Zondag 9 januari 2005     

Christchurch

Om 17.05 uur landden we in een bewolkt en grijs Christchurch. We mochten weer in de rij voor de immigratiebalie en eenmaal aan de balie werd om ons retourticket gevraagd en werden onze tickets uitvoerig bestudeerd. Dat hebben we echt nog nooit meegemaakt. Alles was echter in orde en we kregen een visum voor drie maanden. We liepen naar de bagagebad, waar onze bagage inmiddels de nodige rondjes had liggen draaien. Een ‘fruithondje’ kwam de bagage besnuffelen, maar er zaten geen organische materialen in onze spullen, dus we konden verder lopen.

We hadden echter op het immigratieformulier aangegeven dat we een gebruikte tent en bergschoenen bij ons hadden en we moesten zodoende toch in de ‘goods to declare’ (rode) lijn. De bergschoenen werden bekeken en dat bleek geen probleem, maar de tent werd meegenomen naar het laboratorium voor inspectie. Na een minuut of tien kwam de beambte met de tent weer uit het laboratorium. Schijnbaar was onze tent ongevaarlijk en mochten we Nieuw-Zeeland betreden.

Nieuw-Zeeland is al even panisch voor ‘enge’ ziekten en beestjes uit vreemde landen als Australië, met één verschil en dat is dat je in Nieuw-Zeeland direct naar de gevangenis gaat bij valse aangifte, terwijl je in Australië ‘slechts’ een boete krijgt. Althans….. als je de borden bij de douanes van de landen moet geloven.

We namen een bus naar het centrum. De chauffeur was al net zo vriendelijk als de mensen in Australië en hij hielp alle backpackers bij hun zoektocht naar hun gewenste onderkomen. Als de bus niet langs het guesthouse reed, dan gaf hij bij de bushalte waar de mensen uitstapten instructies hoe naar het guesthouse te lopen. Wij wilden naar guesthouse Foley Towers (nee… niet naar Sybil en Basil) en dat was nog een stukje lopen vanaf de dichtstbijzijnde bushalte. Onderweg van de bushalte naar het guesthouse bleek het eigenlijk veel te ver lopen met de enorme hoeveelheid bagage die we meezeulden. Naast de rugzakken, liepen we ook nog eens met de tent, keukenspullen, luchtbedden en twee stoeltjes. Op de weegschaal op het vliegveld was de teller stil komen te staan rond de 50 kilo met z’n tweeën.

Bij het guesthouse aangekomen bleek (natuurlijk) dat deze vol was, maar de receptionist ging voor ons rondbellen en kwam al snel met een oplossing. Er was nog een guesthouse in de buurt dat kamers vrij had. Hij had die eigenaar gevraagd of hij ons bij Foley Towers op kon komen halen. Goed geregeld! Even later stopte een auto voor het guesthouse en werden we vriendelijk begroet door de eigenaar van Drifters Backpackers. De eigenaars van het guesthouse waren Engelsen, die pas in mei 2004 naar Nieuw-Zeeland waren geëmigreerd met het idee om daar een backpackers guesthouse op te zetten.

Alles in het grote huis was duidelijk nog in staat van opknappen, maar de slaapkamers en de douche/toilet-ruimte waren al gereed. Het zag er aardig, maar niet bijzonder uit. De eigenaars waren echter zeer vriendelijk en behulpzaam.

Bij de pizzaboer om de hoek haalden we twee pizza’s, die we in de woonkamer van het guesthouse (tevens eetkamer) opaten.

Maandag 10 januari 2005

We hebben heerlijk geslapen. Voor het eerst in lange tijd lagen we weer in een echt bed. En…. het was een goed bed! We werden pas om 09.00 uur wakker. In de woonkamer ontbeten we daarna liepen we naar het centrum, dat op een kwartiertje lopen van het guesthouse ligt. Onderweg snoven we de geur op van bloeiende bloemen die in mooie tuinen stonden. Dat is al direct een groot verschil met Australië, waar we weinig bloeiende planten en bloemen hebben gezien in die mate die we hier nu al zien.

Het eerste dat we van het centrum van Christchurch zagen waren de leuke pastelkleurige huisjes in New Regent Street en de oude trams die door Christchurch rijden. We liepen verder en kwamen op het mooie, ruitvormige Cathedral Square, met natuurlijk de kathedraal. Deze leek qua omvang echter meer op een kerkje. Op het Cathedral Square is het informatiebureau gevestigd en daar haalden we enkele folders uit de schappen. Net als in Australië zijn in Nieuw Zeeland ook vreselijk veel folders over van alles en nog wat te verkrijgen.

Net als in Australië hebben de folders in Nieuw Zeeland één ding met elkaar gemeen, namelijk dat vrijwel nooit de prijs van het aangebodene wordt vermeld.

Wij richtten ons voornamelijk op (stads-)plattegronden van de omgevingen die we zouden bezoeken.

Via Worchester Street liepen we naar de Christchurch Art Galery. Worchester Street is een erg leuke straat. De straat ziet er echt ‘ouderwets’ uit met keien en mooie straatlantaarns. Het beeld werd helemaal compleet met oude trams die door het straatje rijden en de rode (Engelse) telefooncellen op de brug over het ondiepe, maar snelstromende riviertje.

We gingen naar de Christchurch Art Galery. In de Galery hingen zowel moderne als klassieke schilderijen. Onze aandacht ging uit naar die laatste categorie. Moderne kunst spreekt ons een stuk minder aan. Tussen de oude meesters hingen enkele Nederlandse werken, die je er direct uithaalt, vanwege de gedetailleerde manier van schilderen. Erg mooi. Er was ook een tijdelijke tentoonstelling en die ging over het werk van een Nederlandse kunstenaar (met een zeer onnederlandse naam) die met name bekend is geworden vanwege de badstof handdoeken die hij beschilderde. Die badhandoeken zagen er leuk en vrolijk uit.

We liepen verder en keken even rond op het oude universiteitsterrein in Worchester Street. Prachtige gebouwen en leuke perkjes, vijvertjes en zuilengalerijen. Inmiddels was het zonnetje doorgebroken en dat zorgde ervoor dat alles er nog mooier uitzag en dat de temperatuur ook aangenaam werd.

We liepen verder naar de botanische tuin. Deze is echt schitterend. We hebben inmiddels wel de nodige botanische tuinen gezien, maar deze tuin is werkelijk schitterend. Wat een prachtige grote (en oude) bomen en er was een schitterende rozentuin. Er stroomt een riviertje door het park en op het riviertje kanoden mensen. Heel gezellig. Nadat we de tuin verlieten dronken we een biertje op één van de terrasjes langs het riviertje en daarna liepen we via de supermarkt terug naar het guesthouse om te koken.

Dinsdag 11 januari 2005

We werden weer pas rond 9.00 uur wakker. We slapen echt lekker in een echt bed. In het tentje trouwens ook hoor, maar daar worden we vaak vroeg wakker van omgevingsgeluiden of de zon die op onze tent schijnt.

De dag begon bewolkt net als gisteren, maar al snel zou de zon terrein winnen en zou het de rest van de dag slechts licht bewolkt blijven. We liepen naar het centrum en bekeken de winkelstraten. Bij fotowinkels lieten we ons voorlichten over digitale fotocamera’s, omdat onze niet meer goed werkt. De kennis van de verkopers van de producten was bedroevend en ze kwamen niet veel verder dan wat op het kaartje bij de camera stond.

Gelukkig verkocht één van de winkels ook computers, en was één van de uitgestalde apparaten op het internet aangesloten. We vroegen de specificaties van de camera’s die we op het oog hadden op het internet op. De keuze in het aantal apparaten is redelijk beperkt, maar zelfs dan nog is het niet eenvoudig een keuze te maken.

We bezochten het zeer interessante en leuke Cantebury Museum. Het museum is gevestigd in een schitterend oud Engels gebouw. Er was Maori-kunst, met name houtsnijwerk en gebruiksartikelen uitgestald. Daarnaast waren er veel opgezette dieren tentoongesteld, waaronder kiwi’s. Ook was er een gedeelte over de korte geschiedenis van Nieuw Zeeland als gekoloniseerd gebied. Er stonden oude voertuigen, waren vitrines met kleding uit de 19e en begin 20e eeuw en er was een oud nagebouwd winkelstraatje. Erg leuk! In een aparte zaal werd aandacht besteed aan Aziatische kunst en aan expedities naar Antartica.

Het is een veelzijdig en leuk museum. Na het museum was het bezoek aan de kathedraal veel minder interessant.

Verder liepen we een deel van de wandelroute die in de Lonely Planet staat.

We kunnen nu al concluderen dat we Christchurch en erg leuk en plezierig stadje vinden.

Woensdag 12 januari 2005

Om 9.00 uur haalden we onze huurauto op bij het kantoor van Hertz. We nemen de gok door geen aanvullende verzekering te nemen, want die is met $ 28,- per dag (autohuur is $ 35,- per dag) nogal aan de hoge kant. Nu bedraagt ons risico, ongeacht wie schuldig is $ 2.000,- Wij begrepen dat ‘ongeacht wie schuldig is’ niet en we vroegen de medewerker om uitleg. Het bleek dat je in Nieuw-Zeeland niet verplicht om een autoverzekering af te sluiten (??) Er rijden dus mensen volledig onverzekerd rond! Raar land. Wel blijken we verzekerd te zijn tegen autodiefstal, inbraak e.d. en voor verhaalrechtsbijstand….. als er tenminste iets te verhalen is.

We kregen een Toyota Corolla hatchback mee. Dat was een behoorlijk kleinere auto dan de Nissan Pulsar die we in Australië tot onze beschikking hadden gehad. We reden terug naar het guesthouse en daar pakten we de spullen in en gingen daarna op weg naar Akaroa. Akaroa is een vulkanisch schiereiland ten zuidoosten van Christchurch. Maar voordat we daarheen reden, gingen we eerst naar een elektronicawinkel die camera’s in de aanbieding had. Ons guesthouse was een écht huis geweest, met een échte brievenbus en voor het eerst sinds tijden hadden we kunnen snuffelen in échte folders. En in één van die folders stonden fotocamera’s.

De verkoper bij Noël Leeming (elektronicawinkel) wist ons weinig te vertellen over de camera’s. Bij deze winkel hadden ze naast de Nikon Coolpix 4100 ook de Panasonic LC70. Beide 4 megapixel en beiden even duur. Beide interessante cameraatjes.

Nog even zonder nieuwe camera op weg naar het schitterende schiereiland Akaroa. De weg ernaar toe leidde ons door vlak landschap met vele weiden met schapen, maar toen de weg begon te stijgen werd het landschap anders en prachtig. We namen een toeristische route naar Akaroa. Vrijwel direct hadden we zicht op een prachtige turquoise-kleurige baai en het plaatsje Akaroa. We stopten vaak, want iedere keer was het zicht op de baai weer anders, maar telkens weer schitterend.

Het weggetje was nogal kronkelig en de tegenliggers namen vaak de bocht iets aan de ruime kant. Dat maakte het rijden er niet ontspannender op. Gelukkig bleef het aantal tegenliggers beperkt. De weg bleef maar stijgen en even zaten we in de mist ofwel de laaghangende bewolking. Al snel volgde een steile afdaling naar het plaatsje Akaroa. Dit is een aardig, maar toeristisch plaatsje.

Bij een bakkertje kochten we verse meergranen bolletjes en bij een supermarkt kaas en melk. We lunchten op een bankje in het zonnetje met uitzicht over de baai. We liepen nog wat door het dorpje met de Franse straatnamen, de houten huisjes en kleurige tuintjes en langs het strand. Het was eb en de botenverhuurder baalde als een stekker, omdat hij z’n bootjes, die op het droge lagen, niet kon verhuren. Het bleek dat het voor het eerst sinds weken weer eens een beetje zonnig was. Er lagen mensen op het strand, lekker te bakken in de volle zon op een plek (boven Nieuw Zeeland) waar de onzonlaag flinterdun is. Er wordt dan ook geadviseerd om je dik in te smeren met zonnebrandcreme factor 30+.

We reden terug via Pigeon Bay en van Pigeon Bay naar Port Levy, een andere baai. De weg was onverharde (gravel), maar was goed te berijden. De weg klom over een bergruggetje en was voor het grootste deel niet breder dan een auto. We kwamen één keer een tegenligger tegen en dat was gelukkig op het stuk dat net iets bredere was dan één auto en een stuk vlakker.

Alle baaien op het schiereiland zijn prachtig. Zowel van kleur als qua ligging. De baai waar Port Levy aan ligt vonden we lijken op het Toba-meer op Sumatra en dat meer is één van de mooiste meren die we hebben gezien (of dat de meeste indruk op ons heeft achtergelaten). Na Port Levy keerde het asfalt weer terug en reden we naar Lytellton, maar aan dat plaatsje was niet veel.

Via een lange tunnel keerden we terug naar Christchurch en reden we verder naar Kaiapoi, 25 km ten noorden van Christchurch, waar we de tent opzetten op de camping. De camping leek meer op een permanente verblijfplaats van een aantal mensen en er waren geen andere toeristen te bekennen. We waren als enige met de tent en onze plek was 50 campingplaatsen groot!

Donderdag 13 januari 2005

Het zonnetje maakte ons wakker vanochtend. Na het ontbijt reden we naar Hamner Springs, een ritje van ongeveer anderhalf uur. Het eerste deel van de route over de highway no. 1 was niet zo spectaculair, maar dat veranderde toen we wegnummer 7 namen. De bergen waren vanaf de highway al te zien en eenmaal op de 7 reden we de heuvels in. Marjolijn nam het stuur over en had er zin in. In Hamner Springs reden we naar een Top 10 camping, waar we de tent opzetten. Top 10 is een Nieuwzeelandse tegenhanger van de Australische Big4 campings.

De camping bood alle faciliteiten, maar het was allemaal nogal beperkt. Twee wc’s en twee douches voor zowel de dames als de heren is niet veel op en camping van deze omvang. De tentplaats was klein, maar de omgeving was schitterend. Nadat de tent was opgezet en ingericht, liepen we naar het centrum van Hamner Spings waar we spullen voor de lunch kochten en daarna liepen we naar Conical Hill. Het was ongeveer een halfuurtje heuvelopwaarts tot de top en op de top was een uitzichtpunt. Het pad naar de top voer door heerlijk ruikend dennenwoud.

Eenmaal op de top hadden we prachtig uitzicht over de vallei, waar we lunchten. Na de lunch daalden we een stukje af en namen we een ander wandelpad terug naar de camping. In het bos zagen we overal de rood-met-witte-stippen-paddestoelen. Beetje vroeg voor de tijd van het jaar?

Terug op de camping pakten we onze zwemkleding en liepen we naar de hotsprings. Die waren aangenaam warm. Alle baden waren in de openlucht en varieerden in temperatuur van 28 graten tot en met 41 graden. Het was nogal een groot park met veel baden en het was er behoorlijk druk. Zelfs nog aan het einde van de middag (rond 18.00 uur) toen wij er waren.

Na een paar uurtjes badderen gingen we eruit. In de kleedruimte hoorde Remco steeds een raar brommend geluid. Dat bleek afkomstig van een zwembroek-centrifuge! Briljante uitvinding! Klein apparaatje aan de wand. Klep open, zwembroek erin en zo ging Remco terug naar de tent met een zwembroek die niet helemaal zeiknat was.

