Vietnam

Maandag 18 mei 1998

De eerste dag van de vakantie begon vroeg. Om kwart over zes ging de wekker af. We ontbeten en vervolgens namen we de bus naar Schiphol. We checkten in (heerlijk, er stond geen rij voor de incheckbalie) en na het inchecken liepen we nog wat door Schiphol Plaza om vervolgens door de douane te gaan. We liepen niet meer langs de tax free shops, maar wachtten rustig op het moment dat we moesten ‘boarden’.

Het vliegtuig zou om 9.45 uur vertrekken, maar toen we om 9.30 uur nog niet aan boord mochten, vreesden wek dat we niet op tijd zouden vertrekken en dat werd even later bevestigd. Vanwege een stroomstoring op Schiphol (alle lichten brandden nog??) kon het vliegtuig niet gestofzuigd worden en vandaar dat er wat vertraging zou zijn.

Rond elf uur vertrok het halfvolle vliegtuig op weg naar Frankfurt. Het was mooi weer en omdat ik een raamplaats had, kon ik mooi op Nederland neerkijken. De route was goed te volgen. We stegen op vanaf de Buitenveldertbaan en vlogen vervolgens over de Loosdrechtse plassen, Hilversum en Amersfoort. Daarna verdwenen we in de wolken.

In Frankfurt maakten we een tussenlanding. Die duurde iets korter dan normaal; één uur in plaats van anderhalf uur. Waarschijnlijk om iets van de vertraging goed te maken. Om tien over één stonden we weer op de startbaan.

De vlucht naar Kuala Lumpur verliep goed. Het eten was goed en net zoals de service. Remco probeerde nog wat te slapen, maar dat lukte niet echt goed. We vlogen in een nieuw Boeing 747 400 toestel. In de rugleuning van de stoel voor je was een LCD schermpje gemonteerd en in de armleuning zat een afstandsbediening waarmee 12 televisiezenders en 20 radiozenders en een groot aantal computergames (Super Mario etc.) kon worden geselecteerd. Remco keek naar de film ‘The Jackhal’ en vervolgens naar ‘Flubber’, maar van die laatste film had ik na 15 minuten al genoeg.

Om 7.30 uur landden we op het oude vliegveld van Kuala Lumpur. We moesten twee en een half uur wachten op de vervolgvlucht naar Ho Chi Minh City, maar gelukkig hoefden we niet opnieuw in te checken, want het inchecken voor de doorvlucht naar Ho Chi Minh City  was al op Schiphol gebeurd. Ook was onze bagage op Schiphol doorgelabeld naar Ho Chi Minh City, zodat we daar ook geen omkijken naar hadden. Om de tijd door te komen, liepen we wat door de tax free shops. Er was weinig veranderd ten opzichte van drie jaar geleden.

Een half uur voor vertrek meldden we ons bij de pier en om 9.10 uur vertrok het toestel naar Ho Chi Minh City. In vergelijking tot het vliegtuig vanuit Amsterdam, zaten we nu in een babytoestel, een Boeing 737. Om ongeveer 11.00 uur landden we op het vliegveld ‘Tan Son Nhat’ in Ho Chi Minh City. De eerste indruk was bedroevend. Het regende licht en we zagen half ronde, militaire hangars toen het vliegtuig naar de parkeerplaats taxide. Op het parkeerterrein stond één groot toestel van China Airlines en voor de rest alleen kleine, maar moderne toestellen van Vietnam Airlines. Een trap werd naar het toestel gereden en onderaan de trap stond een bus klaar om ons naar de ontvangsthal te brengen. Deze lag op slechts 50 of 75 meter afstand van het vliegtuig.

In de ontvangsthal sloten we in de rij aan voor de immigratiebalie. Achter iedere balie zaten twee beambten met grote, van die harde (communistische), petten op. Het in- en uitreisformulier hadden we al in het vliegtuig ingevuld, alsmede de blauwe kaart (douaneformulier). Eenmaal aan de balie verliepen de formaliteiten redelijk snel, maar vanwege het grote aantal mensen duurde het ongeveer 30 minuten voordat we de immigratie waren gepasseerd.

We pakten onze bagage en sloten vervolgens aan in de rij voor de bagagecontrole. Bij de balie moesten we de blauwe kaart laten afstempelen en werden we voor het eerst geconfronteerd met corruptie. Een (overzeese) Vietnamees had nogal veel bagage bij zich en overhandigde het formulier met onder het formulier een dollarbiljet. Het biljet gleed soepel maar voorzichtig in de broekzak van de douane employé en hij stempelde het formulier af. Nadat ons formulier was afgestempeld, schoven we weer achter in de rij voor de röntgenmachines. De bagage werd gescanned en vervolgens hadden we alle formaliteiten achter de rug.

We zagen dat er nog een ander Nederlands stel aankwam. Nadat ook zij langs de douane waren, besloten we om met z’n vieren een taxi naar het centrum te nemen. Buiten het luchthavengebouw stonden dranghekken en enorm veel mensen. Waarschijnlijk was er een belangrijke persoon gearriveerd. Daar kwamen we eigenlijk al achter toen we uit het vliegtuig kwamen en onderaan de trap een luxe auto en een ontvangstcommitee zagen staan met bloemen. Voordat we een taxi namen, wisselden we eerst enkele dollars voor Vietnamese dong buiten het vliegveld.

De taxi bracht ons naar Bui Vien Street. Dit hadden we uitdrukkelijk gevraagd, want deze straat ligt in het centrum van het backpackersgebied. De rit naar het centrum was de eerste confrontatie met het drukke Saigon. Er waren ontelbare brommers die kris-kras door elkaar heen reden, zonder op of om te kijken naar andere weggebruikers. De taxichauffeur bracht ons eerst naar een hotelletje van zijn keuze, maar we wilden dat niet en vervolgens reed hij naar de Bu Vien Street. Toen ik aan het begin van de straat zei dat hij wel kon stoppen, bleef hij maar doorrijden tot een hotelletje verder in de straat. Daar stopte hij en zette ons af. De rit kostte 6 dollar.

De receptionist van het hotel kwam naar buiten en vroeg of wij naar een kamer wilden kijken. De kamers zouden $12 kosten, maar wij toonden geen interesse. Nadat de taxi was weggereden, besloten we om toch maar even te gaan kijken, in het kader van ‘baat het niet dan schaadt het ook niet’. De prijs van de kamers was inmiddels al gedaald naar $10 per kamer per nacht (vanwege onze desinteresse of omdat de taxi wegreed??). We bekeken de kamers en onze mond viel open van verbazing. Alles was brandschoon, splinternieuw, er was airconditioning, televisie op de kamer, een koelkast en de douche was met heet water. Die 10 dollar was ineens erg redelijk! We besloten net als de andere Nederlanders om de kamer te nemen.

Op de kamer douchten we eerst om vervolgens met een duffe kop van de lange reis wat te gaan rondlopen in Saigon. We waren inmiddels al een behoorlijke tijd op en daardoor behoorlijk duf. Bij het Kim’s Café dronken we ieder een cola en rekende 8000 dong af. Aangezien 1 dollar ongeveer 12900 dong is, betekende 8000 dong net iets meer is dan 1 gulden. Waar doen ze het van??

De eerste indruk die we van Ho Chi Minh City kregen vanuit de taxi was….. wat veel brommers en wat een chaos! Deze indruk werd nog eens versterkt toen we wat rondliepen door District 1 (het oude Saigon, dat ook nog echt Saigon heet). We liepen naar de Ben Thanh markt. Erg leuk, maar de markt lijkt veel op andere Aziatische markten.

Vervolgens liepen we naar de Le Loi Boulevard en weer terug. Bijna iedere cyclo driver vraagt je aan of je een ritje wil. Ook werden we vaak aangesproken door mensen die met koopwaar langs de straat zaten. Voorts waren er veel bedelaars; kinderen, maar ook veel gehandicapten. Plots stond een mannetje voor ons met een pet in z’n handen. Hij stond erbij alsof hij (met geknikte knieën) een buiging voor ons maakte, maar dat was niet zo; hij was zo enorm vergroeit. Echt een vreselijk gezicht.

We kwamen enkele computerwinkels tegen en vroegen of we een E-mail konden versturen. Maar dat was niet mogelijk. Op het plein met het Tran Nguyen Hai standbeeld, tegenover de Ben Thanh markt was een kantoortje, waar we vroegen of het mogelijk was om een E-mail te versturen. Er werd naar boven gebeld en een mannetje kwam naar beneden die zei dat het wel kon, maar dat het 3,5 dollar per pagina zou kosten. Toen we zeiden dat we slechts een kort berichtje wilden versturen, daalde de prijs naar 2 dollar. We liepen achter het mannetje de trap op naar boven, waar een kantoortje was. Een meisje werd achter haar computer ‘weggestuurd’ en wij namen plaats op de plastic tuinstoelen achter de computer. Nadat we het berichtje hadden verstuurd, liepen we het kantoortje weer uit en zag ik alle schoenen voor de deur staan. En dat terwijl wij gewoon met onze stappers naar binnen waren gegaan.

Om 15.00 uur liepen we terug naar het hotel om even te rusten (tot 17.30 uur). We trokken het niet meer.

Na een korte rustpauze liepen we naar het Saigon Café, waar ik een “beef with french fried” bestelde en Marjolijn een “Chicken with cashew nuts”. Ik kreeg twee spies met rundvlees, groene paprika’s, champignons, ui en tomaat. Marjolijn had ‘thaise kip met cashewnoten’. Het eten was goed en samen met 3 drankjes waren we 75.000 dong kwijt, ongeveer 12 gulden.

Aan onze tafel zat Son, een cyclo driver die dat werk al zo’n 20 jaar deed. Waarschijnlijk is hij oorlogsveteraan. Dit denk ik, want ik had gelezen dat na de (Amerikaanse) oorlog vele Zuidvietnamezen uit hun burgerrechten werden ontzet als werd vermoed ze met de Amerikanen hadden samengewerkt. En de mensen die uit hun burgerrechten werden ontzet, resteerde niets meer dan cyclo driver worden, omdat ze hun eigen beroep niet meer mochten uitoefenen. De oorlog is nu zo’n 20 jaar geleden, dus het zou goed kunnen.

Son bood ons aan om ons rond te rijden door Saigon. We namen een programma door (dat programma zal ook worden afgewerkt) en na een geruime tijd kwamen we overeen dat hij ons, samen met een vriend van hem, 5 uur zou rond rijden voor 1 dollar per uur per cyclo.

Na het eten dronken we nog een biertje en daarna liepen we naar Kim’s Café aan de overkant van de straat om daar een toer te boeken naar de Cao Dai tempel en de Cu Chi tunnels. De kosten voor deze dagexcursie bedroegen 4 dollar per persoon. Voor dat bedrag kun je niet zelf gaan fietsen.

Vervolgens liepen we terug naar het hotel om opnieuw te gaan douchen en om 21.30 uur te gaan slapen.

Woensdag 20 mei 1998

Vanochtend ontbeten we in het hotel. Gisteren had ik bij het onderhandelen over de kamer bedongen dat het ontbijt inclusief zou zijn. Het ontbijt bestond uit twee stokbroodjes met La Vache Qui’rit smeerkaas en zwarte koffie. De koffie wordt vers gefilterd. Je krijgt een glas waarop een aluminium of metalen koffiefiltertje staat. Daarnaast krijg je een klein thermosflesje met heet water. Je kunt dus je eigen koffie filteren.

Na het ontbijt gingen we naar de Sacom Bank aan de Pham Ngu Lao straat om geld op te nemen. Ik kon zelfs een voorschot krijgen op m’n credit card, maar wel tegen een commissie van 4%. Aangezien ik 100 dollar opnam, werd dat dus ƒ 8,-.

Om 10 uur begonnen we aan onze cyclo tocht door de stad. Son (Marjolijn d’r cyclo driver) sprak goed Engels en wees ons erop onze rugzak goed om te binden om brommerdieven (dieven op brommers die je rugzak van je schoot af graaien en dan snel wegrijden) geen kans te geven.

We werden eerst naar de Giac Lam Pagode gebracht . Beiden in een eigen cyclo door het drukke verkeer. Dat was een echte belevenis. Het verkeer is chaotisch en niemand kijkt naar een ander. Alles gaat echter goed. Zo ook in de cyclo. Op een kruispunt rijdt de cyclo gewoon door en remmen de anderen (veelal brommers dus) af of rijden om ons heen. In Amsterdam zou dat botsingen en een hoop gevloek opleveren als je je zo door het verkeer zou bewegen. Ook wordt er door een ieder (dus ook door ons) regelmatig tegen het verkeer ingereden, zodat het verkeer letterlijk uit alle windstreken te verwachten is.

Bij de Giac Lam Pagode bekeken we eerst de tempel en vervolgens de urnenkamer. Een Vietnamese jongen gaf ons uitleg over de urnenkamer en over de foto’s aan de wand. Het waren foto’s van mensen die door een ongeluk om het leven waren gekomen (de duivel had hen gehaald). De foto’s bleven drie jaar hangen, de tijd die staat voor de rouwperiode in Vietnam.

Inmiddels was het Nederlandse stel ook gearriveerd met twee cyclo’s. Na even met ze te hebben gekletst, besloten we een drankje te nemen. Er hadden zich enkele andere Vietnamezen om ons heen verzameld. We waren uiteindelijk met het Nederlandse stel, de vier cyclo drivers en twee of drie onbekende Vietnamezen, waaronder het mannetje dat ons de uitleg gaf. Wij namen frisdrank, de Vietnamezen dronken thee. Uiteindelijk besloot ik te trakteren, niet wetende wat ik kwijt zou zijn. Maar ik schrok een beetje. Voor elf drankjes was ik 15.000 dong kwijt. Omgerekend is dat ongeveer ƒ 2,50.

Na het drankje reden we naar de toren bij de pagode. Een jong jochie, een student economie aan de universiteit, vertelde ons het één en ander over de pagode en nam ons mee naar de bovenste verdieping van de toren. Daar zat in een gouden urn, die aan het plafond hing, de as van een opperpriester.

We reden verder naar de Bin Thai markt in Cho’lón (China town). Een drukke, maar leuke markt met nauwe paadjes en overvolle stalletjes, maar voor ons weinig indrukwekkend. We hebben ze zo wel vaker gezien. Na de markt reden we naar de Thien Hau Pagode met de grote, hangende wierookstokken in spiraalvorm. Een mooie Chinese pagode.

Daarna reden we naar de ‘electronic market’. Deze markt is in de Huynh Thuc Khang straat en is niet echt een markt, maar meer een aantal electronicawinkeltjes langs een betrekkelijk rustige straat. We werden gedropt bij een cd-winkel en ik betaalde de afgesproken 10 dollar voor de twee cyclo’s en gaf iedere cyclo driver 10.000 dong extra voor het uitgelopen half uurtje (en als fooi). We besloten namelijk om de tocht hier te beëindigen. We liepen de winkel binnen en kochten stom genoeg ook nog vier cd’s in die winkel: Madonna, twee keer Spice Girls en een Vietnamees cd-tje voor in totaal $ 10. Stom enigszins, want we betaalden $ 2 commissie voor de cyclo drivers. Daar kwamen we achter toen we verderop in de straat nog 3 cd’s (Best of U2, Best of Enya en Enigma) kochten voor in totaal $6. De cd’s komen uit China en zijn illegaal. Je kunt het goed zien aan het boekje, dat slecht gekopieerd is en aan de disc zelf, waarop een onduidelijk label is gedrukt (en het barst veelal van de spelfouten). Hopelijk zijn ze van redelijke kwaliteit. Anders zijn het dure onderzetters.

We liepen langs het gemeentehuis naar de Dong Koi straat en dronken een biertje (Marjolijn een Orangina) op het terras van het Chi Lang Café in het park aan de Dong Khoi. Op enkele meters afstand kronkelde een niet lullig slangetje in z’n kooi rond (een boa constrictor (?)). Boven hem zat een aapje aan een koordje in een boom. Na het drankje liepen we naar de kathedraal en het postkantoor. Het postkantoor zag er van binnen uit als een station en volgens de Lonely Planet was het interieur in de laatste eeuw niet gewijzigd. Zowel het interieur als het gebouw aan de buitenkant waren indrukwekkend.

We liepen de Dong Khoi af richting de rivier. Persoonlijk vond in de straat niet speciaal, maar ik ben geloof ik de enige. Aan deze straat waren de Go-Go bars gevestigd tijdens de Amerikaanse oorlog. Langs de rivier liepen we naar het Ben Nghe kanaal terug naar huis. Het water van het Ben Nghe kanaal of te wel Black river was pikzwart (hoe is het mogelijk!). Wel een beetje raar. Op de brug over het kanaal was het een drukte van belang met brommers. Spitsuur.

