Syrië

Syrië hebben wij gelukkig nog bezocht voordat de allesverwoestende oorlog daar uitbrak. Ons bezoek aan Syrië combineerden we met een reis door Jordanië.

Lees hieronder de verhalen over en bekijk de foto’s van hoe het Syrië zoals dat er ooit eens was.

Vrijdag 22 oktober en zaterdag 23 oktober 1999

Onze vlucht met Royal Jordanian Airlines vertrok met een half uur vertraging, om 14.30 uur. De vlucht verliep vlekkeloos en om 19.45 uur kwamen we aan op het Queen Alia International Airport in Ammen, de hoofdstad van Jordanië. Eenmaal uit het vliegtuig volgden we gewoon de mensenmassa die ons leidden naar de transitbalie, waar we incheckten voor onze vlucht naar Damascus en daarna begon het wachten.

In Nederland hadden we al een ongunstige tijdsverandering doorgekregen. Onze vlucht naar Damascus zou in eerste instantie en heel gunstig voor ons om 20.45 uur vertrekken, maar in Nederland werd dat tijdstip al verschoven naar 00.10 uur de volgende dag. Eenmaal in Amman stond op het vertrektijdenbord dat de vlucht pas om één uur ‘s nachts zou zijn.

We doodden de tijd in eerste instantie met het liggen op de banken en door een beetje rond te wandelen en rond te hangen in de tax free winkels, maar die hadden we binnen vijf minuten wel gezien. Overal op de luchthaven liepen arabieren in witte gewaden alsmede gesluierde vrouwen en we zagen zelfs twee vrouwen geheel gesluierd met boerka’s.

Toen we weer op één van de banken zaten, kwam een studentje op ons aflopen om vervolgens Marjolijn te interviewen over haar ervaringen met vliegtuigmaatschappijen uit het Midden-Oosten. Als vergelijkingsmateriaal stond in de enquête ook de KLM vermeld, maar die deed qua kwaliteit niet onder aan Royal Jordanian Airlines, maar die laatste was de enige luchtvaartmaatschappij uit het Midden Oosten die we als vergelijkingsmateriaal hadden. Voor de rest hebben we nog nooit met een maatschappij uit het Midden Oosten gevlogen. Overigens de enige keer dat we met onze ‘nationale trots’ vlogen was vanuit Londen naar Amsterdam en toen had het toestel een uur vertraging. Dus dat halve uurtje vertraging dat Royal Joirdanian had, was wat dat betreft niet slecht. Na afloop van de enquête kregen we een nogal groot uitgevallen bidkraal als cadeau. Wat moeten we daar nu mee?.         

Rond 21.45 uur werd omgeroepen dat reizigers naar Damascus verzocht werden zich bij de transitbalie te melden. Daar werd ons meegedeeld dat het vliegtuig niet eerder zou vertrekken dan 04.30 uur, maar we kregen wel een hotelkamer aangeboden alsmede een transitkaartje. Met dit transitkaartje moesten we naar de douane, waar direct een visumstempel in het paspoort werd gezet en ons werd uitgelegd waar we ons moesten melden voor de shuttle bus naar het hotel. Eenmaal buiten het luchthavengebouw konden we de shuttle bus natuurlijk niet vinden en dus ging Remco maar weer naar binnen om het te vragen, maar hij kwam al snel weer naar buiten zonder enig resultaat. Buiten vroegen we enkele malen aan passerende werknemers de weg naar de shuttle bus en toen was de halte zo gevonden.

De bus bracht ons naar het Queen Alia hotel op de luchthaven, dat op ongeveer vijf minuten rijden ligt vanaf de terminal. We vulden snel een formuliertje in en kregen de sleutel van een kamer. Om ongeveer 22.45 uur lagen we op bed en om 3.30 uur werden we door een telefoontje van de receptioniste weer gewekt.

Damascus

Het vliegtuig vertrok om 04.30 uur en een uurtje later waren we in Damascus, waar het vliegveld er behoorlijk wat primitiever uitzag dan in Amman. Inmiddels was het licht geworden.

Met de bus werden we naar de terminal gebracht en daar stonden we eigenlijk meteen voor de immigratiebalie. Aangezien er maar twee loketten open waren, duurde het een eeuwigheid voordat wij aan de beurt waren. Marjolijn d’r nieuwe paspoort was nog vrij van visastempels op de visumstempel van Syrië na, want die hadden we in Nederland al geregeld en dat kon dus weinig vraagtekens opleveren. Maar voor Remco z’n paspoort hadden de douaniers een overdreven aandacht voor het Vietnamese visum.

Enkele keren werd er ‘Israël’ gefluisterd en uiteindelijk werd Remco verzocht om mee te lopen naar de hoge pieten. Achter een deur met een luikje (type gevangenisdeur) stond een hoge pief die aan Remco vroeg wat voor een visum het was. Toen hij zei dat het een Vietnamees visum was, was de douanier opgelucht, maar hij wilde nog wel even weten waar Remco’s vader en waar zijn moeder vandaan kwamen. ‘Uit Nederland’ gaf Remco aan en dat was precier het juiste antwoord voor de douanier en ook Remco mocht Syrië in. Let op! met een Israelisch stempel in je paspoort, kom je het land niet in!

Nadat we de rugzakken hadden gepakt, liepen we zonder problemen door de douane en we wisselden honderd gulden voor S£ 2.200 bij het kantoortje van de Syrische bank. Daarna vroegen we in de aankomsthal een man in uniform naar de halte voor de bus naar Damascus. Dat werd keurig uitgelegd en we werden voor de eerste keer ‘Welcome to Syria’ geheten en dat zou nog zéér veelvuldig gebeuren.

Tijdens het wachten op de bus raakten we aan de praat met een Syrische jongen die in Canada woonde maar in Syrië in dienst moest omdat hij ook nog de Syrische nationaliteit had.

Rond zeven uur vertrok de stokoude bus naar Damascus. De ramen van de bus zaten los in de sponningen en dat veroorzaakte een enorm lawaai. Toen de kaartjesverkoper in de bus langs kwam, wilde ik betalen met één van de grote coupures die ik zojuist had gewisseld. De ‘conducteur’ maakte ons duidelijk dat hij geen wisselgeld had voor het (te grote) biljet dat Remco hem gaf. Plots werd de busrit voor ons betaald door een wildvreemde jongeman achter ons en ook dat was weer in het kader van ‘Welcome to Syria’.