’s Avonds stonden we tot 22.30 uur in het washok te wachten op de wasdroger waar onze schone was in zat. Het was redelijk druk in het washok, want er waren slechts 2 wasmachines en 1 wasdroger en iedereen had bedacht om vanavond maar eens de was te gaan doen.

De zonsondergang was schitterend vanavond. De wolkenhemel was heel bijzonder met allemaal ‘strepen’ in de wolken en daarop scheen de ondergaande zon. Zeer veel campinggasten legden dit vast op de foto. Wij genoten zo van het verschijnsel dat we veel te laat onze camera gingen halen.

Vrijdag 14 januari 2005

De hemel was weer strak blauw toen we vanochtend opstonden. We hadden allebei nogal slecht geslapen, maar wisten daar niet de aanleiding toe. We reden dezelfde weg terug naar Christchurch en stopten onderweg op verschillende plaatsen langs de weg om van de schitterende omgeving te genieten en die op de gevoelige plaat vast te leggen.

Eenmaal in Christchurch reden we naar de wijk Papanui, waar een filiaal van de electronica-keten Noël Leeming zou zitten. In een ander filiaal van deze keten hadden we een leuk fotocameraatje gezien, die we nu wilden kopen. Toen we na veel gezoek en vragen aan mensen (niemand wist waar de winkel was) de winkel hadden gevonden, bekeken we de Nikon Coolpix 4100 en de Panasonic LC 70 nog eens goed en we besloten om de Panasonic te kopen. Deze camera heeft namelijk een Leica lens, dus dat moet wel goed zijn, maar daarnaast kwam nog eens met het aardigheidje van een gratis extra 256 MB kaartje en die zou zeer van pas komen. De camera’s zullen niet veel aan elkaar onder doen in kwaliteit.

We reden naar Lake Tekapo, dat al meer het binnenland in ligt. Tot aan Geraldine was de route niet zo bijzonder. Heel even dachten we dat we in Zuid Amerika waren, toen we hele kuddes Alpaca’s in een weiland langs de weg zagen staan, maar de hele omgeving leek niet op Zuid Amerika.

Even verderop zagen we struisvogels in de wei staan. Waren we nu in Nieuw Zeeland of in Zuid Afrika?

Vanaf Geraldine steeg de weg geleidelijk. We zagen een hoop écht oude auto’s op de weg rijden. Van die auto’s uit de twintiger of dertiger jaren van de vorige eeuw. Erg leuk om te zien. Zo reden we een tijdje achter een oude Fiat, mét open dak!

Tegen het einde van de middag kwamen we aan bij Lake Tepako en reden we naar de camping. Deze was nog al duur ($ 24) en er moest een stevige $ 2 worden betaald voor 10 minuten douchen, maar de plaatsen waren zeer ruim en de camping was schitterend gelegen aan het meer. Het sanitair zag er niet zo verzorgd uit, met vloerbedekking in de natte ruimten(!?) (niet zo hygiënisch).

Zaterdag 15 januari 2005            

Tasman Vallei

We hebben gelukkig goed geslapen vannacht. We ontbeten, pakten de tent in en zetten vervolgens de auto op het parkeerterrein even buiten de camping. We zouden een wandeling van 3 uur gaan maken, die bij de camping begon. Het eerste half uurtje liepen we tegen de heuvel op en kwamen uit bij het observatorium. De wandeling ging door een Lariksbos en op de boden groeiden allemaal paddenstoelen. Het was erg aangenaam om door het bos te wandelen. Toen we echter uit het bos kwamen, boven op de heuvel, stond er een vreselijk harde wind (110 km per uur volgens de weerberichten). Remco moest z’n Boliviaanse hoed maar even in de hand houden. We liepen over de heuvel en daalden af aan de andere kant ervan, waar we door de kuddes schapen in de bergweide liepen.

We hadden schitterend zicht op het tuquoise Tekapo-meer en het donkerblauwe meer Alexandrina. Dit laatste meer valt qua omvang in het niets bij het enorme gletsjermeer Tekapo. Op de achtergrond zagen we de besneeuwde toppen van de Zuidelijke Alpen. Het weer was schitterend. De lucht was strak blauw en alleen boven de alpen was wat lichte bewolking. Na 2 3/4 uur lopen, waren we terug bij de auto en reden we naar het oude kerkje dat langs het meer staat. Dat was niet zo bijzonder al was het alleen al vanwege de vele toerbussen die er stonden. Kennelijk is een stop hier onderdeel van de georganiseerde busreizen.

We reden naar Mount Cook. Een tijd reden we achter een autobus aan. Hoewel de buschauffeur 100 kilometer per uur reed en wij geen haast hadden, wilden we de bus toch inhalen, omdat de bus het uitzicht belemmerde. Remco schakelde terug en begon op te trekken om de bus in te halen en op het moment dat we van rijstrook wilden wisselen, klapte de rechterachterband van de bus. Vreemd genoeg schrokken we er niet van en gelukkig hield de bus gewoon koers. De stukken rubber vlogen ons om de oren. De chauffeur zette de bus aan de kant en wij stopten ook even. De klapband veroorzaakte zo’n rotzooi aan rubber en stukken rubber hadden onze auto geraakt. We controleerden de auto op schade, maar dat was niet het geval en we vervolgden onze weg.

We reden langs het Pukakimeer. Weer een gletsjermeer en weer van een schitterende, turqoise kleur. We sloegen af naar Mount Cook en reden naar de camping die nog zo’n 22 kilometer van Mount Cook ligt. We kwamen vroeg in de middag op de camping aan en we hadden de camping nu nog helemaal voor ons zelf. We zetten de tent op en daarna reden we naar de parkeerplaats bij de Abel Tasmangletsjer. De weg naar de Tasmangletsjer was deels ongeasfalteerd (8 km), maar de gravelweg was in uitstekende conditie.

Vanaf de parkeerplaats was het een minuut of twintig lopen naar de gletsjer en toen we daar aankwamen zagen we in eerste instantie helemaal geen gletsjer. We lazen het informatiebord en keken nog eens naar de gletsjer en toen pas zagen we ‘m. De gletsjer ligt namelijk helemaal onder het puin van stenen en gruis en is niet wit, maar grijs/zwart. Aan de slijtageplekken langs de rotswanden was te zien dat de gletsjer ooit veel indrukwekkender en groter is geweest. De gletsjer schijnt ieder jaar per saldo te krimpen. Hij groeit jaarlijks met 50 meter, maar krimpt met 80 meter. Volgens het informatiebord zou de gletsjer op de kop nog zo’n tweehonderd (!) meter hoog zijn, maar er stak maar een klein gedeelte boven het gletsjermeer uit. Misschien zo’n 10 meter. We liepen ook nog naar het gletsjermeer en zagen een aantal ijsbergjes drijven.

Zondag 16 januari 2005

Op het programma stond een vier uur durende wandeling naar het Mount Cook viewpoint, maar het regende in de Mount Cook vallei. Het weer hier in de bergen kan zo omslaan. Op de camping, 22 kilometer van de Mount Cook-vallei, scheen het zonnetje en ook in de Tasman-vallei (8 kilometer van de Cook-vallei) was het droog. Eén dal verderop regende het dus en daarom besloten we maar niet te gaan wandelen. We reden naar het enige café/restaurantje in Mount Cook village, waar we een kopje koffie dronken.

De rest van de dag verbleven we op de camping. We lazen in de Lonely Planets van Myanmar en Cambodja en bestudeerden de gebruiksaanwijzing van ons nieuwe cameraatje. In de loop van de middag werd het steeds beter weer en aan het einde van de dag was het zelfs bij Mount Cook onbewolkt. Hebben we ‘m toch nog gezien!

Maandag 17 januari 2005

Slechte nacht gehad! Wat rukte de wind aan de tent, zo af en toe. We hoorde de wind continue waaien door de bomen en zo af en toe was er een valwind die ons wakker hield. Pas toen het licht begon te worden, ging het regenen en het bleef regenen totdat we in Timaru aankwamen. Er is niet veel aan in de regen.

Timaru was de eindbestemming vandaag en toen we daar aankwamen, klaarde het op en werd het weer zonnig. De temperatuur had door de regenbui en het koufront echter een flinke deuk opgelopen en het werd niet meer dan zo’n 17 graden.

We reden naar de DB-brouwerij en reserveerden twee plekken voor de rondleiding van de volgende dag en daarna kochten we bij de Pak ’n ‘Save’ supermarkt onze lunch. Die aten we op tussen de rozen in de botanische tuin van Timaru. In de tuin was het heel rustig en vredig en opeens toch weer heel warm in het zonnetje. De zon is erg krachtig als ie eenmaal schijnt.

We liepen wat door het mooie park en daarna reden we naar de bibliotheek. Vanwege een technisch probleem was er geen internet beschikbaar.

We gingen naar het museum waar een replica hangt van mogelijk het eerste vliegtuig ter wereld. Richard Pearse heeft mogelijk in 1902 of 1903 met dit toestel gevlogen, maar dat is nooit vastgelegd. Naast veel aandacht voor geïmporteerde diersoorten die de Nieuw-Zeelandse natuur bedreigen, was er op de eerste etage van het museum aandacht besteed aan de 20e eeuw. Veel oude huishoudelijke spullen, maar ook spelletjes en speelgoed uit het begin van de 20e eeuw. Leuk om te zien! Na het museumbezoek liepen we nog wat door de winkelstraat. We vonden Timaru een leuk stadje.

Dinsdag 18 januari 2005

Om 10.30 uur meldden we ons bij de receptie van de DB-brouwerij. De rondleiding begon met een 5 minuten durende introductiefilm waarin het brouwproces werd toegelicht. Daarna nam een niet al te sympathieke dame ons mee door de fabriek. We zagen een aantal mooie roestvrijstalen cilinders waar één en ander in zou moeten zitten, zoals mout, hop, water en het eindproduct. De opslagtanks voor het eindproduct waren op 60.000 of 120.000 liter groot en er stonden er nogal wat van. De rondleiding was niet zo interessant, omdat er niet veel meer te zien was dan een aantal tanks die de diverse stadia van het proces vertegenwoordigen. Geen idyllische fabriek/brouwerij met mooie koperen ketels, maar een schone, steriele bierfabriek zonder charme.

De bottelarij, het ‘dynamische’ deel van het hele traject was gesloten omdat er vandaag niet gebotteld werd. Jammer, want juist dat kan erg leuk zijn om te zien. Na afloop kregen we per persoon drie flesjes bier mee om thuis te proberen. Dat was wel weer leuk van de brouwerij. Omdat we uit Nederland kwamen, kregen we geen Heineken mee dat in de DB-brouwerij gebrouwen wordt.

Na 3/4 uur waren we weer vertrokken en gingen we op weg naar Oamaru. Daar aangekomen informeerden we bij het informatiebureau naar de pinguïns die in de omgeving te zien zouden zijn. We werden te woord gestaan, nou ja, meer te luister gezet, door Ralph Sherwood. De man was gekleed als een heer van stand (met zakhorloge en chokertje) en had een zeer verzorgd baardje. Deze Ralph nam alle tijd om ons alle interesse dingen over zijn stadje te vertellen en dat deed hij op een manier zoals een stadsgids dat zou doen. Zo vertelde hij onder andere waar de mooie Victoriaanse gebouwen stonden en dat Oamaru als enige stad zoveel oude gebouwen had omdat de stad te weinig geld had om bulldozers te betalen die de gebouwen moesten neerhalen. Het is in Nieuw-Zeeland namelijk lange tijd de mode geweest om alle gebouwen ouder dan 50 jaar af te breken.

Volgens Ralph moesten we vooral een kopje koffie met cheesecake gaan eten bij de kaasboerderij en zeker een bezoek brengen aan de botanische tuin. Pas toen we het informatiebureau verlieten, zagen we een brochure waarop Ralph stond afgebeeld…. inderdaad als stadsgids! Een prachtige man!

We gingen als eerste maar naar de kaasboerderij en bestelden er inderdaad koffie met cheesecake voor Remco en een hot chocolate en een kaasplankje voor Marjolijn. Het kaasplankje -met verschillende soorten eigengemaakte kaasjes- was een echte traktatie! Maar dat gold evenzeer voor de cheese cake. Het kaasplankje was erg leuk opgemaakt met naast de kaasjes, toast, stokbrood en fruit.

We liepen langs een groot aantal van de Victoriaanse gebouwen en die zagen er inderdaad schitterend uit. Aan het einde van de middag reden we naar het interessante informatiecentrum bij de blauwe pinguïncolonie en lazen op de informatiepanelen over deze pinguïnsoort. Bij de landingsplaats van de pinguins was een enorme tribune gebouwd, waar je vanaf 21.00 uur ’s avonds voor $ 15 p.p. mocht gaan wachten op de beestjes. We besloten om dat maar niet te doen. In eerste instantie sprak de opzet van dit alles ons niet zo aan, maar een nog belangrijkere factor was het weer. Al twee dagen is het behoorlijk fris overdag (16 graden) en koud ’s nachts (5 graden) vanwege een sterke Antarctische wind vanuit het zuid-oosten en de tribune is pal op het zuid-oosten gebouwd. Het zou dus uren bibberen worden voor een paar pinguïns. En we hebben er toch al vele gezien in Zuid-Afrika en Zuid-Amerika.

Nadat we de tent hadden opgezet en vroeg hadden gekookt, reden we rond 18.30 uur naar de gele pinguïnkolonie en we troffen daar naast een hoop toeristen ook nog twee gele pinguïins aan. Die waren heel ver beneden ons (het uitkijkpunt is op een rots) op het strand te zien.

Woensdag 19 januari 2005

We reden rustig aan naar Dunedin, waar we aan het begin van de middag aankwamen. We parkeerden de auto in het centrum en lunchten in een lunchroom. Daarna liepen we naar de bibliotheek om te internetten. We wilden het één en ander checken voor het vervolg van onze reis in Azië, zoals vliegprijzen, hotels in Hong Kong etc. Verder hadden we bedacht dat we misschien wel een waterfilter voor in Azië wilden kopen en dus gingen we op het internet op zoek naar informatie. Vervolgens vroegen we bij enkele outdoorwinkels informatie over en de prijzen van waterfilters en kwamen we tot de ontdekking dat er één winkelketen was die het filter voor $ 70 minder aanbood dan de anderen.

We reden vervolgens naar een camping die even buiten de stad ligt en we konden een plaatsje uitzoeken op de terrasvormige camping. Het was al behoorlijk vol en we belandden helemaal bovenaan op één van de hoogste terrassen en het verste van de faciliteiten. Maar ook het rustigste én met het mooiste uitzicht. Geen buren en geen auto’s die nog langsreden.

Op de camping stonden twee hele oude auto’s, die uit de jaren 30 stamden. De eigenaars stonden met hun tentje op de camping en trokken veel bekijks met hun oude auto’s.

’s Avonds gingen we in Dunedin naar de bioscoop, naar de film ‘Ocean’s 12′. Het was leuk om weer even wat beelden van Amsterdam te zien en er achter te komen waarom er tijdens de opnames in Amsterdam zo’n ophef was. Het was een heel aardige en vermakelijke film.

