Tajikistan

Donderdag 11 juli 2019

Na een paar dagen van gijzeling door de Tajikse bureaucratie, mogen we nu eindelijk verder.

Op 3 juli hadden we een e-visum aangevraagd via de website van de Tajikse overheid. Hoe moeilijk kan het zijn. Je paspoortgegevens invullen in een online formulier, een foto van je paspoort uploaden en betalen met een credit card. Als de ingevulde gegevens niet overeenkomen met het paspoort, dan kom je het land niet in, maar dan ben je wel je geld kwijt. Een voor 70 dollar per persoon neem je dat risico lieve niet. Dus wat kan er fout gaan?

We vulden het formulier in en betaalden met credit card en kregen een keurige mail met een betaalbevestiging en een mail dat de aanvraag in behandeling was. We moesten wachten op een email met een statusupdate. En precies die kwam maar niet.

Dus in Kokand, een niet al te boeiend maar wel een relaxed plaatsje, wachtten we op de bevestiging. We belden met de ambassade in Tajikistan op diverse nummers, maar geen gehoor. We mailen naar Tajikistan, maar geen antwoord. We zaten met een dilemma: reizen we eerst naar Osh in Kirgizië om vervolgens in tegenovergestelde richting dan gepland de Pamir Highway te nemen, iets waar we bij de voorbereiding juist hadden besloten om dat niet te doen, omdat we dan in geringe tijd veel hoogtemeters zouden overbruggen met een reële kans op hoogteziekte, of reizen we terug naar Tasjkent en benaderen we Tajikistan vanuit een andere hoek. Dan zouden we de wachttijd doorbrengen met reizen en in Tasjkent.

Terwijl Marjolijn op het internet zocht naar de gegevens van de Tajikse ambassade in Tasjkent, zocht Remco naar overnachtingsmogelijkheden in Tasjkent. Toen Remco en aardige optie had gevonden, bleek dat de ambassade een straat verderop zat.

We namen een shared taxi naar Tashkent. De jonge chauffeur reed verrassend relaxed. De twee passagiers naast Marjolijn op de achterbank sliepen het grootste deel van de rit; die waren al vertrokken nog voordat we Kokand uit waren. De chauffeur wist ook razendsnel het lekke linker voorwiel te vervangen nadat we net de schitterende pas weer waren overgestoken en  op een ‘no smoking’ weg reden. Op die weg was het verboden te roken, omdat we door de ‘wheat desert’ oftewel graanwoestijn reden. Die was zo droog, dat een uit de auto geworpen peuk de boel zo in de fik zou kunnen zetten.

De chauffeur bracht ons tot voor de deur van het Tashkent hostel.  We checken in en – eigenlijk tegen beter weten in, omdat ambassades over het algemeen meer gesloten zijn dan geopend- liepen we de 750 meter naar de Tajikse ambassade. Daar stond een agent, type Louis, voor de deur, die ons in het Engels vroeg of we voor een visum kwamen -met behulp van zijn telefoon natuurlijk.

De paspoorten werden ingeschreven en we mochten zowaar het gebouw binnen, dat dus schijnbaar niet gesloten was. Binnen mochten we meteen een kamer binnen, terwijl de lokale bevolking in de gang op een bankje zat te wachten.

In de kamer stonden twee bureaus, waar achter een bureau en man met een zonnehoedje op zat. “5 minutes” kregen we te horen en in gedachten vermenigvuldigen we die al met tien. Iets klopte niet: de computers stonden niet aan en er was geen licht.

Nadat de generator was opgestart, verscheen een tweede persoon. Die sprak iets meer Engels, maar Google translate deed wonderen. We moesten de volgende dag maar terugkomen en dan zou hij met Tajikistan bellen. “Maar onze vakantie is zo kort en we wachten al een week. Kunt u niet nu bellen, please?” Na dit nog twee keer te hebben herhaald, beeld hij met Tajikistan en bevestigde hij dat we akkoord zouden krijgen.

We bedanken de man hartelijk en liepen het ambassade gebouw uit. Voor de deur keken we op de tablet naar wat we nu zouden gaan doen in Tashkent. Een mobieltje van iemand in de straat maakt het geluid van een ontvangen mailtje. Alsof het ons apparaat was, keken we in onze mailbox en daar was het akkoord!! Een week moeten wachten voordat iemand op een oke knop drukt. Beetje jammer!

En dus vertrokken we op 11 juli – in eerste instantie met de stadsbus, omdat die slechts op zo’n tweehonderd meter van het hostal vertrok en het m 09.30 uur toch maar pas 31 graden was – naar de plaats waarvan de taxi’s naar de grens zouden vertrekken. Daar was ook de eindhalte van de bus én een grote markt.  Een grotere chaos kun je je niet voorstellen en dat kwam ons niet god uit.  Bij verschillende mensen op straat probeerden we duidelijk te maken waar we heen wilden, maar het leek wel of we Chinees spraken, want ze begrepen niet wat we wilden. Zelfs niet als we op de kaart lieten zien waar we heen wilden.

Een taxichauffeur wilde ons wel brengen voor 200.000 som en vond het vreemd dat we hem uitlachten. Toen troffen we iemand die welliswaar geen Engels sprak, maar ons wel begreep en ons meenam naar de plaats vanwaar de taxi’s vertrokken. Daar kwamen we na wat afdingen van 150.000 som via 100.000 en 90.000 som uiteindelijk uit op 80.000 som. Weglopen van een onderhandeling werk vrijwel altijd. Met z’n tweeen in de taxi reden we in en uurtje naar de grensovergang Oybek. In Uzbekistan hadden we één ding verzaakt en dat was om de bewijzen dat we ergens hadden overnacht op te vragen en te bewaren. Pas nadat de Franse jongen die we in Samarkand hadden ontmoet ons erop had gewezen dat we die bewijsjes moesten bewaren, zijn we dat ook gaan doen.

Bij de grens wisselden we 20 euro om voor 200 somoni. Niet de allerscherpste koers, maar dat wet je op zo’n plek. We liepen naar het eerste hek van Uzbekistan, waar onze paspoorten werden gecontroleerd. Daarna het douanegebouw in, waar we als enigen waren. De enige beambte was erg vriendelijk en binnen no time hadden we weer een stempeltje in het paspoort.  Keurig netjes geplaatst naast het inreisstempeltje dat we in Nukus hadden gekregen. We mochten doorlopen naar het tweede Uzbeekse hek, waar we weer onze paspoorten mochten laten zien.

Vervolgens was het zo’n 300 tot 500 meter lopen door niemandsland naar het Tajikse hek.  Paspoorten laten zien en hup..  doorlopen naar het douanegebouw van Tajikistan, zo’n beetje het armste stannetje in deze regio vanwege het ontbreken van gas en olie.  Anderzijds is het steenrijk vanwege de overige bodemschatten. Maar corruptie, slechte transportmogelijkheden vanwege de geografische ligging zorgen ervoor dat van de ontginning van deze bodemschatten weinig terecht komt.

In het Tajikse douanegebouw liep alles….. op rolletjes. Even een mooi foto’tje van een stel toeristen met zweetriviertjes op hun gezichten maken, stempeltje in het paspoort en op het uitgeprinte e-visumformulier en we konden verder lopen.  Buiten het douanegebouw stonden de eerste taxichauffeurs al weer klaar.  150 Somoni voor een taxi naar Kujand. We liepen verder, want we hadden in onze ooghoeken gezien dat er nóg een hek in het verschiet lag.  Na driehonderd meter lopen zat een potige dame, die er nogal russisch uitzag, achter een tafeltje en wilde graag onze paspoorten zien.  Afijn, op een afstand van ongeveer een kilometer hebben we 5 hekken gepasseerd en is er 7 keer naar ons paspoort gevraagd.  Zo houd je ze wel aan het werk.

Na het allerlaatste hek stonden twee goedlachse Uzbeekse vrouwen te wachten op een taxi.  Mt ons tweeen erbij waren we met z’n vieren en kon de taxi vertrekken.  Eerder scheven we al dat Tajikistan één van de artmste van de stannetje is, dus in wat voor een auto zouden we stappen, demk je?  Een Mercedes!.   De groene Umweltsticker uit Duitsland zat nog in de rechterbenedenhoek.

In Boston stopte de taxi achter de minibus naar Kujand, die met ons drieeen (Marjolijn, ik en de rugzakken ieder op één plek) erbij vol was en direct vertrok naar Kujand.  Zo’n soepele overstap hebben we nog nooit gehad.

We hadden geen idee waar de minibus in Kujand zou stoppen, maar dat bleek vlakbij het appartement dat we hadden uitgezocht.  Althans dat dachten we.  Op Maps.me stond het appartement verkeerd aangegeven en toen we –schijnbaar in de optiek van enkele Tajiken- radeloos stonden te kijken op straat, spraken ze ons aan.  De groep uiterst vriendelijke ‘bemoeials’ werd groter en groter, totdat iemand heel enthousiast werd toen we zeiden dat we uit Amsterdam kwamen.  Hij sprak goed Engels en was een half jaar geleden twee dagen in Amsterdam geweest en was daar lyrisch over Hij gaf aan ons wel naar een appartement te willen brengen enj bracht ons naar de appartementen die we op Booking hadden gezien.  We werden razend enthousiast (NOT) toen we de – in verre staat van verval uitziende- wooncomplex zagen, maar het appartementje was op zich best oké ingericht.