Op de hotelkamer douchten we en dat was best wel weer een verademing, ondanks dat het water niet warm was. Pas nadat ik had gedouched kwam Marjolijn erachter dat je eerst een knop moest omzetten, zodat de electrische boiler stroom kreeg. We hadden air conditioning en een fan op de kamer en het was aangenaam van temperatuur.

Om 19.00 uur haalden we de foto’s op waarvan we eerder op de dag het rolletje hadden weggebracht. De foto’s waren nogal flets, maar dat komt waarschijnlijk doordat ik niet het juiste rolletje had gebruikt. Ik had een 400 asa rolletje gebruikt en dat is een te hoge waarde voor in de tropen.

Vervolgens liepen we naar het Linh Café, waar ik ‘Vietnamese chicken white rice’ bestelde en Marjolijn ‘Vegetarian spring rolls’ en gekookte groente. Ik kan alleen mijn eten beoordelen en de spring rolls en dat was heerlijk. Samen met twee biertjes waren we 76.500 dong kwijt.

Om 21.30 uur lagen we op bed. Het was wel een beetje onrustig op de straat voor het hotel met getoeter van brommers en spelende kinderen, maar dat is het nadeel van een kamer aan de voorkant. Overigens was het geluid niet hinderlijk.

Donderdag 21 mei 1998

Vandaag stond een dagtocht naar de Cao Dai tempel en de Cu Chi tunnels op het schema. We stonden om 7 uur op en ontbeten bij Kim’s Café. Maar voordat ik kon ontbijten, moest ik eerst naar de bank om m’n credit card op te halen. Die had ik gisteren niet teruggekregen en ik was zelf ook zo stom geweest om daar niet op te letten. Maar gelukkig lag ‘ie er nog. Hopelijk is ‘ie niet misbruikt.

Na het ontbijt stapten we in de minibus die inmiddels was voorgereden. In de bus zaten 29 toeristen, waarvan 8 Nederlanders. De meerderheid was Nederlander (4 boeren en twee dooie mussen). Verder was het een gemêleerd gezelschap, waaronder Denen, Fransen, Zweden, Engelsen, Canadezen en een Japanse.

De rit naar de Cao Dai tempel duurde 3 uur, waarvan zeker een half uur door Ho Chi Minh City. Onderweg vertelde de, enigszins op leeftijd zijnde, gids veel over Vietnam; over de cultuur, de inwoners, de oorlogen, de economie etc. en over de Cao Dai tempel. Tevens gaf hij waardevolle tips over prijzen en de kleine criminaliteit in Ho Chi Minh City, zoals wanneer je je paspoort en waardevolle papieren in de hotelkluis achterlaat dat je dan om een gespecificeerde ontvangstbewijs moet vragen enzovoort. Grappig was dat hij steeds herhaalde dat hij kort iets zou vertellen, omdat de meeste reizigers wel moe zouden zijn (bijv. door de recente aankomst in Vietnam), maar dat hij eigenlijk ononderbroken tot aan de Cao Dai tempel allemaal dingen vertelde. En het was niet vervelend dat hij de hele tijd aan het woord was, omdat het interessant was wat hij zei.

De weg naar de Cao Dai tempel was heel redelijk en de omgeving was mooi. Het landschap is vlak, met vele rijstvelden, afgewisseld met drukke en rommelige dorpjes. Onderweg reden we door een dorpje, waar (geloof ik) iedereen bakker is, want langs de weg werd op zeer veel plaatsen stokbrood verkocht.

Om 11.30 uur waren we in Tanh Ninh bij de Cao Dai tempel. De tempel zag er erg kleurig uit, maar neigde naar kitcherigheid, een beeld dat eenmaal binnen in de tempel nog sterker werd. Het gebouw zag er goed onderhouden en kleurig uit. We moesten de schoenen uit doen voordat we naar binnen gingen en de gids had ons geadviseerd om de schoenen onder de parasol te zetten, want we zaten midden in de regentijd. In de tempel liepen we om het altaar heen en zagen we de grote bol met het oog. Een aanhangster van het Caodaïsme vertelde wat we op het altaar konden zien, zoals diverse poppen die een geloof representeerde (confusionisme, taoïsme en boeddhisme).

Om twaalf uur begon de mis en even daarvoor waren we via een trap naar de balustrade geleid. We stonden bovenaan de trap en hadden zicht op het ‘schip’ van de tempel. Bij de trap begon om 12.00 uur een orkestje te spelen en enkele vrouwelijke aanhangers van het Caodaïsme te zingen. Het was jammer dat we geen oordopjes bij ons hadden. Krolse katers klinken aangenamer. De mis was grappig om te zien, maar na zo’n 20 minuten hadden we het echt wel gezien (stond de muziek op de repeat stand?). Na de mis, die tot 12.40 uur duurde, reden we naar een restaurantje waar we de lunch gebruikte (50.000 dong).

Vervolgens reden we met de bus in anderhalf uur naar de Cu Chi tunnels. In het landschap stond zomaar een berg in z’n eentje, de ‘zwarte dame’. Een grappig contrast met het verder zo vlakke landschap. Bij de Cu Chi tunnels aangekomen (entree: $ 4 of 52.000 dong) kregen we eerst in een kamertje een uitleg over het geografische gebied waarover de tunnels waren (zijn) verspreid. Hieruit bleek dat een groot aantal tunnels onder de Amerikaanse kampen doorliepen. Vandaar dat de Vietcong verrassingsaanvallen kon uitvoeren en weer in het niets konden verdwijnen. Ook werd een maquette getoond van de dwarsdoorsnede van de aarde, waarin duidelijk de drie tunnelniveaus te onderscheiden waren.  Het eerste niveau lag op drie meter diepte, het tweede niveau op zes meter diepte en het derde niveau op negen tot elf meter diepte. Ook werd een video vertoond over de Amerikaanse oorlog. Deze film was nogal anti-Amerikaans getint. Enerzijds zeer terecht, want de Amerikanen kwamen alleen om er een enorme bende van te maken. Maar tijdens de film werd de Vietcong afgeschilderd als ‘engeltjes’ (zo leek het wel) en dat terwijl de Vietcong zich ook niet echt menselijk heeft gedragen.

Tijdens een rondwandeling door het bos werden diverse booby traps getoond, waaronder valkuilen met scherpe, met slangengif ingesmeerde spies en enkele bommen. Ook moesten we zoeken naar een tunnelingang. Toen die gevonden was, demonstreerde een Vietnamese gids hoe je erin moest. De ingang was zo klein dat enkele toeristen niet verder kwamen dan hun benen. Ze bleven steken bij de heupen. De tocht voerde verder naar een buitgemaakte tank (hoogst oninteressant) en de ingang van twee tunnels. De eerste tunnel was speciaal voor toeristen uitgehakt en er was een uitgang na 30, 60 en 90 meter. Ik kroop 60 meter door de tunnel die twee niveaus besloeg en af en toe werd de tunnel verlicht door een gloeilamp. Het was er warm en benauwd. De tweede tunnel was op ware grootte. Hier heb ik me maar niet meer aan gewaagd. In een ondergrondse keuken c.q. eetzaal kregen we een kopje (vingerhoedje) thee aangeboden.

We reden met de bus terug naar Ho Chi Minh City, waar we om 19.00 uur arriveerden. Onderweg regende het een beetje. In het hotel kwamen we weer het Nederlandse stel tegen, waarmee we de eerste dag de taxi hadden gedeeld, en die zeiden dat het heel hard had geregend in Saigon. De straten schenen blank te hebben gestaan.

Vrijdag 22 mei 1998

Vandaag was de eerste dag van onze tweedaagse trip naar de Mekong Delta. We aten in het hotel (twee baquettes met kaas plus vers gefilterde koffie).

Om 8.00 uur vertrok de bus met ons als enige Nederlanders (jippie!!). De lange reis voerde naar Cao Lanh in de Mekong Delta. We reden over Highway no.1 die in het begin nogal hobbelig was, maar buiten Ho Chi Minh City al snel beter werd. We reden over talloze bruggen, die allemaal verbeterd of opnieuw gebouwd werden. Dit leidde nogal tot wat oponthoud, omdat op veel van de provisorisch aangelegde bruggen (die naast de in aanbouw zijnde brug lagen) slechts één auto per keer overheen kon (in één richting, dus geen tweerichtingsverkeer).

We passeerden veel mangobomen, maar de vruchten waren recentelijk geoogst, dus geen mango’s gezien. Ook de rijstvelden waren niet zo mooi, vanwege de oogst die net plaatsgevonden had. Veel boeren waren bezig met het omploegen van het veld. Andere rijstvelden zagen er dor en droog uit.

In Cao Lanh lunchten we en kochten we op aanraden van de gids een regenjas. Dit was niet meer dan een groot uitgevallen boterhamzakje en kostte slechts 3000 dong per stuk. Daarna liepen we naar een kanaal, waar we in een bootje stapten. Gelukkig was de boot overdekt, want de zon scheen fel. De boot bracht ons naar een voormalig Viet Minh (communistische verzet tegen de Franse overheersers) kamp. We liepen door de jungle en zagen de schuilplaatsen en vergaderruimten van de Viet Minh. De (goede) gids vertelde een heleboel over de geschiedenis en ook waarom het leven in de jungle zo moeilijk was. Dit kwam onder andere doordat het gebied ieder half jaar onder water stond, dat er veel gras en bomen waren (dichte jungle) en dat de grond nogal drassig was. Ook leven er veel gevaarlijke beesten, met name slangen. Daarnaast was het een malariagebied en zelfs het water was geïnfecteerd met malaria (waarschijnlijk door mugge-eitjes). Ook liepen we langs een veld met hoog gras (riet) en de gids vertelde dat er nog veel mijnen in het veld liggen.  Hij wees enkele riethalmen aan waar nog mijnen aan bevestigd waren (of als voorbeeld dienden hoe vroeger de mijnen aan de riethalmen werden bevestigd). Hij vertelde ook dat het voor de Amerikanen bijzonder moeilijk was, omdat de helikopters veelal in dit soort velden landden (of dat de soldaten boven de grond uit de helikopter sprongen) en vrijwel direct in een mijnenveld liepen.

We vervolgden de boottocht naar een eiland, waar de bewoners gespecialiseerd zijn in het maken van rieten matten. We stonden flink in de belangstelling van de kinderen, waarvan enkele ons volgden over het eiland naar de volgende boot. Nogal een beroerde wandeltocht, omdat het nogal heet was. Volgens de gids was het zo’n 40 graden. Aan het einde van de wandeltocht liepen we over een bijzonder gammele brug. De gids zei ook dat we één voor één over de brug moesten lopen, met een onderlinge afstand van 5 meter. Even voorbij de brug dronken we een cola bij een ‘café-tje’.

De volgende boot was een (grote) veerboot, die ons naar de overkant van de Mekong bracht. De Mekong was niet bepaald een lullig stroompje. Een schatting doen over de breedte van de rivier is erg moeilijk, maar een kilometer breed was ‘ie zeker.

Op de andere oever van de rivier was een dorpje, waarvan de bewoners gespecialiseerd zijn in het kweken van bonsaïboompjes. Volgens mij waren het gewoon conifeertjes, maar zeker niet de ons zo bekende Japanse bonsaïboompjes. We liepen door het dorpje naar de bus. Erg leuk, want we zagen het gewone leven in een Vietnamees dorpje, zoals het wassen van de kleding in de rivier, het nemen van een bad in de rivier en kinderen die speelden en zwommen in de rivier (of één van de vele kanaaltjes).

Vanaf het bonsaïdorp was het een nogal flinke rit naar Cantho. De bus reed zelfs over een brug die verboden was voor auto’s. Ach ja, een bus is geen auto!. Even voor Cantho moesten we met een (auto)veerboot een andere arm van de Mekong rivier oversteken. Weer een brede rivier.

In Cantho zouden we overnachten en we checkten in bij een super slecht hotel. Eens is het waarschijnlijk een luxe hotel geweest, maar daarna waarschijnlijk nooit meer onderhouden. De naam van het hotel is ‘Doan An Duong Hotel’. (Citaat uit de Lonely Planet: it looks great on the outside but is grim on the inside. Rooms are bare dungeons and it is perhaps interesting to note that the hotel is owned by the army. On the other hand, some of the rooms have balconies with a brilliant view of the river. Rooms with fan cost $9) De hotelkamer was bloedheet en de fan deed het nauwelijks. Het was buiten aangenamer dan binnen. Eén stel had een airconkamer, maar de aircon deed het niet.

We kregen een half uurtje de tijd om ons op te frissen en we namen snel een douche (helpt overigens weinig als de kamer zo heet is). Een half uur later werden we naar de restaurantzône gebracht. Met z’n alle zaten we aan één lange tafel. Wij zaten naast een Zwitsers stel. Erg aardige lui.

Na het eten we vroegen de eigenaresse van het restaurant om voor een bromfietstaxi te zorgen. We konden er met z’n vieren in (2000 dong per persoon), maar er reden nog 6 kleine kinderen met ons mee. Erg leuke belevenis zo met z’n tienen in zo’n karretje.

Zaterdag 23 mei 1998

We stonden vanochtend om 6.30 uur op, want we zouden om 7.30 uur vertrekken. Naast het hotel was een tennisbaan en men was daar al vroeg bezig. Om 4 uur ‘s ochtends werd de eerste wedstrijd al gespeeld volgens de Zwitserse jongen (hoezo rare lui, die Vietnamezen??).

We ontbeten op het terras van het hotel aan de rivierzijde. Op de rivier zagen we lange bootjes (soort kano) die met peddels werden aangedreven. Eén vrouwtje was erg creatief. Zij roeide met d’r voeten! Vreemd gezicht.

Het ontbijt werd geserveerd door een meisje dat het lachen absoluut vreemd was. Wat een chagrijn! Het ontbijt bestond uit een baquette met smeerkaas en koffie en het was niet goedkoop. We waren 22.000 dong kwijt.

Tegen 7.30 uur vertrok de bus. Ik had de gids gevraagd of er even bij de Vietcombank gestopt kon worden, omdat ik bijna door m’n dong heen was. Bij de Vietcombank wisselde ik $40 contant. De bank was erg anti-corruptie ingesteld, met strikte functiescheidingen. Bij het eerste loket moest ik op een formulier aangeven hoeveel dollars ik wilde wisselen. Met het door de employée ondertekende formulier moest ik naar een tweede loket, waar ik m’n dollarbiljetten afgaf. Het derde loket tenslotte was voor de uitbetaling van de 516.800 dong. Ik kreeg dus ook vier nieuwe biljetten van 200 dong (3,1 cent). Leuk voor in het plakboek.

Vervolgens reden we een kort stukje naar de plek waar we op de boot stapten. Via één van de vele kanalen voeren we naar een drijvende markt. De drijvende markt is gewoon op een brede rivier (kanaal??) en er dreven een heleboel bootjes kris-kras door elkaar heen. De (voornamelijk) vrouwen op de boten verkochten groente en fruit. Soms dreef er een café-tje langs dat drankjes verkocht. We stonden flink in de belangstelling van de kinderen op één van de vele bootjes of langs de kant en er werd veel over en weer gezwaaid.

Na het bezoek aan de markt voeren we verder naar een fabriekje waar rijstpapier wordt gemaakt. Rijstpapier wordt onder andere gebruikt voor loempia’s. Het was er bijzonder heet door de ovens die de kookplaten verwarmden. Ieder stadium van het proces was te zien. En zelfs de afvalprodukten worden gebruikt. Zo wordt het vlies van de rijst gebruikt om de ovens te stoken en wordt het restprodukt van het rijstpapier gebruikt als voedsel voor de varkens, die net achter het fabriekje in de stallen lagen (en die zagen er goed doorvoed uit!)

De rijst wordt eerst geweekt (gekookt) en vervolgens gemalen en gecentrifugeerd. Vervolgens wordt de gecentrifuugeerde ‘rijstepap’ onder druk van zware stenen geperst (waarschijnlijk om het water eruit te persen). De stevige brij die dan overblijft wordt vervolgens in een soort deegmachine gekneed. Dan wordt het ‘deeg’ weer aangelengd met water en gebakken op grote kookplaten, waardoor flinterdunne rijstpannenkoeken ontstaan. Na het fabriekje keken we ook nog even in een ander fabriekje, waar de net geoogste (vlies)rijst werd ontdaan van hun vliesje. Stoffige bedoeling daarbinnen.