Bij het treinstation in het centrum van Damascus stapten we uit en zo ook onze Syrische reisgenoot. Hij liet ons zien waar het hotel was waar we heen wilden en daarna namen we afscheid. Hotel l’ Oasis was een ware ‘culture shock’. Nu is het eerste hotel van een nieuwe reis altijd weer even wennen, maar dit was toch wel weer even helemaal ‘back to basic’ om niet te zeggen behoorlijk armoedig. We checkten toch maar in voor S£ 400 (ƒ 20,-) per nacht.

De rest van de dag hebben we ingevuld door naar het toeristenbureau te gaan, heerlijke vers geperst mangosap te drinken bij een fruit juice stand, de oude stad met de souq te bezoeken, alsmede de Omayadenmoskee.

Souq Damascus Syrië
Theeberkoper Damascus Syrië

Voordat we de moskee binnen konden, moest Marjolijn een ‘monnikengewaad’ (boerka) aan. Het binnenplein van de moskee is ronduit prachtig én erg indrukwekkend. De moskee zelf was nogal groot en binnen in de moskee zat een aantal mensen te bidden. We liepen op onze sokken door de moskee van de ene ingang naar de andere ingang en daarna verlieten we het terrein.

Omayadenmoskee Syrië
Binnenplaats van de Omayadenmoskee
Omayadenmoskee Syrië
Koepel in de Omayadenmoskee Syrië

We namen plaats op een terrasje aan de oostzijde van de moskee. Op het terras zaten allemaal mannen een waterpijp te roken en dat rook lekker zoet.

Terug op de kamer bleek er een soort poeder te zijn gestrooid langs de randen van de kamer op de grond. De volgende dag kwamen we er achter dat er in de kamer een kakkerlakplaag heerste. Ook hadden we last van de tv die de hele nacht aan leek te staan. We zijn de volgende dag maar verhuisd naar een andere kamer.

Zondag 24 oktober 1999

Gisteravond lagen we al om zeven uur op bed en vanochtend na een lange nacht slapen begon de nieuwe dag erg vroeg met kattengejank vanaf de diverse minaretten. Nadat we ons hadden aangekleed liepen we eerst naar het Sultan hotel dat om de hoek lag en informeerden er naar een kamer, maar de prijs viel nogal tegen: $30 per nacht. Naast de hoge prijs hadden toch pech gehad, want het hotel was vol.

Bij het naastgelegen bakkertje kochten we ons ontbijt en dat bestond uit éénhapsbroodjes die mier- en mierzoet waren. Het was een soort baklava. Met de broodjes liepen we naar het ‘Open Air Café’, waar we thee bestelden en het ontbijt aten.

Na het ontbijt begon onze zoektocht naar het Pullman busstation, want we wilden buskaartjes kopen naar Palmyra. Onderweg naar het busstation liepen we langs een internetcafé van waaruit we een e-mailtje trachtten te verzenden, maar dat was in het geheel niet eenvoudig, omdat we met een arabische versie van windows moesten werken en ook nog eens op een arabisch toetsenbord. Vandaar dat er de hele tijd een mannetje naast ons stond om ons te vertellen welke knopjes we moesten aanklikken. Eenmaal terug in Nederland zou blijken dat de mailtjes helemaal niet zijn aangekomen, wat natuurlijk niet zo verwonderlijk was.

We liepen verder naar een busstation, maar dat bleek het verkeerde busstation te zijn. Toen we het busstation inliepen, kwam direct een groot aantal mannen op ons af, allemaal even weinig Engels sprekend (niet veel meer dan ‘yes’ en ‘no’).

Alle mannen wezen een andere kant op toen wij “Palmyra” zeiden en uiteindelijk werden we door iemand die wél drie woorden Engels sprak naar een nabijgelegen busstation gestuurd. Toen we buitenom langs het busstation liepen, hielp een passerende man ons in de juiste richting. Hij vond het leuk dat we Nederlanders waren, omdat hij werkte bij een, aan Shell gelieerd bedrijf. In het arabisch noteerde hij op een visitekaartje waar we heen moesten en hij wees ons de microbus die we moesten hebben.

Met de microbus gingen we naar het Pullman busstation, dat aan de rand van Damascus aan de weg naar het noorden ligt. Echter, voordat we het busstation konden betreden, moesten we eerst door de metaaldetector. Er stonden nogal veel agenten en Syrische passagiers werd gevraagd de tassen of koffers te openen, maar wij mochten zonder problemen doorlopen. Eenmaal in het busstation bleek iedereen tickets te verkopen en dat maakten de verkopers ons ook allemaal duidelijk. Iedereen kwam om ons heen staan en begon aan ons te trekken en dat vonden we behoorlijk irritant. Toen we ze allemaal van ons af hadden geschud, liepen we naar een boekingskantoortje ergens achter in het busstation en reserveerden we een plaats in de bus.

We liepen het busstation weer uit en namen een taxi naar het Nationaal Museum. Ondanks dat we de chauffeur de plattegrond van het centrum van Damascus lieten zien, wist hij het museum in eerste instantie niet te vinden. Op een gegeven moment hadden we wel door waar we waren en gaven wij de chauffeur aan hoe hij moest rijden. We zagen op deze manier wel wat van Damascus! Het nationaal museum (entree S£ 300 p.p.) was wel interessant, zeker als je van geschiedenis houdt.

Rond half drie liepen we naar de citadel, maar een échte citadel is er niet meer. Een hoop winkeltjes is wat er nog van over is. Na wat rondlopen, kwamen we uit bij de Si’ouda Ruqqaya moskee, een Iraanse, sji’itische moskee en deze moskee bezochten we. Marjolijn moest weer een zwarte lap om (ach, zwart staat d’r goed zegt ze altijd) en we gaven de schoenen af bij de balie in ruil voor een bewijsje. Binnen was alles van 14 karaats bladgoud en kristal en op de grond lagen allemaal dikke karpetten.