We kochten iets te drinken in de supermarkt achter het appartement en vroegen waar we de bus naar het centrum konden nemen. Met handgebaren werd door het winkelpersoneel aangegeven dat we voor de deur van de supermarkt de bus konden nemen. Eenmaal buiten de supermarkt sprak een man ons in vloeiend Engels aan waar we heen wilden en bevestigde dat we een bus of minbusje konden aanhouden en we moesten vragen naar ….  Vervolgens stapte hij n een dikke Mercedes en reed weg, nog even twee toetertjes onze richting op.

Reden één om naar het centrum te gaan:  geld wisselen

Reden twee om naar het centrum te gaan:  een SIM-kaart kopen.

We stapten uit in het centrum en stonden eigenlijk direct voor een bank.  In erg het smalle filiaal (pijpelaartje) zaten aan de linkerzijde mensen op een bankje te wachten en aan de rechterzijde van het niet meer dan drie meter brede gebouwtje waren drie hokjes, warvan er één bezet was.  Een bewaker achterin gebaarde naar ons dat we aan de beurt waren. Soms moet je niet protesteren.  We wisselden 100 euro voor 1063 Somoni. Heel globaal geldt dus 10 Somoni =  1 euro (voor de eenvoud). Daarna vroegen we naat T-cell, de nationale provider die werd aangeraden. Daar werd moeilijk gedaan over iets met registreren en dat we maar voor 10 dagen een SIM-kaart konden krijgen zonder registratie. We werden verwezen naar het kantoor van de OVIR,  het kantoor waar vroeger – inderdaad-  toeristen zich moesten laten registreren.  Een vriendelijke man stond ons te woord in het Engels en maakte ons duidelijk dat we ons met een e-visum niet hoefden te laten registreren.  “Maar om een SIM-kaart te kunnen kopen, moesten we ons laten registreren volgens de medewerker van T-Cell”, zeiden we. Hierop pakte de man z’n eigen mobiele telefoon (don’t leave home without it) en liep met ons mee naar de winkel van T-Cell en verliet ons niet meer voordat we een werkende SIM-kaart met 3GB internet hadden voor 65 Somoni.  Goed:  we hadden nu drie dingen:  geld, een SIM-kaart en een natte rug van het zweet, want het was 43 graden.  We besloten een biertje te drinke op een terrasje in de schaduw.  Daar aten we na het biertje ook en vervolgens namen we de bus terug naar het appartement.

’s Avonds ontmoetten we Ibrahim, de 22 jarige verhuurder van het appartement.  Hij was klaar met z’n studie en had alle tijd van de wereld.  Nadat hij het appartement had laten zien, gaf hij aan dat hij ons alleen tegen de benzinekosten de volgende dag met de auto Kujand zou laten zien en de dag erop nog meer als we wilden. De jongen was erg vriendelijk, maar nogal een spraakwaterval, waarbij hij zo goed mogelijk Engels wilde spreken en daarvoor vrijwel continue gekluisterd was aan G-translate.  Hoe langer de zinnen werden die moesten worden vertaald, hoe minder we ervan begrepen.

Vrijdag 12 juli

Ibrahim haalde ons vanochtend met ‘zijn auto’ op. Vol verwachting liepen we vanuit het appartement naar beneden naar de straat, om daar een oude, oranje (een Hagenaar zou nu een woord zeggen dat begint met een ‘t’ en eindigt op ‘ing’) Lada te zien staan.  Afijn,  we reden eerst naar de benzinepomp om 10 liter benzine te tanken en daarna reed Ibahim ons naar de markt.  We liepen over de markt en kochten wat appeltjes.  Daarna aten we een versgemaakte Somsa in een straattentje, dat volgens Ibrahim de beste Somsa had van Kujand.

Daarna reden we naar het park en het museum.  Ibrahim praatte aan één stuk door en zocht constant op z’n vertaal app naar vertalingen in het Engels.  Hij ging hele zinnen vertalen, die hij verrassend goed en snel uitsprak, maar waarvan kant nog wal klopte.

Gelukkig werd Ibrahim weggeroepen, doordat zich een klant had gemeld via Booking en hadden we even ‘rust’.

Zaterdag 13 juli 2019

We zouden vandaag om 08.30 door Ibrahim worden opghaald, maar om 09.05 SMS’te hij dat hij net uit z’n bed kwam en er aan zou komen. Om 09.45 uur gingen we op weg naar Istrafashan, een stadje op zo’n 60 kilometer ten zuiden van Kujand.  In het begin leek er weinig aan de hand, maar halverwege bleek er toch een probleem te zijn met de benzinepomp van de oude Lada.  Die werd te warm en begon te haperen.  Afijn,  na iedere kolimeter werd gestopt, ging de motorkap open, werd door Ibrahim de benizine schijnbaar opgepompt, want er zat iets van een pompmechanisme op de motor, werd de motor met een emmer water gekoeld en konden we weer een stukje verder.  Op een gegeven moment was het niet leuk meer.

In Istrafashan staoten we uit de Lada en zeiden we tegen Ibrahim dat we wel verder gingen lopen.  We stonden aan de voet van een citadel die hoog boven de stad op een heuvel was gebouwd.  Terwijl we naast de auto stonden, stopte een jonge jongen op de fiets en begon met een vragencannonade, waarvan we de antwoorden in één ruk konden beantwoorden.

De jongen fietste naast ons mee naar de citadel en ging compleet ongevraagd door ons mee de citadel in.  Nadat we een toegangskaartje hadden gekocht, werd de deur van een museumpje voor ons geopend en begon een vrouw in het Russisch het een en ander uit te leggen, dat de jongen zo goed als mogelijk vertaalde voor ons.

Nadat we de citadel hadden bezocht, kwam Ibrahim ons tegemoet rijden in de Lada, die inmiddels was voorzien van een nieuwe brandstofpomp.  De jonge jongen zou met ons meegaan en de fiets werd in de achterbak gelegd en de jonge jongen bracht ons naar een bank om voor de tweede keer geld te wisselen en bracht ons – op ons verzoek-  naar een restaurantje waar we met z’n vieren lunchten.  Daarna was de jonge jongen onze stadsgids en reden we naar twee moskeeen en een 800 jaar oude boom. Daarna werd de jongen afgezet waar we hem ook hadden ontmoet en reden we terug naar Kujand, om vervolgens verder te rijden naar het meer.  Hier zwommen we enkele uren en hadden we de mazzel dat we een plekje in de schaduw konden vinden (er is daar eigenlijk géén schaduw) en na het zwemmen aten we een visje in een restaurantje aan het enorme meer.

Zondag 14 juli 2019

Marjolijn is jarig, maar het zou een reisdag worden.  Ibrahim bracht ons in z’n oude Lada naar het shared taxi station en na enig onderhandelen zaten we na een half uurtje in een auto op weg naar Panjakent. Het eerste uur was hetzelfde als gisteren, met die uitzondering dat we nu wel doorreden. We passeerden Istrafashan en daarna koelde het af, want we gingen de heuvels in. Het werd mooi groen en de rit verliep soepel.  We reden door een enorme lange tweebaans tunnel die maar matig verlicht werd.  Toch is dit al een hele verbetering met de oude tunnel, die onverhard was en onverlicht en waar het water soms een halve meter hoog stond.

Na de tunnel daalden we.  De bergwanden gingn vrijwel loodrecht naar beneden en ver onder ons zagen we een riviertje stromen met een behoorlijke vaart. Eenmaal beneden aangekomen stopte de taxichauffeur en zagen we de rook van onder de motorkap vandaan komen.  Ook deze taxichauffeur was ‘niet goed wijs’ en gaf bij het afdalen waar mogelijk nog wat extra gas, om bij de bochten dan extra veel te moeten remmen.  En dat deed hij dus niet op de motor, maar met de remmen en die vonden dat blijkbaar niet leuk.

In Aini werd getankt en een paar kilometer verder werd gestopt voor de lunch.  We namen twee Somsa’s (samosa’s),die door de buurman ter plekke in een tandoor werden klaargemaakt. Vers waren ze en de bladerdeeg was heerlijk knapperig, maar de vulling was wat ondefinieerbaar; kan hond zijn geweest of ezel.

Na de lunch reden we verder, maar op een gegeven moment moesten we van auto wisselen.  Een van de passagiers was op zijn bestemming aangekomen en zou ons wel veder brengen met zijn auto.  Waarschijnlijk probeerde hij ons op die manier dubbel te laten betalen, wat bij hem tot een teleurstelling leidde, want eenmaal aangekomen bij het hotel in Panjakent betaalden we hem niet, omdt de rit naar Panjakent al was betaald.

Vanwege de verjaardag van Marjolijn deden we het luxe. Het hotel was gloednieuw en de kamers waren het duurste in Panjakent volgens Booking. Maar daarvoor hadden we wel een hele ruime en nieuwe kamer met en zitje. Nadeel was dat het hotel iets uit het centrum lag, maar de minibisjes stopten voor de deur.

We namen een minibusje naar het toeristen informatiecentrum.  Omdat het zondag was, was dat niet bemand, maar een vriendelijke man in het gebouw zat televisie te kijken en belde met iemand, die ons in het Engels te woord stond.  We moesten maar even naar zijn hostel komen, dan zou hij ons het een en ander uitleggen.