De bootreis voer verder over enkele kanalen en we zagen het leven langs de waterkant vanaf het water. Op het eindpunt stapten we in de bus die ons terugbracht naar Cantho, waar we over de markt liepen. Er werd weer (zoals altijd) van alles aangeboden. Heel leuk waren de kleine eendenkuikens. Veel minder leuk waren hun gebraden broertjes en zusjes.

Na het bezoek aan de markt, aten we in een Chinees restaurantje op de ‘restaurantenboulevard’ vlakbij het zilveren beeld van Ho Chi Minh. Ik bestelde een fried rice with chicken, maar de kip (letterlijk een kip in stukjes gehakt) gaf ik aan de kat, die ervan smulde.

Na de lunch vertrokken we met de bus naar Saigon. Onderweg moesten we nog met twee veerboten over twee van de negen armen van de Mekong rivier. Ook bij de veerboten hingen veel verkopers rond, die eetwaren en drankjes aanbieden. Ze negeren is (helaas) de enige manier om van ze af te komen. Wel kocht ik een cakeje van een verkoopster voor 2000 dong. Lekker, maar een droge hap. Je ziet ook veel invaliden. Logisch gevolg van de oorlog, maar je ziet ook veel mongooltjes (ook een gevolg van de oorlog, namelijk van de ontbladeringsmiddelen die de Amerikanen hebben ingezet).

Na drie uur in de bus te hebben gezeten, stopten we bij een restaurantje waar we een cola kochten. Naast het restaurantje was een weide, waarin een moedergeit met twee jongen liep. Waarschijnlijk waren de jonkies net geboren, want de moedergeit was bezig de moederkoek op te eten. Toen de eigenaar van het restaurant klaar was met het verkopen van de drankjes, kwam hij het restaurant binnenlopen met een drie meter lange en 7 jaar oude python. Een Zweedse jongen die aan een tafeltje rustig z’n drankje dronk, lanceerde zichzelf van z’n stoel toen hij het vriendelijke beestje zag. De slang werd op de grond gelegd, maar hing na korte tijd al om de schouders van enkele stoere en vooral sterke jongens. Het slangetje woog slechts een lullige 50 kilo.

Ik had daar weinig trek in (inmiddels had bijna iedereen ‘m al om z’n nek gehad), maar ik voelde wel aan de zachte, warme huid van het beest. Het was een mooi gezicht hoe het beest zich voortbewoog. Ze was ongevaarlijk, maar het schijnt dat vrouwelijke pythons die net kleintjes hebben gekregen, erg gevaarlijk zijn.

De vervolgrit naar Saigon duurde nog eens twee uur. Tegen zeven uur waren we terug. Het Zwitsers stel liep met ons mee naar ons hotel om de kamer te bekijken. Zij zaten in een minder goed hotel en waren erg benieuwd naar onze kamer, omdat wij zo positief waren over het hotel. Ze bekeken de kamer en besloten direct te verhuizen van hun hotel naar het onze, ondanks dat ze nog voor een nacht betaald hadden. Tsja, ons hotel was dan ook perfect.

Na een verfrissende douche (en een wasje te hebben gedraaid) aten we bij het Sinh Café. Daar boekten we ook een open tour naar Hué voor $ 25 per persoon.

Zondag 24 mei 1998

Gisteravond namen we bij het Sinh Café afscheid van onze Zwitserse vrienden. We wisselden adressen uit en nodigden ze uit om eens naar Amsterdam te komen. Het was een heel aardig stel, maar meestal draait het uitwisselen van adressen nergens op uit.

Vandaag was de eerste dag van ons open ticket traject naar Hué. Het principe van een open ticket is dat je een kaartje koopt voor een bepaalde afstand, maar dat je onderweg kunt uitstappen en, na herbevestiging, weer verder kunt rijden wanneer je wilt. Je kunt dus net zolang in een bepaalde plaats blijven als jezelf wilt en je wordt met de bus opgehaald en afgezet bij het hotel van jouw keuze.

De rit van Saigon naar Nha Trang zou 9 uur duren en daarom vertrokken we al om 7.30 uur. Voor vertrek ontbeten we bij het Sinh Café. Uiteindelijk zou de rit 12 uur gaan duren. De bus waarin we zaten was niet de ‘beloofde’ moderne air conditioned bus en daar kwamen we al snel achter. Enkele kilometers buiten Saigon werd al gestopt en verdwenen de chauffeur en de bijrijder onder de bus. Er was waarschijnlijk iets aan de hand met de versnellingsbak. Tegen de avond stonden we in de file op de Highway 1. Enkele auto’s voor ons was een bus gekanteld op een plek waar aan een brug werd gewerkt. Onderweg hadden we al gezien dat er op vele plaatsen aan de weg werd gewerkt. Op enkele plaatsen werd een stuk van de highway opnieuw geasfalteerd. Vervolgens was er kilometers lang geen wegwerker te zien en dan opeens waren ze weer 200 meter aan het asfalteren. Ook werden de bruggen op de route verbeterd. Er werd niet eerst een brug afgebouwd en dan met de volgende brug begonnen. Nee, alle bruggen waren tegelijkertijd onder constructie. Als er dan een brug ver- of herbouwd werd, dan was het kanaaltje waarover de brug werd gebouwd naast de brug dichtgegooid en over de dam was dan een weg ‘aangelegd’. Op één van die dammen ging het dus verkeerd. Een bus voor ons was weggezakt aan de zijkant van de dam en was gekanteld in het kanaaltje. Geen groot ongeluk, maar het zorgde wel voor een uurtje oponthoud. Gelukkig was er een kraanwagen in de buurt, want die zagen we aan komen rijden. Toen de kraanwagen eenmaal bezig was, stond de bus binnen de kortste keren weer op z’n wielen. We reden verder in het donker en het begon flink te regenen en te onweren.

Eenmaal in Nha Trang was het weer droog geworden en we werden afgezet bij het guesthouse 62 van onze keuze, maar de bus stopte na aankomst in Nha Trang eerst bij het hotel waar het Sinh Café een relatie mee onderhoudt. We bekeken dit hotel, maar daarna bracht een kleiner busje ons zonder problemen naar het hotel van onze keuze. Zo checkten we in bij guesthouse 78 aan de weg langs het strand.

We legden de rugzakken op bed en gingen op zoek naar een restaurant. We belandden bij het Coconut Cove, waar we redelijk goed aten aan een tafeltje langs het strand. Na het eten liepen we terug naar het guesthouse om te douchen en te gaan slapen (23.30 uur).

Maandag 25 mei 1998

Marjolijn was nog steeds snipverkouden toen we om 9.30 uur wakker werden. We hadden vandaag een rustdag, vandaar dat we dus uitsliepen. We werden gewekt met ‘Right here waiting for you’ van Richard Marx, die iets te luid maar niet hinderlijk uit een radio van een Vietnamese gast van het hotel kwam. Overigens zijn de Vietnamezen nogal gek van muziek van een hoog Sky Radio-gehalte.

We ontbeten bij de ‘Nha Trang Sailing Club’, recht tegenover ons guesthouse. We aten beiden een pannenkoekje. Na het ontbijt scheidde onze wegen. Ik huurde een fiets en ging naar de Po Nagar Cham tempels, terwijl Marjolijn naar het strand ging (die voelde zich niet zo lekker). Mijn fietstocht door de stad was erg aangenaam, maar ook gevaarlijk. Zeker niet vanwege het verkeer. De dreiging hing in de lucht. Eenmaal bij de Po Nagar torens parkeerde ik m’n fiets en deed ‘m op slot. Uit Nederland had ik een extra cijferslot meegenomen en die deed ik door het wiel. Daarna kocht ik een ticket. Het ticket kostte 5000 dong. Althans, dat was voorgedrukt. Maar op het ticket stond ook een stempel van 10.000 dong (waarschijnlijk voor toeristen) en dus betaalde ik 10.000 dong.

Nadat ik de treden van de trap naar de torens had bestegen, barstte het natuurgeweld los; een hoop regen en onweer. Ik moest schuilen onder een parasol. Een Vietnamese jongen bood me een stoeltje aan, zodat ik onder de parasol kon gaan zitten wachten totdat het was gestopt met regenen. Het was maar even droog en ik besloot tenslotte toch maar om door de regen terug te fietsen. Het regende al veel minder hard en ik had m’n regenjas aangetrokken.

Bij de Vietcombank wisselde ik traveller’s cheques voor dong (commissie: 1 dollar). Dit verliep niet geheel vlekkeloos. De handtekening die ik nu plaatste op de drie jaar oude traveller’s cheques kwam niet geheel overeen met de handtekening die ik drie jaar geleden had geplaatst en ik moest op een kladpapiertje net zo lang oefenen totdat de bankemployée ‘m goed vond. De employée gaf me (waardevolle) tips over hoe ik m’n handtekening maar moest plaatsen. Uiteindelijk hield ik het gevoel over m’n handtekening in blokletters en streepjes te hebben geplaatst, maar ik kreeg gelukkig mijn dong. Opmerkelijk was dat traveller’s cheques coupures van $ 50 of meer een betere koers kregen. Dat scheelde ongeveer 7 cent per dollar.

Na mijn wisselervaring (trauma) fietste ik terug naar het hotel, waar Marjolijn zat te lezen voor de kamer. Ze had nog net een kwartiertje aan het strand kunnen liggen, toen ze door de regen en onweer werd verdreven.

Ik leverde m’n fiets in en betaalde 10.000 dong. Daarna lunchten we (15.30 uur) bij een restaurantje langs de zee. Ik nam (weer) een pannenkoek met honing. Marjolijn nam een stokbroodje met knoflooksaus (complete tenen knoflook!). Daarna liepen we langs het strand naar het hoofdpostkantoor om een e-mail te versturen. Dit is niet duur (5000 dong per 5 minuten; 6500 dong is ongeveer ƒ 1,-).

In het postkantoor kochten we enkele kaarten en postzegels en daarna liepen we via het centrum terug naar het hotel. Onderweg kochten we nog meer kaarten en postzegels bij een bijkantoortje van het postkantoor. De ansichtkaarten zijn relatief duur; 10.400 dong voor een kaart en postzegel.

Ook boekten we een dagtocht met Mama Linh bij het Sinh III Café langs het strand. Onze Zwitserse vrienden uit Saigon hadden ons Mama Linh aangeraden, omdat de groep wat kleiner zou zijn dan bij Mama Hanh. Bij Sinh Café III (niet meer dan een klein boekingskantoortje, in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden) was de jongen achter het bureau verbaasd dat we met Mama Linh wilde, maar kon uiteindelijk wel bevestigen dat dit beter was dan Mama Hanh. Mama Hanh stond namelijk bekend vanwege de ‘poisonous medicine’. Na enig denkwerk begrepen we dat hij op drugs (marihuana) doelde. Hij vond Mama Linh ook beter, maar de meeste mensen boekten bij Mama Hanh. We zullen morgen zien of onze keuze juist is geweest. Overigens is het niet moeilijk om aan verdovende middelen te komen. De cyclorijders in Nha Trang vragen je ’s avonds slechts twee dingen: Cyclo sir? Marihuana? In de reisgidsen hadden we gelezen dat de cyclorijders je eerst marihuana verkopen om je vervolgens aan te geven bij de politie. Reden temeer om het niet te kopen.

We aten vroeg, om 18.00 uur, bij de ‘Nha Trang Sailing Club’. Het diner was duur, maar goed. Zo kostte een grote BGI bier (650 ml) 25.000 dong en dat is meer dan twee keer zo duur als elders. Het is er dan ook niet echt druk (gewoon rustig, dus). Op het terras kon ik lekker rustig mijn dagboek bijwerken.

Vrijwel iedere avond zie je het weerlichten in de verte en zo ook vanavond. Wonderbaarlijk is het dat we in Saigon nauwelijks enige regen van betekenis hebben gehad, terwijl het daar regentijd is en dat in Nha Trang, waar het de droge tijd is, een halve middag regent.

Dinsdag 26 mei 1998

Voor vandaag hadden we een boottocht met Mama Linh geboekt. Exact op het afgesproken tijdstip, om 9.00 uur, werden we met een minibus opgepikt bij het guesthouse. We reden naar de boot, waar we erachter kwamen dat meerdere minibusjes de mensen kwamen droppen. In totaal kwamen er zo’n 20 mensen bij ons op de boot. Het duurde nogal even voordat iedereen op de boot was, maar toen konden we dan ook eindelijk vertrekken.

We voeren naar het eerste eiland, waar de mogelijkheid bestond tot zwemmen en snorkelen. Op de boot pakte ik een snorkelsetje en daarna sprong ik van de boot in het water. Een rubberen binnenband werd me toegeworpen. Een tijdje zwom, snorkelde en dobberde ik rond in het water. Marjolijn liet zich op de boot masseren en kwam daarna ook in het heerlijke water.

Daarna voer de boot verder naar de tweede stopplek, waar we zouden lunchen. De banken werden ingeklapt tot één lange tafel en er werden allemaal kleine schaaltjes met vlees, vis en loempia-tjes geserveerd. Het eten was niet slecht, maar zeker niet zoals de boeken beweren ‘het beste van Nha Trang’.

Na de lunch ging de gids op z’n gitaar spelen. Hij beweerde liedjes in 16 verschillende talen te kunnen zingen. Iedereen moest z’n nationaliteit zeggen en dan zong hij een liedje in je eigen taal. In het Nederlands zong hij ‘Vader Jacob’. Na het zangkwartiertje kwam hij met een speciale verrassing; het was vandaag zijn verjaardag en daarom zou hij een drijvende bar maken en een drankje serveren in het water. De ‘bar’ werd in zee gegooid, alsmede de binnenbanden. De gids schonk rijstwijn in en de mensen dronken al dobberend de rijstwijn.

Vervolgens kwamen de joints uit het sigarettendoosje (dus toch geen onderscheid met Mama Hanh?). De (stomme) Amerikanen vlogen toe en staken de ene joint met de andere aan. Een knap zielige vertoning, maar goed…. het zijn dan ook Amerikanen..

Met name de Amerikanen en Canadezen waren nogal dominant aanwezig en plaatsten de ene domme opmerking na de andere. Eén van die domme meiden beweerde zelfs dat Nederland een stom land is. Waarschijnlijk is ze ook zo één die in de veronderstelling is dat Nederland in België ligt. Onder dat stelletje zat ook zo’n milka koe (paarse bikini en grote boezem); zij schreeuwde het uit alsof ze verkracht werd. Een ander uit het groepje vroeg aan mij of er op mijn handdoek de afbeelding van Hitler stond, terwijl iedereen toch overduidelijk kan zien dat het Charlie Chaplin is.  Nee, Amerikanen zijn niet mijn volk.

Ik had inmiddels een veel leuker contact opgedaan. Ik raakte aan de praat met Anh, een Vietnamese jongen die op het kantoor van buitenlandse zaken in Saigon werkte en drie dagen op vakantie was in Nha Trang. Hij sprak verdomd goed Engels en het was aangenaam met hem te praten over van alles en nog wat. Zo wisselden we informatie uit over de economie en de toeristische situatie in Vietnam.

Na de lunch en de drijvende bar, voeren we verder naar het derde eiland. Tegen betaling (3000 dong) kon je het eiland betreden, maar Anh en ik sprongen weer in het water om verder te praten.

Na een uur voeren we verder naar het vierde eiland, waar de bewoners in ronde ‘notendopjes’ rond dobberen over zee. Een kort tochtje in dit instabiele vaartuig kostte 4000 dong, maar wij bleven op de boot. Het was inmiddels weer licht gaan regenen en het onweerde weer in de verte.

De terugtocht naar Nha Trang duurde nog maar een kwartiertje en om 16.30 uur waren we weer op de vaste wal. We namen afscheid van Anh en stapten in de minibus die ons vervolgens bij het hotel afzette.

We douchten in het hotel en herbevestigden vervolgens onze open ticket naar Hoi An voor de volgende dag bij het Sinh Café III.

Het was inmiddels weer stevig gaan regenen en we moesten rennen naar de Coconut Cove (restaurant). Daar aangekomen waren we al flink nat. Het eten was oké en na het eten hezen we ons in onze condooms. Tsja, zo zag het er wel uit. De regenjasjes waren gewoon groot uitgevallen boterhamzakjes met mouwen. En dan in de kleuren rose en paars. Net condooms, dus! Een andere toerist schoot in de lach en wilde ons wel fotograferen met mijn camera.

Vervolgens liepen we naar de book exchange shop, waar Marjolijn een boek kocht. Wel moest de eigenaar eerst de ‘winkel’ weer openen, want hij had de boel net een paar minuten daarvoor gesloten. Niet dat het een echte winkel was; het was gewoon een afsluitbare boekenkast onder twee parasols. Erg geinig. Daarna liepen we terug naar het guesthouse. Onderweg kochten we nog een fles water en een pakje koekjes voor onderweg morgen.