Er was een stikte scheiding tussen het mannendeel en het vrouwendeel en we namen dus tijdelijk afscheid van elkaar. Vanuit het vrouwendeel klonk een enorm gejank van jammerende vrouwen.

Een man vroeg Remco om met zijn camera een foto van hem te maken voor een soort altaar en daarna begon hij het een en ander over de moskee te vertellen in het Duits. Het was erg interessant om te horen over het geloof, de betekenis van het altaar etc.

Na het bezoek aan de moskee liepen we door de souq terug naar het hotel om te douchen, maar voordat we dat konden gaan doen moest eerst de boiler nog worden aangezet. Na een kwartiertje konden we (lauw) douchen in de douche op de gang. Op de kamer hadden we wel een badkamertje met douche en toilet, maar dat was zó klein dat je letterlijk je kont niet kon keren en het was goor. De douche op de gang was trouwens niet veel schoner. Uit de grote douchekop kwamen maximaal tien straaltjes. De rest van de gaatjes was verstopt door de kalk.

Nadat we hadden gedoucht namen we plaats op het terras van het ‘Open Air Café’ en bestelden we een glas thee. We zaten aan de straatzijde en hadden een mooi zicht op het leven dat zich op straat afspeelde. Er reden ontzettend veel gele taxi’s rond van alle smerken en typen en allemaal zijn ze oud tot stokoud. Soms zie je een particuliere auto rondrijden en die zijn òf ‘nieuw’ òf enorm oud, zoals auto’s uit de vijftiger jaren of misschien nóg wel ouder. Die zijn hier heel gewoon in het straatbeeld en we vonden dat heel leuk om te zien. Om ons heen zaten mannen een waterpijp te roken of backgammon te spelen.

Een arabier uit die aan zijn nummerplaat af te leiden uit Saoedi Arabië kwam vroeg waarschijnlijk hoe hij naar zijn bestemming kon komen aan een Syriër langs de kant de weg en vervolgens stapt de Syriër in om de Saudiér naar de plaats van bestemming te brengen. Wat dat betreft zijn de Syriërs erg vriendelijk en behulpzaam.

Alle auto’s toeteren en zelfs als daar geen aanleiding toe is. Automobilisten voor het verkeerslichten wachten niet eens tot de gloeidraad van de lamp die het groene licht aangeeft heet is, maar beginnen direct te toeteren. Een enkele fietser is levensmoe en fietst tegen het verkeer in.

‘s Avonds aten we in een restaurantje aan het martelaarsplein en daarna dronken we nog wat frisdrank op het terrasje bij een oude trein in het station. De eigenaar van de trein c.q. café kwam in het Duits vertellen dat de trein in 1894 was gebouwd en dienst deed tot de vijftiger jaren tussen Turkije en de Rode Zee en dat hij hem had opgekocht om de trein tegen de ondergang te behoeden. Nu woont hij in een treinstel en doet de rest dienst als café.

Maandag 25 oktober 1999

Vanochtend stonden we om 07.15 uur op. We haalden ons ontbijt bij hetzelfde bakkertje als gisteren en aten het weer op in het Open Air Café onder het genot van een kopje thee. Daarna wisselden we traveller’s cheques bij het filiaal van de Syrische bank tegenover het station, tegen de koers van S£ 46 per dollar. Er werd geen commissie berekend en er werd niet naar de salesslip van de traveler’s cheques en zelfs niet naar ons paspoort gevraagd. De transactie werd zeer snel verricht en verliep behoorlijk wat efficiënter dan in Nederland.

De receptionist van het hotel had ons ook al benaderd om geld of cheques te wisselen, zelfs tegen een betere koers (S£ 49 per dollar), maar dat is op de zwarte markt. In Syrië is een levendige zwarte handel, maar daar doen we niet aan mee, omdat je dan toch wat risico’s loopt. Daarnaast was het nog te vroeg tijdens de reis en kenden we nog niet alle coupures. De kans om opgelicht te worden was te groot.

De bank was slecht beveiligd. Zo waren er open loketten en stond de deur tussen het kasgedeelte en de weg gewoon open. Het geld lag niet netjes in een lade, maar overal en nergens op bureaus en er was maar één medewerker aanwezig. Leuk contrast met de high tech veiligheidsmaatregelen bij de Nederlandse banken.

Palmyra

Nadat we geld hadden gewisseld, haalden we onze rugzakken op en namen we een taxi naar het Pullman busstation en een half uurtje later, om 9.35 uur, vertrok de bus naar Palmyra. De busrit in de luxe airconditioned bus verliep vlekkeloos. Er was een steward in de bus die snoepjes uitdeelde (wij kregen meer snoepjes dan de Syrische passagiers) en water. Dat laatste sloegen we maar even over.

Het landschap was niet echt indrukwekkend. Kale, gladde bergen, een steenwoestijn en een hoop zwarte plastic zakken. De woestijn bestaat uit een harde onderlaag en vuistgrote kiezels. Onderweg werd een aantal keren gestopt bij een politiepost die zich veelal bevond op een splitsing van wegen.

Om 12.30 uur waren we in Palmyra, maar voordat we het stadje binnen reden, passeerden we de Romeinse opgravingen al en die maakten van een afstand al direct een behoorlijke indruk op ons.

Toen we uit de bus stapten, werden we direct benaderd door jongens die ons naar hun hotel wilden brengen, maar daar gingen we niet op in. Uiteindelijk belandden we bij het Silk Road hotel dat aan het centrale plein ligt. De eigenaar liet ons eerst twee gloednieuwe kamers zien bij de receptie, maar die lagen aan de ‘drukke’ weg en een kamer bij de receptie heeft niet echt onze voorkeur. De kamers zagen er wél heel goed uit en de eigenaar gaf aan dat ze net waren verbouwd. We namen een grote, maar een wat oudere kamer op de eerste etage.

De badkamer was niet echt mooi en de douche had geen douchekop, maar er was wel warm water, nadat de boiler op ons verzoek was aangezet. De kamer kostte S£ 400 per nacht en dat was hetzelfde als voor het ranzige hok in Damascus.

Na het inchecken gingen we naar de tempel van Ba’al. De toegang bedroeg S£ 300 (ƒ 15,-) per persoon, maar Remco besloot de gok te wagen om zijn stamkaart van het openbaar vervoer aan te wenden als studentenkaart.