Donderdag 20 januari 2005

Vandaag bezochten we het Otago Peninsula, het schiereiland nabij Dunedin. We bezochten de tuin van het Lanarch-kasteel. Alleen het bezoeken van de tuin was met $ 10.- per persoon al duur zat. Het kasteel bezoeken was twee keer zo duur en het was niet eens een echt kasteel, maar meer een uit de kluiten gegroeid landhuis. De tuin was schitterend aangelegd en de vergezichten vanuit de tuin waren mooi (het kasteel ligt op de hoogste heuvel van het eiland). Jammer van de bewolking, waardoor alles er nogal grauw uitzag.

Het bekijken van een albatros-colonie sloegen we maar over. We hadden al heel veel van deze indrukwekkende dieren op de Galapagos eilanden gezien. We reden over het eiland over veel gravelwegen, waar we niemand tegenkwamen, behalve op de eindpunten van de doodlopende weggetjes. Vanaf deze eindpunten konden we dan verderlopen naar stille en idyllische strandjes.

We reden terug naar Dunedin en reden we naar Baldwin Street. Dit is de steilste straat ter wereld. Hij ligt in een woonwijk en aan de straat lagen gewone woonhuizen. Natuurlijk moesten wij, net als alle andere toeristen, met de auto naar boven om daar te keren en weer naar beneden te rijden. Een enkele toerist was zo sportief om naar boven te lopen.

Vrijdag 21 januari 2005   

Southern Scenic Route

Toen we opstonden was de lucht grauw en grijs, maar in de verte leek het er beter uit te zien. We reden via de Southern Scenic Route naar het zuiderlijkste puntje van het zuidereiland. De weg ging steeds van geasfalteerd over in ongeasfalteerd en dan reden we weer kilometers over een gravel road. Het is onaangenaam in de bochten waar tegenliggers te verwachten zijn. De gravelwegen zijn daar wat minder breed en tegenliggers hebben nogal de neiging de binnenbocht te nemen (even ter herinnering: in Nieuw Zeeland rijdt men links). Na een half uurtje wat beter weer te hebben gehad, reden we een pasje over en hadden we de rest van de dag een grijze, grauwe dag.

Soms reden we door wat laaghangende bewolking en veelal was het uitzicht beperkt; kortom, niet het soort dag waar je op hoopt. We kregen dan ook niet veel mee van de scenic route en sloegen de nodige uitzichtspunten over. Wel liepen we naar het meest zuidelijke punt van het zuidereiland.    

Klik op foto voor vergroting

Zuidelijker konden we niet.

Dit was een route die door een weiland met schapen ging naar een klif. Daar stond een bord met de aanduiding dat we op het meest zuidelijke puntje aanbeland waren. Maar het is niet het meest zuidelijke punt dat we deze hele reis hebben gehad, want dat was in Ushuaia (Argentinie).

Het liep al tegen 17.00 uur toen we in Invercargill aankwamen. We kochten bij de Pak ’n Save supermarkt eten voor ‘s avonds en zagen op de voorpagina van de Otago Post de twee oude auto’s en de eigenaars die bij ons in Dunedin op de camping hadden gestaan en we kochten de krant om het artikel te lezen. Op de camping dronken we een glaasje wijn met een Duits meisje dat het wrak van de weg had gekocht. Alles wat het zou moeten doen, bleek kapot en het kostte haar ’s ochtends een kwartier om de auto aan de gang te krijgen. Blij dat wij die ellende niet hebben.

Zaterdag 22 januari 2005

Het weer was de hele nacht goed. Geen wind en geen regen, maar vanochtend om 08.30 uur begon het toch nog te regenen. We konden dus in de regen de tent inpakken. Voordeel is dan wel dat de tent niet zo netjes opgevouwen hoeft te worden. Die gooiden we nat en wel op de achterbank.

We reden naar het centrum van Irvengargill en liepen even door het stadje. Het regende nog steeds een beetje, maar in het noorden was al wat blauwe lucht te zien.

In het stadje stond een aantal mooie oude gebouwen en er was een Nederlands eethuisje, dat van mijlen en ver herkenbaar was omdat de gevel oranje geverfd was. Bij de Pak ’n Save kochten we eten voor tussen de middag en voor ’s avonds en daarna gingen we op weg naar het noorden (er is vrijwel niets meer zuidelijker).

We vervolgden onze weg via de Southern Scenic route. Het was inmiddels droog geworden en er stond zeer weinig wind. Dat moet erg bijzonder zijn als je de bomen langs de kant van de weg zie. Die zijn door de harde zuiden wind allemaal scheefgegroeid (de bomen groeien scheef noordwaarts). We stopten bij enkele view points langs de zuidkust.

Het landschap werd gedomineerd door weilanden en schapen, maar veranderde naarmate we de westkust naderden. Het landschap werd weer bergachtig en de besneeuwde toppen dienden zich weer aan. Zelfs het zonnetje won terrein en scheen de rest van de dag volop.

We stopten even bij de langste hangbrug van Nieuw-Zeeland en daarna reden we verder naar Te Anau. Op de Top 10 camping schreven we ons in voor twee nachten. De camping scheen al een aantal jaren uitgeroepen te zijn tot camping van het jaar, maar wij vonden het drie keer niks. De camping was duur ($ 30) en de tentplaats was piepklein. We konden niet eens de scheerlijnen spannen! Een dramacamping, want de buurman stond op zon 2 meter van onze tent. De faciliteiten van de camping waren (eerlijk toegegeven) wel schitterend.

’s Avonds konden we lekker bij de tent zitten. De hemel was volledig opengetrokken en de zon scheen volop. Heerlijk…. na die regen van vanochtend.

Zondag 23 januari 2005

We zouden vanochtend naar de Milford Sound (het fjordengebied van Nieuw-Zeeland) gaan en we hadden gisteravond besloten om vanochtend aan de hand van het weer te bepalen of we wel of niet de eerste cruise van de dag zouden nemen. De eerste cruise gaat om 09.55 uur en we zouden zo’n anderhalf à twee uur daarvoor vanuit Te Anau moeten vertrekken. We hadden de wekker vroeg gezet, maar dat bleek niet nodig. Onze buurtjes (die dus twee meter (!) naast ons stonden) waren om 06.00 uur al bezig met het verbouwen van hun camper of zo en hadden de radio erg hard aan staan. Het was een behoorlijke herrie.

Remco ging er wat van zeggen en zag toen ook dat het een beetje mistig was. Er was ook al wat blauwe lucht door de mist te zien, dus het beloofde wel een goede dag te worden. Maar we bleven toch nog maar even liggen.

Remco, inmiddels toch al wakker, hield het niet lang vol en ging in de kantine zitten lezen terwijl Marjolijn uitsliep tot 09.00 uur. Een uurtje later gingen we op weg naar Milford Sound. De route er naar toe was schitterend! Onderweg zijn vele korte of langere wandelmogelijkheden en wij deden een 45 minuten durende rondwandeling door een mosgroen bos naar Lake Gum. Het bos was schitterend. Het was duidelijk te zien dat het een zeer vochtig gebied is, want overal waren mossen. Zelfs tegen de boomstammen op tot wel een meter of drie hoogte. Het was een geweldig groene oase.

Vanaf een viewpoint hadden we een schitterend uitzicht over het meer en de besneeuwde bergen op de achtergrond. Op verschillende plaatsen langs de weg parkeerden we de auto om van het uitzicht te genieten. Op de weg zelf was het vreselijk druk met toerbussen die de toeristen naar de cruiseschepen in de Milford Sound brengen. Eén cruise-onderneming heeft z’n eigen toerbussen die de toeristen van heine en ver naar de boten brengt. De chauffeurs nemen het niet zo nauw met de snelheden en karren pittig door. Niet zo prettig als je heerlijk van de omgeving wilt genieten en zo’n jongen achter je hebt zitten. De toerbussen brengen alle toeristen naar de cruiseschepen die tussen 12.00 en 13.30 uur vertrekken.

Door de receptioniste van de camping waren we al voor deze vertrektijden gewaarschuwd, omdat je dan in collone schijnt te varen. Wij kwamen rond 13.00 uur aan bij Milford Sound. Voordat we het plaatsje bereikten moesten we nog door een tunnel, die maar één rijstrook breed was. Het verkeer werd aan beide zijde van de tunnel door middel van verkeerslichten geregeld. De tunnel zelf was niet echt waterdicht en ook niet goed verlicht.

Toen we de tunnel uitkwamen reden we door een brede vallei met aan weerzijde tientallen kleine watervalletjes en witte bergtoppen. Fantastisch!.

Eenmaal in Milford Sound lunchten we op één van de picknicktafels aldaar en daarna liepen we naar de terminal vanwaar de cruiseschepen vertrekken. De busparkeerplaats bij de cruiseterminal stond propvol met bussen, maar in de terminal annex wachtruimte zelf was het niet al te druk. We kochten kaartjes voor de cruise van 13.50 uur met Mitre Peak cruises. De boot zou capaciteit hebben voor 60 personen, maar er gingen er maar 28 mee. Goede zaak voor ons! Alle ophef van ‘vroeg boeken’ en ‘pas op… het is hoogseizoen, dus laat mij je boeking verzorgen’ etc. blijken allemaal niet gegrond te zijn. In de Milford Sound is over duidelijk sprake van overcapaciteit aan cruiseschepen.

De cruise duurde zo’n twee uur en was heel aardig. De boot voer langs de rotswanden die tot een hoogte reikten van 1692 meter. De kapitein wees ons op een ‘nieuwe’ waterval die was ontstaan na de twee aardbevingen van de laatste 15 maanden die een kracht hadden tussen de 7 en 7,5 op de schaal van Richter. Naarmate we de zee naderden, werd het steeds bewolkter en pas op de terugweg zagen we heel mooi de wolken in de ‘sound’ (fjord) hangen. We voeren een klein stukje de zee op om vervolgens om te keren en terug te varen.

Onderweg weer vele watervallen en watervalletjes en we zagen een aantal zeehonden op een rots liggen. Hoewel de beesten tot op enkele meters werden genaderd, veroerden ze geen vin.

Tegen 16.00 uur waren we weer terug aan wal en reden we terug naar Te Anau. We moesten dezelfde weg terug, maar dat was niet zo vervelend, aangezien de route schitternd is. We stopten nog een aantal keer om van het uitzicht te genieten, maar er was helaas geen tijd meer voor een wandeling.

Maandag 24 januari 2005

Die lawaai-oudjes naast ons lagen gisteravond al om 20.30 uur in bed en dat beloofde natuurlijk weinig goeds voor ons. En ja hoor…. om 6.00 uur waren ze al weer druk in de weer in hun campervan. Wij waren dus ook weer vroeg wakker.

Het weer was schitterend! De lucht was vrijwel wolkeloos en de kleine, witte wolkjes die al aanwezig waren, zouden vandaag geen roet in het eten gooien. We pakten onze spullen in en reden naar Queenstown. De route ging door weilanden en was niet echt bijzonder. We reden langs het eindpunt van een spoorlijntje waar op dat moment een stoomlocomotief warm stond te draaien voor een ritje van 14 kilometer naar Frankton.

We stopten om de locomotief even goed te bekijken en terwijl we daar stonden, begon het apparaat zwarte wolken uit te stoten en niet lang daarna vertrok de trein. Queenstown was de volgende stop. Het is een verschrikkelijk toeristisch ski-dorpje dat schitterend is gelegen aan het Wakatipu meer.

We parkeerden de auto op het dagparkeerterrein nabij de skiliften en we zagen een aantal parachutisten landen op het nabijgelegen grasveld. We liepen het centrum in, dat voornamelijk bestaat uit sportwinkels en informatiebureaus. Deze laatsten zijn eigenlijk gewoon boekingsbureaus voor alle mogelijke adrenaline-activiteiten (bungy jumpen, parachutspringen e.d..)

We informeerden bij drie sportzaken naar een waterfilter. Bij een filiaal van R&R sports, dezelfde keten als de sportzaak in Dunedin waar we het waterfiltertje hadden gezien, lichtten ze ons verkeerd voor. Wat we wilden bestond niet in Nieuw-Zeeland of het zou $ 700 kosten. De tweede winkel had niets en de derde sportwinkel had de Kathadyn Mini, precies degene die we wilden hebben. Hij was alleen veel te duur. Toen we zeiden dat het apparaat bij R&R Sports (in Dunedin) $ 230 kostte ging de verkoper informeren bij z’n baas. We mochten het apparaatje voor $ 220 meenemen. Leuke deal! Wij blij en waarschijnlijk de winkelier ook. Die apparaatjes zullen geen al te hoge omzetsnelheid hebben.

We aten een heerlijk broodje bij de Subway en daarna winkelden we nog een beetje, o.a. bij de Kathmandu sportzaak. Vervolgens liepen we een klein stukje langs de oever van het meer.

Terug in de auto reden we via wegnummer 89 naar Wanaka. We wilden niet in het toeristische Queenstown blijven, temeer omdat vele toeristen ons al hadden gezegd dat het buiten Queenstown waarschijnlijk aangenamer zou zijn. De route 89 ging via Cardrona. Tot aan dat plaatjes was de weg nogal kronkelig met een aantal haarspeldbochten. We reden een pas over en we stopten een paar keer om van het schitterende zicht over de vallei te genieten. Zo, zonder wolken is Nieuw Zeeland nog mooier. We reden verder over de smalle tweebaansweg. Gelukkig was er weinig verkeer, zodat we lekker langzaam konden rijden en de auto in de berm konden parkeren waar we maar wilden. Het extra geheugenkaartje dat we bij onze Panasonic camera kregen, kwam nu goed van pas.

In Cardrona maakten we een foto van het Hotel Cardrona. Dit hotel stamt uit 1863. Voor het hotel stond een old timer uit de beginjaren van de vorige eeuw. Naast het hotel en een postkantoortje is er niet veel meer in dit dorpje, behalve dan een weilandafzetting (prikkeldraad) met daaraan honderden bh’s. Op een bord dat aan het hek hing stond dat donaties van bh’s van harte welkom waren, maar er hing inmiddels ook al een indrukwekkende verzameling schoenparen.

In Wanaka reden we naar de Top 10 camping waar de plaatsen zeer ruim waren (er was weinig volk).

’s Avonds fotografeerden we de bergen bij ondergaande zon en maakten we nachtfoto’s van de volle maan die prachtig in het meer scheen.

Dinsdag 25 januari 2005

We wilden vandaag een wandeling in de omgeving gaan maken, maar waar? Om daar achter te komen, reden we naar het kantoor van het Department of Conservation, dat zoiets is als het Nieuw-Zeelandse Staatsbosbeheer. Op het kantoor bekeken we de informatieborden met wandeltochten in de omgeving. Ons oog viel op de Rob Roy wandeling en aan de balie vroegen we naar de details van de wandeling. De Rob Roy wandeling werd door het meisje achter de balie zeer aanbevolen en zeker vandaag, omdat de weersomstandigheden er perfect voor waren. Het was geheel onbewolkt en zulke dagen hebben we nog niet echt vaak meegemaakt.