Maar eerst een gebakje. Tsja,  probeer dat dan maar eens te vinden.  Na gebak te hebben vertaald in het Russisch en het aan omstanders te hebben getoond, kregen we rare blikken.  Misschien ‘taart’ eens vertalen, maar daar hadden we achteraf geen vertaal app voor nodig, want dat is ‘tart’.  We werden gewezen naar een buurtsupertje, die inderdaad ook gebakjes had.  Met een cola’tje en een taartpuntje vierden we Marjolijn d’r verjaardag.

Daarna liepen we naar hostel Salom, waar de eigenaar ons in z’n keuken van alle informatie voorzag.  In de keuken hing aan de wand een enorme kaart van de Fann Mountains en op alle vragen had hij een passend antwoord.  Hij zou een jeep voor ons regelen, die ons de volgende dag zou afzetten bij een guesthouse in de Fann Mountains.  Eén probleempje zou er kunnen zijn, namelijk dat de weg is overstroomd. Maar het fijne wist hij er niet van.

De jeep zou pas om 13.00 uur vertrekken, omdat de bewoners van de Fann Mountains ’s ochtens naar de markt gaan en zo rond 12.00 uur 13.00 uur teruggaan naar huis.

Zafar, de eigenaar van het hostel gaf aan dat we naar de citadel moesten gaan voor zonsondergang en we liepen daarheen via de achterafstraatjes van Panjakent.  Langs stroompjes speelden horden kinderen, die allemaal enthousiast ‘Hello’ riepen.  Eén meisje begon spontaan “Happy Birthday to you” te zingen toen we langsliepen. Welliswaar voor zichzelf, want ze was die dag jarig.  Des te verbaaster was ze toen Marjolijn aangaf dat zij ook jarig was.

Vanaf de heuvel,  ooit de oude stad Panjakent,  hadden we een mooi zicht op het huidig Panjakent, met de vele golfplaten daken.  Daarna gingen we op zoek naar een restaurant en dat bleek niet eenvoudig.  Naast het feit dat Maps.me maar weinig restaurants toonde, bleken de restaurants die omstanders op straat aan wie we het vroegen, gesloten te zijn.  Uiteindelijk belandden we in een kebab restaurant, dat nog eens verrassend goed was.

Maandag 15 juli 2019

Na het ontbijt probeerden we aan de receptionist en de andere twee personeelsleden te vragen hoe we het beste naar de OP gravingen van Sarazm, op zo’n 15 kilometer ten westen van Panjakent en op 5 kilometer van de Uzbeekse grens. We begrepen dat we eerst minibus 4 moesten nemen naar de bazaar en vandaar minibus 3 naar de opgravingen. Bij de bazaar begonnen omstanders zich ermee te bemoeien toen we de minibus uit waren en we belandden in een shared taxi, die ons naar de opgravingen vloog, maar niet voordat de banden waren opgepompt.

Vanaf de hoofdweg waren de opgravingen duidelijk zichtbaar in het landschap, omdat steigers de opgravingen overkapten. We werden langs de weg afgezet en liepen de laatste 200 meter naar de opgravingen. Vanuit de verte leek het een drukte van belang en dat konden we ons bij deze relatieve onbekende opgravingen niet voorstellen. Eenmaal op het terrein (geen entree) werden we hartelijk in het Frans ontvangen door een oude Tajiek met vergeelde tanden. Hij was archeoloog en de omstanders die we van veraf hadden gezien waren archeologiestudenten. Een aantal van de atudenten was voorzichtig in de harde aarde aan het hakken op zoek naar muren en andere interessante dingen die blootgelegd konden worden. De oude Tajiekse archeoloog had jaren met een Frans team gewerkt en sprak zodoende goed Frans. Hij legde het een en ander uit en we konden zowaar ook nog in het Frans een paar vragen stellen. Daarna volgde de onvermijdelijke fotosessie.

Op een andere plek was een ander archeologisch team bezig. De vrouw, die alleen Russisch of Tajieks sprak en in  het spaarzame Engels dat ze sprak aangaf dat ze architect was, maar waarschijnlijk archeoloog bedoelde, legde het een en ander uit en wij klikten beleefd ja en zeiden beleefd ‘Da’.

In een derde opgraving was een derde team bezig. Weer in weinig Engels en veel Russiche werd duidelijk dat er vier aardlagen  / tijdsperioden waren waar ze door heen moesten en van de rest hebben we weinig begrepen. Een van de archeologen werd gillend gek toen hij tijdens het voorzichtig hallen in de harde aarde drie kraaltjes vond. Het is vast een boeiend beroep, bij 37 graden on de brandende zon op zoek gaan naar kraaltjes.

We namen een minibusje terug, die langsreed op de weg van de grens naar Panjikent. Onderweg werd het busje staande gehouden door oom agent, maar de chauffeur mocht -vreemd genoeg- snel weer verder rijden toen hij ons als enige passagiers in het busje zag zitten. Wij konden wegkomen meg een ferme handdruk. Helaas is er op dit soort momemten geen fotomomentje, want we zouden het erg leuk vinden om met een politieagent, vanwege z’n stoere, maar overdreven grote pet, op de foto te gaan

We lieten ons afzetten bij de bazaar. We wisselden 100 euro bij de tweede bank, want de eerste bank waar we naar binnen liepen wilde ons 100 eurobiljet niet accepteren vanwege een heel klein scheurtje. Bij de tweede bank keken ze niet eens naar het biljet. Het verschil tussen Russisch denken en een ruime(re) geest hebben.

Op de bazaar kochten we vier appels en 5 somsa’s en daarna namen we mijibusje 4 terug naar het hotel, waar om 13.00 uur de jeep ons zou komen ophalen. Dat werd 13.25 uur, maar toen konden we ook op weg naar de zeven meren in de Fann Mountains.

De eerste 30 kilometer was geen probleem. De weg was verhard en op de paspoortcontrole na ging het soepel, maar rustig aan. Na 30 kilometer werd de weg onverhard. Hiervoor waren we gewaarschuwd door iedereen. Very bad road. Nou, de Lada’s reden nog gewoon over de weg, die gewoon uit een  onverharde weg bestond zonder verdere bijzonderheden. Op dit soort wegen reden we in Namibie met 70 kilometer per uur. Oke, hier was de weg minder breed en bochtiger, maar om nu te zeggen dat se weg alleen meg een jeep te bereiden is, gaat te ver.

Gestaag reden we door. Welliswaar werd om de zoveel kilometer de motorkap geopend en de radiator bijgevuld met (niet al te schoon) water en werd de motor gekoeld, totdat we bij het vierde meer werden geconfronteerd met een overstroming.

Zafar van het Salom hostel had al zoieta gezegd, dat er water op de weg stond nabij het vierde meer. Het water stond echter zo hoog dat de jeep er niet doorheen ging. Alle passagiers stapten uit en gingen te voet verder. Hiervoor moesten ze wel over rotsblokken klouteren die tegen de berghelling op lagen, maar  datt scheen ze niet te deren ondamks hun vele bagage.

Voor ons  werd een boot geregeld. Het was wel een behoorIijke tijd wachten op de boot. En we waren verrast toen we drie jongens aan zagen komen lopen. De eerste jongen had een binnenband van een tractor, de tweede jongen had een aantal planken en de derde jongen had een aantal lege meelzakken. Afijn, de boot werd voor ons in elkaar gezet, de bagage alsmede wij namen plaats  de ‘boot’ en we werden naar de overkant geduwd.

We stapten van het vlot en zouden de laatste kilometer verder lopen. Wat we niet wisten was dat een bocht verder er nog een overstroming was e er zou nog een derde volgen. Nu was de bergwand echter loodrecht en er was geen andere keuze, dan een van de bootjongens te volgen door het water naar de overkant. Dus wandelschoenen uit en waterslippers aan en gaan met die banaan. Tot aan de middel door het koude smeltwater. Eenmaal de twee overstromingen getrotseerd, stond een jeep van het guesthouse op ons te wachten. De bagage weren ingeladen en wij namen met onze natte broeken plaats in de auto, die vervolgens achteruit reed over de een auto brede onverharde weg de heuvel op. Dat was nog het minst leuke.

Door alle oponthoud kwamen we pas rond 17.00 uur aan in het guesthouse. We legden de spullen op de kamer en namen plaats in de tuin aan een tafel met een dak er boven. Het diner werd geserveerd om 19.00 uur, nadat we dat direct bij aankomst hadden  besteld. Er waren drie menu’s met vlees en drie vegetarische menu’s waaruit we konden kiezen.

Omdat er niet heel veel te doen is, lagen we om 21.30 uur op bed.

Dinsdag 16 juli 2019

Vanochtend waren de ‘bouwvakkers’ al rond 06.00 uur gestart met de buitenzijde van het guesthouse. Die buitenmuur werd ‘ gestuckt’ en geschilderd. Wij werden rond 076.45 uur wakker. Drie kwartier later werden we verrast door oud brood en een omeletje. Met wat koffie viel het nog wel weg te spoelen.