Het mannetje bekeek de kaart en las in het Duits ‘Stadt und streekstamkarte’ en vroeg ‘Was heisst das’? Toen Remco hem antwoordde dat het de studentenkaart van de Universiteit was, bleek hij ‘overtuigd’. Remco z’n kaartje kostte toen nog maar S£ 15, wat neerkomt op ƒ 0,75. Zo werd de gemiddelde toegangsprijs wat dragelijker. Tussen ƒ 0,75 en ƒ 15,- zit een verschil waar je in Syrië toch al een dagje van kunt eten.

De tempel was bijzonder imposant. Wat een hoogte! Er stonden zuilen van ten minste 15 meter hoog. Na het bezoek aan de tempel staken we de weg over naar de ‘rechte straat’. De rechte straat is een Romeinse straat uit de eerste eeuw voor Christus tot de vierde eeuw na Christus. De triomfboog markeerde het huidige begin van de straat, maar volgens ons moet de straat vroeger veel langer zijn geweest.

De ruïnes waren vrijwel verlaten. We kwamen nauwelijks andere toeristen tegen en dat was een groot voordeel. Het enige dat een beetje tegen zat was het weer. De lucht was grijs en het zicht reikte niet erg ver en zodoende was de kruisvaardersburcht op de berg ook minder goed te zien.

Palmyra
Palmyra Pantheon
Palmyra Rechte straat Triomfboog
Palmyra Amitheater
Palmyra graftorens

‘s Avonds aten we in het Traditional Palmyra Restaurant. Het eten was goed en de rekening ‘hoog’, maar dat kwam doordat we teveel hadden besteld. Na het eten liepen we nog wat door de hoofdstraat en kochten we twee vlaggetjes van Syrië voor op de rugzak. De oude eigenaar van de winkel wilde maar wat graag dat we wat thee met hem dronken, maar dat deden we niet en het kostte ons wel veel moeite om hem duidelijk te maken dat we geen thee wilden, want hij bleef maar aandringen. Het niet erg beleefd om te weigeren, maar we moeten ook een beetje om de tanden denken. De thee is namelijk mierzoet.

Dinsdag 26 oktober 1999

Na het ontbijt liepen we weer naar de ‘rechte straat’ om opnieuw foto’s te maken. Het weer was namelijk stralend en de hemel prachtig blauw en dat was ook direct aan de temperatuur te merken.

Palmyra Triomfboog Syrië
Palmyra Zuilengalerij Syrië
Palmyra De 4 zuilen Syrië

De ruïnes en zuilen staken nu mooi af tegen de blauwe hemel en ook het licht was beter. De burcht was nu ook in volle pracht te zien. Nadat we dezelfde plaatjes als gisteren hadden geschoten, trachtten we door de oase terug te lopen. Toen we door een gat in de muur (de oase is omgeven door een stenen muur met hier een daar een (afgesloten) poort) de oase inliepen, kwamen we vrijwel direct bij een bedoeïenfamilie die olijven aan het oogsten waren. Een kindje begon te roepen en al snel daarna kwamen pa en ma van de trap die tegen de boom stond, naar beneden. Van pa kregen we en hand en we werden direct uitgenodigd voor…. thee!

We sloegen helaas het aanbod af en we liepen van ze weg. Pa bleef volgen en bleef ons uitnodigen voor thee. Uiteindelijk kwamen we terug op de hoofdweg, omdat er door de oase geen duidelijke paden lopen en we hadden geen zin onze weg te zoeken door de oase.

Om 11.30 uur lunchten we bij het Traditional Palmyra restaurant en daarna checkten we uit bij het hotel. De eigenaar had ons al duidelijk gemaakt dat we net zo lang konden blijven als we wilden en daarom hadden we ook geen haast om uit te checken. De bijzonder vriendelijke, forse eigenaar bood ons nog een kopje bedoeïenkoffie aan. We kregen een klein kopje met letterlijk een bodempje koffie. Die koffie zorgt er echter wel voor dat je de komende tijd wakker blijft! Ook werden de dadels en vijgen op tafel gezet. Terwijl wij onze koffie dronken, belde de eigenaar met het busbedrijf om twee plaatsen te reserveren voor de bus van 12.30 uur. We rekenden de afgesproken S£ 400 af en liepen vervolgens naar het busstation dat 50 meter verder in de hoofdstraat lag.

Hama

De oude minibus vertrok om 12.35 uur en onze bagage zat netjes in het bagagecompartiment. We hadden al gezien dat er enkele gaten in het compartiment zaten en we bereidden ons voor op enkele stoffige rugzakken in Homs. Onderweg naar Homs zagen we weer de gladde, kale bergen van het Anti Libanonmassief, vele bedoeïententen, militaire bases en keien…. heel veel keien. Naarmate we dichter bij Homs kwamen, groeiden er dennenbomen langs de weg. Eerst kleine boompjes, die allemaal scheefgegroeid en aan de westzijde kaal waren. Verder naar Homs werden de bomen hoger en talrijker, maar ze bleven scheef staan.

Tegen drieën waren we op het busstation van Homs en wisselden we van bus. De bus naar Hama vertrok om 15.40 uur en drie kwartier later werden we in Hama bij het busstation gedropt. We namen een prachtige, prehistorische taxi naar het Ryad hotel en checkten in voor een schitterende kamer met een brandschone badkamer. Prijs: S£ 455 per nacht, terwijl de startprijs S£ 500 was. Een mager resultaat, maar S£ 455 was de officiële prijs volgens de prijslijst aan de deur. We namen een warme douche en ik deed onder de douche de was.

Daarna liepen we naar de vier noria’s (waterraderen). Deze waren mooi verlicht. Bij de noria’s werden we begroet door twee mannen die ons de weg naar de noria’s wezen. Nadat we foto hadden gemaakt, werd ons weer thee aangeboden en we weigerden weer.