Vanuit Wanaka was het ongeveer een uur rijden naar de parkeerplaats vanwaar de wandeling zou beginnen. Een deel van de weg was geasfalteerd en een groot deel was gravelweg. Al snel nadat we Wanaka hadden verlaten, belandden we voor het eerst tijdens de reis in Nieuw-Zeeland in een file. Er stonden maar liefst acht auto’s voor ons en we stonden allemaal te wachten op duizenden schapen die door de herder en z’n hondjes van de ene weide naar de andere weide werden geleid. Over de gravelweg reden we nu in kolonneverband en dat was niet zo heel erg prettig, omdat het rijden over de weg nogal veel stof deed opwaaien. Soms was ‘het zicht minder dan 50 meter’. Ook moesten we de ramen gesloten houden. Maar gelukkig konden we de airconditioning aanzetten.

We moesten met de auto door een zestal bergstroompjes rijden en nu kwam het wel goed uit dat er auto’s voor ons reden. Nu konden we namelijk goed zien of de stroompjes wel doorwaadbaar waren voor onze auto. Alles ging oké en het was wel even leuk om ‘off the road’ te rijden.

Vanaf de parkeerplaats liepen we in 15 minuten naar de hangbrug over een snelstromende rivier. De rivier was mooi kobaltblauw gekleurd (gletsjerwater) en de schitterende groene omgeving en de witte toppen van de bergen in de verte waren erg fotogeniek.

Nadat we de hangbrug waren overgestoken begonnen we aan een anderhalf uur durende klim naar een uitzichtpunt over de Rob Roy gletsjer. Het pad was smal en niet echt rolstoeltoegankelijk en ging grotendeels door het bos. Het pad was niet echt steil, maar er zaten soms wat klimmetjes bij. Het was een inspannende wandeling, maar schitterend.

Na zo’n anderhalf uur lopen kwamen we aan het einde van de track en hadden we een schitterend zicht op de gletsjers en de vele watervallen die uit de gletsjer stroomden. We gingen in het gras zitten en pakten de lunch erbij. We konden het kraken van het ijs horen en soms zagen we kleine ijslawines. De watervallen waren behoorlijk van omvang en één waterval was echt heel hoog.

Na heerlijk in het zonnetje te hebben geluncht en de omgeving goed in ons hadden opgenomen, liepen we dezelfde weg terug. Bergafwaarts was het minder inspannend dan bergopwaarts. Vlakbij de parkeerplaats probeerden we in een bergstroompje voor het eerst ons nieuwe waterfilter uit. Het was anderhalve minuut pompen, maar toen hadden we anderhalve liter brandschoon water in de fles zitten.

We reden via Wanaka, over de ‘Haast pas’ naar ‘Haast Village’. De ‘Haast-pas’ is met 563 meter hoogte niet erg moeilijk te berijden. De weg is namelijk niet al te bochtig. Voordat we bij de pas kwamen, reden we eerst een tijdje langs twee gletsjermeren. Bossen en bergweiden wisselden elkaar af en altijd waren er de besneeuwde bergtoppen. De omgeving was schitterend.

Je moet niet echt haast hebben om het plaatsje Haast niet te missen. Met 130 inwoners is er niet veel te doen, maar er is een camping en daar zetten we de tent op. Al snel nadat we de tent op hadden gezet begaven we ons in de enorme keuken / ontspanningsruimte om de zandvliegjes te ontwijken. Helaas bleken enkele van deze ellendige beestjes zich ook in deze ruimte te bevinden.

Woensdag 26 januari 2005

De tent was vanochtend zeiknat van de dauw. We vouwden de tent nat en wel op en legden ‘m op de achterbank en daarna gingen we op weg naar het plaatsje Fox Glacier, een relatief kort ritje van zo’n 120 kilometer. Onderweg stopten we enkele keren, omdat het uitzicht erg mooi was. We maakten een korte wandeling van een half uurtje bij één van de uitzichtpunten. We reden deels langs de kust en voor de kust liggen allemaal enorme rotsblokken (kleine eilandjes), die erg fotogeniek zijn. Verder ging de route door bossen en langs weilanden.

Eenmaal in het plaatsje Fox Glacier informeerden we naar de wandeltochten naar de gletsjer. Er zijn twee wandelroutes naar de gletsjer; één die vrijwel iedereen neemt en één die vrijwel iedereen negeert. Wij namen (natuurlijk) die laatste. We reden naar de parkeerplaats waar het startpunt van de wandeling was en daar begonnen we aan een klein uurtje lopen naar het uitzichtspunt.

Onderweg moesten we twee riviertjes passeren. Het eerste riviertje was meer een kabbelend beekje, maar het tweede riviertje stroomde behoorlijk snel en we moesten goed zoeken naar een overgang, want er was geen bruggetje of zo. Van de één op de andere rost springend, bereikten we zonder problemen de overkant.

Op de route naar het uitzichtspunt kwamen we twee andere mensen tegen die zaten te lunchen. Al snel was duidelijk dat het Nederlanders waren en we raakten even aan de praat. Ze stonden met hun tentje op de camping in Fox Glacier en raadden ons de camping aan. We zouden ze later op de dag op de camping nog treffen. We liepen verder naar het uitzichtspunt en we vonden het zicht op de gletsjer nogal tegenvallen.

We gingen op de grond zitten lunchen. In een klein winkeltje in Fox Glacier hadden we échte Bolletje Roggebrood gekocht en met wat oude kaas smaakte dat als een gebakje. Na de lunch liepen we dezelfde route weer terug en kwamen nog twee andere mensen tegen.

Terug bij de auto besloten we naar de Franz Josef gletsjer te rijden. Die ligt op ‘slechts’ 23 kilometer van Fox Glacier, maar wat we niet wisten was dat de route nogal bochtig was en over een bergpasje ging. Het duurde daardoor langer dan verwacht voordat we bij de Franz Josef Gletsjer waren. We parkeerden de auto en begonnen weer aan een anderhalf uur durende wandeling naar de kop van de gletsjer. De wandeling ging door de (droge) rivierbedding.

Het zicht op de gletsjer veranderde steeds naarmate we de gletsjer meer naderden. De gletsjer loopt zo steil af dat toen we eenmaal aan de voet van de gletsjer waren, we de rest van de gletsjer niet meer konden zien. We stonden op zo’n 50 meter van de enorme, lichtblauwe ijswand. Dichterbij konden we niet komen, want dat zou te gevaarlijk zijn. De Franz Josef gletsjer is één van de (nog) weinig groeiende gletsjers. Overigens is dat pas weer sinds een jaar of vijf weer zo. Vijf jaar geleden schijnt er zoveel sneeuw te zijn gevallen. Dit zorgt voor zoveel druk, dat de gletsjer weer groeit, met een snelheid van ongeveer 2,5 meter per dag!

Op het informatiebord bij de gletsjer stond aangegeven tot waar de gletsjer is gekomen op een aantal momenten in het verleden. In 1970 schijnt de gletsjer maar een fractie te zijn geweest van wat ‘ie nu is. Niet alle gletsjers op de wereld krimpen dus. We hadden overwogen om een gletsjerwandeling te boeken op de Franz Josef gletsjer. We hadden dat (helaas) niet gedaan in Zuid Amerika. Maar toen we de enorme file van mensen over de gletsjer zagen lopen, waren we er niet zo rouwig om dat we dat ook nu niet hadden gedaan. Het is nogal een toeristische boel.

We reden terug naar Fox Glacier en gingen naar de camping aldaar. We zetten de tent op in een zeer drassig terrein. De camping was best aardig, maar wat de Nederlanders niet hadden gezegd is dat de camping naast de landingsplaats van de helikopters ligt. Wat een lawaai en wat een stank! Telkens stegen drie helicopters na elkaar op voor een 10 minuten durend vluchtje over de bergen.

Rond 19.00 uur reden we naar Lake Matherson. Dit is een zogenaamd ‘spiegelmeer’. Vanaf de parkeerplaats was het ongeveer 45 minuten wandelen naar een uitzichtpunt. Op dit punt hadden we een schitterend zicht op de Mount Cook en de weerspiegeling ervan in het meer. We hadden echt mazzel met het weer. Het was kompleet onbewolkt en er stond zo goed als geen wind. Hierdoor was het meertje inderdaad zo glad als een spiegel. Daarnaast was het licht perfect. De laagstaande zon scheen prachtig op de bergen in het oosten. Er waren slechts drie andere mensen aanwezig en het grappige was dat iedereen fluisterde. Iedereen was zeer onder de indruk van de omgeving.

Terug op de camping dronken we nog een wijntje samen met het Nederlandse echtpaar dat maar liefst twee jaar (altijd baas boven baas) op reis was. Ze woonden ook in Amsterdam en dat schepte een band, natuurlijk. Het gesprek werd even onderbroken toen er twee possums (buidelratten) werden gespot in de boom die op ongeveer drie meter afstand van onze tenten stond. Er zat een vrouwtje met een jong op d’r rug in de boom. Die werd door een aantal campinggangers op de foto gezet, maar ze was niet zo gecharmeerd van de flitsen en ze vluchtte al snel weg. Vreemd genoeg was het beest niet echt schuw. Later zouden we nog meer possums zien.

Donderdag 27 januari 2005                    

Om 07.00 uur werden we al gewekt door de helikopters die opstegen. Het was weer een schitterende ochtend, maar de tent was zeiknat van de dauw. We pakten de spullen in en gingen op weg naar Greymouth. Onderweg stopten we in het plaatsje Okarito. Dit plaatsje ligt 15 kilometer van de hoofdweg en telt (ook weer) zo’n 130 permanente inwoners. Vanuit het plaatsje start een wandeling naar een uitzichtpunt. We liepen naar het uitzichtpunt en hadden werkelijk waar het mooiste c.q. meest bijzondere uitzicht van het hele zuidereiland. We zagen zowel de zee, een lagune, de bossen en een 180 graden zicht op de Zuiderlijke Alpen. Waar vind je zoiets! Absoluut het meest bijzondere uitzichtpunt. We moesten hetzelfde pad weer teruglopen en na ruim een uurtje waren we weer terug bij de auto.

We reden verder noortwaarts. Deels door een schitterende omgeving en deels door wat minder interessant gebied. We passeerden talloze éénbaansbruggen, die soms over kleine stroompjes en soms over brede gletsjerrivieren hingen. In het kleine plaatsje ‘Ross’ lunchten we en na de lunch begonnen we aan een één uur durende wandeling langs de waterwegen uit de tijd dat hier op grote schaal goud werd gedolven. Water was belangrijk bij het zoeken naar goud en er werden speciaal daarvoor watertunnels, waterwegen en aquaducten aangelegd. De eigenaar van die watervoorziening verdiende daarmee meer geld dan de gouddelvers zelf.

De wandeling ging door het bos, langs een oude gouddelversbegraafplaats en langs een oud gouddelvershutje. Verder was met goed zoeken nog iets van de oude waterwegen terug te vinden.

In het plaatsje bestond de mogelijkheid om gouddelfpannetjes te huren en dan zou je zelf in het riviertje op zoek kunnen gaan naar goud, een leuk idee, maar dat deden we maar niet. Hoe groot is de kans dat we de reissom terugverdienen door naar goud te zoeken? Waarschijnlijk nogal klein en derhalve niet de moeite waard. Notabene stond de zon palk boven ons hoofd te branden en was het te warm om te gaan gouddelven.

Het volgende stadje dat we aandeden was Hokitika, dat bekend staat vanwege de jade. Er zijn inderdaad nogal wat winkels waar jade wordt bewerkt en verkocht. Wij troffen gelukkig een internetcafé, waar we (zowaar) onze foto-cd’s konden branden. Dat was hard nodig, want we konden namelijk niet meer fotograferen met ons digitaaltje. Beide 256 MB kaartjes én het 16 MB reservekaartje waren vol. We brandden de foto’s en we hoefden daar niet eens voor te betalen!. Dat scheelt als snel weer zo’n $ 10 à $15. Vanuit Hokitika was het niet meer zo ver naar Greymouth, waar we de tent opzetten op de plaatselijke Top 10 camping.

Vrijdag 28 januari 2005

Vanochtend was het geheel bewolkt. We reden het stadje in en gingen naar de bibliotheek, waar we een uurtje konden besteden aan het bijwerken van het dagboek. Er stond een computer waar we gratis gebruik van mochten maken, zolang we maar niet het internet gebruikten. We tikten ons verhaal in en sloegen het op op een floppy disk. Daarna gingen we op weg naar Nelson.

We reden via de kustweg noordwaarts en stopten alleen bij de ‘Pancake mountains’. Dit is een aantal rotsen die uit allemaal laagjes bestaan. De laagjes steen lijkt op een stapel pannekoeken, vandaar de naam. Het mooiste schijnt te zijn als je de pancake rotsen bij vloed bezoekt. Dan ontstaan er de zogenaamde blow holes. Wij waren er bij laagtij. Daarnaast was het bewolkt en we vonden een en ander nogal teleurstellend.

Na een korte stop reden we verder naar het plaatsje Motueka, zo’n 60 kilometer ten westen van Nelson. Het landschap was niet al te bijzonder tijdens dit ritje. In Motueka reden we naar het informatiebureau, maar dat bleek om 18.15 uur al gesloten, terwijl er op het openingstijdenbord stond dat ze tot 19.00 uur in de zomer geopend zijn. Nu de scholen weer zijn begonnen, is de zomer schijnbaar ten einde. Op de Top 10 camping zetten we de tent op.

Zaterdag 29 januari 2005

Het eerste dat we vanochtend deden was naar het informatiebureau gaan. In het informatiebureau stond de zeer behulpzame Gerard ons te woord. Hij vertelde een en ander over de wandeltochten die in het Abel Yasmanpark te maken waren en over kayaktochten op zee. Hij raadde ons aan een rondwandeling te maken in het noorden van het park, omdat die wandeling erg rustig zou zijn.

Niet veel mensen zouden in het noordelijkste deel van het park wandelen. Diezelfde tip hadden we ook al gehad van het Duitse meisje dat we in Invercargill hadden ontmoet. Gerard wees ons op een kayakbedrijfje dat een middagkayaktocht aanbood, nadat alle andere kayaktochten geëindigd waren. We zouden de zee dan (zo goed als) voor ons alleen hebben.

We besloten de wandeltocht in het noorden van het park vandaag te doen en morgen te gaan zeekayakken en zodoende gingen we op weg naar de parkeerplaats bij Wainui Bay. Een anderhalf uur durende rit via het plaatsje Takaka.

De route ging over een bergpas en het zijn volgens ons de bochtigste anderhalf uur op het Zuidereiland geweest. Er kwam geen eind aande bochten. Eenmaal over de bergpas belandden we in een vallei en was het weer wat prettiger rijden.

We parkeerden de auto in Wainui Bay en begonnen aan de wandeling. Het eerste uur was het klimen naar de top van Glenn Hill, die zo’n 400 meter boven zeeniveau ligt. Het zicht over de baai was mooi. Je kon heel duidelijk strepen in het water herkennen waar het water ondierper was dan elders. Later zouden we zien dat dat de vaargeulen waren.

