel Made in Japan) terug. Kosten: 2 x JD 4,5 en 2 x JD 3 = JD 15. Hoe bedoel je toeristenprijzen en lokale bevolkingprijzen.

We bedankten onze tolk hartelijk en namen nog een foto van hem. Daarna kochten we in een ander winkeltje vijf blikjes frisdrank, ander halve liter water, tissues en 2 marsen voor JD 2,25. De juiste prijs!

We reden naar Wadi Rum, maar kwamen onderweg geen benzinepomp meer tegen. Bij de afslag naar Wadi Rum besloot ik maar eens te gaan vragen waar een benzinepomp was. Ik reed naar een huisje langs de kant en ja hoor…. de man in het huisje had wel benzine. JD 5 voor 20 liter. Zo kwam hij aanlopen met een enorme jerrycan en een vergiet. En ik had weer een volle tank!

Onderweg naar Wadi Rum moesten we halt houden bij een check point. De agent stelde een vraag in de bekende weg, namelijk waar we heen gingen en wenste ons toen een prettige dag. Voordat we Wadi Rum binnen mochten, moesten we JD 1 per persoon entree betalen. We boekten een tent bij de receptie en belden met Mohammed om af te spreken waar we de volgende dag de auto in zouden leveren. We spraken de volgende dag af om 18.00 uur bij het Red Sea Hotel in Aqaba.

Daarna liepen we een stukje de woestijn in, na eerst langs een hoop opdringerige bedoeïen met pick up truck te zijn gelopen. We zaten een tijdje in het rode zand maar toen de zon eenmaal achter de bergen was, werd het al snel kouder en liepen we terug.

‘s Avonds liepen we langs een terrasje waar we een ouder Nederlands stel zagen zitten dat we hadden ontmoet in het hotel in Petra en we aten met elkaar het avondeten.

Dinsdag 9 november 1999

We waren vanochtend al vroeg wakker. Sommige mensen in de tenten om ons heen waren waarschijnlijk al veel eerder wakker, want ik scheen heerlijk te hebben gesnurkt. We stelden ons eigen ontbijt samen door het één en ander te kopen in een winkeltje (niet op de houdbaarheidsdatum letten!) en daarna zochten we enkele medereizigers op om een pick up truck te delen. Dat was niet al te moeilijk en om 8.45 uur waren we met z’n vijven en hadden we een deal met een chauffeur. Hij zou ons vier uur lang rondrijden door Wadi Rum voor JD 25 (totaal). Onderweg besloten we de tocht uit te breiden en dat zou ons JD 1 per persoon extra kosten. Zelf hard onderhandelen hielp weinig. We kregen er wel iets van af, maar inclusief fooi achteraf werd het toch JD 1 per persoon extra.

De tocht door het vreemde landschap was bijzonder indrukwekkend. Wat een desolaat gebied met de rood/gele bergen (twee verschillende tijdsperioden!). Het was warm, maar er stond ook een flinke wind. Extra oppassen dus voor verbranden.

We reden langs de oninteressante ‘Lawrence spring’, de nog oninteressantere ‘Lawrence house’, langs de natuurlijke bruggen en de zandduinen. Zolang het niet met Lawrence te maken heeft is het fantastisch. Zodra Lawrence in beeld komt is het oninteressant.     

Om 13.00 uur waren we terug in Wadi Rum en we dronken met z’n allen nog wat fris op een terrasje alvorens afscheid van elkaar te nemen. Er was ook een Deens meisje met ons mee en zij zou ook met ons meerijden naar Aqaba. Ze was namelijk niet zo lekker en daarom boden we aan om haar mee te nemen.

Na de lunch vertrokken we naar Aqaba en in Aqaba zette we haar af bij het door haar gewenste hotel en we reden zelf verder naar hotel Petra waar we incheckten. Daarna gingen we op zoek naar het kantoor van Royal Jordanian om de terugvlucht te herbevestigen, maar het kantoor bevond zich niet meer op de plek zoals dat in de lonely planet stond. Na een paar keer de weg vragen, was het kantoor toch snel gevonden. Het herbevestigen ging vlot.  In het hotel namen we een douche. Het hokje op de gang was ongeveer 1 bij 1 meter en het water liep niet weg.