Om 08.30 begonnen we aan de wandeltocht naar het 5e, 6e en 7e meer, maar voordat we de poort van het guesthouse hadden bereikt, werden we aangesproken door Uzbeken, die in de tuin zaten. We werden toch echt wel geacht even bij ze plaats te nemen, geheel tegen onze zin in omdat we  aan de wandeling wilden beginnen. De Uzbeken zaten ‘gevangen’ in het guesthouse. Gevangen, omdat hun auto’s daar stonden en ze niet terug konden naar Samarkand, vanwege het hoge water, dat de weg blokkeerde. We moesten bij ze aan tafel komen zitten en ja hoor…. Wodka werd aangeboden. We sloegen het beleefd, doch resoluut af Het was dan wel rond kwart voor negen en er zat dus een vijf in een klok, maar met dat laatste bedoelen we eerder vijf uur ’s middags en niet kwart voor negen ’s ochtends.

Na een kopje thee, dat we wel accepteerden, gingen we om 08.45 uur op weg. Al na een paar honderd meter werden we geconfronteerd met wateroverlast. De weg was ondergelopen, maar we hadden enkele Tajiken een nog te maken pad via de bergwand, die hier niet zo steil was, zien nemen. Het was dus mogelijk om met droge voeten het overstroomde gedeelte te passeren. Terwijl we daarmee bezig waren, zagen we een lokale dorpsbewoner met een pikhouweel een nieuw pad maken. Daar waar wij naar een plek zochten om de voeten steeds neer te zetten, rende het oude baasje zo’n beetje naar Marjolijn toe om haar te helpen.

Eenmaal  op de onverharde weg gingen we verder. We volgden de woestkolkende rivier en reeds 10 minuten later werden we met een tweede overstroming geconfronteerd. Hier was de uitdaging echter minder groot en konden we via het dijkje van een irrigatiekanaal hogerop tegen de heuvel verder lopen. We liepen een dorpje in. Bomen stonden langs een onverharde weg en kinderen kwamen nieuwsgierig kijken al ‘hello’ roepend en dat op de repeat stand. Het was geen enkel probleem om deze kinderen op de foto te zetten. Sterker nog, ze gaan er mooi voor poseren.

De weg begon liep verder door het dorp met enkele lemen huizen kris kras gerangschikt. Aan het einde van het dorp was het vijfde meer. Een klein meertje, dat aan de andere zijde (de overkant) werd gevoerd door een brede rivierdelta.

We liepen langs het meer, steeds langzaam, maar gestaag stijgend en dalend en bij een van dje dalingen was overstroming drie. Deze was niet zo lang en we konden via de berghelling de overstroming passeren.

We kwamen uit bij het zesde meer. Een prachtige rotspunt leek daar te zijn neergelegd voor alle toeristen om van daaraf een mooie foto te kunnen nemen van het turquase water met de bergen op de achtergrond. Vele kontjes hebben hier gezeten en ook de onze.

We liepen verder langs het meer. Dit keer was het een langgerekt meer. Vanaf nu kwamen we geen overstromingen meer tegen. Aan het einde van het zesde meer was een dorpje. Gelegen in een mooie groene oase lagen ook hier de huizen ver uit elkaar en zelfs hoog tegen de berghellingen  op. Wat bezielt men om zover in een dal te gaan wonen en dan ook nog eens hoog tegen een berghelling op in een gebied dat zes maanden per jaar wordt geplaagd door sneeuw.

In het dorp stond een man het vlees te snijden van een zojuist geslachtte geit. De kop lag nog in het gras en de ingewanden lagen keurig op de huid die op de grond lag. Daar waar het vaak niet erg gewenst wordt om dit te fotograferen, sprong de self made slager direct in de houding naast de geit en zo ook de kinderen er omheen.

Na dit dorp kwam een forse klim naar het zevende meer. Niet zo zeer de steilheid, maar meer de lange duur van de klim maakte het ietwat zwaar. Gelukkig viel de temperatuur erg meer (waarschijnlijk  zo’n 25 graden), maar  de zon scheen fel. De wind maakte het ook aangenamer.

We staken de rivier over. Een enorme, witte, kolkende massa perste zich onder de smalle, 2 meter brede, brug door met veel gebulder. We stegen door en na vier uur lopen kwamen we aan bij het zevende meer. Het lag schitterend en sereen tussen de hoge bergen, waar her en der nog wat sneeuw op lag.

We lunchten met vier appels en wat koekjes en filterden water uit het meer en na een uurtje rusten, waarbij enkele andere toeristen zo heldhaftig waren om in het meertje te duiken, liepen we dezelfde weg terug. Naar beneden was het makkelijker, maar helaas waren er geen kindertjes meer onderweg.

De hele weg liepen afwisselen voor of achter ons een Spaans stel, dat met een gids de wandeling maakte en dat ook in ons guesthouse zat. Eenmaal terug in het guesthouse vroegen we of we wellicht met hun mee terug zouden kunnen rijden naar Panjakent, want hun gids was ook hun chauffeur en hun auto staat geparkeerd voor het 4e meer, het meer waar de grootste overstromingen zijn. Gelukkig kregen we een positief antwoord, namelijk dat we mee konden rijden.

De Spaanse jongen zei dat gisteren in het  eer een auto was verdwenen. Die auto had geprobeerd om de overstroming te trotseren, maar was te ver van de berghelling afgegaan en was gaan drijven en dreef zo het meer in en verdween in het 75 meter diepe meer.

Woensdag 17 juli 2019

We werden na het ontbijt met de 4×4 naar het meer gereden. Daar werd een ‘boot’ geregeld, de binnenband met de drie planken en plastic zakken, en werden we naar de andere kant van het overstroomde gedeelte geduwd.  Na de eerste overstroming trotseerde Remco en Pablo, de Spaanse jongen, het water door er doorheen te lopen.  Na de derde overstroming stond de jeep van de chauffeur/gids van het Spaanse stel geparkeerd.  De chauffeur bevestigde de nummerplaten weer op de auto (iedereen demonteert de nummerplaten uit angst dat ze gestolen worden) en we legden de rugzakken in de auto.

Daarna reden we naar Panjakent.  Eerst reden we naar de bazaar, waar de Spanjaarden geld wisselden we appels en Somsa’s kochten en daarna werd eerst het spaanse stel afgezet bij de shared taxi’s naar Choedzand en daarna wij bij de shared taxi’s naar Artuch. Heel berekend vroeg de chauffeur aan ons 100 Somoni, maar we hadden begrepen van de Spanjaarden dat ze al veel voor de chauffeur hadden betaald en we poeierden de chauffeur af met 50 somoni voor ons beiden.  Het was puur een extra’tje voor hem.

De Shared taxi zou ons brengen naar Artuch lager. Dit hadden we duidelijk aangegeven en de chauffeur van de Spanjaarden had bemiddeld in de shared taxi.  Dat gaan we ook nooit meer doen, want bemiddeling van lokale bevolking werkt simpelweg niet. De minibuschauffeur zette ons af in het dorp Artuch en dat leverde natuurlijk weer de nodige discussie op.  Wij betaalde de chauffeur echter niet de afgesproken 80 Somoni naar Artuch Lager, maar 40 Somoni naar Artuch.  Dat was de correcte prijs, want in de minibus zat een zeer goed Engels sprekend meisje aan wie we de prijs hadden gevraagd.

Maar goed…. we stonden dus in Artuch en het was nog zo’n 8 kilometer bergopwaarts lopen naar Artuch lager. We liepen een klein stukje weg –uit het zicht van de minibus, zetten de rugzakken in de schaduw en hoopten maar op vervoer naar Artuch lager. Het eerste voertuig was een vrachtwagen.  Die zou niet verder gaan dan het buurtsupermakrtje in Artuch.  Het tweede voertuig was echter een minibusje, met slechts drie passagiers erin.  De prijs naar Artuch Lager was 50 Somoni voor beiden, maar wij gaven aan 20 Somoni en we konden meerijden.  Saved by the minibus.

Het was nog een pittig stuk omhoog met de minibus en we waren erg blij dat we dit niet hoefden te lopen met de bagage op de rug.  Het zou een marteling zijn.  De minibus reed het terrein op van Artuch Lager, het basecamp voor trekkings in de omgeving. Het hoofdgebouw zag er goed onderhouden uit en op het terrein waren ook ‘luxe’ bungalows. Maar die waren allemaal vol en we kregen een achterafkamertje in een langgerekt gebouw.  Het kamertje had vier bedden, een deur en een raam en één stopcontact.  Meer niet.  Maar voor 5 dollar per persoon was het dan ook niet erg duur.  De faciliteiten waren helemaal aan het begin van het kamp bij het hoofdgebouw.  Daar was één toilethok met één wc voor de dames en één voor de heren.  Uiterst beperkt.  De douche was in een washok en daarvoor moest eerst de sleutel bij de eigenaar worden gehaald. Qua faciliteiten dus zeer onaantrekkelijk.

’s Avonds aten we in het restaurant van het Artuch Lager.  Er was zeer beperkte keus, namelijk vegeratisch of niet.  Als je voor vegetarisch koos, dan halen ze waarschijnlijk op het laatste moment het vlees uit het gerecht, want voor de rest zagen de maaltijden er hetzelfde uit. Lekker?  Nou, een Michelinster is nog wel enkele melkwegen verwijderd.

Donderdag 18 juli 2019

Het ontbijt was weinig inspiratievol en verre van smakelijk. Na het ontbijt begonnen we aan de wandeling naar  het Kulikalonmeer. Hemelsbreed een afstand van slechts 3,6 kilometer, maar daar zouden we dan wel 3 uur over doen.  Drie uur klimmen.  We volgden het pad met de woeste rivier aan de rechterhand.  We passeerden twee jongens die een ezel bepakten met kampeerspullen voor –waarschijnlijk- een groep klimmers op doortocht. Na een kort stukje een glooiende weg te hebben gevolgd, ging de weg over in een wandelpad en al snel daarna begon het klimmen. Sommige stukken ging over losliggende kiezels en dat was onprettig lopen. Het water in de rivier was helder en op diverse plaatsen filterden we het rivierwater om het te drinken.  Stijgen betekent ook veel drinken.