Heel geleidelijk steeg de weg, maar toch gutste het zweet uit ons lijf. We kwamen een gezinnetje tegen dat met rugzakken liepen en twee trimmers, die naar de top renden! Verder waren we helemaal alleen in de beboste heuvels. De vegetatie bestond uit struiken en reusachtig grote varens, maar nadat we over de top waren, werd het iets bosachtiger. We daalden weer helemaal af tot zeeniveau. Al afdalend genoten we van prachtige vergezichten over gouden stranden en zagen we het kleine baaitje bij Totaranui waar talloze kano’s in het water dreven.

We filterden een fles water en liepen verder. We liepen nu op het kustpad en kwamen nu wel 10 tot 15 mensen tegen. Het pad steeg en daalde weer, steeg en daalde weer. Steeds naar een topje van een bergje of een bergpasje, die overigens niet meer de 400 meter hoogte haalden. Maar het was wel inspannend. De wandeling was schitterend, maar we vonden het toch ook wel weer goed toen we na 6 1/2 uur weer terug waren bij de auto. Het was inmiddels eb geworden en de Wainui baai lag er nu droog bij. We kronkelden 1 1/2 uur terug naar de camping, waar we lekker douchten en daarna op een stoeltje ploften.

Zondag 30 januari 2005

Bij het informatiebureau reserveerden we een kayak voor de middag-/avondtoer. We hadden nog net geluk, want er waren nog twee plaatsen beschikbaar. We moeten ons om 15.30 uur melden op het strand van Torrent Bay, bij de Anchorage hut. Vanaf de parkeerplaats in Marahau zou het 4 uur wandelen zijn naar dat strandje. Met de kayak zouden we dan terug peddelen naar Marahau. Het kano-avontuurtje kost een stevige $ 98,- per persoon. We sloegen proviand in voor de lunch bij de New World supermarkt en reden naar Marahau.

Het eerste deel van de 20 km naar Marahau ging door de vallei met aan weerszijde van de weg fruitbomen. Het tweede deel slingerde we weg weer door de heuvels. De parkeerplaats bij de start van de trekking was helemaal vol en we moesten de auto langs het strand / boulevard parkeren.

We begonnen aan de wandeling, die -ten opzichte van gisteren- nogal eenvoudig / weinig inspannend was. Het pad was voor het overgrote deel vlak en bevond zich steeds zo’n 50 meter boven zee. Het water was prachtig groen en de stranden goudgeel. Na zo’n 3 1/4 uur lopen kwamen we aan op het strand bij Anchorage hut en we hadden nog 3/4 uur om even uit te rusten op het strand. Pas rond 15.45 uur meldde iemand zich van het kayakbedrijf. We moesten zelf de kano’s naar het strand slepen en daarna kregen we een korte uitleg over het peddelen. We kregen een reddingsvest en een soort spatscherm uitgereikt.

Rond 16.00 uur vertrokken we en al snel lagen we voorop in de groep van de 4-tweepersoons kayaks. We peddelden de baai uit en belandden op ‘volle’ zee. Die was kalm, maar er waren (zoals in iedere zee) golfen en het was leuk om daar tegenin te peddelen. Het was soms goed navigeren tussen de rotsen in

de zee, waar het water flink wild was. Alles ging oké en we overleefden zonder problemen de ‘mad mile’, een stukje zee dat redelijk ruig is. We hadden een ‘picknick’ (een drankje en wat versnaperingen) op een verlaten strandje waar we overigens gek werden van de zandvliegjes.

De picknick was halverwege de route en daarna was het nog ongeveer anderhalf uur peddelen naar Marahau. De kayaktocht was erg leuk en er waren inderdaad helemaal geen andere kayaks meer te zien. Gelukkig was het een beetje bewolkt want anders zouden we ondanks het insmeren, levend verbranden op zee. Rond 20.00 uur kwamen we aan in Marahau en reden we terug naar de camping voor een frisse douche.

Maandag 31 januari 2005

We gingen vandaag op weg naar Picton. Onderweg hielden we even halt in Nelson, maar omdat het een feestdag in Nelson was, waren vele winkels gesloten. We liepen naar een heel oud straatje in Nelson, South Street, waar huisjes staan die tussen 1863 en 1867 zijn gebouwd. Een leuk straatje, maar jammer dat het niet autovrij is want anders zou je je zo in de 19e eeuw wanen.

Bij een outdoorwinkel kocht Remco een paar Teva-sandalen, die $ 30 goedkoper waren dan elders. Marjolijn had zich geörienteerd op dat type sandalen, zodat het kopen ervan zo gedaan was. Verder checkten we even snel de e-mail en kochten we onze lunch bij de New World supermarkt.

We vervolgden de route naar Picton en lunchten op een van de schaarse parkeerplaatsen langs de route. De route tussen Havelock en Picton, de zogenaamde scenic route was nogal kronkelig. Er was een uitkijkpunt over een van de vele fjorden. Jammer dat het weer niet zo goed was. Het was tamelijk bewolkt. Picton viel ons bijzonder tegen. Hier legt de veerboot vanuit Wellington aan en we hadden verwacht een plaats van enige omvang aan te treffen, maar Picton bleek een nietig dorpje te zijn. Bij de ferryterminal informeerden we naar tickets en die vielen met $ 45 mee. De Lonely Planet had $ 60 per persoon vermeld. Er was beschikbaarheid op de ferry op 2 februari om 11.30 uur en we besloten eerst met Hertz te bellen om door te geven dat we op 2 februari de overtocht zouden maken. Nadat we accoord hadden van Hertz (we zouden onze huurauto namelijk inleveren in Picton en een andere auto oppikken in Wellington), kochten we de ferry tickets. Daarna reden we naar de camping in Picton.

Dinsdag 1 februari 2005

Het weer wisselt hier echt van dag tot dag. Het was vandaag zeer zwaar bewolkt en de bewolking hing vreselijk laag. Soms viel er een heel dun miezerig regenbuitje uit. We hadden niet veel op het programma staan. Als het goed weer zou zijn geweest dan zouden we gaan wandelen in de Malborough Sounds, maar met dit weer was dat niet echt een goed idee. We besloten even naar Blenheim te rijden. We liepen even door het stadje, maar echt opwindend vonden we het niet. Al snel reden we weer terug naar de camping waar we een wasje draaiden en de rugzakken opnieuw inpakten en maakten we de rest gereed voor de overtocht. We besteedden de avond met het lezen in de reisgidsen van Azië.

In Blenheim hadden we bij enkele reisbureaus folders gehaald met o.a. hotels in Hong Kong en reisroutes in Azië en die gingen we even bestuderen.

Woensdag 2 februari 2005

Rond 10.30 uur zette Remco Marjolijn af bij de ferry-terminal samen met het overgewicht aan bagage. Die is echt nauwelijks meer te tillen allemaal. En dan te bedenken dat onze rugzakken waarschijnlijk nog het minst wegen. Het meeste gewicht zit nu in de kookspullen, luchtbedden, tent, stoeltjes e.d.

Remco parkeerde de auto op het parkeerterrein voor de Herz-auto’s en leverde de sleutel in bij hun kantoortje. We haalden onze boardingpass voor de ferry bij de balie van Interislander en checkten de bagage in.

Exact om 11.30 uur vertrok de catamaran op weg naar Wellington. De kapitein meldde dat de weersberichten voor de overtocht goed waren maar dat het vliegveld in Wellington gesloten was vanwege de extreem lage bewolking. De overtocht verliep goed en er was nauwelijks sprake van enige deining. Van de Malborough Sound hebben we echter weinig gezien vanwege de bewolking.

Tegen 14.00 uur waren we in Wellington, waar we met een shuttlebus van de Lynx-ferry naar de terminal van de ‘Interislander’ (de ferry-onderneming) werden gebracht, Daar houden de verhuurbedrijven namelijk kantoor. Al snel hadden we de sleutels van een goudkleurige Nissan Pulsar tot onze beschikking met nog maar 4.500 kilometer op de teller. We hadden ons Zuidereiland-avontuur overigens afgesloten met 4.100 km (van ons) op de teller.

We kwamen er al snel achter dat de Nissan Puslar een veel grotere kofferbak had dan de Toyota en dat kwam ons goed uit. Op het zuidereiland hadden we altijd wel één of meer tassen op de achterbank liggen, maar dat was nu niet meer nodig. Alles pastte in de achterbak.

We reden Wellington in en keken bij een hostal waar het mogelijk was om de tent op te zetten in de achtertuin. Er stonden echter al zoveel tentjes, dat we besloten om ons heil maar ergens anders te zoeken. We parkeerden de auto net even buiten het centrum en liepen het centrum in. We liepen toevallig langs een internetcafé, waar het internetten maar twee dollar per uur kostte en we gingen een uurtje internetten. We moesten hoognodig enkele financiële zaken regelen en we konden snel even enkele e-mailtjes lezen en versturen. We waren erg blij met de drie reakties op onze marrem.waarbenjij.nu pagina. Het gaf ons weer even het idee dat we toch niet voor niets ons dagboek op het internet bijhieden.

Bij twee reisbureaus informeerden we naar de prijs van het Novotel Harbour View in Hong Kong. We hadden eerder al een brochure met hotels in Hong Kong bij een reisbureau gehaald en het Novotel leek ons wel een goed alternatief. Accommodatie in Hong Kong schijnt vreselijk duur te zijn en zeer teleurstellend voor het geld, dus waarom niet iets meer betalen voor een gerenomeerd hotel. Daar kwam nog eens bij dat in de brochure een vier nachten verblijven / drie nachten betalen aanbieding stond en dat maakt het net weer even iets betaalbaarder. Eén van de reisbureautjes had niet direct een prijs beschikbaar en we zouden de volgende dag even terug moeten komen. Een tweede reisbureautje kwam met een prijs die zelfs lager lag dan in de brochure stond. Dat is pas goed nieuws.

Aan het eind van de middag reden we naar de Top 10 camping in Lower Hutt. Dit is een plaatsje even buiten Wellington. De tentplaatsen waren zeer ruim (niet gemarkeerd en er waren weinig campinggasten, vandaar), maar het sanitair en de keukenfaciliteiten stamden uit het jaar nul. Slechte camping, dus.

Donderdag 3 februari 2005

We reden naar Wellington en parkeerden de auto in de parkeergarage onder het Te Papa-museum. Hier is het parkeertarrief aan een maximum van $ 9,- per dag verbonden. Als je de auto op straat zou parkeren, dan kost dat alleen al $ 4,- per uur! Dat hebben ze vast van Amsterdam overgenomen. Gelukkig was het vandaag, na twee sombere dagen, weer eens een schitterende dag. We zouden de volgende dag in de krant lezen dat het met 29 graden de warmste dag van het jaar was.

We liepen wat door het centrum en informeerden bij enkele outdoorzaken naar Teva-slippers voor Marjolijn, maar er waren geen aanbiedingen of haar maat was niet meer op voorraad. Bij twee reisbureaus informeerden we naar de prijs van het Novotel en kwamen we erachter dat er toch nogal wat prijsverschil bestond tussen de reisbureaus. Het ene reisbureau berekende NZ$ 135 per nacht, terwijl het andere $260 voor vier nachten vroeg. Nogal een verschil.

Met het kabeltreintje reden we naar de top van een heuvel en we bezochten daar het railway-museum. Het was een klein museumpje in het oude machinehuis van de kabelbaan en in de kelder waren de oude machines nog te zien. De machines waren nog in werking, maar puur voor de show. De aandrijving van de huidige kabelbaan was elders. Het museum was klein. Er hing een groot aantal oude foto’s aan de muur en er stond nog een oude wagon.

Via de botanische tuin liepen we terug naar het centrum. We kwamen langs de Chinese Ambassade en we besloten te informeren naar een visum voor China. Het bleek dat we een driemaandsvisum konden krijgen dat pas ingaat als we China betreden. Het aanvragen zou vijf werkdagen vergen en zou ook bij het Chinese Consulaat in Auckland kunnen. Dat zou voor ons wel eens interessant kunnen zijn.

Eenmaal terug in het centrum liepen we naar het Te Papa-museum en besloten we om vandaag alleen de vierde verdieping van het museum te bezoeken. Hier is de tentoonstelling geweid aan de Maori-cultuur en aan de eerste immigranten die naar Nieuw Zeeland kwamen. In de Maori-tentoonstelling was veel schitterend houtsnijwerk te zien, een oorlogskano, een ontmoetingshuis, een woonhuis en nog veel meer. Veel van de dingen hadden schitterend houtsnijwerk. Er hingen ook veel oude foto’s van Maori. De tentoonstelling was zeer interessant.

De tentoonstelling waar de eerste immigranten werden belicht was ook zeer leuk om te zien. Er werd stil gestaan bij de selectie van kandidaat-emigranten in Europa. Daarbij was de centrale vraag we wel en wie niet (gratis) naar Nieuw Zeeland mocht. Daarnaast was er een tentoonstelling over de reis vanuit Europa etc. Erg leuk.

Na het museumbezoek deden we boodschappen bij de New World en reden we terug naar de camping.

Vrijdag 4 februari 2005

We bezochten vandaag het tweede deel van het museum. We parkeerden de auto weer in de parkeergarage onder het museum en liepen vervolgens naar de eerste etage van het museum (er is geen tentoonstelling op de begane grond). Daar was een tentoonstelling geweid aan aardbevingen en vulkanen, twee dingen die het dagelijkse leven in Nieuw Zeeland beheersen. Er was een zeer duidelijke uitleg over de twee continentale platen die precies onder Nieuw Zeeland over elkaar schuiven en de aardbevingen en vulkanische activiteit veroorzaakt.

Er stond een huisje, waarin een aardbeving werd gesimuleerd. Best wel heftig! En op een monitor lazen we de seismologische activiteit van de laatste vijf en van de ergste vijf aardbevingen. De laatste vijf aardbevingen hadden plaatsgevonden tussen 23 januari 2005 en 1 februari 2005 en hadden allemaal een kracht van ongeveer 5 op de schaal van Richter. Die hebben dus allemaal plaatsgehad tijdens ons verblijf in Nieuw Zeeland en we hebben er helemaal niets van gemerkt. Gelukkig maar! De tentoonstelling was schitterend van opzet en zeer duidlijk. Er waren veel interactieve dingen, films etc.

De tweede tentoonstelling op de eerste etage was geweid aan de fauna in Nieuw Zeeland. Veel echte (of nagemaakte) opgezette dieren. Die tentoonstelling was niet zo interessant, omdat veel musea hier aandacht aan besteden en we dat soort tentoonstellingen derhalve al vaker hadden gezien.

Op de tweede etage was een tentoonstelling waar de relatie tussen natuur en architectuur of industriele ontwerpen werd gelegd. Als beste voorbeeld geldt natuurlijk de Volkswagen Kever, die inderdaad zeer veel overeenkomsten vertoont met een echte kever. De tentoonstelling was klein, maar erg leuk.

Rond 13.00 uur reden we weg uit Wellington via de highway 2. Dat is overigens gewoon een tweebaans weg. Alleen het stuk tussen Wellington en Lower Hutt was 4-baans. We moesten een bergpas over en al snel waren we in de wolken en daarna bleef het bewolkt totdat we in Napier kwamen. Met name het laatste stuk van de rit in de omgeving van Hastings was leuk omdat we toen langs uitgestrekte wijngaarden reden. Langs de weg stonden borden waarop de wijnfeesten in Napier werden aangekondigd, maar we konden er niet veel van terugvinden in het centrum van Napier. Er was geen sprake van wat voor activiteit dan ook.