Woensdag 27 mei 1998

Kwart over vijf (!) wakker. Kwart voor zes (!) stond het minibusje voor het guesthouse klaar om ons op te pikken voor de lange tocht naar Hoi An. Bij de thuisbasis van het Sinh Café in Nha Trang stapten we over in een grote, luxe en comfortabele touringcar.

De bus was nog niet halfvol toen de 12 uur durende rit met enkele tussenstops begon. Erg voordelig, want we beschikten nu over twee zitplaatsen per persoon. Je kon lekker breed uit zitten, met je voeten op de bank. Of liggen, alhoewel dat niet echt comfortabel is. De buschauffeur reed relaxed, maar toeterde bij iedereen die hij inhaalde. En dat werd wel een beetje vervelend na enkele uren.

De route was een stuk interessanter dan het deel tussen Ho Chi Minh City en Nha Trang. Het landschap was heuvelachtig, met bergen in de verte en de sawa’s waren schitterend. De sawa’s waren lichtgroen, in tegenstelling tot de bruine sawa’s in de Mekong delta. De omgeving was pittoresk. Vele boeren waren aan het werk op het land, gekarakteriseerd door de coniale hoeden. Ook zag je enorm veel karbouwen. Gewoon grazen of zwemmend, maar ook voor de ploeg gespannen.

De highway 1 is een heel redelijke weg. Helemaal niet zo pittoresk als het plaatje in ons Vietnamboek. Op vele plaatsen wordt aan de weg en aan de bruggen gewerkt, maar er gaat nog wel een generatie overheen voordat er zoab ligt. Buiten de steden is het vrij rustig op de weg. Misschien kwam dat omdat het zondag was. De twee chauffeurs reden om en om en reden heel beschaafd. Op de weg is iedereen heel tolerant. Wel iets anders dan die bumperklevers op de Nederlandse wegen.  Vanaf de heuvels had je soms een mooi zicht op de zee. Pittoreske haventjes met blauwe bootjes en grote inhammen die een beetje leken op Noorse Fjorden.

De reis is absoluut de moeite waard. Waarschijnlijk ook per trein, want het spoor en de Highway 1 lopen vrijwel parallel aan elkaar. Het enige nadeel van een treinreis vanuit Nha Trang is, dat het eerste grote station in Danang is en dat je vanuit Danang terug moet rijden naar Hoi An (30 km).

Om 18.00 uur waren we in Hoi An en we werden afgezet bij het hotel van onze keuze, het Thanh Binh hotel in Le Loi street. De kamer was niet bijzonder, maar was schoon en had aircon. De prijs: $10 per nacht. Eerst werden de duurdere kamers ($15) getoond, maar daarna liet de receptioniste de wat goedkopere kamers zien. Het enige nadeel van onze kamer is de muziek die uit de boxen schalt in het openlucht café naast het hotel, maar die muziek zou om 21.00 uur uit gaan. Later zouden we erachter komen dat 21.00 uur een rekbaar begrip is.

‘s Avonds hebben we lekker gegeten bij restaurant Faifoo en vervolgens zijn we lekker naar bed gegaan.

Donderdag 28 mei 1998

We werden vanochtend al vroeg gewekt door de muziek in het open air café naast het hotel. Gelukkig dommelden we even later weer in slaap, om vervolgens om 8.30 uur wakker te worden. Een nieuwe, hete dag brak aan.

We ontbeten in het café Huong Xuon, tegenover het hotel. Aan de wand hangen grote borden. Op ieder bord wordt een aanbeveling voor het restaurant in een bepaalde taal gedaan. Het meisje dat er werkt, Ha heet ze, is erg leuk gezelschap en ze heeft er weinig problemen mee om aan je tafel te komen zitten, te kletsen en vooral veel te lachen.

Na het eten gingen we de ansichtkaarten posten bij het postkantoor en traveller’s cheques wisselen bij de bank. Voor een korte tijd was ik miljonair!! Helaas in dong en niet in guldens. We hadden overigens geluk, want direct nadat we de bank binnengingen werd de deur gesloten.

Vervolgens liepen we naar de markt. Op de markt zijn ontzettend veel kleermakerijen. Buiten werden we aangesproken door een meisje dat ons wel naar een kleermakerij wilde brengen. We gingen niet op haar aanbod in, maar ze was behoorlijk hardnekkig en bleef maar volhouden. Uiteindelijk liepen we toch maar met d’r mee. Bij het stalletje waar een kleermakerij was gevestigd, lagen stapels stof en er werden direct dikke boeken gepakt. Boeken waar alle dure modellen in staan, zoals kleding van Calvin Klein, Dior etc.

Uiteindelijk lieten we wat kleding maken. Ik bestelde een wit overhemd (100.000 dong) en Marjolijn bestelde een shirt en een jurk (195.000 dong). Bij elkaar zo’n ƒ 45,-. Om 16.00 uur zouden ze klaar zijn en dat terwijl we ze pas om 12.00 uur bestelde. Een levertijd van vier uur dus. Gewoon ongelooflijk.

Daarna liepen we nog wat over de markt en door de doodstille straatjes van Hoi An. Niemand was namelijk zo stom zich om op dit tijdstip op straat te wagen. We dronken een cola in een cafétje en liepen vervolgens langs enkele Chinese gemeenschapshuizen (tempels). Overal was de toegang gratis, in tegenstelling tot wat de Lonely Planet vermeldde. Daarin stond dat een ticket voor 40.000 dong gekocht moest worden. We liepen vervolgens naar de Japanse Brug. Leuk, maar klein. De brug was geheel van hout.

Na het bezoek aan de brug liepen we nog wat langs het water over de Bach Dang Street, maar daarna spoedden we ons naar de kamer om de hitte te ontlopen. Waarschijnlijk bedroeg de temperatuur weer zo’n 40 graden.         En dus hielden we een siësta op de kamer van 15.00 uur tot 16.30 uur (beetje late siësta). We douchten en daarna gingen we een fotorolletje inleveren bij de één-uur-service naast het postkantoor en boekten we een dagtocht naar My Son bij het Nineteen’s Bookings Office tegenover het postkantoor. We liepen naar de markt om onze bestelling op te halen. Marjolijn d’r shirt moest nog een beetje bijgesteld worden, maar mijn overhemd was oké.

Omdat de kleding er keurig netjes uitzag, bestelden we nog meer. Marjolijn bestelde een blouse en ik nog een overhemd van Japans zijde (zo brachten ze het; Japans zijde schijnt niet helemaal zuiver te zijn, maar voor 80% uit zijde en voor 20% uit polyester te bestaan). We bestelde beiden een blauwe kimono, waarop Chinese (Japanse?) tekens werden geborduurd. Ik liet er ook nog een draak op borduren. De kimono kostte voor mij $ 8 en voor Marjolijn $ 6. De totale rekening zou 390.000 dong bedragen (ƒ 60,-).

Vervolgens haalden we onze bestelling op bij een tweede kleermaker (op nummer 1). Daar had Marjolijn een Japans blouse besteld. Schade: 85.000 dong of te wel ƒ 13,-. Ongelooflijk gewoon. Het is wel zo dat naarmate je verder de markt in gaat, de prijs daalt (het stalletje op nummer 7 is duurder dan het stalletje op nummer 1).

We aten bij café Ly. Ik had een Hoi An-se specialiteit: Cao Lau en white roses. Heeeerlijk! Na het eten dronken we nog een biertje bij café Huong Xuan tegenover het hotel. Plots kwam er een vrouwtje naar onze tafel me een grote boodschappentas. Ze kwam gehurkt naast ons zitten en haalde één voor één kleine spulletjes uit d’r tas. Telkens zeiden we dat we niet geïnteresseerd waren en dan stoptje ze de spulletjes weer terug. En dan kwamen weer nieuwe spulletjes uit de tas. Ze was goedlachs en erg vriendelijk. Ik moest ook telkens lachen als ze weer met iets nieuws uit de tas kwam. Uiteindelijk kochten we medicinale kruiden (10.000 dong) en een zakje safraan (5000 dong). Als souvenirtje kregen we een klein blikje tijgerbalsem van d’r. Leuk vrouwtje. Na het biertje liepen we de straat over naar het hotel om vervolgens naar bed te gaan.

Vrijdag 29 mei 1998

Om 8 uur vertrok het minibusje naar My Son. We werden opgehaald bij het hotel. Het minibusje reed in volle vaart door het fantastische landschap naar My Son. Tjonge, wat scheurde dat ding. Onderweg passeerden we diverse dorpjes, waar ochtendmarkt werd gehouden. Zo’n markt is één grote verzameling van coniale hoeden. Erg leuk. We passeerden ook een brommer, waarop vijf mensen zaten en ik nam een foto van ze. Het is geen uitzondering dat er vier mensen op een brommer zitten, maar vijf mensen is wel bijzonder.

We namen enkele foto’s vanuit de bus. Niet eenvoudig, want de bus hobbelde nogal. Het is te hopen dat ze lukken.

De toegang tot de ruïnes van My Son bedroeg $4 per persoon. Nadat we een toegangsbewijs hadden gekocht, liepen we over een bamboehangbrug over een riviertje om vervolgens met een antieke minibus de laatste twee kilometers naar de ruïnes te worden gebracht. De ruïnes waren mooi, maar helaas verwaarloosd. De Amerikanen hadden de omgeving zwaar gebombardeerd, omdat de Vietcong hier een basis had. Ook de Lonely Planet adviseerde niet van de paden af te wijken, omdat er nogal wat mijnen in de grond zaten c.q. kunnen zitten.

De ruïnes liggen in een dal, omgeven door groene heuvels. Gelukkig stond er een briesje, waardoor het niet al te heet was. De tekst en uitleg in de Lonely Planet was erg beperkt, maar gelukkig hadden we ook een Rough Guide bij ons, waar veel meer informatie over My Son in stond.

Nadat we de ruïnes hadden bezocht, dronken we een cola bij het cafétje/winkeltje/kaartcontrolepunt in één en na de cola liepen we de twee kilometer terug. Langs de weg stonden allemaal eucalyptusbomen. We plukten een blaadje en roken eraan. Sterke lucht. We hadden verwacht dat we wel door een auto (pendeldienst) opgepikt zouden worden, maar de auto passeerde ons pas 50 meter voor de hangbrug. Het was wel even afzien om in de hitte te lopen, maar de tocht ging door een mooie omgeving en dat compenseerde een boel.

Het minibusje scheurde ons terug naar Hoi An. Eigenlijk hadden we een beetje spijt dat we met een minibus waren gegaan en niet een brommer of motor hadden gehuurd. Dan had je ten minste op mooie plaatsen kunnen stoppen. En er waren nogal wat mooie plaatsen om te stoppen. Het enige nadeel is misschien de slechte 20 kilometer net voor My Son. Een 5 uur durende tocht (alleen heen en terug) met de brommer is het toch wel. Maar dan maak je wel een schitterende tocht.

Terug in het hotel douchten we om daarna naar de markt te lopen naar de kleermakerij. Onze kleding was nog niet af. Marjolijn d’r blouse was afgezet met knopen, terwijl ze had gezegd dat ze touwtjes wilde. Dat moest dus even hersteld worden. De kimono’s waren wel al af. Ze zijn prachtig, geborduurd met Chinese tekens en op de mijne ook nog een draak.

Omdat we nog een paar uurtjes moesten wachten, liepen we door het stadje en bezochten we een weverij, waar het hele zijdeproces te zien was. Zo zagen we de zijderupsjes krioelen in een bak met blaadjes, de zijdecocons waarin de rupsen zich verpoppen en ook hoe de cocons werden gekookt om vervolgens ontsponnen te worden tot één zijde draad. De draad van de fijne zijde is flinterdun en is afkomstig van het binnenste gedeelte van de cocon. De draad van de ruwe zijde is afkomstig van de buitenste kant van de cocon. In de weverij stonden ook twee weefgetouwen. Een redelijk moderne (uit de vijftiger jaren) die op stroom werkte en één uit de 17e eeuw (handbediening). Na het bezoek aan de weverij haalden we de foto’s op die we gisteren hadden laten ontwikkelen. De kwaliteit is redelijk, doch niet uitstekend.

‘s Avonds aten we bij Café Bo Bo. Ik nam weer zo’n lekkere Cau Lau. Na het eten liepen we terug naar de markt. Onze kleding was af en zat als gegoten en nadat we de kleding hadden opgehaald in de markt, liepen we naar de kledingmakerij tegenover het hotel, waar Marjolijn een Ao Dai laten maken en ik nog twee overhemden. We moesten nog even wachten, want de kleding die we pas aan het einde van de middag hadden besteld, was nog niet af. De broek van Marjolijn d’r Ao Dai zat een beetje strak en moest verwijd worden en op mijn overhemd waren witte knoopjes gemaakt, terwijl ik knoopjes in de kleur van het overhemd wilde. De knoopjes werden elders gehaald (gekocht?) en verwisseld.

Daarom dronken we nog maar een biertje bij Ha en wachtten totdat de kleding om 21.30 uur klaar was. We rekende af: een Ao Dai voor $ 20, een overhemd van Japans zijde voor $10 en een katoenen overhemd voor $5.

Daarna staken we de straat over naar het hotel om lekker te gaan pitten.

Zaterdag 30 mei 1998

Om 7.30 uur meldden we ons bij het Sinh Café in Hoi An. Die tijd was ons opgegeven en daar hielden we ons dan ook aan. We waren er natuurlijk al eerder, namelijk om 7.05 uur. We wilden voor vertrek eerst nog ontbijten. Dat deden we redelijk snel, omdat we dachten om 7.30 uur te vertrekken. Maar de bus vertrok om 8.00 uur, zoals ook op het ticket stond.

De eerste stop was bij de Marble Mountains. Enorm veel kinderen stonden bij de deur van de bus toen die eenmaal stilstond en ze wilden ons allemaal begeleiden de grot in. Ik liep een stukje de grot in achter de horde aan, maar toen ik hoorde dat er alleen een altaar en een Amerikaanse vliegtuigbom in de grot waren, hield ik het voor gezien. We liepen een beetje door het dorpje, waar iedereen marmeren dingen aanbood. Marjolijn wilde een marmeren ringetje voor om een halskettingje. De prijs daalde van 5000 dong naar uiteindelijk 2000 dong.

De Marble Mountains zijn absoluut niet interessant. Leuk als je er een tussenstop kunt maken, zoals wij deden, maar een excursie er naar toe is niet aan te bevelen. Je kunt een berg beklimmen en bovenop de berg een pagode bezoeken voor $4 per persoon, maar je wordt dan wel gevolgd door tientallen kinderen.

Na de Marble Mountains liepen we naar het China Beach op 700 meter van de Marble Mountains. Het was er uitgestorven. Slechts vier kinderen waren in zee aan het spelen. Dit is niet het echte China Beach, want dat ligt 5 kilometer van Danang en dus nog iets meer naar het noorden. Maar het is wel leuk om een indruk te krijgen van het strand waar de Amerikaanse soldaten tijdens hun verlof verbleven.

Na een stop van een uur reden we verder naar het Cham museum in Danang, waar we een half uur zouden stoppen. Dit was genoeg om het kleine, maar interessante museum te bezoeken. Er stonden prachtige beelden uit de tijd van het Cham koninkrijk (4e tot de 13e eeuw). Er was wonderbaarlijk veel van goed gebleven.         

Na het Cham museum reden we over de Hoi Van pas. Onderweg begon het te regenen, waarschijnlijk doordat we de bergen in reden en de toppen van de bergen in de wolken lagen. Boven op de pas werd tien minuten gestopt. Net genoeg om een paar foto’s te schieten en twee zakjes chips voor onderweg te kopen. Een tiental minuten na de top van de Hoi Van pas, stopten we bij een restaurant voor een smaakloze lunch.

Na de lunch reden we verder naar Hué, waar we om 14.45 uur aankwamen. We hadden dus 7 uur gedaan over een afstand van 120 kilometer. De bus reed in eerste instantie weer naar hun eigen hotel. De kamers daar kostte $8 en we besloten maar een kamer te bekijken. Temeer omdat het hotel was gelegen in de buurt van waar we een hotel wilden zoeken. De kamer was goed en had aircon en we besloten om daar te blijven. We legden de rugzakken op het bed, gingen naar het toilet en daarna naar de bank, want we waren weer platzak na de uitbreiding van onze garderobe. In Hué was de temperatuur al een stuk aangenamer, maar misschien kwam dat wel doordat het geregend had.