Na die uur waren we bij het gletsjermeer.  Het lag idyllisch tussen de bergen met sneeuwresten en gletsjers.  Duidelijk was te zien dat ook hier de gletsjers zich terugtrekken. Er stond een aantal tentjes van wandelaars.  We lunchten aan de rand van het water en daarna daalden we htzelfde pad af.  Hoewel omhoog gaan inspannend was, was het dalen niet minder inspannend vanwege de vele kote glijpartijtjes door losloggende keitjes.

Rond 14.30 uur waren we terug in ons ‘kamp’. We waren allebei uitgeput.  Snel spoelden we wat kleding uit in het stroompje dat over het ‘kamp’ ging en hingen de t-shirts en broeken in de zon te drogen.  Zelf gingen we liggen op bed en na een uurtje op de bank in de tuin.

’s Avonds aten we in het restaurant van het ‘kamp’.  Het eten was ronduit slecht en vies. Om 20.00 uur lagen we op bed.

Vrijdag 19 juli 2019

Het eten van eergisteravond was niet goed, zoals vanochtend bleek.  We waren nu beide aan de race.  Marjolijn ging nog wel ontbijten, maar Remco had geen zin in weer moddervette omelet of spiegelei en sloeg het ontbijt over.

We dubbelcheckten bij de uitbater of de minibus inderdaad vanuit het guesthouse zou vertrekken om 13:00 uur en dat leidde tot een ietwat teleurstellend antwoord.  Nee, de minibus zou vanuit het volgende plaatsje vertrekken om 13:00 uur en het was twee uur (8km) lopen naar het volgende plaatsje. Welliswaar bergaf, maar desondanks was het een forse tegenvaller, waar we niet op zaten te wachten met de onstuimige darmpjes.

Onze tajiekse buren gingen er ook vandoor. Beide heren waren arts, de een radioloog en de ander oncoloog en we probeerden met weinig woorden duidelijk te maken dat er best nog wel plaats was voor twee toeristen in de auto, maar de auto was helaas vol.

Met lood in de schoenen (zo goed als letterlijk) of meer met lood op de rug begonnen we aan de afdaling. We liepen over de weg en langs yurts en tentjes, waar de lokale bevolking in de zomer in leeft als ze de geiten hoeden. Plots hoorden we iets van een radio en toen we omkeken zagen we een groep jongens joggend naar beneden komen.  Eén van de jongens had een JBL luidspreker op z’n borst hangen.

Niet lang daarna kwam de eerste auto, van de radioloog aan.  Die was vol, dus daar hadden we geen fidusie in dat die ons nu wel mee zouden nemen.  Maar daarachter reed de Mercedes van de Oncoloog en we zagen dat die auto ook vol was.  Maar de oncoloog stopte en gebaarde dat we mee moesten rijden. Altijd eerst even checken welke kosten dit met zich meebrengt, maar er was geen sprake van een betaling, gebaarde de oncoloog.

Met de oncoloog aan het stuur en Marjolijn samen met z’n vrouw en twee kinderen op de achterbank en Remco op de bijrijdersstoel met de grote rugzak tussen de benen.  Het was behoorlijk lastig het portier dicht te krijgen.

Stapvoets reden we naar beneden.  Liever stapvoets rijden dan lopen. Het duurde ruim twee uur totaan de hoofdweg, waar de oncoloog met een minibuschauffeur afsprak dat hij ons naar Panjakent zou brengen.  En dus weer naar Panjakent, om daar over te stappen in een gedeelde taxi naar Iskanderkul, het Iskandermeer. Na eerst een enbthousiasteling te hebben teleurgesteld, omdat hij 300 somoni vroeg, zaten we even later met drie passagiers in de auto op weg naar Aini.  De chauffeur had zelf bedacht dat er vier volwassenen en een kind op de achterbank konden, maar daar trapten we niet in.  Helaas voor de twee dames met kind, want die moesten nu wachten.

We reden naar Aini.  Onderweg was de (traditionele) stop bij een wegrstaurantje, hetzelfde als op de heenweg en daarna stopten we alleen nog om te tanken, om drinken te kopen en bij een garage.  Het blijft bijzonder dat chauffeurs de inkopen altijd doen met passagiers.

In Aini gebeurde waar we al rekening mee hadden gehouden; we moesten van auto wisselen.  Dit keer zou de reden zijn dat de motor te warm werd.  Al snel zaten we in een Mercedes diesel, waarvan de motor niet liep zoals je dat graag zou zien. Natuurlijk zouden we nu meer moeten betalen, maar die vlieger ging niet op een de taxichauffeur die ons inPanjakent meenam moest z’n collega deels compenseren.

Afijn, de tweede taxichauffeur bracht ons weliswaar naar Iskanderkul, maar niet naar het dorpje dat we expliciet hadden aangegeven, het dorpje Sarytag.  Bad road, volgens de chauffeur.  Ja, zo kennen we ze. Maar gelukkig stond er naast ons een oude 4×4 Lada en we konden met die chauffeur meerijden.  Hij had ook een guesthouse (homestay) in Sarytag, het dorpje waar we heen wilden, en dat maakte het wel eenvoudig.

Het was eerst 5 kilometer rijden langs het meer met grijs water.  Eigenlijk was het meer het mindst idyllisch van de meren die we hebben gezien. Aan het einde van het meer was een helicopterplatform aangebracht, dat al van ver te zien was.  Toen we erlangs reden zei Bilovar, de chauffeur: “President residence”. Na het nuitenverblijf dat we nu niet echt als luxe kunnen bestempelen steeg de weg fors en snel.  De 4×4 Lada moest ingechakeld worden en langzaam stegen we in korte tijd een fiks aantal meters. Eenmaal over een bergkammetje heen daalden we een vallei in en kwamen we aan in het 300 inwoners tellende Sarytag.

We stopten bij een van zijn twee guesthouses of homestays.  We kregen een splinternieuwe en een wat oudere kamer te zien en kozen voor de nieuwe. De  dekens werden uitgelegd op de grond en daarop konden we slapen.  (Nog) geen bedden in de kamer.  De gedeelde badkamer lag naast de kamer, maar was ook nog niet af.  Er stond echter wel een toiletpot en nadat de afvoer snel werd aangesloten konden we die gebruiken.  En dat was hard nodig met onrustige darmpjes.

’s Avonds konden we gebuik maken van de douche elders op het erf.  Die was in een, ja… je leest het goed… sauna.  De sauna werd verwarmd door een houtvuurtje en in de sauna lagen keien uit de rivier opgestapeld en er was ook een bak water dat ook op het vuur stond. In de sauna stond ook een emmer koud water.  Door eerst koud water toe te voegen aan het warme water op het vuurtje, werd dat aangenaam en met een emmertje kon je dan aangenaam mandy-en.

Als avondeten kregen we een noedelsoepje met nog redelijk wat groente erin.  Dat was meer dan voldoende als avondeten. Na het eten gingen we naar de kamer en we gingen vroeg slapen.

Daar waar je ze overdag niet hoort of ziet, is de nacht van de honden.  Wat kunnen die krengen toch blaffen!

Zaterdag 20 juli 2019

We deden het rustig aan vandaag. Na het ontbijt (Marjolijn at wat brood met eieren, Remco sloeg het ontbijt over) liepen we wat door het plaatsje. Overal waren kindertjes die ons begroetten. We bekeken een huis dat door de bijen in beslag was genomen. Langs een muur zwermden de bijen in het rond. Na een wandeling door het dorp gingen we op zoek naar het andere guesthouse van Bilovar. Dat lag een stukje buiten het dorp op een heuvel. Het was recentelijk gebouwd en zag er mooi uit. We ontmoetten Bilovar die net op het punt stond om te vertrekken. Belangrijk voor ons was hoe we weer vanuit Sarytag naar Iskandakul zouden komen en verder naar de doorgaande weg richting Dushambe. Hij gaf aan dat dit met de taxi 300 somoni zou kosten (30 dollar). Dat vonden we geen redelijke prijs en vroegen of er geen alternatief was. Bilovar gaf aan dat als er meer mensen zouden zijn die morgen dezelfde afstand af wilden leggen, dat dan de prijs op 30 somoni per persoon zou komen. Dat klonk al een stuk beter.

We dronken een potje thee op het terras en liepen vervolgens de vallei in. Ook hier was sprake van wateroverlast en we moesten soms wat hoger over de berghelling lopen om geen natte voeten te krijgen. We hadden mooi uitzicht op de hoge bergen en een klein dorpje aan de andere kant van de rivier. Na ongeveer 5 km keerden we weer om. De wandeling ging niet naar een specifiek punt, maar was meer een wandeling door de vallei. Toen we terugkwamen in het dorp zagen we dat er voorbereidingen werden getroffen voor de bruiloft. We konden de activiteiten vanuit de slaapkamer bekijken. Lange tafels werden neergezet en niet lang daarna was het een drukte van belang. De bruid kwam aan in een oude auto. Na het uitstappen kwam er een enorme knal uit motorkap. Het leek niemand iets te deren, niemand keek op. Even later ging toch even de motorkap open. Het was waarschijnlijk een terugkerend probleem.