Zaterdag 5 februari 2005

We reden vanochtend naar Hastings. Net als Napier staat Hastings bekend om de vele gebouwen in Art Deco-stijl. We haalden een folder bij het informatiebureau, waar alle mooie gebouwen in stonden vermeld en we liepen langs een aantal ervan. Veel van de gebouwen stonden in de winkelstraat, die overigens erg leuk aangekleed was met talloze ‘hanging baskets’ vol bloemen. Het zag er kleurrijk uit.

We zagen een aantal art deco huizen en een aantal was heel mooi, maar doordat de huizen voornamelijk in de winkelstraat stonden, ging veel van het moois verscholen achter reclameborden, etc. In de winkelstraat was een handtekeningenactie aan de gang voor een andere nationale vlag. Niet eens zo’n onverstandig idee als Nieuw-Zeeland zich in de vlag wil onderscheiden van Australië. De vlaggen van beide landen lijken namelijk nogal op elkaar.

Na een kort bezoek aan Hastings reden we naar de top van de 400 meter hoge ‘Te Mata Peak’, nabij Havelock North. Het uitzicht was helaas beperkt vanwege het weer. Het was half bewolkt, maar erg heiig. In Napier liepen we nog wat door het centrum en langs het strand.

Zondag 6 februari 2005

De dag begon veelbelovend met een zonnetje, maar dat was van korte duur. We pakten de spullen in en gingen op weg naar Taupo, een ritje van ongeveer 150 kilometer. Naarmate we Taupo naderden, werd het steeds bewolkter en de zon verdween de rest van de dag achter de wolken. Er werd op verschillende plaatsen aan de weg gewerkt, zoals vrijwel op iedere weg in Nieuw-Zeeland. Nu was er over een grote lengte een nieuwe slijtlaag aangebracht en er gold een maximumsnelheid van 50 km per uur. Een vreselijke klootzak in een dikke BMW achter ons vond (natuurlijk) dat wij te langzaam reden en ging ons inhalen. Daarbij veroorzaakte hij een wolk van steentjes die bij ons tegen de auto en de voorruit ketsten. Nadat we waren gestopt en de auto hadden geïnspecteerd, bleek er gelukkig niets aan de hand te zijn, maar Remco kookte van woede.

Even later zagen we dezelfde auto voor ons, omdat hij vaart moest minderen vanwege een vrachtwagen. We maakten een paar foto’s van de auto en de kentekenplaat, als eventueel bewijs in geval van schade.

Nieuw Zeelanders hebben in het algemeen een zeer beperkt verkeersinzicht. Dat blijkt ook wel uit de talloze houten kruisjes langs de weg die soms op kaarsrechte stukken weg staan. Je vraagt je daarbij af: ‘Wat kan hier nu gebeuren?’. Ook staan er veel kruizen in bochten. Gas geven kunnen de Kiwi’s erg goed, maar men houdt geen rekening met overige weggebruikers.

Lake Taupo lag er vredig bij, maar met de laaghangende bewolking was de omgeving niet zo pittoresk. Het plaatsje Taupo zelf had niet zo veel te bieden, maar we besloten bij enkele outdoor-zaken te kijken voor sandalen (Teva’s) voor Marjolijn. Bij de eerste winkel was het meteen goed raak, want ze hadden nog twee verschillende kleurenparen in haar maat én met 25% korting. Na veel passen en afwegen kocht Marjolijn (tja, het is toch een hele stap om over te gaan op sandalen….) een paar roodgevlamde Teva’s.

Helemaal blij reden we naar de Huka falls. Deze waterval is op zich niet zo hoog, maar de vreselijke hoeveelheid water die neervalt en het geweld waarmee is erg bijzonder. Het riviertje dat het water aanvoert verandert van een 100 meter brede en vier meter diepe rivier in een woestkolkende rivier van slechts 15 meter reed en 10 (!) meter diep, voordat het water zo’n 15 meter naar beneden dondert.

Vervolgens reden we naar de ‘craters of the moon’. Dit is een plaats met veel fumarols en modderpoelen. Fumarols zijn een soort geisers en de modderpoelen zijn ook vulkanische elementen. Er was een hoop stoom dat op verscheidene plaatsen uit de grond kwam en het gebied zag er mooi en mysterieus uit.

We reden naar Whakapapa village, dat in het Tongariro National Park ligt. Van hieruit zou je ‘de mooiste wandeling van Nieuw-Zeeland’ kunnen maken. Deze gaat over de top van een vulkaan. Het bezoekerscentrum / DOC-kantoor was zeer interessant en zeer informatief over de wandeltochten in de omgeving. Het enige probleem waren echter de weersvooruitzicht. Dat zag er niet zo best uit voor de komende dagen en het is zinloos om een vulkaan te beklimmen die in de wolken ligt. Pas voor woensdag en donderdag werd redelijk tot goed weer voorspeld.

We besloten daarop om in één ruk door te rijden naar Wanganui aan de westkust. Dit was nog eens 100 kilometer door de heuvels. Aan het einde van de dag hadden we 400 km gereden en dat was een beetje te veel van het goede. We reden naar de Top 10 camping die werd beheerd door een Zuid-Afrikaans echtpaar. In de woonkamer kwamen we erachter dat er op de internet-computer notepad” zat, waardoor we konden tekstverwerken, zonder dat we van het internet gebruik hoefden te maken. We tikten anderhalf uur op het toetsenbord om de achterstand in het dagboek bij te werken en gingen pas laat naar bed.

Maandag 7 februari 2005

We verdwenen vanochtend beiden achter de twee computers op de camping. Terwijl Marjolijn het dagboek overtikte en het op de nodige punten aanvulde, schreef Remco een tekst voor de marrem.waarbenjij.nu pagina en een aantal e-mails aan vrienden en bekenden. Pas rond 13.00 uur reden we van de camping weg, maar toen was het dagboek zo goed als bijgewerkt en was een aantal persoonlijke e-mailtjes verstuurd. Bij de Subway in Wanganui kochten we een broodje tonijn en namen deze mee voor de lunch onderweg. De broodjes van de Subway zijn erg lekker, met veel sla, ui, paprika, etc. erop en zijn met $ 8 niet duur. Van een broodje kun je met z’n tweëen eten. Een lunch zelf verzorgen kost net zoveel.

We reden naar New Plymouth, waar we tegen 15.30 uur aankwamen. We reden die richting uit, hopende een glim van de vulkaan Taranaki (2518 m hoog) op te vangen, maar die liet zich niet zien. Het weer onderweg was nogal wisselvallig, maar namate we de vulkaan naderden werd het gewoon zwaar bewolkt en kregen we een buitje over ons heen.

De route ging door agrarisch gebied met vele melkkoeien in de weiden. Er reden ook veel melkauto’s op de weg. We reden langs een melkfabriek en aan het begin van de weg naar de fabriek was een melkcafe. Zou je daar verschillende soorten melk van de tap kunnen krijgen of zo? In New Plymouth parkeerden we de auto nabij het centrum en liepen de winkelstraat in. Bij een reisbureau van dezelfde keten als waarbij we in Wellington hadden geinformeerd naar een hotel in Hong Kong liepen we naar binnen. Bij dit reisbureau bleek men echter $ 40 boekingskosten te vragen. Dat waren we in eerste instantie niet van plan, aangezien in Wellington geen enkel reisbureau boekingskosten had gevraagd. We stapten bij het volgende reisbureau in de winkelstraat naar binnen. Er zat een man achter de balie die we beiden niet zo goed konden inschatten. Hij leek in eerste instantie een beetje nors, maar al snel bleek hij erg vriendelijk te zijn. Nadat we naar hotels in Hong Kong hadden geïnformeerd, belde hij met een collega die zelf net in Hong Kong was geweest. Die gaf aan dat het Majestic Hotel een goed hotel was, dat veel gunstiger is gelegen dan het Novotel. We besloten het Majestic hotel te boeken toen ook bleek dat er geen boekingskosten in rekening werden gebracht en dat de hotelvoucher de volgende dag klaar zou liggen.

We deden inkopen bij de New World en reden vervolgens naar de Top 10 Camping. De camping was klein, maar werd met zorg onderhouden. Toen we de tent hadden opgezet en even in onze stoeltjes voor de tent zaten, zag Marjolijn ineens de vulkaan met een sjaal van wolken om zich heen. We stapten direct in de auto en reden naar de rand van de stad. Daar was een mooie parkeerplaats vanwaar we mooi zicht hadden op de vulkaan. Zijn we toch niet voor niets hier helemaal heen gereden!

Dinsdag 8 februari 2005

Vanochtend mochten we even een glimp opvangen van de vulkaan Taranaki toen we de zeiknatte tent inpakten. Het had vanacht geregend en aan het sompige gras en de plassen op de weg te zien had het nog behoorlijk hard geregend ook. Al snel ging de Taranaki weer schuil achter dikke grijze wolken, terwijl het aan de kust steeds beter weer werd. De wolken trokken weg, blauwe lucht en een zonnetje verscheen.

We parkeerden de auto nabij het centrum. In ‘the Warehouse’ een warenhuis, neusden we wat rond. We waren op zoek naar een nieuw zeepdoosje, maar we verlieten de winkel met een broek voor Remco en ondergoed voor Marjolijn, twee cd’s: de laatste van Lisa Standsfield en een dubbel cd met ‘the best of the 90’. Later zouden we uitvinden dat die cd vol covers stond, terwijl daarvan op het doosje niets terug te vinden is.

Bij het reisbureau haalden we ons hotelvoucher op. Zoals beloofd lag deze klaar. De vriendelijk man van gisteren was bezig met een klant en een andere medewerkster hielp ons. Zij bleek 6 jaar in Amsterdam te hebben gewerkt en vond het leuk om weer even wat herinneringen op te halen. Ze sprak zelfs een beetje Nederlands en dronk het liefst een Grolsch-biertje.

We sjokten nog wat door New Plymouth, voordat we weer in de auto stapten. We reden terug naar Stratford, waar we de afslag naar ‘forgotten heritage highway’ naar Taumarunui (weg 43) namen. Volgens de reisgids was deze weg echt ‘off the beaten track’ en dat kan best waar zijn; we zijn inderdaad geen camper tegengekomen en het aantal tegenliggers dat we wel zijn tegengekomen viel op twee handen te tellen.

Het weer was nogal wisselvallig en het uitzicht was soms heel goed en soms erg beperkt als het weer eens regende. De route was erg mooi. Vooral ook vanwege het ontbreken van andere auto’s. We moesten onderweg nog even stoppen voor overstekend wild. Een kudde schapen stak de weg over. Ze zagen er fris geschoren uit.

Pas tegen 18.45 uur kwamen we aan in Whakapapa village waar we de laatst beschikbare plek op de camping namen voor twee nachten. De camping was nogal slecht met tentplaatsen op gravel en een schreeuwend tekort en nauwelijks functionerende faciliteiten. Maar goed, waar zou je je druk om maken als je als campingeigenaar een fortuinlijke monopoliepositie hebt in het Nationale park. We hadden op de weersvooruitzichten gezien dat het morgen een mooie dag beloofde te worden en we maakten ons gereed voor de volgende dag. We wilden de Tongariro-trek gaan maken die over de vulkaan voert.

Woensdag 9 februari 2005

Om 06.15 uur ging de wekker. Zo vroeg opstaan zijn we geheel ontwend sinds Zuid Amerika. We ontbeten en om 07.15 uur kochten we bij de receptie van de camping twee retourtjes voor de bus naar het begin van de wandeling voor de absurde prijs van $ 20 per persoon. De bus vertrok om 7.30 uur vanaf de camping en bracht ons naar het begin van de Tongariro-trek, dat zo’n 20 kilometer rijden was. Toen we op de parkeerplaats aankwamen, bleek dat er al zo’n vier bussen stonden. Vol goede moed begonnen we aan de wandeling van 7 uur over de Tongariro-vulkaan.

Klik op foto voor vergroting

Schitterend wandelen..

Het eerste uur was het aangenaam wandelen. In dat uur stegen we 200 meter en het pad was overwegend goed. We waren zeker niet de enigen die aan het wandelen waren. Sterker nog: we liepen in een lang lint van mensen. Dat waren we niet gewend en vonden we ook wat minder, maar het is nu eenmaal een populaire wandeling. Na een uurtje ‘inlopen’ kregen we de eerste vuurdoop. In 45 minuten stegen we een meter of 400. Het pad ging vrij steil over keien omhoog. Daarna was er weer even een vlak stuk dat door de zuid-krater voer die uit geel zand bestond. Daarna was het weer even klimmen, maar die klim was gelukkig minder steil dan de eerste.

We kwamen uit bij de ‘rode krater’. De krater bestond inderdaad voor een groot deel uit rood gesteente. Het andere deel was zwart. Er steeg een hoop stoom op uit de grond en er waren enkele bronnen met stoom. Natuurlijk stonk het behoorlijk naar rotte eieren. Toen we net over de top waren, zagen we de twee emeraldkleurige meertjes. Die lagen er prachtig bij toen de zon er nog op scheen, maar de grijze wolken kwamen al binnendrijven en de naastgelegen Mount Ngauruhoe (2.287) lag rond 12.00 uur met de top in de wolken. Voor die tijd hadden we de perfecte, konische vulkaan gelukkig al op de foto gezet.

We dansten op de vulkaan toen we op het hoogste punt waren en daarna begon de afdaling. Via mul zand dat zo glad was dat het soms leek alsof we aan het skiën waren. Iedere stap die we namen gleden we vervolgens een meter door naar beneden. Daarna liepen we door de middelste krater tot aan het blauwe meer. We begonnen vervolgens aan de afdaling van zo’n 3 uur. Een aantal mensen had ons gezegd dat die afdaling, na letterlijk het hoogtepunt, nogal saai en vermoeiend was. Wij vonden het echter niet zo saai, omdat de route deels door bergweiden, deels door een gebied met lage struiken en deels door de bossen ging. Best afwisselend dus. Maar de afdaling was wel vermoeiend en was een behoorlijke aanslag op de knieën.

Op de parkeerplaats aan het einde van de 17 km lange wandeling, stond de bus klaar die ons terug zou brengen naar de camping.

Donderdag 10 februari 2005

Het is niet zo verbazingwekkend dat we er gisteravond tamelijk vroeg in lagen. De beentjes wilden wel wat rust. Maar vanochtend waren we bijtijds weer wakker. Dat werden we wel van de anderen die, net zoals wij gisteren, vandaag de trek gingen lopen en voor de nodige lawaai zorgden. Het was weer een schitterende dag en nadat we de tent hadden ingepakt, gingen we op weg naar Rotorua. We maakten nog een aantal foto’s van afstand van het gebied dat we gisteren te voet hadden verkend. We reden verder richting Taupo.