Om 18.00 uur ontmoetten we Mohammed en Ibrahim op de afgesproken plek. We reden vervolgens naar een hamburgertent, want wij waren hongerig. Mohammed stelde voor om voor ons het eten te halen, omdat we anders duurder uit zouden zijn. Nadat ze de hamburgers hadden gehaald, reden we naar de plek waar het folklorefestival werd gehouden. Juist op het moment dat wij in Aqaba waren, was er een folklorefestival en de zwager van Ibrahim zat in de organisatie van het festival. Op een pleintje bij de haven ontmoetten we nog een aantal familieleden van Ibrahim en dronken we koffie met hen en aten wij onze hamburger. Na een tijdje kwam Ibrahim z’n zwager tegen, die ons meenam naar een theater waar ook optredens waren. Waar de Jordaniers in de rij stonden om naar binnen te kunnen, zo konden wij via de “VIP’ ingang het theater binnen (gratis). Bij de ingang kwamen we ook nog een Nederlands stel tegen dat we hadden leren kennen in het hotel in Petra en die mochten ook mee naar binnen. In het theater was een strikte scheiding tussen het mannengedeelte en het familiegedeelte en de mannen stonden zo enthousiast te zijn, dat het een beetje leek op de F-side.

We dronken een colatje op het strand met z’n allen en wisselden informatie uit. Pas om 0.00 uur waren we terug in het hotel.

Woensdag 10 november 1999

Vanochtend was het weer onrustig op de gang. Weer niet uitslapen dus. We kochten bij een bakkertje verse witte bolletjes met sesamzaad en bij een supermarktje kochten we chocolademelk, chocopasta en honing en daarna liepen we naar de zee. Op de boulevard waren bankjes en op één van die bankjes ontbeten we. Daarna liepen we terug naar het hotel om de handdoeken te pakken en zwemkleding aan te doen. Met de auto reden we naar het Royal Diving Center, maar daar bedroeg de entree tot het strand JD 2 per persoon en om die reden keerden we de auto en reden een stukje terug.

Op een groot, breed strand parkeerden we de auto en ploften we neer. We hadden het strand praktisch voor ons zelf. Vier andere toeristen zaten 100 meter verderop. Het eerste uur lagen we dus lekker rustig, maar toen parkeerde een vrachtwagenchauffeur z’n vrachtwagen langs de kant van de weg (ongeveer 100 meter lopen van de zee) en kwam, bepakt met zwemvliezen in de ene hand en een theepotje in de andere hand, recht op ons af lopen. De chauffeur nam plaats naast ons en bood ons thee aan, dat we dit keer eens niet weigerden. De chauffeur trachtte een goede conversatie met ons aan te knopen, maar z’n kennis van de engelse taal reikte niet ver. Hij besloot wat te gaan zwemmen en keerde even later terug met schelpjes die hij aan ons kwam geven. Daarna vertrok hij weer.

Het was weer even lekker rustig, maar niet voor lang. Voordat we het wisten, stond er een politieauto op twee meter afstand van onze handdoeken. Eén agent stapte uit en begon met ons te praten, terwijl de andere agent in de auto bleef zitten en mij uitnodigde om achter het stuur plaats te nemen. Hij liet wat van z’n favoriete muziek horen. Verder viel er geen goed gesprek met het te beginnen. Mijn kennis van de arabische taal reikt niet ver.

Toen ook de agenten na 30 minuten verder gingen, kwamen enkele uitzinnige vrouwen, al zingend en handen klappend, naar ons toe. Ze waren bijzonder nieuwsgierig en begonnen in onze tassen te snuffelen en ook moesten we op de foto.

Een autorijschool reed op het strand en die kwam ook langzaam dichterbij en stopte bij ons. De leerling en chauffeur stapten uit en kwamen ons bewonderen. Het was net een dierentuin, waarbij wij de dieren waren.

Toen ze allemaal weg waren, hadden we het wel gezien en we pakten de spullen in en reden terug naar het hotel om te douchen.

Om 18.00 uur hadden we met Jan Jaap en Annemarie afgesproken om te gaan eten. In een restaurant bestelden we een mixed grill voor z’n vieren. De ober raadde het ons aan en we spraken vooraf de prijs vast: JD 4 per persoon. We hebben nog nooit zo’n uitgebreid diner gehad tijdens de vakantie. Vlees, groente, water en na afloop liters thee.