Hama-Noria
Oude noria in Hama
Hama-Samen-met-Mohammed-en-mr-Kassim-1
Hama-Samen-met-Mohammed-en-mr-Kassim-1

We liepen langs de koude en stinkende rivier richting het centrum. De rivier had echt een grote invloed op de omgevingstemperatuur, want aan de overkant van de straat was het al een stuk aangenamer van temperatuur. En het was toch al behoorlijk afgekoeld. De fleecetruien die we voor de vakantie nog net even hadden gekocht, kwamen nu goed van pas.

Onderweg naar het centrum passeerden we twee mannen en de oudere van de twee zei ‘bonjour’ tegen ons toen we hen passeerden. We zeiden bonjour terug en wilden verder lopen. De twee liepen met ons op en het oude mannetje vroeg in het Frans waar we vandaan kwamen en nodigde ons even later uit om ergens thee te gaan drinken. Aanvankelijk hadden we daar niet echt veel zin in, omdat we net waren aangekomen en omdat we het stadje wilden verkennen, maar het mannetje blééf aandringen en zei dat het maar tien minuten duurde en dit keer gingen we op de uitnodiging in, omdat we ook wel een beetje dorst hadden. We liepen naar een terrasje nabij de noria’s in het centrum waar we thee dronken.

Remco was inmiddels in het Engels aan de praat geraakt met Mohammed die pas drie maanden bezig was met een cursus Engels, terwijl Marjolijn in het Frans over koetjes en kalfjes praatte met Mister Kassim. Tijdens de thee werden we door Mohammed uitgenodigd om ergens te gaan eten. Mister Kassim zou niet mee gaan, maar nodigde ons wel uit voor de volgende avond. Zo kwam het dat we voor de volgende avond met Mister Kassim afspraken en vanavond samen met Mohammed in zijn Skoda pick up naar een restaurantje buiten het centrum reden. Het was Mohammed z’n favoriete restaurantje en hij bestelde enkele pizzabroodjes voor ons (dat was overigens het gehele aanbod van het restaurantje).

We gingen zitten in een grote plastic tent in de tuin. In de tent (met zandvloer) zaten alleen maar mannen en ze rookten waterpijp of / en zaten backgammon te spelen. We aten onze verschillende pizzabroodjes. Mohammed was beledigd toen we zeiden dat we genoeg hadden en schoof ons nog meer broodjes toe. Toen Remco een hapje nam van een pizzabroodje met groene pepers en de vlammen overal uitschoten zei hij dat hij écht vol zat. Mohammed nam Remco z´n broodje over en at het verder op.

Na het eten reed Mohammed wat rond, testte uitvoerig zijn ruitenwissers en kwam toen tot de conclusie dat we nog een cakeje moesten eten. Hij keerde de auto en reed dezelfde weg terug om vervolgens door de ‘stille wijk’ naar een bakkertje te rijden. Daar bestelde hij cake voor ons, maar accepteerde niet dat wij wilden betalen. Nadat we het cakeje hadden gegeten besloot hij ons nog wat rond te rijden door Hama. Zo kregen we een “Hama by night” tour. Aan het einde van de avond werden we keurig netjes voor het hotel afgezet en ging hij naar zijn vrienden om een potje te kaarten. En dat terwijl zijn vrouw thuis zat.

Woensdag 27 oktober 1999

Om zeven uur stonden we op, om half acht ontbeten we in het hotel en om acht uur kwam een prehistorische auto voorrijden. Gisteren hadden we namelijk een dagtour geboekt in het hotel (S£ 2.300). De oude auto was een prachtige Pontiac 8 uit 1952. In Nederland worden deze alleen nog maar gebruikt voor trouwpartijen, maar hier in Syrië zag de auto er piekfijn uit en reed lekker.

Hama-onze-trouwauto

De chauffeur had zware voeten, want we reden met een snelheid van 100 kilometer naar de ruïnes van Quala’at Sheisar, een oninteressante, zwaar vervallen citadel. Vanaf de burcht hadden we wel een prachtig uitzicht over de vruchtbare omgeving. Terug in de auto reden we door het dorpje en werd ik een beetje misselijk van de vele slagers en het bloederige restafval van zojuist geslachte schapen, dat overal op straat lag.

We reden naar Apamea, waar onze taxi stopte bij het museum. Remco z´n ‘studentenkaart’ werd niet geaccepteerd en daarom besloten we het museum maar over te slaan (entree bedroeg weer ƒ 15,- per persoon) en zodoende reden we verder naar de Romeinse straat. Aan het einde van de straat werden we afgezet en we spraken met de chauffeur af in een cafeetje aan het begin van de straat. Na eerst enkele groepen toeristen te hebben gepasseerd (allemaal Italianen), werd het erg rustig. De twee kilometer lange zuilenstraat is indrukwekkend, maar toch minder indrukwekkend dan Palmyra.

Aan het begin van de straat moesten we een toegangskaartje kopen voor S£ 300 per persoon en daar was ook het cafétje waar onze chauffeur wachtte. We dronken wat fris alvorens we verder reden door het bergachtige landschap naar Musyaf. Onderweg stopte de chauffeur bij een veld waar katoen werd verbouwd en hij plukte enkele bloemen voor ons. De katoenvezel is een draderige massa dat verschijnt als de bloemknop open barst. Leuk om eens te zien. Op de weg reden vele tractoren met balen katoen op de aanhangers. Een dode ezel lag langs de kant, maar niemand voelde zich geroepen deze te verwijderen.

In Musyaf was weer een citadel. Dit exemplaar was beter bewaard, maar ook deze citadel verdient geen schoonheidsprijs. De toegangsprijs was wel aangenaam. Remco liet z´n studentenkaart zien en die werd direct geaccepteerd. Marjolijn zocht quasi-druk in d’r tas en toen ze zei dat ze haar kaart niet kon vinden, vond de caissière het wel in orde. Twee studentenkaartjes. We betaalden S£ 30 in plaats van de officiële S£ 300.

Na Musyaf scheurden we richting het Crac de Chevaliers. Onderweg stopten we nog bij een, volgens de Lonely Planet oninteressant klooster. Vroeger was het klooster wel interessant omdat de 17e eeuwse kerk nog te bezichtigen was, maar tegenwoordig was die gesloten. Maar dat lazen we pas achteraf. We bezochten het klooster en de nieuwe kerk. Plots komt er een oud mannetje de kerk binnenlopen die me gebaart mee te lopen. Hij had de sleutel van de oude kerk en liet ons de kerk zien. Inderdaad was dit kerkje heel wat liefelijker van aard en ook waren daar de antieke iconen te zien. Daarna bedankten we het oude mannetje en lieten we wat muntjes als donatie achter.