Op een gegeven moment op de route werd er door een groot aantal auto’s naar ons geseind met de koplampen. We werden voor iets gewaarschuwd, maar we wisten nog niet waarvoor. In ieder geval gingen we behoorlijk minder hard rijden. In Australië betekende deze signalen vaak dat er een radarcontrole verderop was, maar dit was honderdduizend keer erger. We zagen namelijk een hoop auto’s op de weg en in de berm staan. We hielden halt, omdat de rijbaan niet vrij was, maar mensen gebaarden ons om tussen de auto’s door te zig-zaggen.

Toen we verder reden, zagen we dat een vreselijk ongeluk zojuist plaats had gevonden tussen een personenauto en een vrachtwagen. Van de personenauto was niets meer over. Het dak lag er af en de motor en versnellingsbak lagen in duizende stukjes verspreid op de weg over tientallen meters. Andere vrachtwagens bleken de weg te hebben geblokkeerd om het doorgaand verkeer te belemmeren. Er waren nog geen hulpdiensten ter plaatse. We keken vluchtig naar de auto en zagen een vrouw achter het stuur zitten en ze was nog bij bewustzijn. Wat een wonder. Er stond al een aantal mensen te helpen en wij konden verder toch niets verrichten, dus reden we, behoorlijk ontdaan, verder. Het verbaasde ons dat er in een zeer flauwe bocht bij zulke goede weersomstandigheden zo’n ongeval plaats kon vinden.

We reden verder naar Taupo en pas een minuut of 10 à 15 nadat we de plaats van ongeval gepasseerd waren, kwamen twee politieauto’s en een ambulance aanscheuren en nog veel later kwam de zo belangrijke brandweerauto aanrijden. De rit naar Taupo werd verder gedomineerd door zwaailichten van hulpdiensten op weg naar het ongeval.

We zaten met een droge mond en met hartkloppingen in de auto en werden er nog eens op gewezen hoe zeer je hier moet uitkijken op de weg. Al talloze keren hebben we gemerkt dat de Nieuw Zeelanders behoorlijk slechte chauffeurs zijn. Het enige dat ze goed beheersen is het gaspedaal, maar als het gaat om sturen of verkeersinzicht, dan schieten ze vreselijk te kort. Men haalt in op plaatsen waar het volledig onverantwoord is en men heeft er geen probleem mee om de maximumsnelheid op de tweebaanswegen te overschrijden. Die maximumsnelheid ligt overigens al op 100 kilometer per uur!! Op de weg moet je zowel voor jezelf denken als voor alle andere weggebruikers die je tegenkomt.

We passeerden Taupo. We stopten er niet meer, omdat we dat op de heenweg al hadden gedaan. Het meer lag er overigens niet veel mooier bij dan tijdens ons eerste bezoek. Het meer is veel te groot om er een mooie foto van te maken en dat deden we dan ook maar niet. We vervolgden onze route naar Rotorua. Op omgeveer 25 kilometer voor Rotorua was een heetwater meer, waar we een paar mooie foto’s van namen. Hier was ook een gratis hotspring (voor alle andere in de omgeving van Rotorua moet flink worden betaald). Het was echter veel te warm buiten (de temperatuur) om in een hot pool te gaan liggen en dus reden we maar verder. Toen we Rotorua binnenreden wisten we het meteen: ‘dit is een stinkstad!’. De stank werd veroorzaakt door de talloze zwavelbronnen. We parkeerden de auto en liepen het centrum in. Bij de Subway kochten we weer een heerlijk broodje tonijn. Die werd zo dik belegd, dat je er wel twee broodjes van kon maken. Heerlijk!

We liepen verder wat door het centrum en daarna gingen we op zoek naar een camping. De camping in het centrum van Rotorua werd geheel bezet door Nederlanders. Dat vonden we niet zo leuk en we keken verder. We belandden uiteindelijk op een camping aan het Blue Lake op ongeveer 16 kilometer van Rotorua. De camping was lekker rustig en lag aan het schitterend meer. Nadat we de tent hadden opgezet gingen we lekker even zwemmen in het meer.

Vrijdag 11 februari 2005

We reden nog even naar Rotorua en parkeerden de auto in het Kuirau-park. In dit park zijn veel hete bronnen; heetwaterbronnen, modderpoelen en geistertjes. We liepen door het park en staken de weg over naar het Maori-ontmoetingshuis en de Maori-kerk. Beide bevatten erg mooi houtsnijwerk. Daarna was het alweer tijd om verder te rijden.

We gingen op weg naar Te Puke. De route ging door een heuvelachtig landschap dat werd bepaald door weiden en dan weer door naaldbossen. Hele stukken land waren kaalgekapt en werden herplant. De houtindustrie is wat dat betreft big business in Nieuw-Zeeland. In Te Puke is de ‘Old Auto Barn’. Dit is een museum met heel veel oude auto’s.    

We bezochten het museum dat in een grote loods was gevestigd. De oude auto’s uit het begin van de 20e eeuw stonden deur aan deur in de hal. Er zaten schitterende exemplaren bij en vele stonden ook te koop. Volledig gereviceerd en gerestaureerd en de prijzen vielen op zich nog wel mee. Er was ook een redelijke collectie 50-er, 60-er en 70-er jaren auto’s. Erg leuk allemaal.

Na het bezoek reden we verder noordwaarts, naar het plaatsje Tauranga. Hier was op zich niet veel te beleven, behalve de aanwezigheid van een Nederlandse winkel. Allerlei Nederlandse produkten stonden in de schappen en veel van de produkten waren al ruim over de houdbaarheidsdatum. In de winkel kon je ook een broodje kroket kopen en dat deed Marjolijn dan ook. We keken nog even bij een replica van een maori-oorlogskano in het dorp, maar die was niet zo indrukwekkend.

We vervolgden onze weg via de highway 2 en de volgende plaats die we aandeden was Waihi. Hier ligt een enorme open goudmijn. Op een groot informatiebord bij de mijn stond dat er 1.000 kilogram aan steen moet worden weggehakt om 3 tot 6 gram goud te kunnen delven.

Vanaf een uitkijkpunt konden we het 200 meter diepe mijngat bekijken en zagen we enorme vrachtwagens het puin naar boven rijden. Eén van de vrachtwagens stond bij het uitzichtpunt en was van het zelfde type als in Noord-Chili (Kopermijn). Verder was er een informatiecentrum bij het uitkijkpunt, dat meer toelichting gaf op de toekomstige plannen van de mijn, dan over de mijn. Ze willen op een nieuwe plek in het plaatsje gaan delven, want deze mijn is inmiddels bijna uitgeput.

We reden nog een eind verder naar een camping in Whitianga.

Zaterdag 12 januari 2005

We keken nog even in het plaatsje rond voordat we verder reden naar Coromandel town. Dit is ook weer een klein plaatsje op het schiereiland. Een knus vissersdorpje waar veel handwerkartikelen en antiek werd verkocht. Hier stond een visrokerij. Is dat niet typisch Nederlands? Vanuit Coromandel reden we langs de westkust zuidwaarts naar Thames. We konden de westkust meer waarderen dan de oostkust omdat de weg voor een groot deel écht pal langs de kust ging en werkelijk schitterend is.

Klik op foto voor vergroting

Coromandel

In Thames zetten we de tent op. De campingeigenaar was nogal een raar baasje. Dat werd ’s avonds nog even bevestigd toen 3 mensen tegenover ons kwamen staan, terwijl 2 mensen zich maar hadden ingecheckt. Voor het kamperen betaal je hier namelijk per persoon NZ$ 12. De eigenaar kwam op de fiets naar de 3 mensen toe en sommeerde ze eerst alle 3, maar later alleen de 3e, de niet ingecheckte persoon, per direct het terrein te verlaten. Het een en ander ging nogal gepaard met veel geschreeuw. Hij dreigde de politie te bellen i.v.m. tresspassing (betreden van prive-terrein). Hij was behoorlijk resoluut en wilde van geen discussie weten. Uiteindelijk kozen ze alle 3 het hazepad, zonder dat ze het betaalde kampeergeld terugkregen.

Zondag 13 februari 2005

We hadden gistemiddag nog net voor sluitingstijd bij het informatiebureau geïnformeerd naar de wandeltocht naar “the pinnacles”. In de Lonely Planet stond dat deze wandeltocht drie-en-een-half-uur zou duren, maar bij het informatiebureau bleek dat iets te optimistisch. Die drie-en-een-half uur was voor een enkele reis! We vonden zeven uur lopen iets te veel van het goede, mede omdat Marjolijn een verkoudheidje had opgelopen.

Daarom reden we via wegnummer 25 in de richting van Auckland. De weg ging voor een groot deel langs de kust en was heerlijk rustig. We hadden besloten om de camping ten zuiden van Auckland te inspecteren en te kijken of dat een alternatief zou zijn voor de laatste dagen in Auckland. De camping ligt aan de Great South Road en het Chinese Consulaat zou ook aan die weg liggen. We kwamen bij de camping aan en bekeken ‘m. De camping en de faciliteiten zagen er oké uit. In de keuken bleek dat deze camping door velen als laatste wordt gebruikt voor vertrek uit Nieuw Zeeland, want er stond een enorme bak met gratis ‘left overs’. Zo stonden er wel 30 dezelfde zoutpotjes op het aanrecht! Erg grappig.

We besloten om nog maar niet de tent op te zetten en eerst maar eens op zoek te gaan naar het Chinese Consulaat. Op het opgegeven huisnummer aan de Great South Road zat echter geen consulaat. Bij een chinees supermarktje in de buurt vroegen we waar we het consulaat wel konden vinden en toen bleek dat de Great South Road nogal lang was en door diverse buitenwijken liep. In iedere buitenwijk begon de nummering opnieuw. Volgens het Chinese mannetje moesten we nog zo’n 20 kilometer in de richting van Auckland. Dat deden we en uiteindelijk kwamen we bij het consulaat aan. Dat bleek vanwege de Chineese nieuwjaarsvakantie gesloten tot en met 15 februari. Balen voor ons, zeg! Gelukkig maar dat we de tent nog niet hadden opgezet.

We reden verder naar Auckland en besloten om een drietal hostals af te lopen, waar het mogelijk zou zijn om de tent op te slaan in de tuin. Het eerste hostal konden we echter niet vinden en van de andere twee werden we niet echt vrolijk. Het zou er dus op neerkomen dat we de laatste dagen in een hostal in Auckland zouden verblijven in plaats van in de tent.

We verlieten Auckland via de Highway no. 1 naar het noorden. Wat was het vreselijk druk op de weg, zeg. En dat voor een zondagmiddag. De eerste paar kilometer uit Auckland ging via een vierbaanssnelweg, maar al snel werd de weg weer tweebaans.

Even ten zuiden van het plaatsje Warkworth was het “Honey Centre en Café”. Hier kun je van achter een glasplaat kijken in een aantal bijenkasten. Daar was het pas écht druk. Het was wel heel erg leuk om eens bij de bijtjes op bezoek te gaan. In het café kochten we een honingijsje. mmmm!

We reden verder naar Whangarei. Met 45.000 inwoners is dit de grootste stad van het Northland. Op de plaatselijke Top 10 camping zetten we de tent op.

’s Avonds keken we in de TV-kamer naar twee afleveringen van het Amerikaanse programma “Extreme adventure” Dit is een spelprogramma waar een aantal koppels opdrachten moeten vervullen in verre landen. Net zoiets als de Peking Express die door een van die commerciële rakkers op de Nederlandse TV te zien was vorig jaar.

Maandag 14 februari 2005

Het was schitterend weer toen we vanochtend wakker werden. De tent stond echter in de schaduw en was zeiknat van de dauw, dus die gooiden we maar weer op de achterbank. We reden naar het centrum van Whangarei, waar we in een outdoor shop impregneerspul kochten voor de klamboe. Daarnaast informeerden we bij het postkantoor naar de mogelijkheden en prijzen van het opsturen van een pakket naar Nederland. We hadden behoorlijk veel op te sturen.

De mogelijkheid tot verzenden was er wel, maar van de prijs werden we niet echt vrolijk. Een pakket van 20 kilo zou NZ$ 250,- kosten. Dit komt neer op zo’n

€ 140,-!. We besloten dat maar niet te doen en nog één keer te slepen met de spullen naar Hong Kong om daar te kijken naar mogelijkheden. Hong Kong ligt dichterbij Nederland en is een grotere zeehaven met meer mogelijkheden. Misschien dat het versturen van een pakket vanuit Hong Kong goedkoper is.

Hoewel de dag zo mooi was begonnen, was de hemel inmiddels helemaal grijs geworden en ging het zelfs eventjes regenen. We reden verder naar het plaatsje Russell. Dit plaatsje was één van de eerste nederzettingen van de Europeanen in de 19e eeuw. Ooit woonden hier meer dan 10.000 mensen. Nu zijn het er niet meer dan 1.100. Het was een zeer aardig en rustig plaatsje met een aantal mooie, witte houten huizen. Er was in het plaatsje ook een Top 10 camping, maar daar wilden ze $ 31,- per nacht hebben en dan moesten we ook nog eens 50 cent betalen voor 5 minuten douchen. Dit was de duurste camping die we hebben meegemaakt. En de kranen waren niet eens van goud! Dat deden we dus maar niet en we reden verder, via het plaatsje Paihia naar Kerikeri.

Het plaatsje Paihia was echt vreselijk. Er wonen nauwelijks mensen, maar het sterft er van de toeristen. Alles is geënt op toeristen en dat is ook duidelijk te merken. We reden snel door.

De Top 10 camping in Kerikeri was netjes en was met $ 23,- heel wat schappelijker geprijsd. We zetten de tent op op de oever van het riviertje. Een mooie lokatie, zo naast een kabbelend beekje, maar wat we niet wisten was dat het er vol zat met zandvliegjes. ’s Avonds voor het naar bed gaan, moesten we er eerst 20 doodmaken.

Remco ging de klamboe impregneren voor in Azië. Dit moet de muggen weghouden bij de klamboe. Een vies werkje, want hij moest handschoenen aandoen. Op het flesje stond met grote letters ‘Poison’, dus oppassen. De klamboe hoefde maar 2 minuten in het spul te liggen en was toen al klaar. Er was nog een hoop impregneermiddel over en Remco behandelde ook maar meteen een aantal broeken, wat ook mogelijk was, want dat stond in de gebruiksaanwijzing vermeld.

’s Avonds verwenden we onszelf bij een India’s Restaurant met twee heerlijke curries.

Dinsdag 15 februari 2005

We reden naar de 27 meter hoge Rainbow waterval in Kerikeri. Na veel – een beetje teleurstellende – watervalletjes te hebben gezien, was dit weer eens een hele mooie. Gelukkig scheen het zonnetje en was er inderdaad een regenboog te zien. Via wegnummer 12 reden we naar de westkust. We zouden niet meer verder noordwaarts gaan, want daar zou alleen nog maar de 90 Mile Beach zijn. Daar kun je met een bus over het strand rijden, maar dat hadden we al op Frasier Island gedaan en waarom zouden we dat nog eens doen? Het landschap onderweg was erg mooi en werd bij het plaatje Omapere nog mooier. Daar waren de zandduinen en een groot zeegat.