Nadat we geld hadden gewisseld dronken we wat fris en aten we fried potatos bij één van de traveller’s cafés schuin tegenover het hotel. Ik liep naar een foto shop om nieuwe batterijen voor Marjolijn d’r toestel te kopen. In eerste instantie werd me batterijen in een gesealde kartonnen verpakking aangeboden voor 50.000 dong per stuk, maar dezelfde batterijen lagen er ook in cellofaan en die waren 10.000 dong per stuk goedkoper. Ik wisselde de batterijen en daarna liepen we over de ruim 400 meter lange brug over de parfumrivier naar het centrum van Hué. We liepen door de poort de citadel in, waar alles ineens anders was. Het was er betrekkelijk rustig en er waren mooie lanen, met bomen aan weerszijde. Niet dat je de blaadjes kon horen vallen, maar het was wel een oase van rust.

We liepen door enkele straatjes binnen de citadel om vervolgens terug te lopen naar de rivier. Vanaf de brug hadden we al gezien dat er langs de rivier allemaal stoeltjes in de ‘uiterwaarden’ stonden. En daar wilden we wel gaan zitten. Er stonden inderdaad allemaal stoeltjes, maar het waren van die plastic kinderstoeltjes (je komt er wel in, maar nauwelijks meer uit). Op de stoeltjes zaten alleen maar Vietnamese jongeren en geen enkele toerist. Erg leuk!

Ik bestelde een Hué biertje (iedere stad heeft hier waarschijnlijk z’n eigen bier) en Marjolijn fris. We kregen twee glazen en twee rietjes bij onze flesjes geserveerd. Lekker goedkoop blauw worden, bier met een rietje drinken. Maar dat was niet mijn gedachte en het rietje legde ik maar terzijde.

Na het drankje liepen we naar het Lac Thien restaurant, waar we aten. De eigenaren zijn doof en je moet dus met handgebaren en aanwijzen duidelijk maken wat je wilt. Na het eten namen we een cyclo terug naar het hotel. We moesten even onderhandelen (7000 dong i.p.v. 10000 dong) en toen we eindelijk een deal hadden, kwamen we erachter dat z’n zoontje ook mee moest rijden. Geen probleem. Plaats zat.

Zondag 31 mei 1998

We ontbeten bij één van de traveller’s cafés nabij de Trang Tien Brug. Ik nam een pannenkoek en een fruitsalade. Dit keer leek de pannenkoek ook echt op een pannenkoek. Vaak is het één of andere gefrituurde deeghap. Wel lekker overigens. Daarna huurden we twee fietsen bij het traveller’s café op nummer 1D. Goede fietsen, alhoewel ze er niet zo uit zien.

We fietsten over de ruim 400 meter lange Trang Tien brug naar de citadel en we parkeerden de fiets bij de bewaakte fietsenstalling (1000 dong per fiets) bij de ingang van de verboden stad. We kochten een entreebewijs voor een stevige $ 5 per persoon. Overigens denk je daar niet meer aan als je de ticket eenmaal hebt gekocht. Bij de diverse paviljoens moet je je kaartje laten zien om toegang te krijgen. De paviljoens zijn mooi en het schijnt dat de verboden stad is gebouwd naar voorbeeld van de verboden stad in Peking. Een deel is al gerestaureerd en een ander deel wordt gerestaureerd. Helaas is een groot deel door brand verwoest en dat deel is nu een grote grasvlakte. Je krijgt wel een mooie indruk van hoe het er eens moet hebben uitgezien.

Na het bezoek aan de verboden stad, fietsten we nog wat door de citadel, maar dat is niet zo bijzonder. Uiteindelijk reden we weer over de brug naar het hotel. Aan de andere kant van de brug scheidde onze wegen. Marjolijn voelde zich niet zo heel erg lekker en besloot terug te gaan naar het hotel, terwijl ik naar het station ging om te informeren naar treintickets naar Hanoi. Alles (2 dagen vooruit) was al volgeboekt, op vier soft seats en twee harde bedden na. Ik fietste door de regen terug naar het hotel, maar op weg naar het station had ik een paraplu gekocht, dus ik werd niet zo nat. Op de kamer vertelde ik Marjolijn de situatie. Zij zou later nog even informeren bij het boekingskantoortje van Sinh Café in het hotel, maar toen was alles al uitverkocht.

Ik fietste nog wat door Hué. Ik had alleen de Lonely Planet bij me en de kaart daarin is niet zo heel erg gedetailleerd. Ik ‘verdwaalde’ dan ook aanvankelijk, maar ik koos m’n route zo, dat ik terug reed naar de spoorweg. Vanaf de spoorweg zal ik dan wel weer m’n route kunnen vervolgen (de spoorweg loopt redelijk centraal). Ik kon ook niet echt gecharmeerd raken van Hué, alhoewel men zegt dat dit de mooiste stad van Vietnam is.

Terug op de hotelkamer vernam ik van Marjolijn dat de trein volgeboekt was en dat ons geen andere keus resteerde dan 16 uur in een bus te gaan zitten ($16) of met Vietnam Airlines te vliegen. We besloten dat ik maar moest gaan informeren naar vliegtickets, omdat Marjolijn zich niet goed voelde en geen zin had in een 16 uur durende, afmattende rit.

Ik ging naar het boekingskantoor in het hotel en informeerde naar een ticket. Het enige waar ik achter kwam was dat er ’s ochtends (8.40 uur) en ’s middags een vlucht was (16.40 uur) en dat een ticket $83 per persoon zou kosten. Ik werd doorverwezen naar het boekingskantoor van Vietnam Airlines, omdat ik met m’n credit card wilde betalen en dat bij het boekingskantoortje niet kon. Alleen het kantoor van Vietnam Airlines zou nu gesloten zijn.

Zo eigenwijs als ik ben, liep ik toch naar het kantoor van Vietnam Airlines dat in het Thuan Hoa hotel zit en slechts op 100 meter van ons hotel lag en trof het kantoor nog geopend aan. Ik informeerde naar tickets en kon zonder problemen een optie nemen op twee tickets voor de ochtendvlucht. De prijs bedroeg $78 per persoon. Toch $5 minder. Het nemen van een optie was geen probleem en ik hoefde geen paspoort te laten zien, zoals in de Lonely Planet stond beschreven.

‘s Avonds aten we in een restaurant met alleen maar Vietnamese mensen.

Maandag 1 juni 1998

Vanochtend kochten we eerst de vliegtickets. Dat deden we maar meteen om 7 uur ‘s ochtends. We moesten ze in ieder geval voor 10 uur ‘s-ochtends ophalen, want tot die tijd liep onze optie. We konden ook al een plaats reserveren. De tickets werden direct geprint en ik kon zonder extra kosten met m’n credit card betalen.

Het toestel waarin we zullen vliegen is een Fokker 70 uit 1997. Eén van de allerlaatste toestellen die dus zijn gebouwd.

Na het kopen van de tickets ontbeten we en om 8.00 uur vertrokken we te voet vanaf de receptie van het hotel naar de drakenboot (klinkt idyllischer dan het is), die in de rivier bij de brug lag. De drakenboot zou ons over de perfume river naar enkele keizerlijke graven en pagodes brengen. Maar onderweg naar het eerste graf, werd al gestopt. De vrouw van de eigenaar van de boot moest eerst nog inkopen doen op de markt voor de lunch. Niet dat ze dat nu even voor vertrek doet… nee tijdens de excursie. Typisch Vietnam!

Het eerste mausoleum dat we aandeden was van keizer Tu Duc. Vanaf de aanlegsteiger was het nog ongeveer 2 kilometer (20 minuten) lopen naar het mausoleum. We kochten een kaartje van weer eens $5 per stuk (reden voor de anderen om buiten te blijven) en bekeken het mausoleum. Het terrein is ommuurd en doet denken aan de verboden stad in Hué. Ook de gebouwen zijn van dezelfde aard als de verboden stad. Het keizerlijke graf zelf is niet interessant. Conclusie: mooi mausoleum, maar als je de verboden stad al hebt gezien, dan mis je niets. We hadden één uur voor het bezoek aan de Tu Duc tombe. Dit was tamelijk weinig, doordat je alleen al veertig minuten onderweg was naar de tombe en weer terug. Na het bezoek aan de tombe van Tu Duc voeren we naar een pagode.  De entreeprijs was $2 , maar niemand was geïnteresseerd. De derde stop was bij weer een andere tombe. Ook daarvan was de entreeprijs $5 en niemand was geïnteresseerd vanwege de absurde entreeprijzen. We voeren daarom direct terug. Onderweg werd de eenvoudige lunch geserveerd. De lunch bestond uit mie, rijst, een eierpannenkoek en loempia’s. Alles was koud, wat afbreuk deed aan de smaak.

De laatste stop was bij de Tu Thiem pagode. De zeven verdiepingen tellende stupa van de pagode is het symbool van Hué en is vooral bekend vanwege een monnik die hier woonde en zichzelf in 1963 levend verbrande in Saigon, als protest tegen de onderdrukking van de monniken door de regering. De entree was gratis, maar de pagode was niet echt speciaal. Al met al kon deze dagtocht als niet aanbevelenswaardig worden bestempeld. Alleen de boottocht door het mooie landschap is de moeite waard. De absurde entreeprijzen maken de dagtocht onaantrekkelijk.

Om 15.00 uur waren we terug in Hué en onze volgende bestemming was de markt. Daar kocht Marjolijn 4 (!) hoeden. De eerste twee hoeden zouden 84.000 dong moeten kosten. Ik bood 50.000 dong, maar dat vond Marjolijn zelfs te veel en dus zakten we naar 40.000 dong. Afdingen ging zeer moeizaam. De verkoopster wilde maar niet zakken met de prijs, maar toen eenmaal de eigenaresse van het kraampje eraan kwam en zich ermee ging bemoeien, was de deal al snel gesloten en kochten we de hoeden voor 40.000 dong. De andere twee hoeden waren 27.000 dong bij elkaar. Daarna kochten we ook nog een coniale hoed. Het vrouwtje bij het kraampje sprak geen woord Engels, maar uiteindelijk sloten we een deal voor 10.000 dong. Toen ik met 20.000 dong betaalde, had ze geen wisselgeld. Ze zei dat de hoed 20.000 dong kostte. En dus werd de deal geannuleerd. Bij een ander kraampje kochten we toen de hoed voor 10.000 dong. We wilden speciaal in Hué een coniale hoed kopen, omdat in de hoed een verhaaltje staat afgebeeld.

Na onze marktervaring dronken we een biertje in de uiterwaarden en aten we weer bij het Lac Thien (doven) restaurant. Onze serveerster was de oma uit de familie. Ze kwam ons eten serveren met een dik shaggie in d’r mond. Na het eten lieten we ons weer thuisbrengen met een cyclo en op de kamer pakten we onze rugzakken in en daarna gingen we lekker slapen.

Dinsdag 2 juni 1998

We stonden alweer vroeg op, namelijk om 6.00 uur. We ontbeten en meldden ons na het ontbijt bij de receptie van het hotel, want daar stond het minibusje klaar om ons (om 6.55 uur) naar het vliegveld te brengen. Het minibusje hadden we gisteren laten regelen op het kantoor van Vietnam Airlines.

Om 7.40 uur waren we op het vliegveld, waar we incheckten, de luchthaven belasting (10.000 dong p.p.) betaalden en door de metaaldetector liepen naar de vertrekhal. Het vliegveld is heel klein en de afhandeling verliep vlot. Wat wil je ook, als je maar maximaal 70 personen hoeft af te handelen.

Om 8.00 uur landde de Fokker 70 die ons naar Hanoi zou brengen en 40 minuten later vertrok hij weer. De vlucht verliep uiterst soepel. We kregen een of andere (zeer) vage snack, die we maar niet aanraakten. Om 9.40 uur landde het vliegtuig op het vliegveld van Hanoi. Net voordat we landde zag ik Migs gevechtsvliegtuigen klaarstaan om na ons op te stijgen en direct werd je geconfronteerd met het militarisme.

Een bus bracht ons naar de aankomsthal, die toch zeker op zo’n 50 meter van het vliegtuig was. De aankomsthal was werkelijk een belevenis. Hij was niet groter dan 20 bij 15 meter, waar dan een bagageband en enkele balies waren. Nog voordat we de aankomsthal binnen konden lopen, werden we aangevallen door taxichauffeurs die ons wel naar Hanoi wilden brengen voor absurde bedragen. Naarmate je verder de aankomsthal inliep, daalde de prijs dramatisch (voor iedere stap die je nam, één dollar minder zo ongeveer). De Lonely Planet vermeldde dat je voor $ 4 per persoon een minibusticket kon kopen en dat deden we dan ook. De balie waar we de tickets kochten konden we niet missen in de enorme aankomsthal.

Direct nadat we de rugzakken in de minibus hadden gelegd, vertrok ‘ie. De rit ging uiterst soepel en het minibusje was in no-time in Hanoi. We werden afgezet bij het kantoor van Vietnam Airlines aan de Hang Khai ten zuiden van het Hoan Kiem meer en ook daar werden we direct weer aangevallen. Dit keer door cyclo drivers, die ons naar een hotel wilden brengen. Maar we besloten te lopen.

We liepen naar het Red River Restaurant. Achter ons liep een spoor van zweet. Het Red River hotel dat in de Lonely Planet staat, is niet meer van het Red River Restaurant, maar daar wisten ze wel een ander goed hotel, namelijk het Anh Dao hotel. Er werd bij de balie van het Red River boekingskantoor, dat in het Red River Restaurant zit, naar het hotel opgebeld. Er was nog een kamer vrij voor $ 15 en ik besloot er maar te gaan kijken. Marjolijn zou achterblijven in het restaurant. De receptionist van het hotel kwam naar het Red River Restaurant en hij regelde een cyclo voor mij. Samen reden we naar het hotel. Er was alleen nog maar een kamer op de bovenste etage. De kamer zag er zeer redelijk uit, maar ik had het idee dat Marjolijn niet blij was als ik zou zeggen dat de kamer op de vijfde etage is en er geen lift aanwezig is. Terug bij de receptie zei ik dat ik niet geïnteresseerd was, omdat de kamer te hoog lag. Toen ging de prijs vrijwel direct terug naar $ 10 per nacht. Ik besloot op te bellen naar het Red River Restaurant vanaf de receptie en overlegde met Marjolijn. Die zei (tot m’n verbazing) dat het oké was. Daarna liep ik terug naar het Red River Restaurant om Marjolijn en de bagage op te halen en de cola af te rekenen (in eerste instantie mocht ik van de receptionist niet eens weg; hij zou Marjolijn wel ophalen). Om 12.00 uur waren we op de hotelkamer. Twee uur daarvoor stapten we nog in de minibus op het vliegveld van Hanoi en vijf uur daarvoor vertrokken we vanuit Hué. Het gaat dus allemaal heel vlot.

We namen een douche, alhoewel we niet echt natter konden worden en ’s middags liepen we wat door de oude wijk naar het Hoan Kiem meer. Het meer ligt heel mooi in de stad en het is heel leuk om de mensen langs het meertje te zien zitten op de bankjes onder de bomen. Er lopen vele ansichtkaartverkopers rond en die zijn nogal vervelend. Niet zo zeer de personen zijn vervelend, maar het aantal , zodat je continu nee moet blijven zeggen, is vervelend. Naast ansichtkaarten worden ook kleine boekjes verkocht; originele boekjes of gekopieerde boekjes. Vooral Graham Green’s ‘A quiet American’ wordt in gekopieerde vorm door alle verkopertjes aangeboden.  

Door het park langs het meertje liepen we verder naar het kantoor van Malaysia Airlines, waar we onze tickets naar Kuala Lumpur en naar Pinang herbevestigden. Daarna liepen we terug naar een terrasje bij het Hoa Kiem meer, waar we lekker relaxten en een cola dronken. Ook kon ik er even rustig m’n krantje lezen. Bij een kioskje had ik namelijk een ‘Viet Nam News’ (2000 dong) gekocht. Ik was nogal gecharmeerd van de naam van de Engelstalige krant en ik wilde ‘m gewoon kopen.

‘s Avonds aten we bij het Red River Restaurant en na het eten liepen we terug naar het hotel en we waren nog maar net op tijd op de hotelkamer, toen om 19.30 uur het natuurgeweld losbarstte. Onderweg naar het hotel zagen we het al weerlichten, maar dat waren we inmiddels al gewend. Het weerlichtte immers bijna elke avond wel. Maar dan in de verte. Maar eenmaal terug in het hotel begon het flink te regenen en werd het onweer erger. Toen ik op een gegeven moment het raam open deed, zag ik alleen maar strepen van regen. De straat onder aan het hotel was veranderd in een rivier.