’s Avonds aten we een bord gekookte aardappelen oversprenkeld met olie. Niet lang na het avondeten gingen we slapen. Het feest was niet erg uitbundig. Er werd met name gegeten en na het eten ging de muziek aan. Om 23.00 uur was het stil. Alleen wij veroorzaakten daarna nog wat geluid door onze nachtelijke toiletbezoeken.

Zondag 21 juli 2019

Na het ontbijt stond de vader van Bilovar ons op te wachten. Hij had een taxi geregeld. De vraag was alleen wat de rit ging kosten. Daar kregen we geen antwoord op. We pakten onze rugzakken in en liepen naar beneden. Het bleek dat de taxichauffeur ons erg veel geld wilden laten betalen voor de rit. We werden het niet eens over de prijs en dus besloten we om geen gebruik te maken van de taxi en het dorpje uit te lopen. Onze ervaring is namelijk dat er geregeld auto’s passeren die je mee willen nemen. Al snel passeerde er een auto met 4 mannen erin. Die hadden wel plek voor ons. Een van de mannen ging voorin zo’n beetje op schoot zitten bij zijn vriend op de bijrijdersstoel. Wij konden achterin plaatsen. We protesteerden hevig omdat we best met z’n 4-en op de achterbank konden zitten, maar dat had geen zin. Nadat we bij het meer aankwamen, was er een korte stop bij een natuurlijke bron. Daar wemelde het van de muggen. Terwijl wij op de mannen wachtten die zich tegoed deden aan het water raakten wij aan de praat met een aantal Duitsers op leeftijd (in de zestig). Zij waren het fietsen in de omgeving. Georganiseerd met een busje die hen onderweg opwachtte. Zij vonden het fietsen in Tajikistan erg zwaar, met name vanwege de temperatuur en het verkeer dat hard langs raasde. Iedere automobilist vond het ook nodig om te toeteren.

We werden afgezet bij de ingang van het sanatorium en probeerden een lift te krijgen naar de hoofdweg naar Dushanbe. De eerste auto die we zagen stopte. Het bleek de taxichauffeur uit Sarytag te zijn. Nu opeens was hij bereid om ons voor een acceptabele prijs mee te nemen. We stapte in de auto en onderweg kwam de vraag of we helemaal tot aan Dushanbe wilde meerijden. Wij waren daarin wel geinteresseerd, omdat dat weer een overstap met wachttijd scheelde. Toen we bij de hoofdweg aankwamen veranderde de taxichauffeur van gedachten. Hij ging toch maar niet naar Dushanbe want hij had niet genoeg passagiers. Gefrustreerd laadden we de tassen weer uit de auto en werden meteen belaagd door taxichauffers die ons mee wilden nemen. Ze hadden alleen geen andere passagiers en dat betekende dat we een tijd moesten wachten. We besloten te kijken of we een auto konden aanhouden die ons mee wilde nemen. Al gauw stopte er een taxi die ons mee wilde nemen. Onderweg werd de auto nog gewassen omdat er in Dushanbe geen vieze auto’s rond mogen rijden. We werden netjes bij het door ons uitgezochte hotel afgezet. Nadat we hadden ingecheckt en de eigenaar hadden gevraagd naar de mogelijkheden voor de Pamir Highway, namen we een busje naar het centrum en gingen naar de TCell om onze sim-kaart te laten deblokkeren, aten we een soepje bij een nabijgelegen snackbar en gingen we op zoek naar een reisbureau om te informeren naar de mogelijkheden voor een jeep en chauffeur voor de Pamir Highway. Alle reisbureaus waren gesloten en na wat rondsjokken in de hitte eindigden we in een grote shopping mall waar het lekker koel was. ’s Avonds aten we bij de Taj een indiaase maaltijd.

Maandag 22 juli 2019

Op een forum op het internet stond dat het Regent Hyatt hotel, met kamers van $250 per nacht, over een geldautomaat zou beschikken met dollars erin.  Hemelsbreed lag het Regent Hyatt niet eens zo ver van ons guesthouse, maar we probeerden er te komen met een minibus.  Tegen beter weten in, want aan iedereen aan wie we hadden gevraagd of we naar het Regent Hyatt met een minibus konden komen, had hier negatief op geantwoord. Maar soms denken we dat ze onze vragen niet begrijpen.  En dus namen we tegen beter weten in een minibus in de richting van het Regent Hyatt, maar al snel sloeg deze linksaf (in plaats van de gehoopte rechtsaf) en belandden we verder en verder van onze bestemming.  We stapten uit en dachten dan maar te gaan lopen, om vervolgens geconfronteerd te worden met een tunnel in aanbouw op de weg waarover we zouden moeten lopen. Ook dit lukte niet.  Dan maar terug naar waar we vandaan kwamen.  Zo dicht mogelijk bij het Regent Hyatt stapten we uit en liepen we verder.

In het Regent Hyatt werden we keurig in het Engels aangesproken door twee picolo’s. Ze wezen ons ook keurig de geldautomaat waar…. géén dollars in zaten. We vroegen waar we dan wel dollars uit een automaat konden krijgen en ze verwezen ons naar het Dushanbe Serena hotel of naar het Hilton hotel.

Vanaf ht Regent Hyatt liepen we naar het Tajikistan nationaal museum om erachter te komen dat het gesloten is op een maandag. We liepen door het Rudakipark om vervolgens naar de Korean backery te gaan.  We hadden om 12.30 uur afgesproken met Grace en Ilyas, een Australisch stel waarmee we een jeep met chauffeur zouden huren.  Gelukkig hadden zij wel contact kunnen leggen met iemand die voor een jeep met chauffeur kon zorgen en deze Sue was ook aanwezig, evenals de chauffeur met zijn auto, een Toyota Landcruiser.

Nadat we hadden kennisgemaakt en min of meer de afspraken hadden gemaakt met de chauffeur over de route en de duur van de rit, bekeken we de auto.  Deze zag er zeer goed uit (ondanks dat er meer dan 500.000 kilometer op de teller stond).  Het voelde wel goed.

Sue raadde ons aan om direct inkopen te doen in de supermarkt naast de Korean Backery en dat deden we dan ook. De spullen konden meteen in de auto achtergelaten worden en zodoende hoefden we morgen niet eerst te gaan winkelen en konden we direct op weg.

We namen afscheid van Sue, de chauffeur alsmede van Grace en Ilyas.  We hadden afgesproken dat wij nog na zouden gaan in ons guesthouse of er mogelijk nog een vijfde passagier mee zou willen. Met vier passagiers zouden we de volgende dag vertrekken; een vijfde persoon zou ook nog kunnen.

We liepen naar het Dushanbe Serena hotel.  Ook weer zo’n vreselijk luxe hotel.  Voordat we naar binnen konden moesten we door een metaaldetector. Ietwat vreemd… een zeer duur hotel, dat z’n gasten niet vertrouwt. Eenmaal bij de receptie werden we verwezen naar de geldautomaat aan de zijkant van het gebouw.  Visakaart erin…. menu doorlopen…. daar waar wordt gevraagd “wilt u Somoni of dollars?” klikten we dollars aan …   ja, het gaat goed!  Daar waar het bedrag wordt gevraagd, klikken we maar meteen het maximumbedrag in.  Het geld komt toch wel op en je betaalt iedere keer transactiekosten.  Dan maar zoveel mogelijk dollars in één opname. Ja, dit voelt goed. Het volgende scherm meldt “geen geld aanwezig“. Akelige lui.

Dan maar naar het Hilton.  We namen twee haltes een trolleybus. In de tijd dat we op de bus wachtten, hadden we het stuk al twee keer kunnen lopen, maar bij 40 graden doe je dat liever niet veel. Op het gebouw was de naam Hilton afgeplakt, maar de deur kon nog wel open en ook nu stonden we weer in een glitter en glamour lobby. Al snel werden we gewezen waar de geldautomaat stond.  We doorliepen dezelfde procedure als bij het Dushanbe Serena Hotel, met het enige verschil dat deze machine niet stil bleef.  Het vertrouwde geluid van een geldautomaat dat de biljeten klaarmaakte voor uitworp hoorden we en het gleufje ging inderdaad open en daar lagen 5 gladgestreken nieuwe biljetten van 100 dollar. Wij hadden ze nog nooit gezien.

We namen de trolleybus terug naar de Rudaki en stapten over op minibus 25 die ons naar het shopping mall met de grote Auchan supermarkt zou brengen. In de Auchan kwamen we de Nederlandse jongen tegen die alleen reist en die we ook al tussen Panjakent en Aini tegen waren gekomen.  Hij volgt dezelfde route, maar (tot op heden) met één dag vertraging op ons.

In de Auchan supermarkt sloegen we de laatste dingetjes in (potje pindakaas voor 5 euro en een pot Nutella) en daarna gingen we eten bij Taj Mahal.

Na het eten namen we minibus 25 terug naar het guesthouse, waar we Eddie ontmoetten.  De man van het hotel had al gezegd dat er een Italiaanse man geïnteresseerd was om de Pamir Highway te doen. We hadden echter in de verste verte niet kunnen vermoeden dat deze Italiaanse man een 80 jarig oud fit baasje was, dat met de rugzak op door Tajikistan en Kirgizië aan het reizen was.