We hadden het -voor ons- noordelijkste deel in Nieuw Zeeland gepasseerd en we reden weer zuidwaarts langs de westkust. Die was schitterend. Al snel reden we door het Waipua Kauri Reserve, een natuurpark. De weg door het natuurpark was 19 kilometer lang en nogal bochtig. We reden in een groene oase van bomen en met name enorme varens. Die varens zijn er ooit geplant om te voorkomen dat de zaden die door auto’s het bos in worden genomen doordringen in het bos. De varens fungeren als het ware als een natuurlijke muur.

Het natuurpark staat bekend vanwege de Kauriboom die er nog voorkomt. Die boom heeft in de afgelopen eeuwen voor heel wat welvaart gezorgd. Het hout is heel duurzaam en mooi en de boom levert het bekende barnsteen. Barnsteen is namelijk het versteende hars van deze boomsoort en er is door mensen jarenlang in de grond gespit op zoek naar barnsteen. Langs de weg stond nog een 2.000 jaar oude Kauriboom. Het was niet erg lastig om de lokatie te vinden, aangezien er een klein parkeerplaatsje was dat vol stond met auto’s en tourbussen.

Na een korte wandeling over houten planken door het bos (de wortels van de bomen zouden gestresst raken als er zoveel bezoekers langs zouden komen, écht waar!) kwamen we bij de boom. Die was heel bijzonder. De stam heeft een diameter van 5,5 meter en de stam is 18 meter hoog voordat de eerste takken uit de stam groeien. Heel vreemd was dat deze woudreus een relatief kleine kruin heeft. Aan de voet van de boom waren enkele bankjes geplaatst en op een van die bankjes zat een Maori-man gitaar te spelen en te zingen.

Via een heuvelachtig landschap reden we verder naar Dargaville, waar we de tent opzetten.

Woensdag 16 februari 2005

We reden verder zuidwaarts tot aan de vreselijk kleine plaats Matakohe (400 inwoners en verder geen faciliteiten), waar het schitterende Kauri-museum is gevestigd. Het hele museum is geweid aan deze boom en is zeer leuk en interessant. Tentoongesteld waren meubels van Kauri-hout, het hele houtproductieproces, van het vellen van de boom tot het verwerken van de stammen in de zagerijen. Hier stonden enorme machines om de boomstammen met een diameter van soms meer dan 5 meter te zagen. Aan de wand hingen zeer veel foto’s van mensen die in deze industrie werkten. Naast hout was de Kauriboom ook zeer belangrijk vanwege de barnsteen die het produceert. Barnsteen is versteend hars van deze boom en wordt pas waardevol (en mooi) na enkele honderden jaren te hebben uitgehard. In de kelder van het museum stonden enkele uitstalkasten met enorm veel barnsteen erin. Veel barnsteen was ook bewerkt en tot kunstzinnige sculpturen gesneden. Die waren erg mooi. Het museumbezoek was zeer de moeite waard en is een bezoek absoluut de moeite waard.

In de museumwinkel stonden veel Kauriprodukten, maar die waren aan de prijzige kant en we konden toch niets meenemen. We namen wel enkele hangertjes van jade mee.

We reden verder zuidwaarts en maakten een mislukte de-tour nabij Port Albert. We hadden gehoopt om naar een mooi uitzichtspunt over het schiereiland en het zeegat te rijden, maar de weg ging niet zover. Jammer, want nu moesten we de 30 kilometers weer terug naar de hoofdweg om vervolgens verder te rijden naar Parakai. Hier zetten we de tent op op de camping bij het naastgelegen hot spring / zwembad. De camping was nogal aan de prijs, maar die prijs was inclusief de toegang tot het zwembad. Nadat we de tent hadden opgezet, gingen we dan ook lekker even een aantal baantjes zwemmen en daarna ‘koken’ in de hot spring.

Donderdag 17 februari t/m zaterdag 19 februari 2005

Vanuit Parakai was het nog maar zo’n 50 kilometer terug naar Auckland, maar we maakten een omweg via het kustplaatsje Piha. De weg naar Piha ging door een mooie omgeving. Veel groen langs de weg, die erg bochtig en smal was. We maakten een foto van de kust en reden terug in de richting van Auckland. Het was even zoeken naar de juiste weg in Auckland zelf, want de bewegwijzering was niet zo duidelijk. We vonden echter snel genoeg de weg naar het centrum en we reden naar de Sky Tower, waar het informatiebureau van Auckland is gevestigd. Marjolijn ging informeren naar budget-overnachtingsmogelijkheden in Auckland, terwijl Remco achterbleef in de auto. Die stond namelijk geparkeerd waar het niet mocht. Door een picolo van het hotel werd hij twee keer verzocht door te rijden.

Door een blokje om het hotel te rijden, kon je weer 5 minuten blijven staan waar het niet mocht.

Marjolijn kwam naar buiten met een aantal folders van budgetaccommodaties en we reden naar Princeton Accommodations, dat zeer centraal gelegen is in de Symonds Street, vlakbij de universiteit van Auckland. De twee nieuwe torentjes van 18 etages (2 jaar oud) zijn ingericht als studentenkamers. Twee kamers delen een badkamer en een volledig ingericht, maar piepklein keukentje. De kamer was ook klein, maar zag er keurig uit en de bedden waren uitstekend. Voor Nz$ 50 per nacht was het ook niet vreselijk duur. Die prijs zouden we ook betalen in een backpackershostal, maar daar zouden we zeker niet zo’n verzorgde kamer hebben gehad.

Snel ruimden we onze verhuiswagen uit en daarna reden we naar het kantoor van Hertz om de auto in te leveren. Alles was goed met de auto, alleen op de rekening was NZ$ 18 aan ferrie-terminalkosten in rekening gebracht die volgens ons niet was geoffreerd. We zouden onze offerte moeten nakijken om dat te controleren. We liepen naar een internetcafe en inderdaad was dat bedrag niet geoffreerd. Snel terug naar Hertz en daar werd er niet moeilijk over gedaan. Het bedrag zou worden teruggestort.

Tijdens de twee volle dagen in Aucland winkelden we wat (op zich niet zo bijzonder) in het relatief kleine centrum. Bij een boekwinkel die z’n collega-boekwinkel naast hem de troef afstak met kortingen, kochten we de nieuwste editie van de Lonely Planet van Laos met 25% korting. Kijk, dat is nu eens aardig! We bezochten het Auckland Museum, dat in een mooi park op een heuvel ligt. Mooi uitzicht vanaf de heuvel. Het museum was groot en mooi. Er stond een aantal Maori (ontmoetings-)huizen en er was een hoop houtsnijwerk tentoongesteld. Maar het museum was minder mooi van opzet dan het Te Papa Museum in Wellington.

Eén middag gingen we met een redelijk dure ferry naar de andere kant van de haven. Daar ligt de buitenwijk Devonport. Dit is een zeer rustige wijk in vergelijking met downtown Auckland. Er stonden mooie huizen en is absoluut een leuke plek om te wonen.

In het park bij de ferryterminal in Devonport was het wijn-en-eten-festival. De toegang bedroeg Nz$ 20, maar we konden vanaf de weg ook wel zien wat er gebeurde. We kwamen overigens niet voor het festival, maar het zorgde wel wat extra levendigheid. We liepen naar de top van de 87 meter hoge, uitgedoofde vulkaan. Het 360 graden uitzicht was erg leuk. Met name het zicht op de skyline van Auckland.

Twee avonden achtereen zijn we naar de bioscoop geweest. De eerste avond gingen we naar de ‘Motor Cylcle Diaries’. We hadden die film in Zuid Amerika ook al gezien, maar toen hadden we weinig van het verhaal begrepen omdat de film in het Spaans was. Ook nu was het nogal lastig om alle ondertitelingen te lezen, omdat die nogal snel gingen. De film was ook nu weer erg leuk om te zien.

De tweede avond zijn we naar ‘Ray’ geweest. Een leuke en interessante film over het leven van Ray Charles.

Zondag 20 februari 2005

Hong Kong (tusssenstop)

Om 05.00 uur ging de wekker en om 05.20 uur stond de Airport Shuttlebus voor de deur klaar. Hij was 10 minuten te vroeg! Het minibusje zat al redelijk vol en het bleek dat wij de laatsten waren die werden opgepikt. Bij de receptie van het hostal hadden we gistermiddag de shuttlebus geboekt en daar hadden ze gezegd dat de rit naar de luchthaven zo’n 45 tot 60 minuten zou duren. Echter, op dit vroege uur van de dag was er weinig verkeer op de weg en we waren binnen een half uur al op de luchthaven. Onderweg zagen we twee mannen die aan het trimmen waren; en dat om 05.30 uur! Rare jongens, die Kiwi’s!

Onze bagage woog nog steeds te veel, maar werd zonder problemen ingecheckt en de vlucht naar Hong Kong verliep soepeltjes en om 15.20 uur landden we in een mistig en koud Hong Kong. Het was negen graden celcius. Nadat we onze bagage hadden opgehaald, namen we in de aankomsthal geld op bij de geldautomaat. Het bevreemde ons dat de bankbiljetten van dezelfde waarde er anders uitzien en we kwamen er al snel achter dat iedere bank z’n eigen biljetten uitgeeft. We liepen naar de bussen en kochten kaartjes voor de speciale airportbussen die een route langs de belangrijkste wegen in Hong Kong rijden. Wij namen de A21 naar de Natan Road in Kowloon. De dubbeldeksbus stopte vrijwel voor ons hotel, zodat we niet al te ver hoefden te lopen met de bagage.

Bij de balie van het Majestic-hotel zullen ze wel vreemd hebben opgekeken toen ze twee rugzaktoeristen aan zagen komen lopen met meer bagage dan de gemiddelde tourbusreiziger. Een beetje overdreven, natuurlijk, maar we slepen nog altijd te veel mee.

We kregen een kamer op de 13e etage en de kamer zag er zeer verzorgd uit. We hadden juist gevraagd om een kamer zo hoog mogelijk in het gebouw, omdat er op de begane grond van het gebouw een lawaaierige discotheek is gevestigd. In de kamer was zelfs een minibar, maar die was leeggehaald toen we bij de receptie weigerden om een forse borg voor de kamer te betalen. Wij vonden het een goede oplossing, want nu hoefden we de koelkast niet zelf uit te ruimen om onze eigen biertjes erin te koelen.

Maandag 21 t/m woensdag 23 februari 2005

Wat doe je als je in Honk Kong bent? Winkelen! En dat is wat we dan ook deden. Alle dagen was het weer grijs en grauw, dus het had weinig zin om met het trammetje naar de top van de heuvel te rijden voor het spectaculaire uitzicht. Gelukkig steeg de temperatur in de loop van de dagen van 10 graden naar zo’n 15 graden.

Natan Road in de wijk Kowloon is één lange winkelstraat. Het straatbeeld wordt gedomineerd door winkelend publiek, reclameborden die ver over de vierbaansrijbaan hangen en door vele dubbeldeksbussen en taxi’s. Alle taxi’s zijn van hetzelfde merk en type en zijn ook alemaal hetzelfde van kleur. Met name de reclameborden, die ’s avonds allemaal verlicht zijn, is een leuk gezicht.

Het was de eerste dag dat we in Hong Kong waren erg grappig om de inwoners van Hong Kong over straat te zien lopen in dikke winterjassen en soms zelfs met handschoenen aan en een muts op. Negen graden voor ons is niets bijzonders, maar hier zijn dat winterse temperaturen.

Het enige dat we echt moetsen kopen waren cassettes voor de videocamera. Bij enkele electronicawinkels vroegen we naar de prijzen en die lagen nogal ver uit elkaar, namelijk tussen de $ 120 voor 3 cassettes tot $ 116 voor 5 cassettes van hetzelfde merk en type. Tijdens onze inkoopsessie in Hong Kong kochten we naast DV-cassettes enkele kledingstukken. Het kledingmerk Esprit is in Hong Kong (waar veel van de Espritkleding wordt gemaakt) vertegenwoordigd met enkele outlet stores, waar afgekeurde kleding tegen dumpprijzen wordt verkocht. Ook hier bleek dat de afgekeurde kleding 100% oké was, maar dat de kleding dan voorzien was met een labeltje met de verkeerde maataanduiding of dat het labeltje op z’n kop was ingenaait. Goed passen dus, want ruilen is er niet bij.

We gingen met de langste roltrap ter wereld (800 meter) naar boven. De roltrap bestond echter uit vele etappes, maar achter elkaar zou die 800 meter lang moeten zijn. Halverwege dronken we bij de Starbucks (coffeeshop) een cappucino. Die keten hadden we ook in Australië en Nieuw-Zeeland gezien, maar nooit met een bezoek vereerd. De cappucino’s vonden we niet zo lekker, dus dat zullen we niet meer doen.

Van Robbert en Nathalie, die we in Ecuador hadden ontmoet, hadden we de tip gekregen om naar de Stanley market te gaan. Het plaatsje Stanley ligt aan de zuidkust van het Hong Kong eiland. Dus namen we een dubbeldekkerbus vanaf het centrale busstation naar Stanley. We gingen bovenin de bus en helemaal voorin zitten, maar dat was niet echt ontspannend. De weg was vreselijk hobbelig, zelfs in het centrum van Hong Kong. De ‘snelweg’ ligt op een aantal meters boven de grond als een viaduct.

Nadat de bus door een lange tunnel was gegaan, kwamen we aan de zuidkust en reden we naar Stanley. Stanley market is bekend vanwege de goedkope merkkleding. De meeste kleding heeft een foutje. Zo kochten we twee t-shirts waar een labeltje met de verkeerde maataanduiding was genaaid voor spotprijsjes. Marjolijn kocht een zomer(regen)jas voor $ 39 (4 euro) en kon nu d’r goede zomerjas terugsturen naar Nederland. Dat is wat we ook deden.

We kochten een grote doos bij het postkantoor en vulde die met een hoop spullen die terug konden naar Nederland. De doos mocht maximaal 20 kilo wegen, maar toen we de volgende ochtend de doos op de weegschaal zetten in het postkantoor, bleek dat er 27 kilo in zat. Er zat niets anders op dan een tweede doos te vullen en op te sturen. Die doos bevatte naast de 7 kilo die in eerste instantie te veel was ook enkele nieuw gekochte kleding. In de eerste doos stuurden we 19,7 kg terug naar Nederland en in de tweede doos zat voor 13,87 kg aan retourgoederen. Onze rugzakken zijn nu eindelijk weer te tillen.

In het hotel stelde de manager voor om een piccolo ons te helpen om de doos vanuit de lobby naar de deur te dragen. Ze zullen ook wel raar van ons hebben opgekeken.

De laatste dag bezochten we het Hong Kong history museum. Erg mooi van opzet, met veel videos / films en een leuke tentoonstelling over de geschiedenis van Hong Kong. We hadden gedacht dat we voor een visum voor China in Hong Kong terecht konden. Dat was ook mogelijk, maar het visum zou direct ingaan voor 1 (single entry) of 3 maanden (double entry) en daar hadden we niets aan want volgens onze planning komen we pas in april bij de grens van China aan. We gaan dan toch maar in Bangkok proberen een visum aan te vragen. Bij de ‘China Travel service’ (visumbureau) hadden ze nog een verrassing, namelijk dat het visum voor Nederlanders 2 x zo duur is dan voor andere nationaliteiten. Dit is een reactie op de hoge visumkosten voor Chinezen die naar Nederland willen komen.