Om 20.00 uur hadden we met Mohammed en Ibrahim afgesproken en gingen we weer naar het festival, waar we om 22.30 uur afscheid van elkaar namen. We regelden de formaliteiten voor de auto. Zo kreeg Mohammed de autopapieren terug en ik mijn creditcard sales slip. Daarna gingen we naar het hotel.

Toen we net in bed lagen, werd er op de deur geklopt. Het was Mohammed die ons de beloofde cassette kwam brengen. Toch sympathiek!

Donderdag 11 november 1999

Vandaag was het een rustig dagje. We stonden vanochtend om 9.30 uur op en haalden broodjes bij het bakkertje. Vervolgens liepen we naar een strandtentje, waar we een kopje thee bestelden en ons ontbijt aten. Alhoewel er voor onze neuzen vele ‘glass boats’ lagen, hadden we helemaal geen last van opdringerige eigenaren van die bootjes. We hadden we last van de luidruchtige speedboat races op het water en van de helikopter die maar de hele tijd boven de Rode Zee bleef vliegen. Pas de volgende dag zouden we horen dat die helikopter onderdeel uitmaakt van alle veiligheidsmaatregelen die er waren genomen, omdat Koning Abdallah zich in z’n buitenhuis in Aqaba bevond en op zee (in één van die speedboten??).

Om 12.00 uur liepen we naar het hotel om zwemspullen te halen en namen we de bus naar het Royal Diving Center. Van Jan Jaap en Annemarie hadden we gehoord dat je er mooi kon snorkelen. Bij het Diving Center huurde ik een bril en een snorkel en daarna ging ik lekker snorkelen. Het koraalrif was inderdaad erg mooi.

Om 16.30 uur namen we de bus terug. Het was niet meer zo aangenaam op het strand, omdat de temperatuur wat was gedaald en er veel wind stond. In het hotel douchten we en daarna gingen we chinezen. Het Chinese restaurant was erg goed en het eten was niet zo saai als in Nederland. Het was echt chinees.

Na het eten gingen we op jacht naar een geldautomaat er alhoewel het er van sterft in Aqaba, accepteert er geen een de giromaatpas. We moesten daarom travellers cheques gaan wisselen, waar ik erg huiverig voor was, omdat in de lonely plamet stond dat er JD 5 commissie wordt berekend. Maar dat gold niet voor het wisselkantoor waar wij terechtkwamen. We wisselden enkele travellers cheques tegen de koers van UD$ 0.69 voor JD 1. Volgens mij geen slechte koers.

We kochten enkele blikjes bier bij een slijterij en we dronken ze op het balkon op.

Vrijdag 12 november 1999

Om 7.45 uur werden we opgehaald bij het hotel door Jan Jaap en Annemarie om vervolgens naar de haven te gaan. Eergisteren hadden we in een standje op het folklorefestival Ali ontmoet, een Jordaniër die 15 jaar in Nederland had gewoond en gestudeerd. Hij had ons uitgenodigd voor een boottochtje op de Rode Zee. Vandaar dat we naar de haven gingen.

Ali voer met z’n Nederlandse boot, die hij zelf vanuit Sneek naar Jordanië had gevaren, een stuk over de Rode Zee in de richting van Aqaba. Zo zagen we ook het paleis van Koning Abdoelah vanaf de zee.

De rest van de dag bleven we wat dobberen op zee, zwommen we wat en praatten we vooral veel met Ali over zijn leven en over het leven in Jordanië (economie, politiek etc.). Ali was niet getrouwd en had geen kinderen, maar onderhield wel meerdere kinderen van bevrienden. Vandaag had hij z’n lievelings’zoontje’ aan boord. Het jochie was vijf jaar en continue vastgeketend aan de boot. Hij was zelf zo pienter om zichzelf vast te ketenen als dat moest en los te ketenen als hij benedendeks wilde. Het jochie was erg blij met het bezoek van die rare witte mensen die niet zijn taal spraken, maar vergde ook veel aandacht van Ali      

De rest van de dag bleven we wat dobberen op zee, zwommen we wat en praatten we vooral veel met Ali over zijn leven en over het leven in Jordanië (economie, politiek etc.). Ali was niet getrouwd en had geen kinderen, maar onderhield wel meerdere kinderen van bevrienden. Vandaag had hij z’n lievelings’zoontje’ aan boord. Het jochie was vijf jaar en continue vastgeketend aan de boot. Hij was zelf zo pienter om zichzelf vast te ketenen als dat moest en los te ketenen als hij benedendeks wilde. Het jochie was erg blij met het bezoek van die rare witte mensen die niet zijn taal spraken, maar vergde ook veel aandacht van Ali.