Eddie sprak –voor een 80 jarige Italiaan- verrassend goed Engels en was nog behoorlijk fit.  Hij werd erg enthousiast toen we zeiden dat we de volgende dag om 08.00 uur zouden vertrekken.  Dushanbe was te heet voor hem en hij hield niet van nieuwe steden (Dushanbe is inderdaad net zo oud als hij is).

We stuurden een whats app naar Grace en Ilyas voor de bevestiging en nadat we die hadden gekregen was het ook voor Eddie geregeld en zouden we met z’n vijven een jeep delen.

Dinsdag 23 juli 2019

Om 08.00 uur zouden we worden opgehaald, maar om 07.30 werd er al op ons Tajikse nummer gebeld en in het Engels gezegd dat de jeep voorgereden stond.  We pakten alles in en liepen naar de jeep.  De rugzakken gingen op de achterbank en we reden vervolgens naar het guesthouse van Grace en Ilyas.  Zij stonden (gelukkig) al voor de deur, zodat het niet zo heel erg zoeken was naar ze.

We reden Dushanbe uit. De chauffeur reed gelukkig erg relaxed. De rit ging door een glooiend landschap langs veel politieagenten die auto’s aanhielden voor extra inkomsten.  Ook wij werden aangehouden, maar mochten al weer snel verder rijden.

Na een uur of zo reden we de bergen in.  Er was een eerste controlepost, waar we kopieën van het paspoort en het e-visum afgaven. Sue had ons geadviseerd om vier setjes kopieën te maken, omdat het afgeven van de kopieën een tijdswinst zou opleveren tegen het inschrijven van alle passagiers  in het grote boek.

Naarmate we stegen, werd het ook aangenaam koeler, maar het uitzicht bleef slecht. Er hing erg veel viezigheid in de lucht (luchtverontreiniging). De koele lucht was van korte duur, want we daalden weer. We kwamen uit bij de Panj rivier en de chauffeur wees ons op Afghanistan, dat aan de andere zijde van de rivier lag. Kunnen we in ieder geval afvinken dat we Afghanistan hebben gezien.  Deze onbewust gemaakte spelfout is eigenlijk wel heel toepasselijk en corrigeren we dus niet.

We reden een lange tijd langs de Panj rivier. Deze was steeds woest en perste zich op sommige stukken door vrijwel verticale wanden van honderden meters hoog.  Het water was vies bruin, helaas. Aan de overzijde van de rivier liep een weg parallel aan de rivier en parallel aan de weg waar wij overheen reden, maar we zagen vrijwel geen verkeer of mensen.  Heel soms zag je iemand lopen, maar vroeg je je werkelijk af waar ze vandaan kwamen of waar ze naar toe gingen.  Pas na een uur of zo zagen we de eerste nederzettingen aan de Afghaanse zijde.

 Tegen een uur of vier kwamen we aan in Qualaikhumb, waar we intrek namen in een kamer in guesthouse Jurev Roma.  De kamer was zeer eenvoudig en zo ook de faciliteiten.  Het avondeten bestond uit een vermicellisoepje en aardappels met gekookte kool. Na de Taj Mahal wel even een omschakeling.

Woensdag 24 juli 2019

Om 06.30 uur ontbeten we. Wij maakten ons eigen ontbijt, terwijl de anderen uit de groep een bord rijstepap voorgeschoteld kregen.  Daarna pakten we de spullen in en vertrokken we.  Eerst moesten nog wel de andere drie jeeps die in de doodlopende straat stonden geparkeerd vertrekken, alvorens wij weg konden.

We een de hele dag langs de Panj rivier die we constant aan de rechterkant hielden  Aan de andere kant ligt Afghanistan. Afghanistan ligt niet op een steenworp afstand; de rivier is daar net iets te breed voor.  Woest kolkend is het geen rivier om rustig over te steken als je dat zou willen. Niet zwemmend, maar ook niet per boot.  Militairen patrouilleerden soms in groepjes van vier. In hun gelige uniformen zijn ze snel te herkennen in het landschap.

De weg was onverhard en op sommige stukken behoorlijk stoffig.  Dat merkte je pas als er een tegenligger aan kwam. Dan moest even de ramen worden gesloten.  Ook vrachtwagens met opleggers trotseren deze route, die soms behoorlijk heuvelachtig en smal is.

In ieder geval was het een mooie rit en met regelmaat hadden we zicht op de dorpjes in Afghanistan en dan zie je dat het gewone leven doorgaat en dat hier niets te merken lijkt van wat er in andere delen van Afghanistan gebeurt.

In de laatste kilometers voor Khorog werd de rivier zeer breed en ook zeer kalm.  De brede vallei was fantastisch groen en er werd volop landbouw bedreven. Tegen een uur of vier kwamen we aan in Khorog.  We keken eerst bij een homestay dat de Australiërs hadden uitgekozen, maar daar hadden wij wel enige moeite mee. De kamers die werden getoond waren gewoon de eigen kamers van de mensen.  Bij mensen thuis overnachten is iets anders dan ook bij mensen in hun eigen bed overnachten.  De chauffeur bracht ons daarop naar het Sarez hotel, waar de kamers 80 somoni per persoon per nacht kostten en de kamers zagen er een stuk beter uit.

’s Avonds aten we samen met Eddie in een lokaal restaurantje.  Niets bijzonders.

Donderdag 25 juli 2019

Vandaag was een rustdag. We stonden lekker laat (08.00 uur) op, maakten ons eigen ontbijt in de keuken/eetruimte van het guesthouse en daarna namen we minibusje 3 voor de deur naar de botanische tuin.  We werden bij het hek naar de botanische tuin toe afgezet en van daar moesten w nog zo’n 20 minuten bergopwaarts om bij he hek van de tuin zelf te komen. Onderweg betaalden we bij een hokje de 15 som entree per persoon.

Hoewel de botanische tuin van Khorog de  mooie eer heeft de op één na hoogst gelegen botanische tuin te zijn ter wereld, moet je er niet te veel bij voorstellen.  We liepen het metalen hek door en werden verwelkomd door een militair met een schietijzer op z’n rug. Gelukkig was hij goedgezind en liet hij ons door.  We wandelden door de tuin, die er niet al te erg onderhouden uitzag, tenzij je het onkruid ook meetelt als botanisch wonder.

Op een gegeven moment hadden we een mooi uitzicht over Khorog; een groene oase in de verder bruine, kale bergen. In Khogog komen twee rivieren samen; een schone rivier met redelijk helder water en een vieze rivier met bruin water. Daar waar ze samen komen zie je een tweekleurige rivier. Rechts is bruin en links is blauw. Uiteindelijk zal het blauwe water het onderspit delven.

Toen we terugliepen vanuit de botanische tuin terug richting het dorp stopte een politieauto met zwaailicht op het dak en gebaarde de chauffeur ons om in te stappen.  Hij bracht ons een heel stuk naar beneden en tot in het dorpje, waar hij zelf moest zijn.  Vanaf dat punt was het nog enkele minuten lopen naar het park in het centrum van Khorog.

We liepen langs een bakker en van verre roken we al de geur van vers brood.  We stapten er naar binnen, waar het bloedheet was en kochten ‘black bread’ en twee broodjes met appel.  Die appel hebben we nooit teruggevonden in het broodje, dat volgens ons was gevuld met iets van kool.

We gingen een uurtje zitten op een bankje in het pak nabij de zwemvijver, waar het een drukte van belang was.  Vrijwel alleen jongens waren aan het ravotten in het groene water van het grote zwembad. Ze nemen een aanloop om vervolgens in het water te duiken of klimmen in de knotwilgen langs het zwembad om vanuit de wilg in het water te duiken.

We liepen via restaurant Dehli Dakbar, waar we lunchten, naar de markt waar we fruit kochten en daarna liepen we terug naar hetzelfde bankje in het park om nog een uurtje of twee te niksen.

Tegen het einde van de middag liepen we terug naar het hotel. Onderweg kwamen we twee Nederlanders tegen die de Pamir op de motor aflegden.  Ze kwamen vanuit Osh en zouden via Uzbekistan, Turkmenistan en Iran terugrijden naar Nederland.

Op de markt kochten we paprika, ui, tomaat en komkommer. We hadden besloten om zelf een salade te maken als avondeten.

Vrijdag 26 juli 2019

We vertrokken vanuit Khorog naar  Iskashim.  Onderweg reden we langs een tweetal forten.  Althans, ruïnes.  De uitzichten vanaf en van de forten over de Panjrivier en Afganistan waren schitterend.  Het fort zelf was het stoppen eigenlijk niet waard.

We reden verder langs de Panj rivier en lunchten in Iskashim… althans.. dat deed de groep op ons na.  Om 10.30 hadden wij nog geen zin in lunch.

Voor het tweede fort moesten we van de hoofdweg af.  In een zeer korte tijd stegen we behoorlijk om uiteindelijk bij een fort uit te komen en bij de Bibi fatima hotsprings.  De rest van de groep wilde geen gebruik maken van de hotsprings (omdat je in geboorte-outfit naar binnen moet) en we besloten om verder te rijden. 

De volgende stop was bij een oude buddhistische tempel.  Nou ja…. tempel…. Een jongen uit het dorp liep op z’n slippers snel naar boven.  De groep bleef beneden, maar Remco trotseerde de klim en probeerde in dezelfde snelheid de berg op te rennen als de dorpsbewoner, maar verloor.