 Om 21.10 uur deden we het licht uit om te gaan slapen en het onweerde nog steeds. Het weerlichtte continue (hangt er een kapotte tl-buis in de hemel?) en de moesson is overgegaan in een stevige regenbui. In de kamer hebben we alle spullen maar op de bank gezet, want de ramen zijn niet waterdicht en er stroomt ook een riviertje door de kamer.

Woensdag 3 juni 1998

De ‘moesson’ van gisteravond heeft Hanoi goed gedaan; de temperatuur is flink gedaald en het is een stuk aangenamer. De weersvoorspelling voor vandaag was een graad of 34.

We ontbeten in het Red River Restaurant. We dienden ons reisschema om te gooien, omdat we één dag eerder in Hanoi waren aangekomen dan gepland. We boekten een treinticket bij het Queen’s Café naar Lao Cai. Voor 175.000 dong + 25.000 dong bemiddelingskosten per persoon boekten we een hard bed bovenin. We hadden gevraagd om een bed in het midden, maar dat was niet gelukt. We moesten 100.000 dong aanbetalen, maar ik kreeg een betalingsbewijs en dan zit het wel goed.

Daarna liepen we naar het hoofdgebouw van de Vietcombank. Het gebouw ziet er mooi uit van buiten (in art deco stijl) en van binnen is het één grote hal met allemaal loketten (wel een stuk of zeventig) allemaal in grote vierkante blokken. We wisselden $200 aan traveller’s cheques voor Amerikaanse dollars en $80 aan Traveller’s cheques voor dong. Vreemd genoeg moet je commissie betalen voor het wisselen van traveller’s cheques, maar niet als je contante dollars wisselt. De commissie bedraagt $2 voor het wisselen van dollar traveller’s cheques naar contante dollars en $1 voor het wisselen van dollar traveller’s cheques naar dong.

Na het geld wisselen liepen we door de Franse wijk naar de Hom markt, welke bijzonder oninteressant is. Via de Hom markt liepen we naar het vrouwenmuseum. Dit is een heel aardig museum dat vooral ingaat op de vrouwelijke inmenging in de Amerikaanse oorlog. Op de bovenste etage was een zaal geweid aan de traditionele klederdracht van de vrouwen in de minderheidsgroeperingen (de bergvolken).

Na het museum kochten we bij het kantoor van Vietnam Airlines een minibusticket naar het vliegveld voor 13 juni. Een minibus is aanzienlijk goedkoper dan een taxi en net zo comfortabel. Nadat we de tickets op zak hadden liepen we naar het water puppet theater en kochten we twee tickets voor de voorstelling van 20.00 uur. We namen de goedkope tickets, want bij de dure tickets kreeg je alleen een cassette erbij en wat moeten we nu met twee dezelfde cassettes.

Het theater ligt in een buurt waar vele schoenwinkels zijn en bij één van de schoenwinkels kocht in een paar sandalen. Het was wel eerst even goed rondkijken, want voor dezelfde sandalen werden nogal uiteenlopende prijzen gevraagd. Zo vroeg één winkel $25 voor de sandalen en letterlijk de buurvrouw vroeg $10. Uiteindelijk kocht ik ze voor 115.000 dong (= $9).

Inmiddels was het al weer 16.00 uur en we liepen naar het Queens Café om de treintickets op te halen. Daarna liepen we naar het Red River Restaurant om een dagtrip naar de perfume pagode en een tweedaagse tocht naar Mau Chau te boeken. Totale kosten: $ 92.

‘s Avonds aten we bij Baan Thai, een Thais restaurant. Het eten was niet bijzonder. Dit kwam voornamelijk door de koude rijst die werd geserveerd. De drankjes waren ronduit duur (een blikje bier kostte 15.000 dong). Na het eten liepen we terug naar het hotel om de spullen te pakken en te douchen.

Om 19.15 uur reden we met een cyclo naar het waterpoppentheater, waar om 20.00 uur de voorstelling begon. Hoewel er van het verhaal niets te volgen valt, is het een hele leuke ervaring. Onze goedkope, tweede rang ticket gaf ons een perfect zicht op het schouwspel.

Na de voorstelling liepen we terug naar het hotel om lekker te gaan slapen (22.00 uur).

Donderdag 4 juni 1998.

Alweer vroeg opgestaan. Om 5.45 uur ging de wekker af en we liepen met één rugzak naar het Red River Restaurant waar we om 6.30 uur ontbeten. De tweede rugzak en enkele souvenirs lieten we achter in het hotel, dat ze achter slot en grendel opborg.

Om 7.00 uur vertrok de bus voor een twee uur durende rit naar de Perfume pagode. De rit in de oude bus verliep goed. In Hanoi baande we ons een weg in de spits en dat was al net zo geweldig als in Ho Chi Minh City. Enorm veel brommers en fietsen waren op de weg en je kijkt je ogen uit.

Om 9.00 uur waren we in het plaatsje waar we op de boot stapten. De frisdrankverkopers gedroegen zich voorbeeldig, in tegenstelling tot wat de Lonely Planet meldde. De boottrip in een zeer gammel bootje, dat uit dun staal was gemaakt was erg mooi. Het bootje stak nog net boven het water uit. Het zag er niet echt solide uit. De rit voerde over een zeer ondiep riviertje door een schitterende omgeving. De groene, begroeide kalkstenen bergen waren prachtig. De paraplu die ik in Hué had gekocht, kwam zeer goed van pas, want de boot was niet overdekt en de zon scheen al weer fel. Aan het einde van de boottocht waren enkele kraampjes waar drankjes werden aangeboden. Op ons bootje zat ook een frisdrankverkopertje, een zeer jong jochie die in een kleine koelbox enkele blikjes meevoerde. Hij vroeg alleen erg veel voor een blikje, namelijk 15.000 dong en dat terwijl 7000 of 8000 dong een redelijke prijs is. Bij de kraampjes aan het einde van de boottocht kocht ik (na te hebben afgedongen) twee flesjes cola voor 4.000 dong per stuk.

Nadat we wat hadden gedronken, begon de klimtocht. De tocht naar de pagode duurde 10 minuten. De pagode was mooi, maar inmiddels gutste het zweet me al van het voorhoofd. Na het bezoek aan de pagode, waarover de gids het één en ander wist te vertellen, begon de klimtocht naar een grot waar ook een pagode in gevestigd was. Er werd onderweg veelvuldig gestopt. Dat was ook wel nodig. Onderweg zagen we nog een slang kruipen en terwijl de toeristen in de richting van de slang liepen, riep de gids ons terug. Hijzelf was juist een paar passen naar achter gelopen en hij deelde mee dat de slang (bruin groen van kleur, met een rode nek) één van de giftigste van Vietnam was. Volgens de gids was een beet binnen 10 minuten dodelijk. Tijdens de klimtocht naar boven werd bewezen dat rivieren op mensen kunnen ontstaan. Eenmaal boven bij de grot was geen vezel van de kleding meer droog. Een toerist zou eenmaal beneden z’n t-shirt uittrekken en uitwringen, waarna de stralen uit z’n t-shirt kwamen.

De pagode in de grot was mooi. Er waren enorme stalagtieten en stalagmieten. Er druppelde water van boven. Op de grond stonden emmers om het water op te vangen. Daar was ik wel blij mee, want ik kon met het water m’n gezicht wassen. En dat was wel even verfrissend.

De pagode is mooi, maar het is de vraag of het de klim wel waard is. Marjolijn was als eerste boven, terwijl ik (normaal weinig problemen met klimtochten) echt bekaf was. Op 3/4 van de klim had ik het wel gehad en wilde eigenlijk niet verder, maar toch liep ik door. Terug naar beneden ging het beter. Soepeler en het lopen ging met minder zweet gepaard.

Eenmaal terug bij de rivier dronken we beide twee flesjes cola (nog niet de helft van het vocht dat we kwijtgeraakt waren waarschijnlijk). De boottocht terug ging weer soepel en we zaten weer lekker in de schaduw van de paraplu. Aan het einde van de boottocht werd er door diverse Vietnamezen op gehamerd vooral een fooi te geven. Een Nederlands stel gaf hun roeister 3.000 dong, per persoon, maar ze eiste $ 1. Daarop ging de fooi aan haar voorbij. Best wel arrogant om een fooi te eisen, terwijl de boottocht op zich al 80.000 dong per persoon kost (door de overheid vastgesteld tarief).

De bus bracht ons terug naar Hanoi, waar we om 18.00 uur arriveerden bij het Red River Restaurant. We dronken een biertje en daarna aten we bij het Red River Restaurant. Lekkere biefstuk met frietjes.

Inmiddels is het 20.00 uur en we hebben zojuist een E-mail verstuurd vanuit het Red River Restaurant. Het regent en we moeten nog naar het station, want onze trein naar Sapa vertrekt om 21.45 uur. We hielden een fietstaxi aan en vroegen hem ons naar het station te brengen.  De arme cyclo driver reed door regen en onweer naar het station en daarom gaven we hem 2000 dong fooi (10%). Bij het loket lieten ik ons ticket zien en de lokettiste wees ons de poort waar we heen moesten. Maar tot 21.00 uur moesten we wachten in de wachtruimte. Daar was iets vreemd aan de hand; de mensen lagen op de banken en zaten op de grond en wij namen daarom ook maar plaats op de grond. Ik had nogal sjans met een Vietnamees meisje, dat continue naar me lachte.

Vrijdag 5 juni 1998

Een Amerikaans (ouder) echtpaar kwam de wachtruimte binnen en ik verifieerde even of zij ook naar Sapa gingen om zeker te weten dat we goed zaten. Om 21.00 uur verplaatste de mensenmassa zich vanuit de wachtkamer naar de poort die toegang gaf tot de perrons. We volgden de stoet naar de trein en we namen plaats in onze coupé. Het was wel even uitzoeken hoe we naar boven moesten klimmen, maar we kwamen er al snel achter dat er ‘steps’ waren waarop we moesten gaan staan. Eenmaal boven was er niet veel plaats. Het enige wat je kon doen was gaan liggen. Gelukkig was de ligplaats net groot genoeg voor mij. De rugzak zette ik aan het voeteneind. Na het bed te hebben uitgeprobeerd, liep ik naar het Amerikaanse echtpaar, waar ik mee praatte. Met name over de situatie in Amerika ten tijde van de oorlog. Erg interessant.

Toen de trein eenmaal ging rijden, klom ik weer naar m’n slaapplaats, deed m’n oordopjes in en m’n ooglapje voor de ogen en probeerde ik te slapen. dat lukte maar half-half, want we bevonden ons in een kippenhok. In ons compartiment bevonden zich zes slaapplaatsen en we sliepen met z’n zevenen in het compartiment. Zes vrouwen en ik. En die Vietnamese vrouwen die kakelden maar en kakelden maar.

 Om 6.30 uur werd ik weer wakker, maar ik had toch niet zo heel erg lekker geslapen. We waren inmiddels al in een heuvelachtige omgeving en het regende. Het duurde nog 1 1/2 uur totdat we in Lao Cai aankwamen.

Eenmaal in Lao Cai kochten we een ticket voor de minibus naar Sapa (25.000 dong p.p.) op het perron, net voor de poort naar buiten. Bij de poort moesten we onze ticket weer afgeven. Het minibusje stond al klaar en de rit naar Sapa duurde gevoelsmatig erg lang. Dat kwam mede doordat de hele rit bergopwaarts is en de chauffeur maar op enkele plekken kon doorschakelen naar de tweede versnelling.

Eenmaal in Sapa aangekomen werden we afgezet voor het hoofdpostkantoor, waar al vele jongens en meisjes klaarstonden om ons naar hun hotel te brengen. We liepen van ze vandaan, maar zelfs na tien keer ‘nee’ zeggen, bleven ze vol houden. We liepen van hotel naar hotel. Het eerste hotel was vol en de kamer van het tweede hotel beviel ons niet echt. Uiteindelijk belandde we bij het Queens hotel (van één van de ons begeleidende meisjes). Na afdingen kregen we een ruime kamer met een badkamer met warm water voor $ 9. De kamer keek uit op de vallei en het uitzicht was fantastisch.

We ontbeten bij het restaurant van Auberge, dat naast het hotel lag. Daar werd ons een dagtocht aangeboden. Het was een wandeltocht van 6, 8, 12 of 20 kilometer, inclusief een gids en de terugreis zal per jeep zijn.

Achter ons zat een jong stel uit Denemarken, die ook in ons minibusje zaten en aan hun werd dezelfde tocht voorgesteld. Ik draaide me om en stelde ze voor om met z’n vieren te gaan en zo de kosten te delen. Nu waren we $ 5 per persoon kwijt voor een wandeltocht van 8 kilometer inclusief gids en jeeptocht terug.

‘s Middags liepen we met z’n vieren (ook het Deense stel) naar het dorpje Cat Cat. Er was door de obers in het Auberge gezegd de tocht 1 1/2 uur zou duren, heen en terug, maar wij deden er vier uur over. We weken dan ook wel wat van de route af. Eenmaal buiten Sapa op weg naar Cat Cat, moesten we 5.000 dong per persoon tol (toegang) betalen. Het landschap is adembenemend mooi. De dorpjes liggen in een brede vallei en de ‘hoofdweg’ tussen de dorpjes ligt hoog tegen de berg.  Vanaf de hoofdweg heb je een schitterend uitzicht over de vallei met z’n ontelbare rijstterrassen. We liepen ook nog langs een paar wietvelden.

Eenmaal terug in Sapa (om 17.00 uur) liepen we naar het hoofdpostkantoor om onze treintickets terug naar Hanoi te kopen, maar om 16.00 uur werden de tickets nog niet verkocht en we moesten maar om 19.00 uur terugkomen.

We aten bij Auberge. Het eten was niet echt denderend. Na het eten gingen we douchen en waste ik m’n overhemd uit. Het water wat uit m’n overhemd kwam was letterlijk zwart! Beetje goor, dus.

Na het douchen liep ik weer naar het hoofdpostkantoor. Nu was er wel iemand die treintickets verkocht en ik kocht twee tickets voor zachte zitplaatsen voor de zondagochtendtrein, alsmede twee minibustickets van Sapa naar Lao Cai. Prijs per persoon: $ 12,5.

Zaterdag 6 juni 1998

Om 8.00 uur ontbeten we bij Auberge. Onze trip zou om 8.30 uur beginnen, maar dat werd 9.15 uur omdat het regende. Met twee gidsen begonnen we onze trip. We volgden in eerste instantie de hoofdweg. Het landschap was weer betoverend en we namen de ene foto na de andere. De weg was redelijk en werd zelfs verbeterd. Overal lagen kleine bergjes kiezels, waarmee de weg verhard wordt. Op een gegeven moment verlieten we de hoofdweg en daalden we af de vallei in naar de rivier. De weg werd een stuk minder goed en bestond nu alleen nog maar uit glibberige, bruine klei. Onderweg kwamen we onze gids van de perfume pagode tegen. Hij was er alleen op uit getrokken. Bijzonder dat je hem juist hier tegen komt.

We liepen over een hangbrug over de rivier en na de rivier werd het pad al snel ‘onbegaanbaar’. Soms liepen we over de randen van de rijstterrassen en een andere keer liepen we over keien tegen een riviertje op. Het was zo af en toe dus wel even klauteren. Het was inmiddels ook een beetje gaan regenen en dus deden we onze regenjassen aan. Het is voor het eerst dat we onze regenjassen tijdens een vakantie aan hebben moeten doen.

De boeren waren op de sawa’s aan het werk met het ploegen van de sawa’s of met het uitzetten van de jonge rijstplantjes. Een pittoresk beeld. We staken een riviertje over. Niet over een brug, maar door het water. De Denen deden hun schoenen uit, maar wij konden met onze schoenen over de stenen in het water lopen.

Het doel bleek een bezoek aan twee huizen van een minderheid. Het eerste huis was van een Hmong familie. De bewoners waren net bezig met de lunch. Iedereen was aanwezig. Het was een grote familie, die er geen probleem mee had dat wij hen tijdens de lunch kwamen storen.

Het volgende huis was van een Dzao familie. Alleen oma en haar kleinkind was thuis. De rest van de familie was bezig op het veld. Oma wees naar de stoeltjes en terwijl wij plaats namen op te kleine bankjes, haalde oma de kopjes en een thermosfles met warm water. De kopjes waren niet groter dan een vingerhoedje. Omdat de bevolking echt arm is, gaat het dus om het gebaar en dat is gastvrij.