Toen de vissers terugkeerden van zee, liet Ali zijn bediende Johanned, die ook nog aan boord was, een vis kopen in de haven. Hij kwam terug met een joekel van een tonijn, die aan boord schoongemaakt werd en gebakken. Zo aten we tegen het einde van de middag broodje verse tonijn. Heeeeerrrrlijk!!

Tegen een uur of vijf werden we terug naar de kant gebracht en we spraken af dat we elkaar een uur later weer zouden treffen in de haven. Jan Jaap en Annemarie brachten ons naar het hotel, waar ik pijlsnel douchte en daarna haalden we bij de slijter vele blikjes bier, want Ali (geen moslim) had wel zin in een biertje.

Op het afgesproken tijdstip, echter, was Ali niet in de haven en we vroegen in het havengebouwtje (militaire post) of ze wisten waal Ali was. Hierop werd geantwoord: ‘Captain Ali?’ en wij dachten.. boot… Ali… dus Captain Ali en wij bevestigden hun vraag. Na een tijdje kwam Captian Ali bij ons, maar het was de verkeerde Ali. Het bleek dat Ali er niet was en enigszins gedesillusioneerd liepen we wat over het folklorefestival en dronken we onze biertjes. En plots stond ‘onze’ Ali naast ons.

Tegen een uur of tien namen we afscheid van Ali en brachten Jan Jaap en Annemarie ons met de auto terug naar het hotel. Op de kamer pakten we de rugzakken voor de laatste keer (goed) in alvorens we naar bed gingen.

Zaterdag 13 november 1999

Vanochtend stonden we vroeg op, we rekenden de hotelkamer af en namen een taxi naar het vliegveld van Aqaba, waar we om ongeveer 6.45 uur waren. We moeten meteen door een metaaldetector en de bagage werd gescand. Daarna liepen we naar de balie waar we de luchthavenbelasting betaalden. Dat was een ander loket dan het loket waar we de instapkaarten kregen. Het duurde een eeuwigheid voordat we de instapkaarten hadden, want een Duitse toerist voor ons moest een boete betalen, omdat hij drie dagen te lang in Jordanië was geweest zonder langs de politie te zijn geweest en dat nam nu nogal wat tijd in beslag.

Toen we eenmaal de instapkaarten hadden, mochten we nog 25 meter verder lopen om vervolgens in de rij te staan. Inmiddels mochten we het vliegtuig in en er had zich een rij voor de uitgang gevormd. Het ging allemaal bijzonder onprettig op deze luchthaven, omdat er niets is aangegeven. Niet in het Arabisch en al helemaal niets in het Engels. Zo komt het dat je je rot zoekt naar de juiste balie.

Ik had al een aantal keren een twee propellervliegtuigje van Royal Wings zien landen op de luchthaven van Aqaba en bereidde me op het ergste voor, maar toen we naar het vliegtuig liepen bleek het toch gewoon een Airbus van Royal Jordanian te zijn. We zaten op de allerlaatste stoelen in het vliegtuig. De vlucht vanuit Aqaba naar Amman verliep soepel. Net nadat we waren opgestegen, had ik een goed zicht over de Jordaanvallei en Israël. Zo vanuit de lucht zag Israël er niet echt opwindend uit. Dezelfde kale bergen als bij de Mahammat Ma’in (zelfde streek natuurlijk).

In Amman moesten we twee en een half uur wachten voordat onze vlucht naar Amsterdam zou vertrekken. Op de luchthaven gingen we eerst naar de inmiddels bekende transferbalie, waar we onze instapkaarten voor de vlucht naar Amsterdam kregen. Die lagen al keurig netjes klaar. Je kon dus geen wensen kenbaar maken over gewenste zitplaatsen. Zo kwam het dat wij op de laatste rij voor het rokersgedeelte zaten. De vlucht naar Amsterdam verliep ook perfect. Het weer in Amsterdam was weer typisch Nederlands: regen! Het was bijzonder mistig en onaangenaam guur. Gelukkig stond Marjolijn d’r broer al klaar en werden we snel teruggebracht naar huis.

Het is weer voorbij!