Crac de Chevallier
Crac de Chevallier

Terug bij de auto bleek dat de chauffeur de auto (deels) had gewassen. We reden verder naar het Crac. Eerst reed de chauffeur achter de burcht langs naar een plek van waaraf je een mooie foto van de burcht kon nemen. Daarna bracht hij ons naar de entree. Maar voordat we het Crac bezochten, dronken we eerst thee op het terras van het café tegenover de ingang. Na de thee kochten we de tickets en bezochten we de burcht. Erg mooi en indrukwekkend en een bezoek zeker waard.

We reden in één ruk terug naar Hama, waar we rond vier uur terugkeerden. Op de hotelkamer namen we een douche en deden het even rustig aan. Marjolijn las wat in d’r boek en ik moest natuurlijk het dagboek even bijwerken.

Om 19.00 uur hadden we met Mohammed en Mister Kassim, zoals Mohammed hem altijd noemde, afgesproken bij hetzelfde terrasje als waar we gisteravond thee met hen dronken. Mister Kassim was er nog niet, maar Mohammed wel. Hij nam ons te voet mee door de oude stad. Dit is inderdaad nog oud en dat terwijl het grootste deel van Hama is platgebombardeerd na een opstand tegen president Assad in de zeventiger jaren.

In de oude stad kwamen we Mister Kassim tegen en met z’n vieren liepen we een blokje door de oude stad om vervolgens weer terug te keren bij het café waar Mohammed zijn auto stond. Met de auto reden we naar het restaurant. Marjolijn gezellig tussen de heren voorin in de auto en Remco zat in de laadklep van de pick up.

We aten in een restaurantje nabij de oude moskee. Remco had een kippetje van het spit besteld, maar geen bestek gekregen en dat terwijl Remco niet echt van plan was te gaan kluiven. Hij vroeg om bestek, maar er werd door de heren raar opgekeken, maar uiteindelijk werd er toch bestek gebracht door de ober, alleen….. in plaats van een gewoon mes te brengen kwam hij met een slagersmes aan. Dat hoefde nu ook weer niet en dus toch maar kluiven. Het kippetje smaakte er overigens zeker niet minder door.

Na het eten reden we met de auto naar de citadel, waar we eerst door het park liepen om vervolgens in het park op een terrasje plaats te nemen. Mohammed bestelde een waterpijp en iets te drinken. Tegen 22.30 uur werden we keurig netjes voor het hotel afgezet en namen we afscheid van beiden.

Donderdag 28 oktober 1999

Aleppo

Vanochtend sliepen we eerst uit. Ik werd pas om 9.15 uur wakker. Daarna ontbeten we in een soort cafetaria/bakkertje schuin tegenover het hotel. Weer van die mierzoete baklava en daarnaast had ik ook de traditionele pudding uit Hama besteld (minder goed idee. Niet vies, maar toch).

Na het ontbijt gingen we op zoek naar het ‘busstation’. We wilden met de luxe bus naar Aleppo en die bussen vertrekken vanaf het kantoor van de busonderneming en niet vanaf het busstation. Gelukkig waren beide kantoren (van twee verschillende ondernemingen) binnen een straal van 200 meter van het hotel. De bus van het eerste bedrijf dat we bezochten vertrok pas rond twee uur en daarom liepen we ook naar het kantoor van de andere onderneming (bij de rivier). Daar vertrok ieder uur een bus naar Aleppo. Nadat er inmiddels al zo’n vijf mensen voor hadden gedrongen, boekten we twee tickets voor de bus van 11.15 uur. Toen we ons ticket eindelijk in handen hadden, stond daar 12.15 uur op. Dus weer terug in de rij om het te laten corrigeren. We hadden nu ongeveer een uurtje voordat de bus zou vertrekken. We liepen terug naar het hotel om de rugzakken te pakken en vroegen we de receptionist om een kamer te reserveren in het “Tourist” hotel in Aleppo. Daarna liepen we naar het kantoortje van de busonderneming.

De bus vertrok keurig op tijd en anderhalf uur later waren we in Aleppo. De weg naar Aleppo liep door een glooiend landschap met veel boomgaarden en was best mooi. Het leek een beetje op Noord Frankrijk.

Op het busstation van Aleppo werden we al direct ontvangen door enkele taxichauffeurs die om het hardst tegen elkaar opboden om ons te charteren voor een ritje. Echter alle genoemde prijzen waren wat aan de hoge kant. Zo schreeuwde een chauffeur dat een rit 50 pond kostte, een ander dat de rit bij hem 25 pond was. Uiteindelijk hielden we een taxi aan even buiten het busstation en de rit naar het centrum (misschien 500 meter, hooguit een kilometer) kostte op de meter 10 pond. We werden afgezet voor het Tourism Hotel. We hadden de chauffeur gezegd naar dit hotel te rijden, maar toen we de entree van het hotel bekeken, werd het duidelijk dat dit geen backpackershotel was. We waren dus naar het verkeerde hotel gegaan. Dan maar te voet naar het Tourist Hotel. Maar eerst even vragen naar de weg. Op de hoek van de straat stond een agent, maar die bleek over een zeer beperkt Engels vocabulaire te beschikken: ‘yes’ en vooral ‘no’. Toen kwam ik op het idee om het kompas er eens bij te pakken en al snel werd toen duidelijk in welke richting we moesten lopen. We liepen door een winkelstraat naar het Tourist Hotel.

Aleppo
Souq in Aleppo
Schoenmakers in Aleppo

Na ongeveer een kwartier stonden we bij de receptie, waar een super chagrijnig grietje ons de prijs van de kamer vertelde: S£ 700 per nacht. We bekeken de kamer en besloten toen op zoek te gaan naar een ander hotel. We belandden bij het tegenovergelegen hotel Zahert al-rabin. Niet echt luxe, maar met S£ 350 per nacht een stuk beter geprijsd. Na te hebben ingecheckt bij een op een monnik lijkende, receptionist (stekeltjes haar, rond brilletje, rustig figuur én natuurlijk lopend op sandalen) liepen we richting de citadel op zoek naar een gelegenheid om thee te kunnen drinken. Natuurlijk vonden we die niet zo snel, want als je geen thee wilt dan krijg je het overal aangeboden, maar als je op zoek bent dan vindt je het niet. Uiteindelijk vonden we een plek waar we thee konden drinken op een pleintje midden in de souq.