Na het bezoek aan het tweede huis liepen we weer over een andere hangbrug naar de andere zijde van de rivier, waar onze Russische jeep klaar stond, die ons terugbracht naar Sapa. De mist was verder het dal in getrokken en het zicht over de vallei was niet meer zo mooi..

Om 15.00 uur waren we terug in het hotel. We douchten en wasten de broekspijpen uit. Die waren flink bruin van de klei. Ook de schoenen maakten we voorzichtig schoon. Ze mochten niet té nat worden, want drogen doen ze hier nauwelijks.

De 8 kilometer die we vandaag hebben gelopen (gevoelsmatig was het meer) was bijzonder mooi en een absolute must voor de liefhebber van schitterende omgevingen. Het is jammer dat je tamelijk weinig minderheden tegenkomt. In Sapa lopen er meer rond dan in de dorpjes zelf. Dat komt omdat de meeste mensen op het land werken. De meisjes van de minderheden zien er prachtig uit. De Hmong in de blauwe kleding met de grote oorbellen. Het schatten van de leeftijd is onmogelijk. Meisjes die er uit zien als 15 jaar, kunnen makkelijk 25 jaar oud zijn.          De meeste kinderen schijnen analfabeet te zijn, maar spreken vloeiend Engels en ze zijn heel vriendelijk en open. Het is geen probleem om ze te fotograferen. De eerste keer dat ik een meisje wilde fotograferen gaf ik d’r eerst een pen om vervolgens te vragen of ze het erg vond als ik een foto nam. ‘Absoluut geen probleem’, antwoorde ze.

De oudere vrouwen, met de manden op hun rug, probeerden kleding te kopen onder het zeggen van de tekst ‘You buy!’. Ze hangen continue om je heen en op een gegeven moment wordt het wel een beetje vervelend.

Soms hoor je een geluid dat op een harmonica lijkt, maar dan speelt iemand op een fluit die sterk lijkt op een panfluit.

Het weer zat vandaag een beetje tegen. Vannacht heeft het flink geregend en ook vanochtend regende het. Er hing een hoge mist, maar ’s ochtends was het zicht vanaf de hoofdweg goed. In de loop van de ochtend ging het dus ook weer regenen en moesten we onze regenjassen aan, met name ter bescherming van de rugzakken en de fototoestellen. Het was op sommige plekken nogal grijs.

Het is nu 19.45 uur en we zitten samen met Kartsen en Bitten op het terras van Auberge. De mist is weer gedaald tot in het dorp en het zicht is slecht. ‘a Avonds liepen we met z’n vieren nog over de ‘love market’ in Sapa. Dat valt zeer tegen en is niet het aanbevelen waard.

Zondag 7 juni 1998

Op een zwaar onchristelijk tijdstip ging de wekker af, namelijk om 5.00 uur. We pakten onze rugzak in en liepen naar een winkeltje/bakkertje op de hoek van het voetbalveld, waar we gisteravond een bestelling voor vier broodjes hadden geplaatst. En hij had ze. Daarna liepen we door de mist en met een bijzonder suffe kop naar het hoofdpostkantoor vanwaar de minibus om 6.00 uur naar Lao Cai zou vertrekken.

Ik nam plaats op de achterbank zo dat ik m’n benen in het gangpad kwijt kon. Bij de andere bankjes was te weinig beenruimte om fatsoenlijk te kunnen zitten. Omdat er niet zoveel mensen mee gingen, kon ik zelfs op de achterbank gaan liggen. Maar na enige tijd werd ik vergast door de uitlaatgassen. De uitlaat is schijnbaar lek en ik schoof een raampje open (frisse lucht!).

In no-time waren we in Lao Cai. Misschien dat ik onderweg toch nog een beetje ben ingedud. Op het station van Lao Cai moesten we nog twee uur wachten voordat de trein (op tijd!) vertrok. We doodde de tijd door te  ontbijten en we maakten een praatje met een Amerikaanse jongen die in Hanoi de Vietnamese taal studeerde. We spraken over Amerika als vakantie land en als land om in te wonen en waarom we naar Vietnam waren gekomen.

In de trein hadden we twee soft seats, maar de zitplaatsen waren wel iets anders dan we in eerste instantie hadden verwacht. Soft seats houdt niets meer in dat er een flinterdun laagje plastic dat over harde seats is gespannen. De rugleuning stond in een hoek van 45 graden en precies in de knik, juist daar waar je met je kont zit, was geen plastic, maar een harde balk. Na enkele uren kreeg je dus last van je stuitje.

In de trein kreeg ik het nog voor elkaar een uurtje of drie te slapen. De rest van de tijd doodden wek met lezen en naar buiten kijken. Al snel steeg de temperatuur, maar het bleef relatief koel, doordat het zwaar bewolkt was en de zon dus weinig kans kreeg om de trein om te toveren in een oven. Op één overweg die we passeerden, gooiden kinderen stenen naar de trein, maar wij hadden gelukkig het luik van gaas voor de ramen gesloten. Naar ons raam werd overigens niet gegooid. Tijdens de rit werd de coupé drie keer geveegd, maar het hielp weinig. Iedereen gooide (spuugde) op de grond. Tijdens de stops op de station kwamen verkopers de trein binnen die eten en drinken verkochten. Wij zaten bij een toegangsdeur tot een coupé, maar die werd telkens met een hangslotje gesloten als we een station naderde (?) Vandaar dat we ook niet zo veel last hadden van de verkopertjes.

Om 20.20 uur waren we terug in Hanoi en vanaf het station namen we een cyclo naar het Red River Restaurant. Onderweg werd de cyclo driver aangehouden door een politieagent, doordat de cyclo driver een straat in wilde rijden waar hij niet in mocht. Wij waren een beetje angstig, want dit soort situaties kan volgens de Lonely Planet een boete opleveren voor de toeristen. Maar er was niets aan de hand en na wat heen-en-weer geschreeuw reed de cyclo driver terug richting het station om een andere weg te nemen.

Bij het Red River Restaurant konden we zonder problemen onze reeds geboekte twee daagse tocht naar Mau Chau omzetten in een tour naar Halong Bay. In het Red River Restaurant ontmoetten we een Duits stel, dat niet zo tevreden was over de tocht naar Halong Bay en flink hun beklag deden. Zij hadden namelijk bij het Red River Restaurant een tweedaagse tour naar Halong Bay geboekt, maar waren overgeboekt naar het Queens café vanwege te weinig personen om een trip te organiseren. Dat leidde tot ontevredenheid bij de Duitsers, mede omdat de trip bij Queens café goedkoper is en het Red River Restaurant het verschil niet wilde teruggeven.

We aten (zeer redelijk) in het Red River Restaurant en daarna liepen we naar het Anh Dao hotel, waar we een kamer hadden gereserveerd en waar we hadden gezegd dat we laat zouden arriveren. Maar het Anh Dao hotel had geen kamers meer vrij en ik was flink geïrriteerd. Om 22.00 uur werden we dan ook nog naar een ander hotel gebracht; het Camillia Hotel. Dit hotel is van dezelfde keten. De kamer was oké en we bleven daar.

Om 23.00 uur lagen we op bed.

Maandag 8 juni 1998

We werden om 8.30 uur wakker en daarna wasten we onze kleding uit in de badkuip (!). Dat was ook hard nodig, want alles was vuil. Twee dagen Sapa betekent een hoop vuile was. Alles zat onder de modder.

Daarna gingen we naar de Vietcombank om ons tweede probleem op te lossen, namelijk geldgebrek. We namen voor $ 80 contante Amerikaanse dollars en voor $ 60 aan dong op. Daarna dronken we een cola op het terras tegenover de bank. Daar zat ook het Amerikaanse stel dat we tegenkwamen op het station in Lao Cai.

We lunchten bij het Lonely Planet Café. Ik had een lekkere bananenpannenkoek en een verrukkelijke mixed fruit juice. Hiervan bestelde ik maar en tweede. Echt lekker! De rest van de middag liepen we door de oude wijk en deden inkopen. We kochten twee T-shirts en een geborduurd plaatje van rijstplantende vrouwtjes ($ 9), een stropdas en drie illegale cd’s en van 15.00 uur tot 18.00 uur rustte we uit op de kamer.

‘s Avonds aten we bij Hué restaurant. Dit restaurant werd ons aangeraden door het Amerikaanse stel, maar we vonden het eten niet echt bijzonder.

Na het eten liepen we terug naar het Red River Restaurant om te checken of er voldoende animo was voor de Halong Bay tocht van morgen. Gelukkig was dat zo. Ik had namelijk afgesproken dat ik m’n geld terug zou krijgen als er niet voldoende mensen waren om zelf een tocht te organiseren.

Dinsdag 9 juni 1998

Om 8.15 uur vertrok de stampvolle bus naar Bai Chay, dat samen met Hong Gai de stad Halong City vormt. De weg er heen was een verschrikking. De hele weg, zo’n 150 kilometer, was onder constructie en er werd telkens van rijbaan gewisseld. De rijbanen werden gescheiden door een middenberm. Al met al schoot het niet erg op. Het is gewoon ongelofelijk hoe inefficiënt er aan de weg wordt gewerkt en dat terwijl de weg wordt gebouwd door een Zuid Koreaans-Vietnamese Joint Venture, gefinancierd met een Japanse lening (volgens de reclameborden langs de weg).

Over ieder stroompje (hoe lullig dan ook) wordt een brug aangelegd. En ook hier zijn er flink wat van die stroompjes. De weg was al deels geasfalteerd, maar het grootste deel van de route ging over de onderlaag. Hier en daar zag je asfalteringsmachines de toplaag aanbrengen. Het lijkt er sterk op dat per dag slechts zo’n 50 meter of zo wordt geasfalteerd. En als de weg dan af is, wordt ‘ie niet voor het verkeer opengesteld, maar gebruiken de boeren ‘m om hun rijsthalmen op te droog te leggen. Als straks de weg af is zal de rit naar Halong Bay waarschijnlijk in drie uur af te leggen zijn. Nu deden we er vijf uur over.

Om 13.30 uur waren we in Bai Chay en we checkten in bij het ‘Red River Tours hotel’. Direct na het inchecken (we hadden niet eens de mogelijkheid om de rugzakken naar de kamer te brengen) gingen we lunchen. De lunch bestond uit rijst, gebakken ei, inktvis, loempia’s en taugé en was niet slecht. Na de lunch bekeken we de kamer. Die zag er oké uit en we hadden beperkt zicht op de baai. Het zicht was beperkt, doordat er een nieuw gebouw werd gebouwd, dat het zicht deels ontnam.

‘s Middags liepen we naar het strand, namen plaats in een luie stoel, bestelden een biertje en knikten uren lang achter elkaar ‘nee’. Er kwamen zoveel verkopers en verkoopsters langs met pelpinda’s, ansichtkaarten etc. dat onze nekspieren weer heerlijk los zitten. We besloten uiteindelijk maar wat pinda’s te kopen om van die categorie verkopers af te zijn. Maar de pinda’s waren ongebrand en dus niet lekker. We gaven ze maar aan twee Vietnamese meiden.

In het water speelden kinderen met rubber binnenbanden en zwemmen pa en ma in hun zestiger jaren badkleding (model Lenin en Stalin). Verder is Bai Chay bijzonder saai. Er is echt helemaal niets te doen. We hadden net zo goed om 12.00 uur kunnen vertrekken en om 17.00 uur aankomen. Dat was net zo goed geweest.

‘s Avonds dineerden we in hetzelfde restaurant waar we ’s middags ook hadden gelunched. We zaten met twee Canadese meiden aan tafel. Zij werkten als verpleegsters op de Emergency Room in een ziekenhuis.

Woensdag 10 juni 1998

We stonden om 6.00 uur op en ontbeten om 6.30 uur. Na het ontbijt vertrokken we met de bus naar de boot.

De boottocht naar Cat Ba duurde ruwweg van 7.30 uur tot 13.00 uur. Het eerste eiland waar we stopten was, direct tegenover Halong City. We bezochten er een grot, welke wel grappig (niet bijzonder) was. Vervolgens voeren we langs vele kalksteenformaties. De rotsformaties waren mooi en er waren vele fotogenieke plekken. De zee was rustig en de lucht grijs. Helaas zagen we niet de traditionele zeilboten. Wel zo nu en dan een gemotoriseerde boot.

Tegen 13.00 uur arriveerden we in de haven van Cat Ba. In de haven, eigenlijk gewoon een grote inham in het eiland, lagen vele vissersbootjes kris-kras door elkaar. Nadat de boot had aangelegd, liepen we langs de boulevard naar het hotel , waar we incheckten en vervolgens lunchten. De gids vertelde na de lunch dat er twee mogelijkheden waren om de middag door te brengen. Op het programma stond een klimtocht naar een uitzichtpunt in het nationale park, maar de gids zei dat de klimtocht nogal een glibberpartij was, omdat het had geregend. De tweede optie was om aan het strand te gaan liggen. Ik wilde wel klimmen. Ik was er min of meer voor naar Cat Ba gekomen. Anders hadden we ook een ééndaagse tocht kunnen boeken. Rolf, een leuke en reislustige jongen uit Zwitserland wilde ook wel maar we hadden beiden zo iets van …. ik ga niet alleen. Dus besloten we samen te gaan (en de gids natuurlijk). Uiteindelijk vormde er zich toch nog een groep van acht personen,  inclusief de gids,  die de klimtocht wilden doen.

Om 14.30 uur werden we met een antieke bus (volgens de gids was de bus meer dan 1000 jaar oud) naar de ingang van het natuurpark gebracht. We kregen eerst uitleg door de gids over de omgeving en daarna begon de tocht. Echter, we kwamen niet ver. Er was onenigheid tussen de parkwachter en onze gids over de entreeprijs en de parkwachter verbood ons het park in te gaan. Bijna kwam het tot een handgemeen tussen de parkwachter en onze gids en ik kwam tussen beiden. Uiteindelijk begonnen we aan onze klauterpartij. Gelukkig hadden we een leuke groep en er werd flink wat afgelachen.

Om 18.00 uur waren we weer terug in het hotel, maar dat ging niet zomaar. De bus begaf het onderweg. De versnellingsbak was kapot en de tweede helft van de terugweg zaten we met z’n tweeën achterop de brommer.

Op de hotelkamer douchten we en wasten we onze broekspijpen uit. Die zaten weer eens onder de modder. Ook maakten we onze schoenen schoon. In de badkamer waren vier tandenborstels aanwezig en met één daarvan reinigden we de schoenen. Later tijdens het diner zou blijken dat de anderen hun schoenen ook hebben gereinigd met de tandenborstel. We zaten tijdens het diner aan tafel met het Zwitserse stel en twee Franse meisjes en we hadden het bijzonder gezellig.

Om half elf naar bed.

Donderdag 11 juni 1998

Vroeg op, want om 7 uur zouden we met de boot vertrekken. Dat werd 8 uur, want we moesten een uur wachten voordat de kapitein van de boot toestemming van de politie had gekregen om te vertrekken. Op Cat Ba schijnt de politie nog een machtige positie te hebben. Dit komt te meer omdat Cat Ba een militaire basis is. De gids had ons ook aangeraden ons ’s avonds netjes te gedragen (niet dronken over straat lopen, bijvoorbeeld).

We voeren dezelfde route terug (en dat terwijl er zoveel vaarwegen zijn). Onderweg werd nog 10 minuten gestopt om te zwemmen, maar daar had ik niet zo veel behoefte aan, net als vele anderen. Even voor Halong City waren er problemen met de schroef van de boot. Gelukkig werd het probleem snel verholpen.

In Bai Chay lunchten we in hetzelfde restaurant als waar we gisteren lunchten en dineerden. We zaten samen met het Zwitserse stel aan één tafel en het contact was heel erg leuk. In eerste instantie vond ik Rolf een beetje een raar mannetje met z’n digitale videocamera, maar hij was echt een hele leuke vent in de omgang en Luzia was ook heel aardig en een leuk gezelschap voor Marjolijn.

Na de lunch kwam weer de 5 uur durende rit terug naar Hanoi. Luzia en Rolf zaten achter ons en we kletsten nog wat. We maakten vooral flauwe opmerkingen over de omgeving. Het enige opwindende van de terugreis was een mannetje op een fiets die helemaal ingepakt was met rieten manden, fuiken enzovoort. Van de achterkant leek het net op een enorme waaier. Ik schreeuwde naar de chauffeur dat hij maar even moest stoppen om foto’s te kunnen schieten. Alhoewel hij vaart minderde en langs de kant ging rijden, was het nogal lastig om 2 foto’s te schieten. Hopelijk zijn ze gelukt.