Bovenop de heuvel was een steen met de voetafdruk van buddha.  Voor de rest was er niets te zien, behalve het mooie uitzicht.  De dorpsjongen had robijnen gevonden tijdens een 5 daagse zoektocht in de bergen en probeerde de steentjes te slijten aan Remco.  Maar die gaf aan dat dit meer iets voor de vrouwelijke helft van het gezelschap was. Terug bij de auto kochten we voor 15 somoni een klein steentje.

We overnachtten in een guesthouse in Langar.

Zaterdag 27 juli 2019

We vertrokken vanuit Langar ’s ochtends vroeg. Al direct nadat we wegreden bij het guesthouse verlieten we de rivier en stegen we behoorlijk.  De Panjrivier perste zich door een smalle, maar zeer diepe canyon. We reden over een bergweg met aan de rechterkant de afgrond. De weg was schitterend, evenals het zicht op de besneeuwde bergen van Afganistan.

We kwamen bij het vijfde controlepunt, maar onze kopieën van het paspoort en elektronische visum waren op en het duurde even voordat al onze gegevens waren ingeschreven in het grote boek. We reden verder en waren weer terug op het niveau van de rivier, die zich nu heel breed had uitgewaaierd in de vallei. Plots zagen we een kameel staan (?), die natuurlijk even op de foto moest worden gezet.  Even verderop nog vier kamelen, maar dat waren Afgaanse kamelen.

We verlieten de Panjrivier na een bocht naar links. De rivier zouden we niet meer terug zien en we reden door het bergachtige gebied. We stopten bij een mooi meer en vlak na dat meer zagen we de auto van het Noorse stel staan, dat de eerste nacht van de Pamirtocht ook in het guesthouse had overnacht.  Het linkerachterwiel stond niet echt in een juiste hoek onder de auto en de auto was dan ook verlaten.

Rond het middaguur kwamen we aan in Bukunkul, officieel het koudste plaatsje in Tajikistan.  Maar gelukkig niet in de zomer.  We werden afgezet door de chauffeur bij een guesthousje en nadat we waren ingecheckt en ons voor het guesthousje op straat begaven, werden we aangesproken door een behoorlijk oude man in vloeiend Engels.  Het project voor een dorpspomp was die dag afgerond en de dorpspomp moest ‘feestelijk’ in gebruik worden genomen en aan ons werd gevraagd om de dorpspomp ‘officieel’ in gebruik te nemen.  We liepen met de man en een groep dorpsbewoners naar de pomp en we kregen een oude petfles die Remco als eerste onder de pomp moest houden.  In het pomphuisje pompte een dorpsbewoner het water op.  Het meeste van het ijskoude water liep langs de fles. Daarna was het de beurt aan Marjolijn.

Nadat we uitvoerig op de foto waren gezet vroegen we waar we de lunch konden gebruiken en we werden door de Engelssprekende oude heer uitgenodigd voor lunch in het huis van één van de dorpbewoners.  We namen plaats aan een ronde tafel met versgebakken (gefrituurde) vis en we kregen soep.  Er was brood en yakyoghurt.  Eigenlijk was de lunch zeer goed te noemen in een omgeving waar niets groeit en weinig voorhanden is anders dan wat is aangevoerd per auto.

Aan het einde van de middag liepen we naar het Yashikulmeer.  Hoewel de dorpsbewoners aangaven dat het een wandeling was van ‘slechts’ drie kilometer en het er vanuit het dorp uitzag dat het niet een al te grote stijging inhield, was het een behoorlijk inspannende wandeling, zo op 3.800 meter hoogte.

Het avondeten sloeg Remco over. Remco nam één van de (Chinese) noodlesoepjes die we in Dushanbe hadden gekocht. Na het eten liepen we nog kort door het dorpje en zagen de –opvallend grote groep- jeugd volleyballen achter ons guesthouse.  Niet dat ze dat erg goed deden, maar ze hadden wel de grootste lol.  Het volleyballen ging door tot ver nadat het donker was geworden.

Zondag 28 juli 2019

Vanochtend werden we teleurgesteld met grijze luchten en beperkt uitzicht. We vertrokken vroeg in de richting van Murghab. De weg ging over een hoogvlakte en was niet helemaal het mooiste deel van de reis.

In Murghab kwamen we aan rond 10.30 uur. We zouden anderhalf uur in Murghab blijven en liepen wat over de ‘bazaar’.  Die bestond uit een rij zeecontainers naast elkaar die omgetoverd waren tot winkeltjes. Echt bijzonder was de bazaar niet.  Samen met Eddy aten we een shaslik in een  restaurantje.  Eigenlijk was het het meest fatsoenlijke dat we de laatste dagen hebben voorgeschoteld gekregen, terwijl shaslik normaal gesproken niet zo bijzonder is.

Na het bezoek aan Murghab reden we verder naar het Karakolmeer, waar we rond 14.00 uur aankwamen. We reden op een gegeven moment vlak langs de Chinese grens, die gekenmerkt wordt door een enorm lang prikkeldraadhek, dat op sommige punten gesaboteerd is.  Aan de Chinese zijde van de grens waren alleen maar bergen en er was geen enkel teken van leven te zien.

 ’s Middags deden we het uitermate rustig aan.  In het dorp was namelijk helemaal niets te doen en buiten het guesthouse werd je opgegeten door de muggen.  Dat in combinatie met het matige weer, hield ons lekker binnen.

Maandag 29 juli 2019

Na het ontbijt liepen we nog even naar de rand van het meer.  Het was zo’n 5 minuten lopen vanaf het guesthouse naar het meer door een verlaten dorp.  We zouden bijna zeggen “er is geen hond op straat”, maar precies één exemplaar was genoeg om de stelling te verwerpen.

Om 07.55 uur vertrokken we.  De chauffeur had voorgesteld om vanochtend al om 06.00 uur te vertrekken, omdat we dan de hordes toeristen aan de grens voor zouden zijn.  Een klein beetje logisch nadenken en enige ervaring in de dagen ervoor bracht ons in ieder geval tot de voorzichtige conclusie dat het met drukte aan de grens wel los zou lopen.  We hadden in dagen geen truck meer gezien en het aantal jeeps met toeristen is ook erg gering.

Dus om 07.55 uur op weg. Links van ons lag het grote Karakolmeer met erachter de heuvels.  In het meer lagen ook enorme rotsen als kleine eilandjes.  Recht van de weg hield het prikkeldraadhek dat de grens vormde met China niet op.  Op sommige plaatsen was het hek voor enkele meters, soms een tiental meters verdwenen. Achter het hek lagen de hoge bergen met de witte kappen.

Na een uur rijden kwamen we aan bij de grenspost van Tajikistan. Nu kun je je veel voorstellen of weinig voorstellen bij een grensovergang op zo’n 4.000 meter hoogte, maar dit stelde écht niets voor. Er stonden twee halve slagbomen over de onverharde weg en er was een klein hokje langs de weg.  In dat hokje stond direct naast de deur een bureau met natuurlijk het grote boek van Tajikistan. Daar werden onze namen ingeschreven.  We waren nummer drie en vier die dag. Verder werd het papieren exemplaar van het e-visum ingenomen en ‘that was it’.  We hadden Turkmenistan verlaten in welgeteld 2 minuten per persoon.

Na het passeren van de Tajikse grens was het ruim 22 kilometer rijden naar de Kyrgische grens. Het is alsof de geologische scheidslijn ook de grens was, want het landschap veranderde in een rap tempo.  De bergen werden groener, maar ook hoger!.  In het stuk niemandsland was ook nog een homestay, wat best vreemd was. Door welke statenlozen werd dit guesthouse dan gerund?  En wie zou er (willen) verblijven?

Bij de Kyrgische grens was het zo mogelijk nog eenvoudiger. Het paspoort werd gescand en er werd een fotootje van ons genomen en we waren binnen.

We daalden verder af en we kwamen in een hele brede en groene vallei. Diverse yurts lagen her en der in de groene weiden.  Paarden, koeien en schapen aten van het malse gras. Er was weer leven op straat en ook de weg was van een stuk betere kwaliteit dan dat we dagen hebben gezien en gevoeld.

De chauffeur zette ons af in het plaatsje Sary Mogol, dat in de brede vallei ligt. Links van de weg zagen we de hoge bergen, geheel besneeuwd en rechts van de weg waren de kale bergen met alleen op de top nog iets wits.

De eigenaar van het guesthouse Lenin Peak liet ons de kamers zien en als groep vroegen we wat de mogelijkheden zouden zijn van transport van Sary Mogol naar Osh.  De eigenaar gaf aan dat er iedere ochtend om 07.00 uur een Maruchka zou vertrekken naar Osh voor $4 per persoon.  In de jeep zou dat zelfde stuk $30 per persoon kosten en we besloten al snel om afscheid te nemen van onze chauffeur en verder te reizen per Maruchka.

We liepen naar de ‘bank’ in het nietige dorpje. Van verre was al te horen waar de bank was, want het was het enige gebouw waar een generator voor de deur stond te draaien. De geldautomaat in het ‘gebouwtje’, dat meer weg had van een container, werkte niet, maar een medewerker wisselde snel 100 euro om voor 7600 Som. In een naastgelegen winkeltje kochten we een Beeline Simkaart. We liepen wat door Sary Mogol en genoten van de bergen die het dorp omringen.