Na de thee liepen we naar de ingang van de citadel en je raad het al… voor de ingang waren prachtige terrassen waar je heerlijk een thee kon drinken. En dat deden we dan ook maar. Vervolgens terug naar het hotel, want Marjolijn d’r maag was een beetje van streek.

‘s Avonds aten we goed in het restaurant Al Kindi en na het eten namen we een taxi naar de terrasjes voor de ingang van de citadel om daar nog iets te drinken.

Vrijdag 29 oktober 1999

De ochtend begon met nogal wat lawaai op de gang. Om 8.30 uur stonden we op en we liepen naar een fruitstalletje (om de hoek) waar we een fruitontbijt nuttigden, samen met versgeperste appel- en sinaasappelsap. We liepen naar de citadel en bezochten die. Er was wat overredingskracht nodig om een studentenkaartje te krijgen, maar uiteindelijk lukte het. De binnenkant van de citadel is heel wat minder imposant dan de buitenkant. Sommige dingen, zoals de moskeeën (natuurlijk) zijn nog in tact, maar voor de rest bestaat het binnenste van de citadel uit brokken steen en veel zand. Het theater is gloednieuw en niet mooi. Wel mooi was het uitzicht over de stad. Overal klonk gejammer vanuit de minaretten. Nogal ongeorganiseerd en lelijk!.

Na ons bezoek aan de citadel, liepen we door de souq, maar die was heel wat minder levendig dan gisteren. Alles was namelijk gesloten. Tsja, dat heb je op de vrijdag. We liepen door het ‘uitgestorven’ Aleppo naar het luxe busstation en kochten we in een ticketbureautje twee tickets naar Damascus. De Syrische mannen die na ons binnenkwamen, drongen allemaal voor, maar het mannetje achter de balie had dat in de gaten en hielp ons toch eerst.

Met de taxi reden we terug naar het hotel voor een sanitaire stop. Ik moest de taxichauffeur vertellen hoe die moest rijden, maar dat was totaal geen probleem. Aleppo is een zeer overzichtelijke stad. Het enige nadeel is dat alles éénrichtingsverkeer is. Na de sanitaire stop lunchten we (15.00 uur) bij Al-kindi. Soep en frites.

We liepen richting het park en onderweg kochten we een verzamel cd met arabische muziek. Ook de man in deze winkel sprak geen woord Engels, maar we konden de cd beluisteren. De cd werd afgespeeld over de boxen in het winkeltje en de volumeknop werd zodanig ver opengedraaid dat heel Aleppo kon horen wat we luisterden. Met handgebaren gaf ik aan dat we het volgende nummer wilden horen.

Bij het park is ook het postkantoor en daar postten we enkele ansichtkaarten en daarna liepen we dus naar het park. Het was een mooi park, met enkele fonteinen en veel bezoekers (vanwege de vrijdag). Plots werden we achtervolgd door vijf jongens. Toen ze ons passeerden, maakten ze door met hun fotocamera te zwaaien duidelijk dat ze met ons op de foto wilden. Daarna waren ze al weer verdwenen.

Amfitheater Bosra
Amfitheater Bosra

Na een wandeling door het park en vooral mensen kijken vanaf een bankje liepen we naar (het schijnt) het beroemde hotel “Baron”, welke stamt uit 1909. Het verhaal doet dat dit hotel belangrijke gasten heeft gehad, waaronder Lawrence of Arabia en Agatha Christi, die hier haar boek ‘moord in de Oriënt Express’ schreef. Het interieur was inderdaad oud. Waarschijnlijk is er niets meer gewijzigd sinds de opening. De basten zaten in de plavuizen, er stonden antieke banken en de foto’s aan de wand waren zwaar vergeeld. We dronken er een kopje thee (niet het goedkoopste kopje) en daarna gingen we naar een restaurantje om daar een biertje te drinken.

We aten echter bij Al Kindi, om daarna vroeg naar bed te gaan.

Zaterdag 30 oktober 1999

Vanochtend maar weer een fruitontbijtje genomen en na het ontbijt pakten we de rugzakken en gingen we met de taxi naar het busstation. Ik moest de chauffeur weer de weg wijzen. Het is gewoon ongelofelijk dat ze de weg niet weten of het gewoonweg niet begrijpen als je het ze in het Engels vraagt. Zelfs niet met een kaartje van de stad erbij!

Om 10 uur vertrok de bus, maar voordat de bus vertrok moesten we eerst naar het politiebureau op het busstation om onze tickets af te laten stempelen en de paspoorten te laten zien. De politieagent wilde onze foto in het paspoort bewonderen (wie niet!). Om 11.45 uur waren we bij het kantoor van de busonderneming in Hama en een kwartier later vervolgden we onze weg naar Damascus. Naarmate we Damascus naderden, werd het landschap steeds kaler en woestijnachtiger.

Op het Pullman busstation werden we afgezet en we werden direct overvallen door taxichauffeurs. Toen een groot deel van de passagiers weg was (en daarmee de taxi’s) namen wij een taxi naar het Al-Haramein Hotel. Dit hotel ligt in een rustig zijstraatje vrijwel in het centrum. Het is een oud koloniaal huis en de inrichting is er naar. Helaas was er geen douche en toilet op de kamer, maar (zeer) kleine toilets op de gang.

‘s Avonds liepen we door de souq op zoek naar een waterpijp. We hadden de eerste keer dat we in Damascus waren in de souq al enkele waterpijpwinkels dichtbij elkaar gezien en daar gingen we heen. Het was bijzonder moeilijk om een keuze te maken, want bijna alles was versierd met goud en dat wilden we nu juist niet. We slaagden niet, maar hadden wel een indruk gekregen van de prijs.