Om 18.30 uur waren we terug bij het Red River Restaurant en allemaal dronken we ons gratis biertje. Na het biertje liepen we terug naar hotel Camillia, waar we een kamer hadden gereserveerd en waar onze spullen stonden. Rolf en Luzia moesten op zoek naar een hotel en liepen met ons mee. Gelukkig was er voor hen ook nog een kamer vrij. Wij kregen een andere kamer dan we eerst in zaten, maar de kamer was soortgelijk.

Ook in dit hotel werd onze reservering dus niet echt serieus genomen. Later hoorden we dat als je echt zeker van je kamer wilt zijn, je van tevoren moet betalen voor de kamer. We douchten op de kamer en wasten we kleding uit.

Om 20.00 uur hadden we met Rolf en Luzia afgesproken bij de receptie. We zouden met z’n vieren gaan eten. We aten bij het Red River Restaurant, omdat eenvoudigweg het dichtsbij was en omdat we geen zin hadden om een restaurant te zoeken.

Om 23.00 uur lagen we op bed.

Vrijdag 12 juni 1998

Vanochtend gingen we eerst naar de bank, want het saldo in de portomonee daalde weer tot gering. We konden pinnen bij een geldautomaat. Rolf had verteld waar een geldautomaat was (noordwest kant van het HoanKiem meer bij de ANZ-bank), maar we waren niet zo enthousiast. Er werd een forse $ 4 commissie gerekend. Nadat we geld hadden gewisseld, reden we met een cyclo naar de éénpilaarpagode. Beiden hadden we onze eigen cyclo. Het is best mogelijk om met z’n tweeën in één cyclo te zitten, maar een eigen cyclo is toch meer relaxed.  De éénpilaarpagode was wel grappig. Het is een houten pagode op een betonnen pilaar.

Daarna liepen we naar het mausoleum, dat in de directe omgeving van de pagode ligt. We moesten om het mausoleum lopen om aan de voorzijde te komen. Toen we over het voetpad voor het mausoleum liepen, werden we door de bewaking (al fluitend) gesommeerd van het voetpad af te gaan en op de weg te gaan lopen. De weg was afgezet voor het verkeer en dus rustig, maar het is nogal vreemd dat er een mooi voetpad is aangelegd en je er geen gebruik van mag maken.

Vervolgens liepen we via een mooie wijk met allemaal Franse, koloniale huizen naar de tempel van de literatuur. De tempel was mooi en lag relatief rustig in een mooi park. In de tempel was een orkestje aanwezig, dat een muziekvoorstelling gaf.

We dronken een cola in een restaurantje waar alleen maar Vietnamezen zaten en liepen daarna in de richting van het station. We winkelden wat om vervolgens in de richting van het Hoa Kiem meer te lopen.

Om 18.30 uur hadden we met Rolf en Luzia afgesproken om gezamenlijk te gaan eten. Dat deden we bij het Green Bamboo restaurant, waar we voortreffelijk aten. Tijdens het eten begon het (weer) te weerlichten en even later hoorden we het ook donderen (nogal uitzonderlijk zoals we hebben ervaren). Weer even later begon het ook te regenen. Rechte stralen water kwamen naar beneden en we besloten om nog maar even te wachten met het naar huis lopen, totdat het weer droog was. We lagen weer laat op bed, maar dat krijg je als je met een leuk en gezellig stel op pad gaat.

Zaterdag 13 juni 1998

We namen een cyclo naar het kantoor van Vietnam Airlines. Onderweg kreeg mijn cyclo driver nog een klein ongelukje met een fietster.

Om 9.30 uur vertrok het minibusje vanaf het kantoor van Vietnam Airlines naar het Noi Bai vliegveld van Hanoi. Een klein uurtje later waren we op het vliegveld en daar moesten we nog een uur wachten voordat we konden inchecken. De twee Franse meisjes die ook de Halong Bay tocht hadden gemaakt, waren er ook. Zij hadden dezelfde vlucht terug naar Kuala Lumpur. We kletsten nog wat met hen om de tijd te doden.

Nadat we hadden ingecheckt (de plaatsen hadden we al gereserveerd tijdens het herbevestigen), moesten we de luchthavenbelasting betalen ($10 p.p.) en vervolgens liepen we door de douane. De douanier scande het paspoort en een modern Windows-programma gaf autorisatie door middel van een rood of groen licht op de computerscherm. Waarschijnlijk was de computer gelinked met interpol of zoiets. Nadat we door de douane waren, kwamen we bij de tax free winkels. Ik zal niet overdrijven; het waren er zeker vier.

Om 12.40 uur stond het vliegtuig, een Boeing 737, op de startbaan. De vlucht verliep soepel, afgezien van wat turbulentie boven Maleisië. Er waren grote wolkenformaties en telkens als het vliegtuig tegen een wolkenformatie ‘botste’, was er wat turbulentie. Het eten aan boord was weer uitstekend.

Om 16.30 uur, een half uur (!) eerder dan gepland, landden we op het vliegveld van Kuala Lumpur. We liepen nog wat door de tax free winkels om vervolgens bij gate 14a met een pendelbus naar terminal 3 te worden gebracht. Terminal 3 is voor de binnenlandse vluchten en voor vluchten naar Singapore.

Om 20.45 uur stonden we aan de slurf op het vliegveld van Pinang. We wachtten op onze rugzakken, die natuurlijk weer als laatste kwamen, om vervolgens door de douane te gaan. Omdat we zo lang op de rugzakken moesten wachten en iedereen al weg was, waren ook de douaniers al weg en konden we zonder controle door de douane lopen.

Bij de taxi-desk direct na de douane (in het gebouw) kochten we een ticket voor de taxi naar Batu Ferringhi voor RM 29, waar we om 21.45 uur arriveerden. Dat was wel even wennen na de eenvoudige guesthouses van de afgelopen maand. We handelden de formaliteiten af bij de receptie en liepen toen naar de kamer. We legden de rugzakken op de kamer en gingen daarna direct naar het restaurant van het hotel, want we wilden nog wel even dineren en het restaurant was maar tot 22.30 uur open. We bestelden een overheerlijke, maar nogal pittige schotel en het was niet eens zo heel gek duur. Voor ons tweeën waren we ƒ 23,- (RM 48) kwijt inclusief drankjes. Het eten was redelijk goedkoop, terwijl het bier relatief duur was.

Na het eten genoten we van de luxe kamer en het superbrede bed.

Zondag 14 juni 1998

Ik heb heerlijk geslapen, maar om half 10 was het wel even haasten. Binnen tien minuten stonden we in het restaurant om te ontbijten. Er was namelijk maar tot tien uur de mogelijkheid om in het restaurant te ontbijten. Er was een ontbijtbuffet en we namen het er goed van.

Na het eten besloten we om naar Kota Ferringhi te lopen. We dachten langs het strand te kunnen lopen, maar dat was niet zo. We konden alleen in de berm langs de weg lopen en het was een behoorlijk eind. Zelfs zo ver (gevoelsmatig, want het zal niet veel meer zijn dan drie kilometer) dat we besloten om langs de weg te wachten op een taxi. Dat duurde nogal lang en ik besloot als geintje m’n duim op te steken. De eerste paar auto’s reden gewoon door, maar plots stopte een auto. Ik deed het portier aan de bijrijderskant open en zag een gesluierde islamitische vrouw achter het stuur zitten. Zij vond het absoluut geen probleem om ons in Kota Ferringhi af te zetten. Ze reed door tot in ‘het centrum’ en zette ons af. Daarna keerde ze en reed ze terug, naar waar ze zelf heen moest. Vriendelijk vrouwtje. We liepen wat rond in het dorpje, maar het was weinig opwindend. De (enige) geldautomaat in het dorpje accepteerde onze Postbankpas niet en het postkantoor was gesloten. We wisselden daarom maar wat dollars voor ringgit bij een wisselkantoortje. Daar vroegen we ook naar de mogelijkheid tot het huren van een auto die we dan op het vliegveld achter konden laten. Dit was wel mogelijk, maar de minimum huurtermijn was 4 dagen en daarvoor zouden we dan ook moeten betalen. Een beetje een duur geintje en we besloten daarom ook maar van het huren van een auto af te zien en op zoek te gaan naar vliegtickets.

We namen de bus naar het Island Shopping Center. We wilden eigenlijk de bus terug naar het hotel te nemen, maar we kwamen een ouder Australisch stel tegen en die zeiden dat het shopping center open was. Vandaar dat we doorreden naar het Island Shopping Centre. Bij een Kodak één-uur service lieten we een fotorolletje ontwikkelen. Daarna liepen we naar de Häagen Dazs winkel, waar we een (duur) lekker ijsje kochten. Daarna liepen we nog door de Shopping Mall en zochten we naar een geldautomaat. Alhoewel er drie aanwezig waren, weigerde twee de postbankkaart en was er één buiten werking. Om 14.30 uur haalden we de foto’s op. Ze waren van een goede kwaliteit en de prijs was redelijk; RM21 (ƒ 10,-) voor een rolletje van 36 foto’s.

We namen een taxi naar de Citybank in Georgetown, want daar was de dichtsbijzijnde bank met een geldautomaat die wel buitenlandse kaarten accepteert. We lieten de taxichauffeur verder rijden naar het Komtar Shopping Centre nadat we weer voorzien waren van geld. Het Komtar Shopping Centre is eenvoudig te herkennen, want het ligt aan de voet van de hoogste toren (voor hoe lang nog?) van Georgetown. De toren is 65 verdiepingen hoog en daarvan zijn alleen al 20 verdiepingen gereserveerd als parkeergelegenheid.

We shopten wat rond, maar waren niet echt gecharmeerd van het shopping centre. Het zag er eigenlijk een beetje verwaarloosd uit. Zoals Hoog Catharijne in Utrecht. Bij een boekhandel kochten we enkele boeken en bij een warenhuis kocht ik een paar stoere stappers voor RM179 (ƒ 80,-).  Shoppen in Maleisië is echt leuk, want op de prijskaartjes staan dezelfde bedragen als in Nederland, maar de munt is maar de helft waard. Zo is een cd RM40, wat wil zeggen ƒ 20,-.

We aten ’s avonds in een lekker tandoori restaurant in Georgetown. Na het eten namen we een taxi terug naar het hotel. De taxichauffeur vertelde veel. Hij was erg geïnteresseerd in onze reis naar Vietnam en vertelde ook veel over de slechte economische situatie in Maleisië van dit moment. Zo gaf hij voorbeelden van bouwprojecten die stil lagen, doordat de investeerders geen geld meer hadden en dat de illegale Indonesisch bouwvakkers opgepakt en het land uitgezet waren. En dat de hotels maar een bezettingsgraad hebben van ongeveer 20%. Dat kan wel kloppen, want in ons hotel kost de goedkoopste kamer volgens de folder 250 ringgit per nacht, maar nu slechts 118 ringgit per nacht. In het hotel dronken we nog een wat voordat we naar bed gingen.

Maandag 15 juni 1998

Om 9.00 uur ging de wekker en nadat we ons hadden aangekleed, ontbeten we in het restaurant van het hotel. Daarna namen we de bus naar het Island Shopping Centre om 9 fotorolletjes te laten ontwikkelen en afdrukken. Nadat we de fotorolletjes hadden weggebracht, namen we de taxi (via de Citibank) naar de Komtartoren voor 10 dollar. Het is wel even wennen, want de Maleisiërs noemen hun eigen munt een dollar, omdat er een dollarteken op de biljetten staat. Wat ze bedoelen is ringgit en niet de Amerikaanse dollar. Bij de Citibank nam ik 200 ringgit op voor de foto’s.

Bij de Komtartoren werden we gedropt en we liepen naar de vierde etage naar het kantoor van Malaysia Airlines. Daar werden we verwezen naar het kantoor op de begane grond. Daar kochten we twee tickets naar Kuala Lumpur op 17 juni om 19.00 uur voor RM 104 per stuk en herbevestigden we onze ticket naar Amsterdam.

We liepen terug het Komtargebouw in en kochten op de derde etage bij de informatiebalie een ticket naar de 59e etage. We moesten terug naar de begane grond, waar de liften waren. Met een snellift schoten we naar de 59e etage. Het uitzicht was er prachtig. We hadden ook mooi zicht op de 7 kilometer lange brug die Pinang met het vaste land verbindt. Ook dronken we een cola in het restaurant.

De rest van de dag winkelden we. We kochten een squashracket (RM80), squashballetjes (RM7 per stuk), twee paar schoenen voor Marjolijn (RM45 per paar), een T-shirt voor Marjolijn (RM20) en een spijkerbroek voor mij (RM109). Ook kochten we een sporttas om alle aankopen in te kunnen vervoeren (RM7).

Daarna liepen we nog wat door Georgetown en bezochten we Fort Cornwallis (niet interessant). We namen een taxi naar het Island Shopping Centre, waar we om 16.30 uur de foto’s ophaalden. De foto’s waren uitstekend van kwaliteit en de totale kosten bedroegen RM 200,50 (ongeveer 100 gulden).

We namen de bus terug naar het hotel, waar we een ‘happy hour’ biertje dronken in het hotelcafé (drie biertjes krijgen; twee betalen).

Dinsdag 16 juni 1998

Hele dag aan het zwembad gelegen.

Woensdag 17 juni 1998

Vandaag zijn we met de bus naar Georgetown gegaan. In Georgetown moesten we van bus wisselen, want we wilden naar Bukit Bendera, oftewel Pinang Hill. Al met al duurde het een behoorlijke tijd voordat we er waren. Het was slimmer geweest om een taxi te nemen.

Bij Bukit Bendera kochten we ticket voor het treintje naar boven. Eenmaal boven hadden we niet zo heel erg veel tijd. We dronken wat fris op een terrasje en kochten een ijsje. Helaas was de top van de Bukit Bendera gehuld in de mist en was het uitzicht dus niet zo mooi. We hoorden het zelfs onweren. Weer pech dus vandaag. Daarna namen we het treintje terug naar beneden en vervolgens de bus terug naar het busstation onder het Komtargebouw. De bus kwam vast te zitten in een file en wij hadden haast. We hadden namelijk met de receptioniste van het hotel afgesproken dat we om 15.00 uur zouden uitchecken.

Vanaf het Komtargebouw namen we een taxi terug naar het hotel, waar we om 15.20 uur aankwamen. We verontschuldigden ons bij de receptioniste, maar die maakte nergens een probleem van en gaf ons tot 16.00 uur de tijd. We konden dus nog even douchen op de kamer en om 16.00 uur checkten we uit. We rekende af (het eten van de eerste avond was opgeschreven en moest nog afgerekend worden) en vroegen een taxi te bellen die om 17.00 uur klaar zou staan. Daarna liepen we naar het restaurant, waar we dineerden om 16.30 uur.

De taxi stond om 17.00 uur klaar en hij bracht ons naar het vliegveld. Ook deze chauffeur was aangenaam gezelschap en tijdens de tocht door de dure wijk van Georgetown vertelde hij wie er in de grote huizen woonden die we passeerden. Ook vertelde hij verder veel over Pinang. Drie kwartier later waren we op de luchthaven. De bagage moest eerst gescand worden voor we mochten inchecken. Na het inchecken kwamen we erachter dat het vliegtuig weer vertraging had. Het maakte ons niet veel uit. We zouden of op Pinang of in Kuala Lumpur moeten wachten.

De vlucht naar Kuala Lumpur verliep oké. In Kuala Lumpur moesten we een behoorlijke tijd wachten voordat we door de immigratie waren. Beetje vreemd, want we waren op Pinang ook al door de immigratie geweest. Het duurde zo’n een tijd doordat er veel buitenlanders voor ons stonden die goed gescreend werden (mensen uit Pakistan of Bangladesh??). Maar eenmaal door de immigratie, stapten we in de bus die ons naar terminal 1, de internationale terminal, bracht. Daar moesten we wachten  tot 23.15 uur voordat we door de slurf naar een gereedstaande bus konden lopen die ons naar een achteraf parkeerplaats voor vliegtuigen bracht. Daar stonden enkele Boeing 777’s, waaronder ook ons toestel dat ons naar Amsterdam terug zou brengen. Het vliegtuig vertrok iets te laat (10 minuten), maar de vlucht verliep verder zeer voorspoedig.

Op Zurich mochten we het vliegtuig verlaten. Het was wel even lekker om de benen te strekken en na een korte tussenlanding kwamen we met een uurtje vertraging aan op Schiphol, waar het weer fantastisch weer in Nederland; regen en 16 graden celsius L. We wachten op de rugzakken (duurde weer een behoorlijke tijd) en na het passeren van de douane liepen we naar de bushalte. We namen de bus naar huis, waar we om een uur of elf aankwamen.

We hebben een fantastische reis achter de rug en kunnen het iedereen aanraden.