We liepen naar het terrasje achter de Omayadmoskee en dronken daar thee, om vervolgens door de oude stad te dwalen op zoek naar een felafel tentje. Die vonden we niet, maar we vonden wel een snackbar en daar was het bijzonder druk. We bestelden er een zeer goede cheeseburger, patat en een kleine pizza voor beide en liepen naar het nabije pleintje bij de Bab Toama om te eten. Eén pizza bleek genoeg voor beide en ik verdeelde de andere onder de mensen op het plein.

We liepen door de oude stad terug naar het terrasje bij de moskee. De straatjes waren smal en het was niet echt plezierig om er rond te lopen, omdat het een doolhof was. Aan die paar mensen die langs kwamen, vroegen we waar de Omayadmoskee was en zodoende kwamen we goed uit. Op het terrasje raakten we aan de praat met een zeer goedlachse man en een iets serieuzere vriend van hem. Toen we af wilden rekenen, mocht dat niet. Zij wilden voor ons betalen.

Zondag 31 oktober 1999

Gisteravond had ik aan de twee heren op het terrasje gevraagd waar vandaan de bus naar Bosra zou vertrekken. We namen een taxi naar het betreffende busstation en daar aangekomen wilde ongeveer iedere buschauffeur ons in zijn wagen hebben. Om 8.30 uur vertrok onze minibus naar Der’a. We betaalden S£ 45 per persoon voor de rit en in Der’a stapten we over in een gereedstaande minibus naar Bosra. In Damascus waren we samen met een ouder Frans echtpaar ingestapt en in Der’a charterde een microbuschauffeur ons voor S£ 100 naar Bosra. Een redelijke deal en door deze goede overstaptijd duurde de rit slechts twee uur. In Bosra werden we afgezet op het plein voor de ingang van het theater, maar voordat we het theater bezochten, dronken we eerst een cola op een terrasje op het pleintje.

Op de achterkant van het biljet van vijf Syrische Ponden staat het theater in Bosra afgebeeld

De toegangsprijs voor het theater was absurd: S£ 400 p.p., maar weer deed mijn stamkaart dienst. Hierdoor viel de stop nog wel mee. De entreeprijs is al voldoende reden om dit theater van de reisplanning te schrappen. Na de vele theaters die we al hadden gezien, voegde dit theater niets meer toe aan het beeld dat we reeds hadden. Dat neemt niet weg dat het theater imposant was. Zeer hoge tribunes en een mooi gedecoreerde achterwand. Toen er even geen toeristen waren en de zon op de achterkant scheen (het was namelijk bewolkt), kon ik enkele foto nemen.

Na het bezoek aan het theater liepen we door de oude stad. Alleen het waterreservoir, het grootste in het Midden-Oosten, was indrukwekkend. De rest vond ik tegenvallen. Er was nog een oude hammam. Toen wij er binnen liepen, waren er net enkele andere toeristen die uitleg kregen. Toen wij de hammam wilden verlaten, maakte een mannetje ons duidelijk dat de entree gratis was, maar het was duidelijk wat hij daarmee wilde zeggen. We bedankten hem vriendelijk (ahum).

Via de westpoort verlieten we de oude stad en we gingen op zoek naar een plek waar we felafel konden eten. Toen we dat aan passerende jongens vroegen, werden we naar een klein zaakje aan de overkant van de straat verwezen. Een mannetje voor de balie hielp ons bij onze bestelling. Terwijl wij buiten de felafel aten (er werden stoeltjes voor ons gehaald) bleef het mannetje bij ons staan en we raakten aan de praat. Hij was eigenaar van een fourniturenwinkeltje enkele huizen verderop en wilde graag zijn winkeltje aan ons tonen. In het winkeltje kregen we al z’n stoffen te zien met een uitleg erbij waarvoor je het zou kunnen gebruiken. Na nog enkele andere dingen te hebben gezien, besloten we uit beleefdheid iets te kopen. Het werd een halsbandje van kraaltjes voor Marjolijn, maar toen we wilden afrekenen werd dat resoluut geweigerd. Hij wilde het ons geven als cadeau met natuurlijk het ‘Welcome in Syria’-argument.

Na ons bezoek, hield het mannetje (hij was 31 jaar, getrouwd en trotse vader van een zoontje) de bus naar Der’a aan. Dit was geen microbus, maar een oeroude en rijkelijk versierde minibus (25 personen). We reden half Syrië door en stopten onderweg in een plaatsje waar het een en ander uitgeladen moest worden. Vanaf het dak werden enorme hoeveelheden lange stalen pijpen gelost. Na het laden en lossen-verhaal reden we door naar Der’a, waar we weer een directe aansluiting hadden naar Damascus.

In Damascus kochten we een waterpijp in een klein winkeltje naast de ingang van het ‘Open Air Café’ voor S£ 850. Wel duur, maar inclusief kooltjes en tabak.

Maandag 1 november 1999

Na een ontbijt van zoete zooi (van het bakkertje) en een kop thee in het ‘Open Air Café’, pakten we de rugzakken en namen we een taxi naar het “shared taxi” station. We meldden ons rond half elf bij iemand die (waarschijnlijk) de leiding had over het verdelen van de passagiers over de taxi’s. Hij vroeg naar onze paspoorten en toen we die aan hem hadden gegeven, overhandigde hij ze aan een taxichauffeur, ondanks dat we daar bezwaar tegen maakten. De chauffeur verloor ik niet meer uit het oog. De paspoorten dienden voor de chauffeur als bewijs dat hij al klanten had. Na ongeveer drie kwartier vertrok de taxi naar Amman. We zaten met nog drie andere passagiers, alle Jordaniërs, in de taxi. Onderweg werd bij een benzinestation, annex winkelcentrumpje, gestopt en de chauffeur sloeg massaal sloffen sigaretten in. Eén tas met enkele sloffen werd onder de voorstoel verstopt en andere sloffen werden verdeeld onder de overige (wij niet) passagiers.

De douaneformaliteiten aan de Syrische grens verliepen uiterst soepel. Onze namen en paspoortnummers werden in een groot boek geschreven en er werd een stempel in het paspoort geplaatst. Terug bij de taxi bleek dat we zelfs eerder klaar waren dan onze Jordaanse reisgenoten.